|

|
Derde Dinsdag archief
|
|
 |
Verslag 21 december 2004
klik hier
voor de column van Julius Pasgeld
Windturbines: nuttig, mits op de juiste plek
|
Zijn er dan echt geen voorstanders
van windenergie meer? Boze boeren en badgasten doen hun best
om het oprichten van turbines tegen te houden, terwijl het tv-programma
Zembla en het weekblad Elsevier breed uitpakken
over de mislukkingen en tegenslagen.
Maar ze bestaan nog. Gisteren waren maar liefst vier voorstanders
van deze alternatieve energiebron aangeschoven aan de stamtafel
van het milieucafé De Derde Dinsdag (anders dan vroeger
stond deze niet meer in café Dudok, maar in het Atrium
van het Haagse stadhuis, voor café De Ooievaar).
Ondanks hun gedeelde voorkeur werd het zeker geen genoeglijk
onderonsje. Daarvoor liepen de meningen te veel uiteen. Eerst
maar eens die van wetenschapsjournalist annex docent aan de
TH Rijswijk, Eize de Vries. |
 |
| De Vries verwacht dat
wind in het jaar 2020 in twaalf procent van de mondiale energievoorziening
kan voorzien. De toekomst is aan kleinschalige, intelligente
systemen. De angst voor instabiliteit van het elektriciteitsnet
vanwege het grillige aanbod deelt hij niet met de deskundigen
die in ‘Zembla’ aan het woord kwamen. “Dat
waren deskundigen uit de oude doos. Zij zijn niet meegegroeid
met de technologische ontwikkelingen van na de jaren ’60.
Ze hebben grote moeite de knop om te zetten.“ Voor instabiliteit
van het net valt volgens De Vries niet te vrezen zolang wind
niet meer dan twintig procent van het aanbod uitmaakt. De netten
van diverse landen zijn aan elkaar gekoppeld, zodat schommelingen
kunnen worden opgevangen. |
Rolf Kunneke,
hoogleraar in de economie van de infrastructuur aan de TU
Delft, relativeert het belang van die koppeling van netten.
“Transport van energie over langere afstanden leidt
tot verliezen, en dat is niet goed voor het milieu. De grens
voor het transport van wisselstroom ligt bij ongeveer 250
kilometer. En zeker als je kiest voor decentraal opwekken
van windenergie moet je dat transport niet willen.”
Kunneke benadrukt dat de voorzieningszekerheid gewaarborgd
moet worden. “In Jutland bestaat meer dan de helft van
het energieaanbod uit windenergie. Maar daar lopen ze nu dan
ook tegen de grenzen op. Te veel molens maken het net instabiel.”
In die luxepositie verkeren we in Nederland echter nog lang
niet. Windenergie maakt hier slechts een paar procent van
het totaal uit. Er kunnen dus nog heel wat turbines bijgebouwd
worden voordat instabiliteit dreigt. Meer Turby’s?,
oppert presentator Stef de Niet, onder verwijzing naar de
groot uitgevallen slagroomklopper die juist anderhalve week
eerder op het dak van het stadhuis is geplaatst. |
 |
 |
“Peanuts’, vindt
Bert Bakker van de Zuid-Hollandse
milieufederatie. Hij ziet meer in grote turbines, hetzij op
land, hetzij in zee. “Uitwijken naar zee zal onontbeerlijk
zijn, gezien de weerstand tegen molens op land. Maar het is
van belang de totale energiemix in de gaten te houden. Niet
alleen windenergie, maar ook zonne-energie en biomassa. Het
is een kwestie van én-én.”
“Een grote turbine op zee kan 20 miljoen kilowattuur
leveren”, weet Eise de Vries. “En die Turby hier
op het stadhuis staat op de verkeerde plaats op het dak. Die
zal niet veel opleveren.” Ook De Vries wijst op het
belang van een energiemix, maar voegt daar een belangrijk
element aan toe: energiebespáring.
Hier vindt hij Kunneke tegen zich. “Energiebesparing
is een utopie. Het is veel zinvoller om te zorgen dat mensen
hun energievraag afstemmen op het aanbod van het moment. Dus
bijvoorbeeld wachten met het aanzetten van de wasmachine.
|
Van molens op zee ben
ik geen grote voorstander. De discussie over grootschalige windparken
in de Noordzee is een dead end. Ik verwacht veel meer
van kleinschalige windenergieopwekking, hoewel dat dan weer
bijzondere eisen aan de netten stelt. Laten we wel wezen: windenergie
heeft ook nádelen. Zo kunnen windstromingen bij het plaatsen
van windturbines op zeer grote schaal veranderen, met zelfs
plaatselijke klimaateffecten als gevolg.” “Die
berichten zijn al lang door deskundigen weersproken”,
weet De Vries. Maar je moet zekerheidshalve niet alle turbines
in één groot blok zetten. Laten we niet verzanden
in academische discussies en eens beginnen met energieopwekking
op zee.” |
Tom Pitstra,
projectmedewerker energie bij het Haags Milieucentrum, deelt
de daadkracht van De Vries. Zo heeft hij de fabrikant van de
Turby en de drie Haagse woningbouwverenigingen bij elkaar gebracht
om te bekijken in hoeverre hoge flatgebouwen met de turbines
kunnen worden uitgerust. “En dan natuurlijk niet zoals
hierboven, waar de Turby op een slechte plek staat alleen maar
omdat hij niet vanaf de straat zichtbaar mag zijn.”
Over één onderwerp is iedereen het wel eens: kernenergie
is geen optie, ook al wordt die vaak als ‘schoon’
gepresenteerd. Pitstra is ervan overtuigd dat de redactie van
Zembla zich erg ontvankelijk heeft getoond voor de
argumenten van de kernenergielobby. Die is er goed in om het
belang van alternatieve energiebronnen te bagatelliseren. Kunneke
vindt het een eng verschijnsel dat kernenergie weer bespreekbaar
wordt, gezien het afvalprobleem. De Vries merkt op dat kernenergie
helemaal niet CO2-vrij is, zoals vaak gedacht wordt. Dat geldt
alleen voor de daadwerkelijke energieopwekking in de reactor,
maar niet voor de processen ervoor en erna. |
 |
Een life cycle
analysis – wanneer is de energie die je in een
energiebron moet steken voordat die energie gaat produceren
‘terugverdiend’ – komt voor kernenergie
enorm ongunstig uit. Een windmolen levert al na gemiddeld
zes maanden meer energie op dan bouw en plaatsing ervan gekost
heeft.
Over naar het tweede onderwerp: het Trekvliettracé.
Terwijl het grote nadeel van windenergie is dat er niet altijd
wind staat, is het grote nadeel van verkeer dat het er altijd
is. En dat in toenemende mate. De toevoerwegen naar Den Haag
slibben steeds meer dicht en het gemeentebestuur hoopt dat
te kunnen verhelpen met een nieuwe autoweg: van de Binckhorst
naar het Knooppunt Ypenburg. Er bestaan drie uitvoeringsvarianten,
waarvan er één eigenlijk al meteen als onhaalbaar
kan worden afgeserveerd. |
VVD-raadslid Herman Wilmer, partijgenoot
van verkeerswethouder Bruins, licht toe waarom er over zo’n
tracé nagedacht wordt. “Den Haag heeft vooral
problemen met de bereikbaarheid vanwege de ligging aan zee.
Er zijn nu dan wel een binnenring en een buitenring, om het
personenvervoer zoveel mogelijk buiten het centrum af te wikkelen,
maar die moeten met elkaar verbonden worden. Daartoe dient
het Trekvliettracé. Wij vinden dat je maximaal moet
inzetten op een infrastructuur voor fietsers en openbaar vervoer,
maar het is een illusie te denken dat je het autoverkeer kunt
indammen. Dat is nog nooit gelukt.” Overigens merkt
Wilmer op dat zijn fractie zich nog niet aan het plan gecommitteerd
heeft.
Tom Pitstra, die bij het Haags Milieucentrum ook ruimtelijke
ordening in z’n portefeuille heeft, verwacht wel dat
het autoverkeer kan worden ingedamd. “Een slimme kilometerheffing
biedt op dat vlak wel degelijk perspectieven. Wat ons betreft
is nut en noodzaak van het Trekvliettracé nog lang
niet aangetoond.” |
 |
 |
Dat geldt ook voor Koen
Baart (r), gemeenteraadslid voor de Partij van
de Arbeid. “Allereerst: de PvdA zich heeft gecommitteerd
aan het collegeprogramma, waarin staat dat het Trekvliettracé
van belang kan zijn voor de bereikbaarheid van Den Haag. Maar
dat wil niet zeggen dat we niet goed moeten discussiëren
over nut en noodzaak ervan. Er ligt al een hele tijd een ambtelijk
rapport, dat de gemeenteraad nog nooit gekregen heeft. Heel
irritant. Het gemeentebestuur leeft zijn actieve informatieplicht
niet na. We hebben de wethouder er onlangs nogmaals om verzocht.”
Wilmer beaamt dit. “De raad moet maar zien hoe die aan
z’n informatie komt. Het college heeft het hele ambtelijke
apparaat op sleeptouw genomen.” |
 |
Pitstra
heeft het rapport al wèl gelezen. De Belangengroep
Omwonenden Trekvliettracé wist het te bemachtigen
met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur en stelde
het hem beschikbaar.
Pitstra: “Het verkeer dat via het Trekvliettracé
de stad binnenkomt loopt uiteindelijk vast in de flessenhals
bij het Malieveld.” Pitstra acht het veel zinvoller
om het verkeer naar een andere, meer decentrale route te leiden.
Zoals de Prinses Beatrixlaan, conform de suggestie van Onafhankelijk
Rijswijk. Die wil de Prinses Beatrixlaan ondertunnelen, zodat
er dubbel ruimtegebruik mogelijk wordt. “Het Trekvliettracé
biedt eigenlijk alleen wat verlichting voor de Haagweg/Rijswijkseweg.” |
 |
“Maar die is helemaal niet
zo druk”, weet ervaringsdeskundige Julius
Pasgeld. Hij woont er vlakbij. “Vroeger
waren de Haagweg en Rijswijkseweg veel drukker. Er kan nog best
wat verkeer bij. Overigens lijkt de Prinses Beatrixlaan mij
een prima alternatief, al komt dat plan dan ook uit de koker
van Onafhankelijk Rijswijk.”
Jan van Male, voorzitter van ROVER Den Haag en als belangstellende
aanwezig, verwacht ook heil van verkeersafwikkeling via deze
weg. Zeker als de A4 wordt doorgetrokken door Midden-Delfland.
Maar die andere voorvechter van het openbaar vervoer, Ronald
van Onselen, waarschuwt vanuit de zaal om niet alleen maar naar
alternatieven op autogebied te zoeken. |
“De luchtproblematiek
maakt het niet vanzelfsprekend om weer een nieuwe weg aan te
leggen. Maak liever een transferium bij het Prins Clausplein
en zorg dat mensen daarvandaan via een metro of een sneltram
snel de stad in kunnen.”
Het laatste woord is aan VVD-raadslid Wilmer,
die waarschuwt voor overdreven verwachtingen. “Denk niet
dat je onmiddellijk effect ziet van uitbreiding van het openbaar
vervoer. Dat is iets voor de volgende generatie.” En tot
slot de mooiste beeldspraak van de avond: “Het is in Rijnmond
gebleken dat tachtig procent van de verplaatsingen op de A-wegen
lokaal of regionaal verkeer betrof. Dat zal in Haaglanden niet
veel anders zijn. Wat we nu doen is dus eigenlijk knijpen in
een tube tandpasta.” |
 |
|
Julius
Pasgeld:
Het Trekvliettracé
Dames en heren, stelt u zich eens voor: Den Haag
als één groot dak, dat afwatert op de A4. Een
flinke regenbui is dan te vergelijken met auto’s in
de spits en de A4 kunnen we beschouwen als een enorme afwateringsgoot
ten zuidoosten van Den Haag. Een goot van 10 kilometer lang
waar, in onze vergelijking, al die auto’s terecht komen.
En zoals het gaat met water zijn er regenpijpen die er voor
zorgen dat die auto’s op een ordentelijke wijze in de
goot komen. Die regenpijpen staan min of meer haaks op de
goot en het zijn er zes. Ze heten Wippolderlaan, Prinses Beatrixlaan,
Diepenhorstlaan, Haagweg, Utrechtsebaan en Noordelijke Randweg.
Vrijwel allemaal gemiddeld 2 x 2 baans regenpijpen of nog
breder. |
Ik schets het u
nogmaals: Den Haag...... regenpijpen....... afwateringsgoot.
Nu blijkt het afwateren niet zo’n probleem. Er is hier
en daar wat ongemak. Er is de gebruikelijke reparatieoverlast.
Soms zijn de wegen wat erg gauw glad. Maar over het algemeen
kom je Den Haag nog wel uit. Via de regenpijpen en de A4 kom
je immers vanzelf terecht in het grote rioleringsstelsel dat
ook wel rijksverkeerswegennet wordt genoemd. En wie dan leeft
die dan zorgt.
Nee. Dames en heren. Het probleem zit hem niet zozeer in
het afwateren. Maar meer in het opwateren, als ik me zo eens
mag uitdrukken.
Want vanuit dat grote rioleringstelsel schijnen sommige mensen
via de A4-goot en de zes regenpijpen Den Haag namelijk ook
nog wel eens in te willen. Ik persoonlijk begrijp dat niet
zo goed, maar daar gaat het nu niet om.
Nee. Waar we het over hebben is de stroom die Den Haag in
wil. En dáár wringt hem de schoen. Want in Den
Haag monden de zes genoemde regenpijpen naar boven toe echt
niet uit in een riant, breed rioleringsstelsel zonder stoplichten
dat verder leidt. Nee. Dames en heren. Eenmaal rond Den Haag
komen we bij het opwateren (welke van de zes zojuistgenoemde
regenpijpen we ook nemen) altijd terecht in een uitermate
ingewikkeld stelsel van pvc-pijpjes, limonaderietjes en macaronibochtjes.
Altijd. En al die pijpjes, rietjes en bochtjes zijn tot overmaat
van ramp ook nog eens voorzien van een onverantwoorde hoeveelheid
klepjes, luikjes, duikertjes, kraantjes en sluisjes die om
de haverklap dicht gaan en een paar minuten later weer open.
Dat ingewikkelde stelsel van hindernissen, ook wel verkeerslichten
genoemd, was oorspronkelijk bedoeld om het water toch nog
een beetje te laten stromen maar is er thans uitsluitend op
gericht het water zoveel mogelijk tegen te houden. Iedereen
die aan vaatvernauwing lijdt, begrijpt precies wat ik bedoel.
U begrijpt dus, dames en heren, dat het opwateren in Den Haag
een groot probleem is. Met als gevolg enorme vloedgolven en
overstromingen op de plek waar de regenpijpen aan de bovenkant
overgaan op pijpjes, rietjes en bochtjes.
Maar daar hebben ze nu, na jarenlang gepuzzel en gepieker
eindelijk wat op gevonden.
Het Trekvliettracé.
Nog een regenpijp dus.
Een zevende regenpijp. Een regenpijp die loopt van de A4 omhoog
naar de pijpjes, rietjes en bochtjes, klepjes, luikjes en
duikertjes, kraantjes en sluisjes in het centrum van Den Haag.
Fantastisch!
Weer een blikken vloedgolf in de spits. Weer iedere dag ronkende
overstromingen van slierten.
Maar nu niet alleen aan het eind van de zes regenpijpen zoals
De Zuid Hollandlaan, de Erasmusweg en de Prins Bernardlaan.
Maar nu ook nog eens vlak onder het Centraal Station midden
in het centrum!
En dat komt mooi uit!
Want met de Koningstunnel en de Tramtunnel begon het in Den
Haag juist op díe plek net een beetje dragelijk te
worden. En ik begon al te vrezen dat ik daar niks meer te
mopperen zou hebben.
Dank u wel. |
|
|
 |
 |
 |
| Neem een gratis
abonnement
op Branding, hét Haagse tijdschrift voor natuur en milieu,
of klik hier voor de elektronische
versie.
|

|
 |