Branding - Archief  

Branding nummer 17: november/december 2004

 

Geen paniek! ...meer

Natuur in de war…mensen in de war ...meer

Fietspad 10 heeft nog een lange weg te gaan ...meer

Fietspad 10: The Making Of in drie bedrijven ...meer

Ecotoon: een Mekka voor ecologische klussers ...meer

Voorburg tast natuurwaarde van grote parken aan ...meer

Den Haag in 2020 ...meer

 

 

 

 

 

 

Op zaterdag 9 oktober organiseerde het Haags Milieucentrum een gezellige
en leerzame dag voor actieve leden van Haagse natuur- en
milieu-organisaties. Het thema van de dag was 'Natuur in de war', dit
naar aanleiding van de toenemende hoeveelheid natuurlijke verschijnselen
die zich ongebruikelijk vroeg voordoen. Bioloog Lex Kreffer en Govard
Slooters van het Hoogheemraadschap Delfland hielden bij die gelegenheid
een lezing. De tekst van deze twee lezingen treft u hierbij aan.

 

Geen paniek!


Is de Haagse natuur in de war door klimaatverandering? Als je de vraag zo stelt klinkt-ie heel eenvoudig, maar ze is op zich heel gecompliceerd. Er zitten allerlei aspecten aan die je moet bekijken om te zorgen dat er voldoende orde en rust is, en dat is belangrijk om paniek tegen te gaan. Paniek is wat momenteel in de pers erg benadrukt wordt: “Help, het klimaat gaat veranderen, we lopen onder!” Hollywood heeft zich er ook op gestort. In de film ‘The Day After Tomorrow, where will you be?’ wordt een erg panisch scenario weergegeven en tot mijn droefenis moet ik constateren dat de journalistiek die paniek vaak moeiteloos overneemt. Vaak worden alle nuances die in wetenschappelijke rapporten staan gewoon genegeerd. Paniek verkoopt lekker.

Wat is er slecht aan paniek? Het zorgt dat je niet meer helder denkt. En als mensen, na een aanvankelijke paniek, vinden dat het toch allemaal niet helpt en constateren dat het tóch allemaal uit de hand loopt, dan is de houding vaak ‘Het maakt toch niet uit. Het klimaat wordt toch onbeheersbaar, waar maak ik me nog druk om?” En vervolgens kopen ze weer een nieuwe terreinwagen…

Om orde te scheppen eerst maar wat definities. Natuur in de war, wat is dat? De natuur is in de war als dieren en planten zich gaan gedragen op een manier die je niet van ze verwacht. Als er in maart vliegenzwammen boven de grond komen en in december gierzwaluwen gaan broeden. Dan is de natuur echt in de war, maar dat is op dit moment niet het geval.

‘Natuur in de war’ gaat er verder impliciet vanuit dat de natuur in een zogenaamd natuurlijk evenwicht verkeert - een populaire dwaling. Een natuurlijk evenwicht is een statisch iets en de natuur is nóóit statisch.
Voorbeeld: vossen zijn Den Haag binnengekomen in een periode dat het met muizen heel slecht ging. Muizen worden - evenals bijvoorbeeld lemmingen - gekenmerkt door cycliciteit. Eens in de vier, vijf of zelfs acht jaar groeien ze naar een maximum, dan is het eten op en stort de hele muizenpopulatie in elkaar.
Doordat muizen voor heel veel roofdieren dagelijkse kost zijn, en ander eten een stuk minder belangrijk is, volgt de roofdierenpopulatie die muizenpopulatie in hun groei. Er worden meer kleine vosjes geboren die ook meer te eten krijgen. Op een gegeven moment stort die muizenpopulatie in elkaar en je krijgt dus eventjes een overschot aan vossen. Maar alles wat op dat moment geboren wordt gaat waarschijnljk gewoon van de honger dood. Moedervos kan òf niet genoeg melk produceren òf vangt niet genoeg muizen. De populatie loopt terug. Je ziet een golfbeweging, en dat is de normale, natuurlijke gang van zaken.

Patatvos
De situatie in een stedelijke omgeving is dat daar altijd veel aanbod van voedsel is. Er is heel veel zwerfvuil. Vossen zijn alleskunners, generalisten pur sang. Zo zijn ze ook in Den Haag gekomen, het was oorspronkelijk een duinpopulatie die het prima deed. Toen het met de woelmuizen heel slecht ging, zijn ze Den Haag ingetrokken, waar genoeg alternatief eten was. De eerste term voor de stadsvos was veelzeggend genoeg ‘patatvos’.
Vossen die in het Westduinpark leven komen ’s nachts de stad in. Ik kom ze regelmatig tegen, bijvoorbeeld op de Laan van Meerdervoort en een paar maanden geleden zelfs ’s morgens heel vroeg op het Spui.

Zo ontstaat hier een vossenpopulatie waarvan de draagkracht wordt beperkt door de omgeving. De vossenpopulatie is nu stabiel. Er komt net zo veel bij als dat er afgaat, meestal door sterfte in het verkeer. Afschot van vossen heeft geen zin. Integendeel, ze gaan zich verspreiden. Jagers beweren dat vossen gereguleerd moeten worden vanwege hondsdolheid, maar dat komt in Nederland - afgezien van enkele uithoeken - helemaal niet voor. Ga je schieten, dan krijg je onrust en worden de opengevallen plaatsen opgevuld door vossen die van buitenaf komen. Die nieuwkomers kunnen heel goed vossen zijn in het tweede en derde stadium van hondsdolheid, want in hun gekte verlaten die hun territorium.

Pioniers en generalisten
Wat er wél aan de hand is, is dat dieren en planten reageren op onverwacht weer. Omdat ik niet met zekerheid kan zeggen welke kant het uitgaat - dat kan, denk ik, niemand - zal ik ingaan op de uitgangssituatie van de natuur in de stad.
Wat je aan stadse flora en fauna mist, zijn echte specialisten. Omdat het verschijnsel stad in het hele natuurgebeuren nog maar heel jong is, zijn er geen beesten of planten die zich hebben aangepast aan een écht stadsmilieu. Wat je krijgt, zijn generalisten - soorten die eigenlijk een heel brede range hebben aan wat ze aankunnen aan vochtigheid, temperatuur, wind - en pioniers. Die komen op een bepaalde plek binnen en worden vervolgens links en rechts ingehaald door soorten die wat minder pionier en wat meer generalist zijn.
De pioniervegetatie of -fauna verdwijnt dan weer. Typische generalisten in de stad zijn de al genoemde vos, de spreeuw, de kauw, distels, honingklaver. Die komt voor op allerlei plekken waar gebouwd wordt. Zoals elke vlinderbloemige kan honingklaver m.b.v. de knolletjesbacterie vrije stikstof uit de lucht omzetten in nitraat. Hij produceert dus z’n eigen meststoffen op een plek die anders onleefbaar zou zijn. Andere flora, zoals distels en brandnetels, profiteert daar later weer van.

Een stad is een zeer instabiele omgeving, wat voor natuurbegrippen eigenlijk een normale situatie is. Er worden wegen aangelegd, huizen vervangen, tuintjes omgespit, er wordt gespoten…De gemeente Den Haag verdient trouwens een klein pluimpje omdat onkruid hier mechanisch verwijderd wordt.
Het stadsklimaat tusen de huizen is droog, warm (ook in de winter) en heel winderig. Dat merk je aan bijvoorbeeld de gierzwaluw, oorspronkelijk een woestijnvogel die in onze huizen een vervanging vindt voor de hoge klippen die hij van vroeger kent. Als er te weinig aanbod van insecten is gaat hij ze elders halen, tot in Noord-Frankrijk toe. Die vermogens van woestijnbewoner hebben ze gewoon gehouden.

Stootbestendige soorten
Kern van het verhaal is dat de stad dus bewoond wordt door dieren en planten die wel een stootje kunnen hebben. Die planten die hier pionieren of die hier al zo’n honderd, honderdvijftig jaar zijn, zijn op de plek waar ze oorspronkelijk vandaan komen ook pionier geweest en waren daar in staat zich in een heel instabiel milieu te handhaven.

Je krijgt wel te maken met concurrentie tussen de soorten. Neem een nieuwe soort als de nijlgans, een soort die niet van buiten naar Nederland is gekomen maar hier is ontsnapt uit watervogelcollecties. De nijlgans is van oorsprong een steppenbewoner, een plaats waar weinig water is. Dat heeft hij in z’n gedrag meegenomen. Hij is agressief en houdt er een breed territorium op na. Er is heel lang geroepen dat de nijlganzen alles wegdrukken, maar dat gebeurt maar tot een bepaald punt. Daarna wordt de weerstand van de omgeving zo groot dat het niet verder gaat. Halsbandparkieten is ongeveer hetzelfde verhaal. Ze concurreren hier met spreeuwen om nestholtes in parkbomen. Ik verwacht niet dat ze zich verder uitbreiden.
Ze zijn afhankelijk van boomholtes, en die vind je vrijwel alleen in bomen in oude parken.
Het zijn dan wel vogels, maar dat wil nog niet zeggen dat ze ver vliegen. Boomklevers, die voorkomen in parkbossen, hebben bijvoorbeeld maar een territorium van één of zelfs maar een halve hectare. Gebeurt er iets met dat parkje, dan is die boomkleverpopulatie daar weg en die wordt niet meer aangevuld. Ze kunnen best over een weg heen vliegen, maar dat doen ze niet. Halsbandparkieten zijn niet heel veel anders dan dat.

Samenloop van factoren
Daarmee komen we op het volgende punt. Vaak is het uitsterven van een soort of het verdwijnen ervan op een bepaalde plek een soort samenloop van factoren: klimaatveranderingen, predatoren die zich meer dan gemiddeld met die prooi bezighouden, ziektes. Als bij ons het klimaat heel erg anders wordt, hoeft er nog eigenlijk niets te gebeuren, maar soorten die het op zich al moeilijk hebben zullen daarvan het meest te lijden hebben. En een nieuw klimaat, bijvoorbeeld warmer en vochtiger, levert weer nieuwe soorten op. We zullen er hoe dan ook in de stad als laatste iets van merken.

Is het erg dat een soort uitsterft? Ja. Hoe gecompliceerder een systeem in elkaar zit, dus hoe meer factoren erin zitten, hoe stabieler het is. Als soorten uit een systeem verdwijnen, wordt de onderlinge afhankelijkheid van die bouwstenen aangetast. Het kan om een dragende constructie gaan, zodat letterlijk het hele systeem in elkaar dondert als die verdwijnt.

Terug naar de klimaatverandering: een aantal jaren geleden constateerden mensen, waaronder ikzelf, dat aan de Noordzeekust bij Hoek van Holland ineens een heel andere heremietkreeftensoort voorkwam. Massaal. Wat hier normaal rondloopt is een rechtsarmige rode heremietkreeft. Ineens was er een linksarmige, blauwwitte heremietkreeft bijgekomen. Grappig! Van oorsprong is dit een soort die alleen maar ten zuiden van het Kanaal voorkwam. Ineens was hij hier en hij blijft hier ook. De twee soorten bestaan nu naast elkaar. De nieuweling zoekt een andere niche op waar hij zich goed kan handhaven. Het hele systeem heeft zoveel buffer dat de twee soorten naast elkaar kunnen bestaan.

Het zal in de meeste gevallen ook niet gebeuren dat één soort een andere totaal wegdrukt. Zolang een systeem maar genoeg ruimte heeft, dat is het belangrijkste.

Lex Kreffer

meer artikelen over natuur algemeen

 

 

 

 

Natuur in de war…mensen in de war


Ik heb mijn lezing ‘Natuur in de war…mensen in de war’ genoemd. Dat mensen in de war raken als de natuur in de war is, bleek onlangs duidelijk in Maasdijk toen daar vier keer na elkaar hevige buien gevallen waren. Onze weerstand tegen de grillen van de natuur wordt steeds kleiner. En in plaats van zwarte pieten te gaan uitdelen, kunnen we beter kijken wat we ervan kunnen leren. Het gaat soms om dingen die vijftig jaar zijn kromgegroeid omdat ze al die tijd geen problemen hebben opgeleverd.
Dat er iets moet gebeuren, is duidelijk. Er komen diverse bedreigingen op ons af: de temperatuur gaat stijgen, de neerslaghoeveelheid gaat toenemen, de intensiteit gaat fors toenemen, evenals de verdamping. Je zal misschien zeggen, dat komt goed uit, meer neerslag, meer verdamping, maar het is waarschijnlijk in de tijd ontkoppeld. In de zomer verdampt het harder en in het najaar en de winter gaat het harder regenen. De zeespiegel stijgt en het maaiveld daalt. Als we nu niets doen, zullen delen van dit gebied in 2100 niet meer bewoonbaar zijn. Daarom is Delfland nu al bezig met vraagstukken die pas in 2100 problematisch zullen worden.


Ik wil twee dingen over wateroverlast gaan vertellen. Wat betekent het lokaal in ons gebied en welke oplossingen bedenken we.
Augustus 2004 gaf een absoluut neerslagrecord in Nederland te zien. Die neerslag was heel ongelijk verdeeld. In het Westland viel minstens 325 mm in één maand, de hoogste waarde die het KNMI ooit mat sinds het met metingen begon. En dan te bedenken dat er in de eerste weken van die maand bijna geen bui gevallen is. In de tweede helft van de maand waren er dagen bij dat er in enkele uren tijd vijftig tot zestig millimeter viel. Het was heel lokaal. Waarom is dit gebiedje wat vaker de pineut? Het zou te maken kunnen hebben met de Thames die op die hoogte de zee in stroomt en iets doet met de watertemperatuur.

Doordrenkte steenwol
We gaan naar de Oranjepolder, die ligt tussen Maassluis en Hoek van Holland, langs de Maasdijk. De Oranjepolder is een polder die boven het boezempeil ligt. Ze is ontstaan doordat zand vanuit de rivieren en de zee daar is neergelegd. In principe is het heel arme landbouwgrond. De dijk die er omheen liep was lager dan de Maasdijk, en dat moest ook want bij hoogwater fungeerde de Oranjepolder als overloopgebied. Nu is de verharding er enorm: het is één plat vlak met kassen. De hoeveelheid water is heel beperkt. Toen er onlangs een enorme bui viel, was de afvoer ontoereikend. Als het in Den Haag zo keihard had geregend, had zich hier hetzelfde probleem voorgedaan. Daar was de riolering ook niet op berekend geweest. Maar waar we in Den Haag nog het Afvoerkanaal hebben, moet Maasdijk het met De Barre doen, en dat is niets meer dan een niet al te brede sloot. De grootste problemen doen zich voor bij de duikers - buizen die onder een dam door lopen. Ze zijn veertig centimeter in doorsnede, en dat is onder normale omstandigheden genoeg. Maar niet als er vijftig, zestig millimeter valt, dan staat de boel onder water. Dat is vooral voor tuinders een probleem, want de tijd dat kassen op de koude grond stonden is voorbij. In al die kassen wordt op steenwol geteeld. Als er water inkomt zuigt die steenwol zich vol en gaan de planten dood. De schade is daarom nu veel groter dan een jaar of veertig geleden bij een vergelijkbare bui het geval zou zijn geweest. Het water kwam trouwens niet alleen uit de sloten, maar ook de glazen daken van de kassen waren niet overal tegen de regen bestand.

Hoe willen we het water na regenval beheersen? Daarvoor zijn eigenlijk drie regels. In de eerste plaats vasthouden van het water in het gebied. Vervolgens bergen in of nabij het gebied en in de derde plaats afvoeren van het water naar zee. Over het algemeen kunnen wij ons water heel goed kwijt, maar we moeten het natuurlijk wel bij zee kunnen krijgen. De mogelijkheden in de Oranjepolder schieten in alle opzichten tekort.
Als Hoogheemraadschap letten we natuurlijk goed op weersvoorspellingen, maar je weet het nooit. We hebben nachten gehad dat we met veertig mensen paraat stonden met pompen en dat er geen druppel viel.
De norm die wij voor onze maatregelen hanteren is 100 mm. in 48 uur, de zogeheten maatgevende bui. Die komt volgens het Waterloopkundig Laboratorium in principe eens in de 190 jaar voor, maar we hebben er al een paar van gehad.

Als we horen dat het gaat regenen gaan we voorpompen, we halen water weg naar het nulniveau. Maar de tijd die je hebt om voor te malen is soms beperkt. En bovendien: als we dat doen regent het klachten van tuinders die te weinig water hebben voor hun koelsystemen. En voor de natuur is het ook slecht.

De toekomst
Een blik op de toekomst: om de Oranjepolder aan te normen te laten voldoen, is een uitbreiding van de waterbergingscapaciteit met 101.500 m3 nodig. Dat staat gelijk aan circa 25 hectare, een gigantische opgave. Ga maar na, het is daar allemaal glas, en dat kun je niet kopen voor 5 euro de vierkante meter.
Ook op de zeewering moeten we blijven letten. Dat is ons ‘zwakke schakels’-project. Onze mensen die daaraan werken voorspellen dat er de komende tien jaar weer een klap komt en er een heleboel duin zal verdwijnen. Ik begrijp best dat mensen meer leuke dingen in de duinen willen doen, maar dat zou dezelfde historische fout zijn als het hele Westland volbouwen.

Verder komt er een veiligheidsklasse voor alle waterkeringen. We hebben honderden kilometers kades waaraan we iets moeten doen, en dan heb ik het nog niet eens over de problematiek van de veenkades.
In waterbeheersing zullen we heel veel moeten investeren en er zal nog veel discussie komen over de gebruiksfuncties. Moet het peil laag blijven vanwege de agrarische functies of mag het best wat hoger?

Op het gebied van de waterkwaliteit stelt Europa steeds hogere eisen. Volgens de strengste normen die nu in Brussel bedacht worden voldoet zes procent van het oppervlaktewater in het Delfland-gebied. Dus 94 procent nog niet.

Kortom: extreme regenval en extreme droogte vragen dat we het watersysteem en de ruimtelijke ordening aanpassen aan de klimaatveranderingen. Vandaar ons motto ‘meer ruimte voor water’. Aandacht voor water moet leidend zijn bij de inrichting van een gebied; níet de economie. Als we de ruimtelijke ordening níet aanpassen, komen de bruikbaarheid en de leefbaarheid van het westen van Nederland zeker in gevaar.

Govard Slooters,
Hoogheemraadschap Delfland

meer artikelen over waterbeheer

 

 

 

 

 

Fietspad 10 heeft nog een lange weg te gaan


U hebt grote behoefte aan een fietspad door de duinen naar Meijendel. In uw behoefte aan mogelijkheden voor recreatief fietsen wordt slechts voor 33 procent voorzien. De Haagse agglomeratie verschaft u slechts 1,5 meter recreatieve fietsmogelijkheden, terwijl het getal landelijk op 7,4 meter ligt. Het landelijk gebied rond Den Haag waardeert u met het cijfer 4,8, het duingebied tussen Den Haag en Katwijk evenwel met een ruime 8. Het duingebied van de Vlakte van Waalsdorp waardeert u als fietser met een 7,6. Kortom, een fietsroute zo aantrekkelijk als Fietspad 10 is in heel Haaglanden niet te vinden.
(kaartje van het gebied, zie http://www.pzh.nl/thema/verkeer/nieuwsberichten/fietspad10.jsp)


Tegenover deze cijfers, gebaseerd op gegevens van het CBS en het zogeheten AVANAR-model (Afstemming Vraag en Aanbod Natuur als Recreatieruimte) staan andere. Zo telt het gebied waar Fietspad 10 doorheen zou kunnen gaan 2 à 3 soorten amfibieën en reptielen die onder de Europese Habitatrichtlijn vallen, 4 tot 7 soorten die worden beschermd krachtens de Flora- en Faunawet en 2 à 3 aandachtssoorten. Er nestelen ca. 37 soorten broedvogels die onder de Flora- en Faunawet vallen en tussen de 19 en 23 soorten zoogdieren. Ook lopen er 2 tot 6 soorten zoogdieren rond die worden beschermd krachtens de Habitatrichtlijn. Er bevinden zich 59,1 hectare droog duingrasland en 0,6 hectare duindoornstruweel. De eikenhakhoutbossen zijn vermoedelijk zo’n 350 jaar oud en mogelijk nog ouder.
En zo zouden we nog wel even door kunnen gaan. Ecologisch adviesbureau Vertegaal heeft het allemaal keurig geïnventariseerd en - samen met NL Infra Consult - de gegevens opgenomen in de omvangrijke Tracénota deel 2 voor Fietspad 10. Ook is tot op twee cijfers na de komma uitgezocht in welke mate en voor welke soorten en natuurtypen het fietspad een bedreiging vormt. Voorzover er schade dreigt, worden compensatiemaatregelen in het gebied voorgesteld.


Voors en tegens
Maar cijfers zeggen lang niet alles. Minstens zo belangrijk is de belevingswaarde, zoals weer eens bleek op de discussieavond in het Wassenaarse raadhuis De Pauw op 12 oktober jl. Voor een selecte groep belangstellenden sloegen voor- en tegenstanders van Fietspad 10 elkaar daar met argumenten om de oren.
Bijzonder uitgesproken was Kees Fokkens, die memoreerde dat zijn organisatie de KNNV al in de jaren dertig tegen een fietspad door de duinen was en er nu nog precies zo over denkt: “Fietspad 10 zal leiden tot verdere versnippering en tot verstoring. Er lopen wandelpaden, ruiterpaden, onderhoudspaden van het Duinwaterbedrijf en over een tijdje mogelijk een fietspad op korte afstand van elkaar. De druk op de stadsrand wordt steeds groter. Denk maar aan het golfterrein op de Amonsvlakte, het Automobielmuseum in Reigersbergen, en ga zo maar door.”
John van Vliet van de Stichting Duinbehoud was het volledig met Fokkens eens: “Dit soort discussies speelt overal langs de kust. Overal wil men de duinen ontsluiten. Ook mountainbikers willen er terecht kunnen. Zeker in het kwetsbare gebied waar we het nu over hebben moet je heel voorzichtig zijn. Voorheen was er tenminste nog sprake van opheffing van parkeerplaatsen bij Meijendel in ruil voor aanleg van het fietspad. Maar nu wordt het geïsoleerd beschouwd en is van een integrale kijk op het gebied geen sprake.”

Marc Beek was er als voorzitter van de Fietsersbond afd. Den Haag e.o. medeverantwoordelijk voor dat de Provincie het plan niet definitief afvoerde. “De Fietsersbond wil de recreatieve mogelijkheden voor fietsers vergroten, maar niet tot elke prijs. Recreatieve rondjes vinden we niet interessant. Hier gaat het echter om een verbinding tussen twee punten. Daar zijn we vóór, mits er een goede inpassing komt.””De druk op het gebied kan worden verlicht door de bezoekers wat te spreiden. Laat automobilisten naar de Pan van Persijn gaan en laat de NS-wandeling ergens anders beginnen.”

Voor ecologisch onderzoeker Kees Vertegaal is juist het recreatieve aspect reden om zich op persoonlijke titel tot voorzichtig voorstander te verklaren. “Wil je dat mensen om de natuur geven en bereid zijn die te beschermen, dan moet je ze de kans geven om van de natuur te genieten. Schade is weliswaar niet volledig uit te sluiten, maar op de langere termijn denk ik dat Fietspad 10 bijdraagt aan natuurbehoud.”

Een bezoeker tilde hier wat zwaarder aan. Hij merkte op dat de dwingende redenen van groot openbaar belang - een toetssteen uit de Habitatrichtlijn - onvoldoende hard zijn gemaakt. De rechter kan het plan om die reden wel eens tegenhouden. maar voor Irene van Kooten, lid van Provinciale Staten voor de PvdA, staat het grote maatschappelijke belang van Fietspad 10 vast: “Wil je nú naar Meijendel, dan moet je omfietsen. De route is een stuk minder aantrekkelijk en vooral kinderen zullen het te ver vinden. Als dít plan al niet kan, dan kan er helemaal niets!”

Scheuren en raggen
Het duurde nog geruime tijd voordat de eerste vraag over handhaving gesteld werd, maar uiteraard kon die niet uitblijven: hoe wordt ervoor gezorgd dat er geen mountainbikers door het duin gaan raggen en er geen brommers over het fietspad scheuren? En, ook een punt van zorg: hoe voorkomen we dat mensen die rustig een ommetje maken van de weg gedrukt worden door racefietsers?

De heer Lucas van het Duinwaterbedrijf Zuid-Holland (DZH), in de zaal aanwezig, merkte op dat er ook nu al mountainbikers door de duinen rijden. “Die worden weggestuurd. We hebben veel toezichthouders in de duinen rondlopen.” Lucas liet er geen twijfel over bestaan dat zijn werkgever niet op fietsers zit te wachten: “Wandelaars hebben een intensievere natuurbeleving dan fietsers, dus hechten we daar meer waarde aan.”

Statenlid Van Kooten opperde dat in het ergste geval maar hekken moeten worden geplaatst die ten minste brommers kunnen tegenhouden of waarmee het hele gebied ’s nachts afgesloten kan worden.

Een Provincie-ambtenaar, als toehoorder in de zaal aanwezig, deelde mee dat Alterra gaat onderzoeken of en in hoeverre Fietspad 10 aantrekkelijk zal zijn voor bijvoorbeeld racefietsers. En ook wordt onderzocht of het mensen kan verleiden om niet meer met de auto, maar met de fiets naar Meijendel te gaan.

Naar verwachting wordt het definitieve tracé in december a.s. vastgesteld. Het streven in Fietspad 10 in mei 2007 in gebruik te nemen, maar voor het zover is moeten nog heel wat juridische hobbels genomen worden.
Wordt vervolgd.

 


Met inachtneming van de natuurwaarden in het gebied en de voor recreanten aantrekkelijke gedeelten heeft de Provincie Zuid-Holland het volgende voorkeurstracé voor Fietspad 10 vastgesteld:
“Vanaf het fietsecoduct over de N440 linksaf in westelijke richting parallel langs de Landscheidingsweg, via de Oude Waalsdorperweg rondom het TNO-complex over de bestaande asfaltweg. Vanaf de bestaande toegang aan de Oude Waalsdorperweg via het bestaande (half)verharde wandelpad in het verlengde van de Oude Waalsdorperweg aan de westzijde langs de Berkenvallei richting het verzetsmonument. Zuidelijk ruim voorlangs het verzetsmonument, haaks door de noordpunt van de Berkenvallei, waarbij gebruik wordt gemaakt van een bestaande ophoging in de Berkenvallei. Langs de oostelijke rand van de Berkenvallei richting het bestaande halfverharde wandelpad. Nabij de klokkenstoel wordt aangesloten op het bestaande halfverharde wandelpad aan de entree van het duineikenbos. Via het bestaande onverharde wandelpad door het duineikenbos tot halverwege het duineikenbos. Vanaf hier in noordelijke richting via het bestaande ruiterpad langs de heuvel in Oude Rijs en via het bestaande ruiterpad aan het Achterom.”
Waar het fietspad in de plaats komt van een bestaand wandel- of ruiterpad wordt er elders een nieuw pad voor wandelaars of ruiters aangelegd. Het fietspad gaat bestaan uit klinkers en wordt 2,25 meter breed.

meer artikelen over mobiliteit

 

 

 

 

 

Fietspad 10: The Making Of in drie bedrijven


Voormalig Provincie-ambtenaar Johan Prins was nauw betrokken bij de totstandkoming van Fietspad 10. Hieronder geeft hij een kijkje in de keuken en wordt en passant uitgelegd hoe deze fietsvoorziening aan zijn naam komt. Uit de memoires van een enfant terrible.


Het eerste bedrijf
Mijn geschiedenis met Fietspad 10 begint ergens vroeg in 1976. Mijn onderafdelingschef zette mij in de ‘interdienstelijke werkgroep’ ter voorbereiding van het Provinciaal Fietspadenplan 1977. Ik zat toen al in het uitvoeringsoverleg fietspaden van de provincie onder de bezielende leiding van drs. J. (Joop) Borgman, zowel letterlijk als figuurlijk een groot man. In zijn handen verdwenen volwassen mannenhanden als kinderknuistjes.
Mogen meewerken aan de voorbereiding van een beleidsplan voor Borgmans grote hobby, fietspaden, was een grote eer en zeker niet slecht voor mijn uitbottende carrière. Om mezelf wat voor te bereiden ging ik na welke eerdere initiatieven nog niet uitgevoerd waren. Zo stuitte ik op een pad over de Waalsdorper Vlakte naar Meijendel, dat genoemd werd in een nota uit 1954 over de vrijetijdsbesteding rond Den Haag. In de nummeringssystematiek van de paden in 1977 werd dit pad bekend als Fietspad 10.
Borgman keek wel een beetje zorgelijk, maar ook hij zag niet in hoe je op de vlakte van Waalsdorp wél militaire oefeningen kon laten houden, maar níet zou mogen fietsen. Een alternatief voor de Buurtweg die langs ‘De Kievit’ voert - waar de oude heer Drees eens was geaffronteerd omdat hij het gewaagd had op het terras een eenvoudige kop koffie te bestellen - maakte hem zelfs enthousiast. Borgman had een hekel aan kouwe kak.
Najaar '77 werd het fietspadenplan door Provinciale Staten aangenomen en moesten Gedeputeerde Staten het conform de statenopdracht tot uitvoering zien te brengen; inclusief fietspad 10.

Ergens in '79 meldde Borgman in het POF (Periodiek Overleg Fietspaden) dat de gemeente Den Haag 'dwarslag’ bij fietspad 10. Overleg met B&W leverde een keihard ‘njet’ op (de Koude Oorlog was volop aan de gang) zonder verdere uitleg. "Misschien zitten er Russen", mopperde hij.
Intussen begon de provincie met de voorbereiding van een grootscheepse reorganisatie van het ‘drinkwatergebeuren’. Dit moest worden voorafgegaan door een onafhankelijk onderzoek dat zou aantonen dat de boel beter moest worden gestroomlijnd en de efficiency verbeterd. Het Koninkrijk van de 'waterboeren' in de duinen zou eveneens onder vuur komen te liggen.
Daar moest ik bij zijn. Het werd nog mooier dan ik in mijn stoutste dromen had durven bedenken. Er kwam een 'eigen' recreatieonderzoek, maar - veel belangrijker - de mogelijkheden en beperkingen van menselijke aanwezigheid in (de nabijheid van) waterwinmiddelen zouden gedegen worden onderzocht. Omdat ik tevens, als ‘bewaker’ van het algemeen maatschappelijk recreatiebelang, in de begeleidingscommissie van het totale onderzoek werd neergezet, kon mij niets ontgaan (dacht ik).

1980 en 1981 gingen grotendeels op aan allerlei (veld)onderzoek en rapportages. Dat leverde niet echt veel nieuws op, wel onvermoede nieuwe inzichten en perspectieven. Zo leken de meeste natuur- en milieuonderzoekers weinig met hun medemensen op te hebben: "De mens/samenleving is slecht, de natuur is goed!". Een in die (en deze?) tijd vaker gehoorde opvatting. Het onderzoek vorderde en ja hoor, het bleek een uitstekend idee om de drinkwaterwereld te stroomlijnen en bij de waterwinning viel nog veel natuur- en milieuwinst te behalen. Iedereen deed zeer gewichtig en blij verrast, maar eigenlijk kreeg de provincie gewoon de uitkomst die zij besteld had.

En toen kwam het ‘toetje’: Ir. Somers van TNO had de relatie onderzocht tussen de aanwezigheid van mensen in of direct nabij waterwinmiddelen en de veiligheid van het drinkwater voor de volksgezondheid. Wat was zijn conclusie? ER IS HELEMAAL GEEN RELATIE!! (En omdat er sindsdien geen enkel onderzoek is geweest dat anders uitwijst: DIE IS ER NOG STEEDS NIET!) Zo en niet anders zou aan opdrachtgever Gedeputeerde Staten worden gemeld.
Het pandemonium dat toen uitbrak was enorm. De waterwinners, gesteund door hun lobbyclub VEWIN, riepen dat dit onderzoek geen zuivere koffie kon zijn en dat ze desnoods het hele IODZH zouden opblazen door eruit te stappen. Maar ook de natuurjongens waren niet blij. Dat snapte ik toen niet, maar nu wel: zij hadden en hebben de waterwinners nodig om het 'stadse crapuul' uit 'hun' schatkamers te houden.

En toen maakte ik de fout van mijn leven. Ik ging ervan uit met achtenswaardige mensen te doen te hebben en begon te onderhandelen (sukkel!). "Je kunt toch meer voor de recreatie gaan doen op je ‘eigen’ terrein, dan kun je meteen het positieve effect van de nieuwe wintechnieken, zoals diepinfiltratie, laten zien", begon ik voorzichtig. Wat er verder allemaal gebeurde is voor mij even verwarrend als traumatisch. Binnen de kortst mogelijke keren was ik door de hoog- en zeergeleerden in hapklare brokjes gefileerd en verdeeld. Ik had ermee ingestemd dat het onderzoeksresultaat niet aan de opdrachtgever, GS, zou worden gemeld en als blijk van 'goede wil' zouden de waterwinners op afzienbare termijn Fietspad 10 realiseren door de Sprank A aan Joop Borgman 'cadeau' te doen.
Ergens voelde ik mij grotelijks belazerd, maar waar, wanneer en door wie? Het zou lange tijd duren voor ik daar voor mezelf meer helderheid in kreeg.

Het tweede bedrijf
1996…Als dit de midlife-crisis is, haal ik de honderd moeiteloos. Voor ik het wist zat ik op de zorgvuldig ingezeepte glijbaan naar het bubbelbad van de WAO. Hoe harder je tegenspartelt, hoe sneller het gaat. Het is niet te geloven hoe snel een zorgvuldig opgebouwd netwerk van kennissen en relaties verdampt in de zon. Voor je het weet ben je van elke maatschappelijke meerwaarde ontdaan.
Om het eigen zelfrespect en het gevoel van eigenwaarde een beetje inhoud te kunnen geven stort ik mij op het enige waar ik volgens sommigen wat van kan: stukjes schrijven. Maandenlang worden kranten, instellingen, bestuurders, volksvertegenwoordigers, partijen van 'all over the place' bestookt met brieven en briefjes, ondertekend: J.P. Prins.

Fietspad 10 en daarmee de duinen met alles d'r op en d'r an komt weer uit de kast - we schrijven inmiddels 2002 - na een telefoontje uit het Provinciehuis: "Weet je dat Van der Sar Pad 10 uit het fietspadenplan wil laten schrappen?"
Viavia kom ik in contact met Marc Beek van de Fietsersbond. Eindelijk iemand die minstens zo eigenwijs is als ikzelf. Er komt ‘vuurwerk’, bij de commissie en de plenaire behandeling. Op de een of andere manier krijg ik het voor elkaar in beide gevallen te schitteren door afwezigheid. Marc is mild, het zou hem ook kunnen overkomen. Het resultaat is buiten alle verwachting: Van der Sar wordt tegen heug en meug een lullig fietspaadje door de strot geduwd. Welke krachten spelen hier op de achtergrond mee dat een provinciaal bestuurder zich publiekelijk zo laat vernederen? "Aanleggen, en vlug een beetje", wordt nog geroepen uit de banken van de Statenleden.

Met een voortvarendheid waar wij Nederlanders een Europees patent op hebben (tussen haakjes, wist u dat het woord 'sabotage' komt van 'sabot', onze bloedeigen Hollandse klomp?) worden de ambtelijke en bestuurlijke rituelen afgewerkt om de eerste fase van de realisatie van fietspad 10 gereed te maken; een onoverzienbare berg papier. Het mooie van de kantoorautomatisering is dat je met een druk op de knop de hoeveelheid papier tot in het oneindige kunt laten opzwellen. Een geliefde strategie voor ambtenaren die zich ergens tegen willen indekken.

Intussen bestook ik de politieke bazen en baasjes met allerhande gerichte informatie, zonder enig resultaat. Niemand, maar dan ook helemaal niemand, toont ook maar enige belangstelling. Een voordeel heeft het wel gehad: Geen enkele lokale of regionale benoemde of gekozen democratische besluitvormer kan straks in redelijkheid verklaren dat hij/zij niet heeft kunnen weten hoe de koers was uitgezet. Ze stonden erbij en wilden het niet zien.

Laatste bedrijf ?
De provinciale ambtenaren hebben hun werk gedaan. De tracénota voor Fietspad 10 is klaar en ligt in de inspraak. Wat moet je daar nu mee? Ik kan mij niet voorstellen dat er iemand zou kunnen zijn met enig gevoel voor de menselijke leefomgeving (humane habitat) in en om Den Haag, die oprecht van mening is dat het pad er niet zou moeten komen. Het had er al minstens 25 jaar moeten zijn. Probeer maar eens op een mooie zonnige dag wandelend of fietsend aan de noordkant op een beetje leuke manier de stad uit te komen. Dat lukt amper. Naar Oost, Zuid of West gaat het niet echt beter. De paar mogelijkheden die er nog zijn, zijn vaak onderdeel (geweest) van oude historische verbindingen, die door de autoriteiten zijn 'vergeten' en er dus nog steeds zijn (zo is het fietspad Scheveningen - Katwijk door de Duitsers aangelegd als verbindingsweg van de Atlantik Wall). Onze relatie met onze 'natuurlijke omgeving' is kunstmatiger en minder natuurlijk geworden. Ons gevoel (mede)verantwoordelijk te zijn voor ‘al wat leeft en groeit en altijd weer boeit’ is zowel oppervlakkiger als sensitiever geworden, je zou bijna zeggen ‘sacraal’. We oordelen steeds meer op 'gevoel' en steeds minder op verstand.

Moet het pad er dan echt komen? Jazeker, maar niet op de hypocriete manier waarop het ons nu wordt voorgeschoteld. Dat er duinhagedissen zitten is een afleidingsmanoeuvre, die zitten op de "Bobsleeheuvel" op Duinrell ook, evenals in de bunkers van de Haagsche Golf&Country Club. En nachtegalen, dat waren in mijn tijd indicatoren voor (heel veel) brandnetels en bramen. Dus verwacht van mij niet te veel natuurgetreur. Hoewel bramen.....

Maar eigenlijk hóeft het pad er niet meer te komen. Het ligt er al! Door Sprank A. De reden om dit tracé niet te benutten is niet valide en in strijd met de werkelijkheid. De enige manier om de drinkwaterboeren gerechtigheid te doen is om ze als een soort "bourgeois de Calais" in hun hemd de toegangssleutels tot hun roofslot te laten overdragen aan de eerste burger van Den Haag.


Johan Prins

meer artikelen over mobiliteit

 

 

 

Ecotoon: een Mekka voor ecologische klussers


“Wat je bij VIBA kunt zien, moet je bij ons kunnen kopen”. Dat is in een notendop de doelstelling van Ecotoon, het bedrijf dat Gabriel Cirstea en Pieternel Peltenburg een kleine twee jaar geleden oprichtten. Een forse ambitie, als je weet dat de stichting VIBA EXPO ‘'s we

relds grootste permanente expositie voor duurzame en gezonde bouwmaterialen, installaties en diensten’ pretendeert te zijn.


Maar Ecotoon, gevestigd aan de Witte de Withstraat 43/45, is veel meer dan alleen een verkooppunt van ecologische bouwmaterialen en aanverwante artikelen. Gabriel Cirstea formuleert het aldus: “Je kunt hier terecht voor alles tussen niks en een duurzaam concept. We hebben alles van isolatie tot afwerking: warmtemuren, leem, tadelakt en verven, en dat van verschillende leveranciers. Maar verder zijn we ook een centrum voor informatie over en promotie van ecologische materialen. We beschikken over een showroom van ruim 250 m2 waar we producten van verschillende leveranciers willen tonen. Mensen kunnen daar informatie krijgen en voorbeelden van toepassingen zien.”


Een van die voorbeelden is een kunstzinnig vormgegeven lemen muur, die duidelijk illustreert wat er met dit natuurproduct mogelijk is. Terwijl hij over een grote zak gebogen staat en de leem door zijn vingers laat gaan, betoont Gabriel zich erg enthousiast over het materiaal vanwege de regulerende eigenschappen. Leem neemt vocht op en staat het weer af als de ruimte droger is. Leem blijft koel in de zomer en warm in de winter. En anders dan de gebakken vorm ervan - baksteen - kun je het materiaal steeds opnieuw hergebruiken. Voor natte ruimtes is het echter niet geschikt. “Daarvoor kun je tadelakt toepassen, een Marokkaanse kalk-pleistermortel. In Marokko wordt het zelfs voor badhuizen gebruikt. Tadelakt kan op allerlei verschillende ondergronden worden aangebracht. Door pigmenten mee te mengen kun je allerlei kleuren maken.”

Ook leemstuc is bij Ecotoon is verschillende kleurstellingen verkrijgbaar. Het merk Tierrafino levert zes standaardkleuren, die onderling gemengd kunnen worden en dan een grote variëteit aan tinten opleveren. Door er parelmoer aan toe te voegen krijgt de muur meer glans. Het resultaat hiervan kan ook bij Ecotoon bewonderd worden.


Ecotoon voert zelf projecten uit en onderhoudt voor de uitvoering van grote projecten contacten met aannemers en schilders. Gabriel en Pieternel streven naar verdere uitbreiding van hun netwerk van bedrijven die hun manier van werken onderschrijven. “Het gebeurt ook wel dat klanten van ons een aannemer in de arm genomen hebben die het niet ziet zitten om met dit soort materialen te werken”, vertelt Gabriel. “Dan geven wij voorlichting en spelen we een soort bemiddelende rol. En als mensen het te duur vinden om ons in te schakelen, kunnen ze hier leren hoe ze het zelf kunnen doen. Kom met vrienden naar een cursus leembewerking, dan ben je goedkoper uit en het is nog gezellig ook.”
Die cursussen vinden plaats in de ruimte die door Ecotoon ‘Aarde’ is gedoopt. Dit is tevens de ruimte waar leveranciers van ecologische materialen hun waren (gratis) kunnen presenteren. Geïnteresseerden kunnen contact met Gabriel opnemen, want er is nog plaats.

Pieternel Peltenburg is van oorsprong kunstenares en die achtergrond is goed te herkennen in de projecten die zij uitvoert - niet alleen onder de vlag van Ecotoon maar ook onder de naam Peltenburg dECOrations. Haar specialiteit is het glaceren van muren, die daardoor een fraai kleurverloop krijgen. Bij glaceren worden transparante lagen kleur (het bindmiddel bijenwas met pigment) door middel van spuittechniek of met een (zachte) kwast aangebracht. De ontvangst- en kantoorruimte van Ecotoon, ‘Lucht’ genaamd, fungeert als toonzaal. En ook op Ecotoons website, www.ecotoon.net, zijn enkele voorbeelden te zien.

Pieternel: “Na het doorlopen van de Academie ben ik, naast mijn vrije werk, muren gaan verven om geld te verdienen. Daarbij gebruikte ik graag Aglaia natuurverven. Die bestaan voor 100% uit natuurlijke grondstoffen en ik vind ze de beste kwaliteit bieden. Helaas hield de importeur van dit Duitse merk ermee op, en toen besloot ik ze maar zelf te gaan importeren.”
“We zijn de enigen in Nederland die Aglaia-verven verkopen”, vult Gabriel aan. “We verzenden ook door het hele land, zonder daarvoor extra kosten in rekening te brengen. Ik vind dat natuurverf de normaalste zaak van de wereld moet worden, dus ik wil volgend jaar met kortingsacties komen.”
Omdat Pieternel zelf verf mengt, claimt Ecotoon over de meest uitgebreide kleurenwaaier van alle leveranciers van natuurverven in Nederland te beschikken.

Is Pieternel opgeleid tot kunstenares, Gabriels achtergrond is aanzienlijk meer ‘down to earth’: voordat Ecotoon van start ging was de geboren Roemeen informatiespecialist. Door zijn ontmoeting met Pieternel raakte hij helemaal geïnspireerd door de natuur en gingen ze samen cursussen op ecologisch gebied volgen, onder meer bij Aarde-Werk. Hier ontstond hun warme belangstelling voor bijvoorbeeld leem. Gabriel: “Toen besloot ik dat ik iets moest gaan doen dat bijdraagt aan een beter milieu.”

Dat Gabriel zijn oude vak nog niet verleerd is bewijst de fraaie website van Ecotoon. Ook de techniek achter de nieuwe website www.allesduurzaam.nl (waarover elders in dit blad meer) is bij hem in goede handen. Via deze site kunnen particulieren onder meer hun ervaringen met het verwerken van natuurvriendelijke materialen uitwisselen. “En als mensen met vragen zitten zal ik die zo snel mogelijk beantwoorden”, belooft Gabriel.

Bob Molenaar


Tot eind van dit jaar verstrekt Ecotoon korting op alle Aglaia natuurverven en alle projecten die het bedrijf uitvoert. Bij de eerste opdracht of aanschaf wordt 10% korting verleend, bij de tweede 7% en bij de derde 5%.

meer artikelen over duurzaam bouwen en wonen

 

 

 

 

 

Voorburg tast natuurwaarde van grote parken aan


De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft plannen om de parken Vreugd en Rust en Arentsburgh/ Hoekenburg terug te brengen in hun originele stijl uit de 19e eeuw. Met die ingreep wil de gemeente meteen het achterstallig parkonderhoud van de afgelopen zestig jaar wegwerken. Voor deze inhaalslag moeten echter honderden bomen het veld ruimen. Dat heeft veel consequenties voor de natuurwaarde in deze groengebieden.


Ondanks het tekort aan onderhoud ademen de parken langs de Vliet een sfeer van grote natuurlijke rust. Achterstallig onderhoud heeft geen negatief effect gehad, maar ervoor gezorgd dat de natuur de afgelopen decennia zonder menselijk ingrijpen heeft kunnen doorgroeien. En het resultaat mag dan misschien wat rommeliger ogen dan een aangeharkt park, de diversiteit in natuurwaarde is er wel door toegenomen. Het cultuurpark is tot parkbos geworden.
De natuurwaarde is echter niet het uitgangspunt van de sectie groenbeheer van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Zij beziet de waarde van de landgoederen meer vanuit het historisch perspectief. De Engelse landschapsarchitectuur, gecombineerd met elementen van oud-Hollandse tuinaanleg, is het uitgangspunt van de renovatie. Terug naar open doorkijkjes, een rosarium, taxushagen en solitaire bomen. Kortom, terug naar een cultuurtuin.


Oude bomen, veel leven
De consequentie van dat streven is direct zichtbaar als we een van de parken bezoeken. Op heel veel plekken zijn bomen van alle soorten en maten met een blauwe stip gemerkt. Alleen al in het park Vreugd en Rust zijn op deze manier 206 bomen aangewezen om te verdwijnen.

Veel van deze gemerkte bomen hebben het predikaat ‘niet meer vitaal’, waarmee duidelijk wordt dat ze bejaard en aan het eind van hun boomleven zijn. ‘Niet meer vitaal’ betekent echter niet dat er geen leven meer in de boom zit. Juist bomen met een afnemende vitaliteit ontwikkelen allerlei mogelijkheden om ander leven te herbergen en de natuurlijke diversiteit te vergroten. Zo vallen er bij een oude boom op veel plaatsen gaten in de stam, waar andere soorten uit het planten- en dierenrijk een onderkomen vinden. Oude boomstammen zijn voor holenbroeders als spechten, kauwen, boomkruipers, maar ook vleermuizen ideale nestplaatsen. Ook insecten, mossen, epifyten, schimmels en paddestoelen krijgen hier een kans om zich te huisvesten. De oude, niet meer zo vitale bomen leveren dankzij hun ouderdom een belangrijke bijdrage aan het ecosysteem en de biodiversiteit in de parken. En kunnen, zonder gevaar voor omvallen, nog vele jaren hun nuttige bijdrage leveren. Het plan om al deze oude bomen in één keer te kappen zal dan ook een ecologische ramp betekenen.

Naast de ‘niet vitale’ bomen, staan ook veel gezonde bomen op de kaplijst. Dat zijn soorten die zich in de loop der jaren zelf in het park hebben gevestigd: de zogenaamde zaailingen, waaronder elzen en esdoorns. Zij horen niet thuis op de oorspronkelijke beplantingslijst en moeten dus het veld ruimen. Dat vooral de elzen in de winter een belangrijke voedselfunctie hebben tijdens de wintertrek van mezen en sijzen is bij de groenbeheerder niet bekend.

Park als cultuur
De manier waarop een landschapspark als Vreugd en Rust in de negentiende eeuw werd aangelegd en onderhouden, was gebaseerd op de toenmalige filosofie van ordening en beteugeling van de natuur. Die laatste gedachte kwam voort uit de vrees voor de wilde natuur, die toen nog volop in Nederland aanwezig was. Kennis van ecosystemen ontbrak nog in die tijd. De aanleg van een park werd als cultuur gezien, net als een schilderij, een beeld of architectuur.
We leven nu echter in een tijd dat wilde natuur nauwelijks meer voorkomt. De ecosystemen zijn afhankelijk van onze grote groengebieden binnen stedelijke structuren. Daar moet nu het natuurbeheer plaatsvinden. De inmiddels verworven kennis van ecosystemen is daarbij onmisbaar.

Het woord natuurwaarde is in het hele renovatieplan niet te vinden. Daarmee wordt ook geen respect getoond voor de natuurlijke processen die in deze parkbossen hebben plaatsgevonden. De gemeente Leidschendam-Voorburg zou er goed aan doen om een deskundige op het gebied van ecosystemen te raadplegen en eerst een grondige inventarisatie in de parken te laten uitvoeren. Op grond van artikel 21 van de Grondwet zou de huidige natuurwaarde behouden moeten blijven. Bovendien is het zomaar weghalen van nesten door bomen met natuurlijke holtes te kappen strafbaar volgens de Flora- en faunawet. Indien kap noodzakelijk is, dient hiervoor eerst een vergunning bij het ministerie van LNV te worden aangevraagd.
De gemeente zou er beter aan doen om het niet wederom op een milieuschandaal aan te laten komen. Tien jaar geleden kwam het, bij een vergelijkbare renovatie van park Het Loo, tot een gerechtelijke uitspraak waarbij Voorburg op grond van art. 21 van de Grondwet volledig in het ongelijk werd gesteld.

De milieucommissie van de Haagse Vogelbescherming heeft inmiddels kritisch commentaar geleverd op de plannen.


Aletta de Ruiter

meer artikelen over 'natuurbeheer'

 

 

 

 

 

Den Haag in 2020


Hoe ziet Den Haag er in 2020 uit? Daarover denkt het gemeentebestuur samen met veel partijen na in het kader van de Structuurvisie 2020 - een visie op de mogelijke toekomstige ontwikkeling van de stad. Ook het Haags Milieucentrum (HMC) denkt hierover mee.


De Structuurvisie 2020 wordt heel nadrukkelijk geen ‘plan’. Niet alleen is Den Haag er nog nooit in geslaagd om een structuurplan op te stellen, maar ook is er nu bewust voor gekozen om niet met een blauwdruk voor de toekomst te komen. De term ‘plan’ is kennelijk wat uit de mode in planologenland…
In het wordingsproces speelt sterk mee dat de gemeente Den Haag zich door de landelijke politiek miskend voelt. In de nota Ruimte wordt Den Haag nauwelijks genoemd en bij de HSL is kennelijk een trauma opgelopen. Dit leidt tot doelen in de Structuurvisie als ‘de boot niet missen’ (welke boot, waarnaartoe, vragen wij ons af) en Den Haag ‘op de kaart zetten’ (welke kaart wordt niet duidelijk).
In het verlengde daarvan ligt de vraag naar het ambitieniveau van Den Haag: willen we een rustig, groot woondorp achter de duinen blijven of hebben we de ambitie om een dynamische grote stad te zijn?
Op zich kan het HMC een hoger ambitieniveau dan dat van een suffig ambtenarendorp gerust steunen. Maar de hamvraag is dan: welke ambities en welke dynamiek wil Den Haag?

In de teksten zoals die er nu liggen, staat als kwantitieve doelstelling geformuleerd dat Den Haag moet groeien naar 500.000 inwoners. Wij vragen ons af of dat wel realistisch is. Immers, alle steden willen groeien. Verder staat deze wens op gespannen voet met de regiogedachte en het concept van de Randstadmetropool. En last but not least: tegen welke prijs moet dit gerealiseerd worden?

Versnippering
Terwijl de kwantitieve doelstelling naar onze inschatting niet realistisch is, ontbreken doelstellingen op het gebied van kwaliteit ten enenmale. Zo getuigt de Structuurvisie tot op heden nauwelijks van een groene ambitie. Wij vinden dat Den Haag voluit moet kiezen voor het streefbeeld van gifvrije gemeente en CO2-neutrale stad. Grote windmolens op het Prins Clausplein zouden goed in dit beeld passen.
Den Haag heeft veel groen, maar het is meer versnipperd dan nodig is. De parken en groengebieden in het noorden van de stad kunnen volgens het concept van het CityDuinpark met elkaar verbonden worden. In het algemeen moet het groen in Den Haag gekoesterd en verbeterd worden. Rare discussies als die over een VN-universiteit waarvoor we groen moeten opofferen, kunnen we wel missen.

Een ‘wereldstad aan zee’ - de ondertitel van de Structuurvisie - lijkt ons voor Den Haag wat al te ambitieus. Maar ’internationale stad aan zee (inderdaad niet achter de duinen) is ook al heel mooi. De zee is misschien wel de grootste kwaliteit van Den Haag. Dus in de toekomst geen Norfolkline meer op deze hoogwaardige locatie, maar een cultuurtempel (vgl. Sydney), zodat het North Sea Jazz-festival weer een plek aan de Noordzee krijgt.
Verdichting op deze locaties met woningen en bedrijvigheid is een prachtige kans. Laat Randstadrail naar Scheveningen en een tram naar Kijkduin rijden. Probeer havengebonden activiteiten, zoals de visafslag, voor Den Haag te behouden. Combineer behoud van de kustlijn via zandsuppletie met een dusdanige aanpak, dat er hogere golven komen op het gebied waar gesurft wordt.

Trots
‘In de beperking toont zich de meester’, zei Goethe ooit. Juist doordat Den Haag ingeklemd zit tussen de zee, kassen, randgemeenten en veenweidegebieden heeft de gemeente interessante stedenbouwkundige concepten ontwikkeld. Zoals bebouwing over de Utrechtse Baan heen, iets waar de stad trots op mag zijn. Wij vinden dat er in de Structuurvisie meer gekozen moet worden voor verdichting: rondom knooppunten van openbaar vervoer, in bestaande buurten, wonen boven winkels en intensivering in Binckhorst en Laakhaven. Aanzetten hiertoe zijn al gegeven. Als hiervoor echt gekozen wordt, heeft Den Haag geen nieuwe uitleglocatie nodig en kan het spaarzame groen gespaard blijven.

Op het gebied van mobiliteit vinden wij dat gekozen moet worden voor een autoluwe of -vrije binnenstad. Is het niet merkwaardig dat het Lange Voorhout, een van de mooiste pleinen van Nederland, ontsierd wordt door blik, terwijl er op loopafstand (onder het Malieveld) een parkeergarage ligt. Investeer grootscheeps in de fiets, zodat ontbrekende verbindingen tot stand komen, goede parkeervoorzieningen worden gerealiseerd en het comfort wordt verbeterd door de aanleg van goed geasfalteerde fietspaden. Er komt heel wat geld beschikbaar als besloten wordt het overbodige Trekvliettracé niet aan te leggen…

Al met al gaat het hier om een heel belangrijke discussie. Belangrijk voor heel Den Haag, en dus ook voor de natuur- en milieubeweging. We zijn dan ook benieuwd naar uw reacties en commentaar, die we in onze definitieve reactie aan college en gemeenteraad willen meenemen. Naar verwachting zal begin 2005 de politieke discussie hierover losbarsten. Via deze website houden we u op de hoogte.

Tom Pitstra
Haags Milieucentrum
Projectleider Ruimtelijke Ordening en Duurzaam Bouwen

meer artikelen over ruimtelijke ordening

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

KLIK HIER voor het Brandingarchief

Agenda

Zin in een dagje uit?

Hier ziet u wat er de komende weken in Den Haag en omstreken op natuur- en milieugebied te doen is

 
  Branding

 

Neem een gratis abonnement op Branding, hét Haagse tijdschrift voor natuur en milieu, of klik hier voor de elektronische versie.