|
20 april 2004: Haags groen
en hoe er te komen
klik hier
voor de column van Julius Pasgeld
Vergeleken met 29 andere grotere steden heeft Den Haag relatief
weinig groen per woning. Uit een recent onderzoek door Alterra,
getiteld Groene
meters deel II, blijkt dat de Residentie slechts over 48,8
m2 meter groen per woning beschikt. Aanmerkelijk lager dan het kengetal
van 75 m2 en de laagste score van de dertig vergeleken gemeenten,
op Haarlem na.
In
De Derde Dinsdag in Dudok van april legt onderzoekster Veroniek
Bezemer uit wat ze precies gemeten heeft: "We hebben 'groen'
heel breed opgevat: niet alleen parken en bossen, maar ook sportvelden
en begraafplaatsen horen erbij. Straat- en laanbomen zijn daarentegen
buiten beschouwing gelaten. Onze opzet was te kijken in hoeverre
bewoners in hun nabije omgeving groen hebben, wat belangrijk is
voor recreatie, voor de gezondheid en voor hun welbevinden. Dat
hebben we gemeten binnen de bebouwde kom en in een straal van respectievelijk
vijfhonderd en duizend meter daaromheen. Als je dat buitengebied
meetelt komt Den Haag wèl boven de 75 m2 uit."
Wat gastpresentator Julius Pasgeld - die voor één
keer onze vaste presentator Stef de Niet vervangt - ietwat vilein
doet opmerken: "Maar als ik op zondag een flinke wandeling
ga maken ben ik er helemaal niet in geïnteresseerd dat er binnen
een straal van vijfhonderd meter een sportveld te vinden is."
"Onze belangstelling ging meer uit naar groen dat mensen op
een dagelijks ommetje kunnen tegenkomen dan op een zondagse wandeling",
legt Bezemer uit. "En we hebben niet gekeken naar de kwaliteit
van het groen. In dit onderzoek, waarvoor het ministerie van LNV
opdrachtgever was, is alleen gekeken naar omvang en ligging."
Frits
Prillevitz, voorzitter van de Algemene
Vereniging voor Natuurbescherming (AVN), meent dat de onderzoeksopdracht
wel wat erg beperkt was. "De Westlandse Zoom is niet meegenomen
en ook het Westduinpark niet. Daarbij is ook het groen van Wassenaar
en de Rijswijkse landgoederen van belang voor de belevingswaarde
van de Haagse recreant. Den Haag is groener dan het onderzoek doet
vermoeden, al is het groen ongelijk verdeeld over de stad. Daarmee
moet bij de aanleg van nieuwe wijken zeker rekening worden gehouden."
Daar
kan Niek Roozenburg, voorzitter van de Haagse gemeenteraadsfractie
van GroenLinks, zich helemaal in vinden: "Het aardige van dit
rapport is dat het duidelijk maakt dat we ons niet rijk moeten rekenen.
Als ik het lees, denk ik: Kijk uit met het bebouwen van een gebied
als de Vlietzone" - het nu nog overwegend groene gebied tussen
het 'oude' Den Haag en de nieuwe wijken Leidschenveen en Ypenburg.
Ook Prillevitz vindt dat dit gebied van belang kan zijn voor de
beleving van het groen. Hij wijst erop dat groen in de buurt ook
een economische functie heeft. In Rotterdam is bijvoorbeeld gebleken
dat de waarde van woningen waar in de nabijheid een park werd aangelegd,
met dertig procent steeg. En wat betreft de Vlietzone: "Dat
gebied is de afsluiting van de ecologische hoofdstructuur aan de
oostelijke kant van Den Haag. Die ecologische verbindingszones zijn
enorm belangrijk."
Om groene gebieden zoveel mogelijk te ontzien pleit Roozenburg
ervoor om in de VINEX-wijken in zo hoog mogelijke dichtheden te
bouwen, met een groengebied binnen een afstand van 500 meter ervandaan:
"Geen huizen met grote tuinen waar iedereen alleen maar zit
te barbecuen."
De
gemeente Den Haag is echter niet alleen druk bezig met de aanleg
van nieuwe wijken. Ook binnenstedelijk gebeurt heel veel. Zo worden
er in wijken als Transvaal en Spoorwijk vele honderden huizen gesloopt
om wat lucht te brengen tussen de steenmassa's. Er worden doelbewust
wijkparken aangelegd. Anderzijds is er de afgelopen jaren aardig
wat binnenstedelijk groen volgebouwd.
Bezemer: "Een van de belangrijke aspecten van dit rapport
is dat je goed kan kijken naar de mogelijkheid van inbreidingen."
Maar ze beklemtoont dat je binnenstedelijk groen niet kan gaan vervangen
door buitenstedelijk. Al vormt dat kengetal van 75 m2 per woning
geen norm, het is belangrijk dat mensen groen in de buurt hebben.
Het volgende onderzoek van Bezemer biedt waarschijnlijk nog meer
aangrijpingspunten. Daarin wordt niet alleen gekeken naar hoeveelheden
groen en de situering ervan, maar ook naar de kwaliteit, naar de
bereikbaarheid en naar groenstructuren. Het is de bedoeling dat
vóór deze zomer de methodiek klaar is, daarna kan
het model op de te onderzoeken steden worden toegepast.
Na
een muzikaal intermezzo door zanger, gitarist, banjoïst en
concertinist Nout Grupstra
gaan we over naar het volgende onderwerp: de bezuinigingen die B&W
willen doorvoeren op het Wilhelminaoord.
Dit landgoed in Drenthe heeft de gemeente Den Haag na WOII aangekocht
ten behoeve van Haagse bleekneusjes, die daar een gezonde week in
de natuur konden doorbrengen. Tot op de dag van vandaag kunnen Haagse
schoolkinderen er wandelen, fietsen, vuurmaken, broodbakken, en
ga zo maar door. Alles onder deskundige begeleiding. Hoe erg zijn
die bezuinigingen, ter hoogte van 196.000 euro?
Albert
van der Zalm, Haags D66-raadslid en voormalig hoofd van een
school in de Schilderswijk, kent het oord uit eigen ervaring: "Ik
ben er één keer met mijn school geweest. Dat het tot
één keer beperkt bleef, had met de kosten te maken.
Ik kreeg steeds meer kinderen uit andere culturen als leerling,
en de meeste ouders kunnen het huidige bedrag van 68 euro eenvoudigweg
niet betalen. Maar een fundamenteler probleem is dat ze vaak niet
toestaan dat hun kind erheen gaat. Ze willen vooral niet dat meisjes
meegaan, of ze maken problemen over het eten. Er gaan nauwelijks
nog kinderen naar Wilhelminaoord voor wie dat centrum bedoeld is.
Daarom zijn wij niet per definitie tegen die subsidiekorting. De
wethouder heeft een onderzoek toegezegd naar hoe die korting kan
worden doorgevoerd zonder dat de deelnamekosten hoger worden dan
honderd euro."
Ook
aan tafel zit de heer Arens, bestuurslid van de Stichting
School en Bos Wilhelminaoord. Hij merkt er niet zo veel van,
dat kinderen niet meegaan vanwege culturele verschillen. Voor hem
is het vooral een financieel probleem: "Dit is niet de eerste
keer dat er op School in Bos bezuinigd wordt. Vroeger was
er zelfs nóg zo'n centrum, in Appelscha. Een bezuiniging
van bijna twee ton maakt het voor veel scholen, vooral in de wijken
waarvoor het bedoeld is, echt onbetaalbaar. Het dreigt een elitaire
activiteit te worden en dat vind ik onaanvaardbaar. Ik weet niet
of het administratief mogelijk is, maar als de Vogelwijkers de reële
kosten zouden betalen zou een week Wilhelminaoord voor kinderen
uit de arme wijken betaalbaar kunnen blijven."
Niek Roozenburg heeft voor GroenLinks een motie ingediend waarin
de bezuiniging verworpen wordt. Hij licht toe: "Zo'n bedrag
van 196.000 euro wekt de schijn van precisie. Geen 200.000 en ook
geen 195.000, néé, 196.000. Maar er zit helemaal geen
beleid achter. Het is volkomen willekeurig. Het Wilhelminaoord heeft
een belangrijke milieu-educatieve functie. Ik vind dat een college
dat milieu-educatie belangrijk vindt, en dat is het geval, hierop
niet moet bezuinigen. En dat hóeft ook helemaal niet."
Frans van der Steen, directeur van het Haags Milieucentrum,
vult vanuit de zaal aan: "De begroting voor duurzaamheid bedraagt
slechts twee procent van de totale gemeentebegroting. Dat is natuurlijk
heel weinig, en het is enorm belangrijk
dat stadskinderen echte natuur ervaren."
Ook in de zaal zit gemeenteambtenaar Henk Heijkers, die
als geboren zuiderling veel natuur om zich heen heeft gehad. "Toen
ik naar Den Haag kwam heb ik de charme van de zee leren kennen.
Zo denk ik dat het ook belangrijk is voor Haagse kinderen om de
charme van de natuur elders in hun land te leren kennen."
Dit wordt beaamd door Niek 't Hart, razend reporter van Hagaz!ne,
die een paar tafels verderop vertelt: "Ik ben er nooit in geslaagd
mijn kinderen liefde voor de natuur bij te brengen. Maar toen ze
terugkwamen van een week Wilhelminaoord waren ze razend enthousiast."
Waar is Albert van der Zalm eigenlijk die andere keren met z'n
leerlingen heengegaan, toen hij niet naar Wilhelminaoord ging?,
wil presentator Hans Pars weten. "Toen zijn we dichter bij
huis gebleven", meldt Van der Zalm. "Bijvoorbeeld in Solleveld.
En daarvan hebben de kinderen óók genoten, want ze
waren tenminste weg uit de binnenstad."
Van der Steen ziet hierin een aangrijpingspunt voor een oplossing
voor het probleem: "Wilhelminaoord moet gewoon blijven, maar
in de omgeving van Den Haag, in Solleveld of ergens anders, zou
er een vergelijkbaar centrum moeten zijn. Dat zou een oplossing
zijn voor kinderen van wie de ouders niet willen dat ze ergens anders
slapen, want ze kunnen dan 's avonds gewoon naar huis."
Het laatste woord geven we aan de man die altijd ook al het eerste
woord heeft, Julius Pasgeld: "Dus zo gaat het weer.
De rijke kinderen gaan steeds verder weg, terwijl de arme kindjes
noodgedwongen steeds dichter bij huis moeten blijven."
Julius Pasgeld: Het moeras
der vergetelheid
Straks
gaat het hier over het groen dat verdwijnt in Den Haag en over het
opheffen van een vakantieoord waar de Haagse jeugd ooit leerde wat
groen was.
Dat, dames en heren, doet me sterk denken aan een prachtig verhaal
van Gabriel García Márquez waarin hij beschrijft hoe
het de nijvere bewoners van het dorpje Macondo in Bolivia verging.
De overeenkomst met de nijvere bewoners van Den Haag is zo onmiskenbaar,
dat ik niet kan nalaten u dat verhaal, dat staat in 'Honderd Jaar
Eenzaamheid' te vertellen. Het ging zo:
De bewoners van Macondo werkten zo verschrikkelijk hard dat ze op
den duur vrijwel allemaal aan slapeloosheid gingen lijden. Ze lagen
steeds in hun bed te woelen en te piekeren. U kent dat wel. Maar
als de dag aanbrak waren ze weer vergeten waar ze zich zo druk over
hadden gemaakt en gingen weer noest aan de arbeid. Op den duur ging
de slapeloosheid gepaard met verschijnselen van vergeetachtigheid.
Ze konden niet meer goed op de namen van de dingen komen. U kent
dat wel.
En ook indrukwekkende feiten uit de kindertijd en waar het nou eigenlijk
om draaide in het leven begonnen langzaam maar zeker weg te zakken
in het moeras van hun geheugen. Slechts enkele wijze, oude mannen
in het dorp wisten nog waar het om ging en zij voorzagen met een
kwastje met inkt alle dingen van hun naam: tafel, stoel, klok, deur,
muur, bed, braadpan. Overal lagen op den duur papiertjes (in Den
Haag zouden we zeggen: A-viertjes) waarop de dingen werden benoemd:
koe geit, varken, kip. Langzamerhand besefte men in Macondo dat
er een dag zou komen waarop men de dingen wel aan hun opschrift
zou herkennen, maar dat men hun functie zou vergeten. Dus werden
de bordjes uitgebreider. Het bordje om de hals van een koe was een
schoolvoorbeeld van de manier waarop de inwoners van het dorpje
zich tegen hun vergeetachtigheid verzetten. Er stond op: 'Dit is
een koe. Men dient haar elke morgen te melken opdat ze melk geeft
en de melk dient men te koken en te vermengen met koffie om koffie
met melk te krijgen'.
En zo, dames en heren, beschrijft Márquez hoe de bewoners
van Macondo voortleefden in een schier ongrijpbare werkelijkheid,
die voor het ogenblik in woorden gevangen was maar die hen onherroepelijk
zou ontglippen als ze de betekenis van het schrift zouden vergeten.
Net zoals tegenwoordig bij ons op sommige basisscholen al gaande
is.
Daar waar de weg het dorp binnenkwam was een groot bord geplaatst
met Macondo erop, zoals er nu overal borden met Den Haag staan bij
de invalswegen naar onze mooie stad. In Macondo stond er in de hoofdstraat
ook nog een bord dat verkondigde: 'God bestaat' want men was vergeten
dat er voor het bestaan van God geen bewijs nodig is. En zo waren
op alle huizen en bij alle dingen teksten geschreven waarmee men
zich het gebruik en de gevoelens in het geheugen kon prenten.
Maar, dames en heren, en ik citeer Márquez nu even letterlijk
omdat alleen hij het zo mooi kan opschrijven: 'dat systeem vereiste
zoveel waakzaamheid en geestkracht, dat velen zich gewonnen gaven
voor de betovering van een vermeende, door henzelf verzonnen werkelijkheid
die minder praktisch maar daarentegen veel troostrijker was.'
Om een lang verhaal kort te maken: in het dorp werden geheugenmachines
gebouwd die gebaseerd waren op de mogelijkheid om elke dag de feitenkennis
door te nemen die men zich in het leven eigen had gemaakt. Márquez
schreef het verhaal in de jaren zestig en kon nog niet weten hoeveel
gigabyte er op de geheugenmachines van u en van mij zitten. U kent
dat wel. Nou ja. Natuurlijk kwam er een zonderlinge, afgeleefd grijsaard
langs die liep te zeulen met een uitpuilend, met leren riemen dichtgebonden
koffertje en een karretje dat met zwarte doeken was bedekt. Ik citeer:
'Hoewel ook zijn stem door onzekerheid was gekortwiekt en zijn handen
schenen te twijfelen aan het bestaan der dingen, was het wel duidelijk
dat hij was gekomen uit de wereld waar de mensen nog slaap en herinnering
kenden'. Deze man gaf iedereen te drinken van een substantie met
een aangename kleur, waarschijnlijk oude genever denk ik nu, en
aller ogen werden nat van de tranen toen zij zichzelf terugvonden
in ongerijmde woon- en werkvertrekken waar alle dingen van een naam
voorzien waren en waar stapels A-viertjes en duizenden beeldschermen
langs de muren waren opgetast en waar ze tot hun schaamte de hoogdravende
dwaasheden zagen in de geschriften en op de beeldschermen.
Dames en heren. Het lijkt me duidelijk. Laat onze nieuwe Haagse
generatie in verre vakantieoorden met ogen nat van de tranen weer
leren wat natuur is. Anders zijn ze voorgoed vergeten wat bescheidenheid
is. En hang op kinderboerderijen desnoods een bordje om de hals
van een koe met de tekst: Dit is een koe, enzovoorts.
Voordat ze wegzinken in het moeras van de vergetelheid.
|