|
18 mei
2004: Ruimte voor dieren en voor mensen in DDD
klik hier
voor de column van Julius Pasgeld
Zelden zijn de gasten in De Derde Dinsdag van Dudok
het zo met elkaar oneens geweest als deze keer. Op het programma
stond het fokbeleid op de Haagse stadsboerderijen, en aan tafel
zaten - behalve presentator Hans Pars en gelegenheidspresentator
Julius Pasgeld - Irene Keller van de Haagse Dierenbescherming en
raadslid Jeremy van Laar (VVD).
Mevrouw
Keller is boos. Boos op mensen die de boerderijdieren almaar
volproppen met plastic en beschimmeld brood, boos op kinderen die
de hele dag door aan dieren lopen te plukken alsof het om speelgoed
gaat en - niet in de laatste plaats - boos op de gemeente Den Haag.
Die deed het altijd voorkomen alsof dieren die boventallig waren
geworden naar andere boerderijen werden verplaatst. Maar de actiegroep
Zorgvoordieren was erachter gekomen dat dat helemaal niet zo is.
Die dieren gaan naar handelaren en eindigen hun leven niet zelden
op de slachtbank. En dáár is ze dan wel weer blij
om, dat Zorgvoordieren dat heeft opgepikt.
Raadslid
Van Laar is het geheel en al met zijn gesprekspartner eens
dat dierenwelzijn van groot belang is. De regels op dat gebied moeten
streng worden nageleefd. Zo is er onlangs in de raadscommissie gedebatteerd
over de huisvesting van konijnen, nadat onderzoek had aangetoond
dat deze sociale dieren beter af zijn met twee in één
kooi. Dat moet dan ook gewoon gebeuren. "Houdt de gemeenteraad
zich wèrkelijk met dat soort discussies bezig?", aldus
een ongelovige Hans Pars. Jawel, verzekert Van Laar, en dat met
grote betrokkenheid van de aanwezigen op de publieke tribune.
Voor mevrouw Keller gaat dit lang niet ver genoeg. Wat haar betreft
zouden de Haagse stadsboerderijen gesloten moeten worden, maar bij
wijze van compromis mag er dan wel één overblijven.
Een grote boerderij, waar dieren de ruimte hebben, waar oude dieren
een plek vinden en waar voldoende toezicht is.
Jeremy van Laar wil niet degene zijn die in veel wijken moet gaan
uitleggen dat daar de kinderboerderij weg moet. Vooral in erg stedelijke
wijken hebben die boerderijen een belangrijke ontmoetingsfunctie
en wordt het contact tussen mens en dier als een verrijking ervaren.
En een overgrote meerderheid van de gemeenteraad wil trouwens dat
de boerderijen blijven.
"Maar kinderboerderijen vormen toch een volstrekt
kunstmatige situatie?!", stelt Julius Pasgeld, nooit te beroerd
om een knuppel in een hoenderhok te gooien - alsof dàt zo
goed is voor het dierenwelzijn. "Kinderen wìllen helemaal
geen vieze dieren hoeven aaien en die dieren willen niet constant
geaaid worden. Als we kinderen dieren willen laten zien, moeten
we ze meenemen naar een èchte boerderij."
Van Laar vreest dat het zien hoe het er op een èchte boerderij
aan toe gaat slechter is voor de tere kinderziel dan het rondlopen
op een kinderboerderij - zelfs in de wetenschap dat die lieve diertjes
misschien voor de slacht bestemd zijn. Dieren in de bio-industrie,
en zelfs een hoop huisdieren, hebben het aanzienlijk slechter.
Waarna zich een discussie ontspint over de vraag wat je wel en
niet aan kinderen moet laten zien. Oftewel: wat is nog educatief
en vanaf welk punt is iets pedagogisch onverantwoord. Vlees eten
is algemeen geaccepteerd, maar moet je dan ook laten zien hoe een
dier geslacht wordt? En jonge dieren vindt iedereen leuk, maar moet
je dan ook tonen hoe die totstandkomen?
In
de zaal zijn de meningen over dit onderwerp al even verdeeld. Een
koe waarvan het kalf wordt weggehaald gaat helemaal over de rooie,
weet iemand uit ervaring. Maar zelfs in de biologische veehouderij
worden de kalveren weggehaald, weet een ander, ook al zouden die
boeren uit een oogpunt van dierenwelzijn wel anders wìllen.
Een kinderboerderij is bio-industrie in het klein, aldus een derde.
Welnee, vindt weer een ander, kinderen leren er juist respect voor
dieren op te brengen, hoe je ze verzorgt, ze leren waar het voedsel
vandaan komt en hoe de landbouw werkt.
Kortom: zoveel hoofden zoveel zinnen. Het Dudok-publiek lijkt wel
een afspiegeling van de gemeenteraad. Of van de samenleving.
Gelukkig is de sfeer na de pauze aanzienlijk harmonieuzer. Want
dan gaat het over de Nota Ruimte van VROM-minister Dekker en daarover
is iedereen het wel eens: dat is een slechte nota. Of, zoals Tom
Pitstra van het Haags Milieucentrum het uitdrukt: ruimtelijke ordening
is hier de dienstmaagd van de economie. De belangrijkste functie
van de Nota Ruimte is economische groei te faciliteren. Terwijl
voorheen het Rijk een dikke vinger in de pap had bij de ordening
van het land, wordt het beleid nu grotendeels gedecentraliseerd.
Provincies en gemeenten kunnen veel meer hun gang gaan.
Tijs
Breuer van de Zuid-Hollandse Milieufederatie is bang dat de
'verrommeling' van het groen, die toch al plaatsvindt, onder de
nieuwe Nota alleen nog maar verhevigd wordt. Hij vreest niet zozeer
voor het Groene Hart, maar vooral voor de groene gebieden dicht
tegen de steden aan: Midden Delfland, de Groenblauwe Slinger. Die
hebben geen nationale prioriteit en dreigen dicht te slibben, terwijl
ze voor de groene recreatie van omwonenden heel belangrijk zijn.
De Zuid-Hollandse Milieufederatie laat het er niet bij zitten. Minister
Dekker heeft de inspraak op de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening
van Pronk - die nooit parlementair behandeld is - opgevat als inspraak
op haar nota. En die is wezenlijk anders. De groene en rode contouren
zijn bijvoorbeeld geruisloos afgevoerd. Dat de Nota Ruimte zonder
inspraak totstandgekomen is gaat de Milieufederatie via de rechter
aanvechten.
Piet
Houtenbos is de ruimtelijke ordeningsdeskundige bij het Stadsgewest
Haaglanden. Als ambtenaar bij een samenwerkingsverband van negen
gemeenten, waaronder Den Haag, zou hij toch blij moeten zijn met
de grotere bevoegdheden, zou je denken. Maar nee. "De nota
zet wel lijnen uit, maar stelt geen instrumenten en geld beschikbaar
om iets te kunnen doen. We hebben in Haaglanden een goede groenstructuur
afgesproken, maar daar moet in geïnvesteerd worden. Het Rijk
moet met geld over de brug komen. Bijvoorbeeld om te zorgen dat
er veehouderijen kunnen blijven in ons gebied. Ga niet met je kinderen
naar een stadsboerderij, maar naar een echte. Die staan ervoor open."
Pitstra
vindt het een wezenlijk bezwaar dat de Nota zo sterk op de Randstad
gefocust is. Wat hem betreft zou de spreidingsfilosofie van enkele
decennia geleden een nieuwe kans moeten krijgen. En een ander bezwaar
is dat er minder sterk wordt ingezet op binnenstedelijk bouwen.
Als steden de ruimte krijgen om een groter deel van de woningbehoefte
buitenstedelijk op te lossen, zal dit ongetwijfeld ten koste gaan
van het groen.
Houtenbos ziet veel in dubbel grondgebruik. Zoals wonen boven winkels
en projecten als Sijtwende in Voorburg en Hooghage. Maar soms zullen
milieubepalingen in het gedrang komen, daaraan valt niet te ontkomen.
Waar normen op het gebied van geluidshinder, bodemverontreiniging
e.d. de bouw van woningen en bedrijven beperken, moet worden bekeken
hoe creatief met die beperkingen kan worden omgegaan. De bottleneck
komt ook hier weer neer op de financiën.
Pitstra denkt dat gemeenten méér binnenstedelijk
kunnen bouwen dan ze in eerste instantie vaak denken. Zo is in Den
Haag een studie uitgevoerd door Tangram architecten (de VELOV-studie)
voor bebouwing in hoge dichtheden langs lijnen van openbaar vervoer.
Zoiets zou Rotterdam ook moeten doen, dan hoeft die gemeente niet
in de woningvraag te voorzien door te bouwen in de Zuidplaspolder
(gelegen tussen Rotterdam, Zoetermeer en Gouda). Hij verschilt hierover
van mening met Tijs Breuer, die ervan overtuigd is dat Rotterdam
niet meer dan zestig procent binnenstedelijk kan bouwen en inderdaad
naar de Zuidplaspolder zal moeten uitwijken. Het wordt nog druk
in de Zuidplaspolder, want ook de gemeente Den Haag heeft daar een
oogje op. De glastuinbouw die moet wijken voor woningbouw kan daar
mooi naartoe.
Piet Houtenbos gaat in elk geval energiek aan de slag. Haaglanden
gaat bestuderen hoe en in hoeverre de komende tien jaar in de woningbehoefte
kan worden voorzien door bebouwing langs 'stadsbanen': openbaarvervoerlijnen
tussen de woonkernen in het stadsgewest. Dat is in elk geval goed
nieuws voor de inwoners van Zuid-Holland die zich geen huis in Brabant,
Gelderland of Utrecht kunnen veroorloven.
Hans
Ruitenberg (gitaar en zang) en Jan Hut (bas en achtergrondzang)
vulden de pauze met welluidende klanken. Na afloop van DDD namen
ze hun instrumenten weer ter hand en wisten ze vervolgens niet van
ophouden.

Julius Pasgeld: Gereedschapskist
U
kent ze wel, die gereedschapskistjes voor kinderen. Er zit van alles
in. Een klein zaagje, een paar kleine tangetjes. Een schroevendraaiertje
en soms zelfs een elektrisch boortolletje. Het ziet er allemaal
vreselijk interessant uit. En ouders die ook maar iets aan technische
interesse bij hun kroost bespeuren zijn al gauw geneigd dat te belonen
met zo'n prachtige gereedschapskist.
Dat moeten ze echter vooral niet doen.
Want als er iets is, dat de technische belangstelling van de kleine
in de kiem smoort is het wel zo'n prachtig gereedschapskistje voor
kinderen. Als iets een levenslange aversie tegen gereedschap veroorzaakt
zijn het wel die kleine zaagjes en tangetjes.
Want met de zaag kan je niet zagen omdat de tanden van plastic zijn
en in ieder geval vreselijk bot omdat de fabrikant van het leuke
setje anders schadeclaims van boze ouders aan de broek krijgt. De
schroevendraaier past wegens een veel te groot uiteinde in geen
enkele schroef. En hebt u zelf wel eens een gat geboord met zo'n
speelgoedboortolletje? Nee natuurlijk. Daarvoor pakt u uw eigen
super de luxe Black en Decker. En dan nog gaat het doorgaans niet
van een leien dakje. Maar om uw kind te leren een gat te boren geeft
u hem wel zo'n plastic onding.
Het enige dat een kind van een dergelijk gereedschapsetje leert
is dat het op latere leeftijd nooit meer gaten wil boren als er
thuis eens een klusje moet worden geklaard. Dat het nooit meer een
schroef wil vastdraaien of losdraaien. Dat het braakneigingen krijgt
bij het zien van een tangetje. En geef hem eens ongelijk met die
ondeugdelijke, idiote plastic dingen nog vers in het geheugen.
Nee. De enige manier om het vleugje technische interesse bij uw
kind aan te wakkeren is hem uw eigen vlijmscherpe gereedschap uit
te lenen en hem daarmee onder toezicht en voorzien van deskundige
aanwijzingen te leren werken.
Als ik aan die kleine gereedschapssetjes voor kinderen denk moet
ik gelijk denken aan kinderboerderijen.
Wat is er nou weer mis met kinderboerderijen? Leuk toch? Zo komen
kinderen nog eens in aanraking met de natuur. Ze zien levende koeien
en geiten terwijl de zachte schapendrollen zich tussen de profielen
van hun kleine Nike-jes nestelen. Ze worden een lethargische ezel
gewaar die vanwege de plastic zakken die hij stelselmatig krijgt
gevoerd langzaam aan nierontsteking aan het doodgaan is. Ze zien
een amechtige ram die uit een soort van perverse verveling al twee
weken tevergeefs probeert vleselijk in te gaan tot een drietal halfgeplukte
ganzen. Ze zien dieren in de schaduwen van een sleetse omgeving.
Dieren die hoe dan ook veroordeeld zijn tot de slacht. Leuk. En
zo, dames en heren, brengen wij de nieuwe generatie de liefde tot
de natuur bij.
U begrijpt waar ik heen wil. Net zoals alleen het beste gereedschap
goed genoeg is om ons kroost technische vaardigheden te leren, volstaat
alleen de meest uitgelezen situatie om onze kinderen iets bij te
brengen van de werkelijke wonderen der natuur.
Kinderboerderijen !? Leuk voor ouders die te beroerd zijn om met
hun kinderen een eindje verder te fietsen om ze te laten zien hoe
het werkelijk toegaat in de natuur. Nee. Kinderen leren niks van
de amechtige troosteloosheid van kinderboerderijen en als ze dan
toch al met hun snufferd in die koeienvla aldaar gedrukt moeten
worden is het ze niet kwalijk te nemen dat ze op latere leeftijd
dat soort kinderboerderijennatuur zo snel mogelijk willen inruilen
voor een nieuwe nota Ruimte met nog meer flats, kantoren, snelwegen,
recreatieparken, nog meer kinderboerderijen en nog meer andere gereedschapskistjes
voor infantielen.
|