|
Wat kunnen overheden en fondsen doen? De meeste stadslandbouwprojecten ontstaan tot nu toe vanuit particulier initiatief. Een steun in de rug van een instelling als een gemeente, een ngo of een fonds is echter nooit weg. Hoe kan die steun vorm krijgen? Een gemeente kan de burgers en marktpartijen in het proces van stadslandbouw de hand reiken met informatie en regelgeving. In te ontwikkelen stedelijke gebieden zou de gemeente de regels kunnen versoepelen, naar analogie van de kluskavels en -woningen. In deze ‘pioniers-gebieden’ van particulier opdrachtgeverschap zijn er mogelijkheden om stadslandbouw erbij te betrekken. De ervaringen die worden opgedaan bij het begeleiden van deze zelf-klus-trajecten kunnen zeker van pas komen bij het faciliteren van stadslandbouw.
Faciliteer als gemeente de oprichting van stichtingen of verenigingen die rond stadslandbouw ontstaan. Zo kan daarvoor een notaris in de arm worden genomen die voorbeeldovereenkomsten beschikbaar heeft. Door subsidies te verstrekken, zoals al wordt gedaan voor groene daken, kan de gemeente indirect stadslandbouw bevorderen. Maar ze kan dit ook doen door bijvoorbeeld grond ter beschikking te stellen of leegstaande gebouwen voor een symbolische vierkantemeterprijs te verhuren (waardoor partijen de concurrerentie met het Westland aan kunnen gaan). Houd als gemeente wat betreft vergunningverlening ook rekening met het groeiseizoenen bij de aanleg van een tuin, zodat tijdig met de voorbereidingen, zaaien en aanplant begonnen kan worden.
De interne organisatie Voor het proces zijn niet alleen strategische gemeentelijke afdelingen voor beleid en regelgeving nodig, maar ook informatiepunten en uitwerkingsafdelingen van de gemeente die raakvlakken met stadslandbouw hebben. Dit zijn o.a. het Ingenieursbureau, de afdeling voor omgevingsvergunningen, de gezondheidsmakelaar, Milieueducatie, openbare ruimte en groenbeheer, het Bodeminformatiepunt (BIP), krachtwijken, de kantorenloods, duurzaamheid, etc. Zorg dus dat kennis binnen de gemeentelijke organisatie goed wordt gedeeld - niet alleen aan de top, maar vooral bij de uitvoerende ambtenaren - en dat naar buiten toe helder is welke ambtenaar waarvoor verantwoordelijk is. Bij voorkeur valt stadslandbouw onder iemand die dienstoverstijgend (of dwars door de verschillende diensten heen) kan werken. Maak afspraken waar meerdere wethouders zich aan commiteren (stadsbeheer, groen, gezondheid, onderwijs, duurzaamheid).
Voedsel en voedselzekerheid zijn steeds belangrijker thema’s en zullen alleen nog maar belangrijker worden. Betrek, als gemeente, meer dan nu het geval is de scholen bij voedsel en het voedselvraagstuk en zorg dat kinderen de kennis mee naar huis nemen en daar bijvoorbeeld aan de slag gaan met een balkontuin.
Andere instellingen, zoals de Provincie Zuid-Holland, de WUR, de Kamer van Koophandel en AgentschapNL (Syntens) hebben ook beleid geformuleerd op stadslandbouw en lokale voedselstrategieën. Hier kunnen samenwerkingsverbanden worden gezocht om ook op regionale schaal samenwerking te creëren, kennis te delen en krachten te bundelen .
Lokale fondsen, zoals Fonds 1818 en Stroom, kunnen helpen met financiering van de startkosten (en eventueel beheerskosten) van buurtgedragen en/of kunstenaarsgeïnitieerde stadslandbouwprojecten.
Lokale organisaties, zoals het Haags Milieucentrum, Eetbaar Park en Gezonde Gronden kunnen bijdragen met kennis over het praktisch opzetten van een tuin.
Eén aanspreekpunt Om de trajecten van het opzetten van stadslandbouw te bekorten, zou het bevorderlijk zijn om de betrokken instanties van tijd tot tijd centraal bij elkaar te laten komen om aanvragen betreffende stadslandbouw door te nemen.
In Rotterdam is hiermee veel ervaring opgedaan. Zo heeft de gemeente Rotterdam in februari 2012 een handleiding ter stimulering van stadslandbouw uitgewerkt. Hierin zijn contactpersonen te vinden, die vanuit verschillende afdelingen van de gemeente bij een stadslandbouw-denktank betrokken zijn en burgers met hun plannen voor stadslandbouw verder kunnen helpen . Door deze interdisciplinaire kennisuitwisseling op verschillende schaalniveaus te stimuleren, kan sneller worden geschakeld en kunnen trajecten sneller op gang komen, wat bevorderlijk is voor het enthousiasme bij de initiatiefnemer/burger en de wijk, waarin het project wordt opgezet.
Een (wekelijks geopend) aanspreekpunt over stadslandbouw bij de gemeente zou een idee kunnen zijn, vooral als hier ook andere instellingen vertegenwoordigd zijn om informatie te verstrekken.
Een centrale plek waar kennis omtrent stadslandbouw in en om Den Haag kan worden gedeeld, zou hierbij zeker kunnen helpen. Het ‘Duurzaamheidsportaal’ zou hiervoor een geschikt platform kunnen zijn. Hier kan informatie op een centrale kaart beschikbaar worden gesteld en kunnen referenties worden getoond en tips worden gegeven (via crowd source, maar ook informatie vanuit de overheid).
Door deze samenwerking van, in het beste geval, overheid, bedrijfsleven en wetenschap zou het innovatie- en ontwikkeltraject sneller kunnen verlopen. Bijvoorbeeld kan er een gezamenlijk ‘pakket’ van praktische handleidingen en een (interactieve) checklist aan de initiatiefnemer worden uitgewerkt en aangeboden.
Tips om als gemeente de binnenstedelijke leegstand middels herbestemming te reduceren zijn te vinden in ‘Leegstand te lijf, Handvatten voor een langetermijnstrategie’ met referenties en checklists over organische herontwikkeling. Hier gaat het niet alleen over strategische zetten in de gebiedsontwikkeling maar ook over het verankeren van de toegevoegde waarde in een gebied.
Denk aan multifunctionele plannen bij het opstarten van stadslandbouwinitiatieven. Productietuinen kunnen bijvoorbeeld samenwerken met de Voedselbank, het UWV, reïntegratietrajecten of GGD/GGZ. Een dergelijke publiek-private samenwerking (PPS) maakt co-financieringen mogelijk. Belangrijk de productietuin eerst goed op te zetten want dat vergt veel kennis en energie waarbij organisatorisch vaak hindernissen overwonnen moeten worden. Pas daarna is het mogelijk arbeidskrachten in te zetten die veel begeleiding nodig hebben. Die begeleiding dient professioneel te zijn. Voor dat laatste bevelen wij dan ook aparte financiering aan want die kan niet of moeilijk rusten op de begroting van de exploitatie van de tuin.
Gemeente en fondsen kunnen dit soort projecten stimuleren. Maak onderscheid in (semi-)professionele en amateur-initiatieven, en pas de subsidie hierop aan. Wij adviseren bij elk stadslandbouwinitiatief een sluitend verdienmodel op te stellen, bijvoorbeeld met ‘gratis’ werkuren, subsidie, bijdragen in natura en het ‘verdienen’ van oogst.
Nieuwe verdienmodellen , zoals crowdfunding, worden door dit soort projecten gestimuleerd. Het creëren van draagvlak en het vinden van co-financiering door het betrekken van specifiek geïnteresseerden - ook van buiten de directe omgeving - zorgt voor interesse van buitenaf voor het gebied. Zo is een dergelijk crowdfunding-project tevens indirect PR voor de stad.
Budgetteren en plannen Budgetteren en plannen heeft bij stadslandbouw betrekking op startkosten (voornamelijk materiaal, huur van grond en advies) en beheerskosten (voornamelijk manuren en eventueel huur van de grond). Bij veel projecten wordt financiële steun verleend voor het dekken van de startkosten.
Het beheer is bij buurtprojecten in principe gratis, omdat de tuin door bewoners zelf wordt bewerkt en deze als hobby wordt beschouwd. Projecten met een speciale aanpak, zoals reïntegratie of een gezondheidsprofiel, hebben te maken met uren van begeleiding door welzijnsorganisaties of hulpverleners. Bij professioneel opgezette binnenstedelijke productietuinen start de initiatiefnemer een bedrijf en moet hij of zij veel tijd investeren om dit winstgevend te maken.
De activiteit en groene impuls heb je als stad in beide gevallen, zowel bij het buurtproject als bij de onderneming met winstoogmerk. Als de ondernemer een verkoopfunctie aan zijn bedrijf koppelt is er een sociaal contact mogelijk met de omgeving. Bij de buurtprojecten is de sociale factor de voornaamste drijfveer.
Het (laten) maken van een MKBA (maatschappelijke kosten-baten analyse) voor een project biedt inzicht in zowel de mogelijke winst voor het project intern, als de maatschappelijke meerwaarde. Dit geldt ook voor de lange termijn. Door dit inzicht kan het stimuleren van stadslandbouwprojecten worden ingezet als trigger en onderdeel van gebiedsontwikkeling .
Per project kan de planning en terugverdientijd verschillen. Zo is een verplaatsbare tuin flexibeler dan een productietuin in de volle grond inclusief winkel met een plaatselijke klandizie.
Per locatie moet goed worden gekeken naar de potentie, ruimtelijk en sociaal-economisch. Wat is de meest geschikte soort stadslandbouwproject voor deze locatie? Op deze manier zijn de slagingskansen hoger en worden investeringen minder risicovol.
Stadslandbouwprojecten draaien dus niet vanzelf. Financiële, technische en juridische ondersteuning en sociaal-maatschappelijke begeleiding zijn nodig, waarbij per locatie en project een andere mix nodig is. De potentie van de plek, de samenstelling van het draagvlak en het verdienmodel van het project bepalen welke steun er nodig is. Zowel fondsen als gemeente kunnen financiële ondersteuning bieden en daar hun voorwaarden aan verbinden. Daarnaast kan de gemeente een rol spelen op de vlakken van regelgeving tot informatieverstrekking.
|