DE WESTLANDWISSELTRUC VAN DEETMAN
Je
ziet het helemaal voor je:
...meer
VERKEERSPLAN GAAT
HELDERE KEUZE UIT DE WEG
De
voorzitter van de Fietsersbond
...meer
NIEUW PARKEERBELEID: BETER VOOR
DE ECONOMIE, BEREIKBAARHEID EN DUURZAAMHEID
Het parkeerbeleid is misschien wel het
belangrijkste ...meer
DE NORFOLKLINE EN HET
KLEIN DUIMPJESYNDROOM
Zolang de Norfolkline bestaat, is deze
onderneming verantwoor ...meer
EVALUATIE GROENBELEIDSPLAN
1996 - 2000
Het Groenbeleidsplan is destijds geschreven door de afdeling
...meer
INTENTIEOVEREENKOMST
duurzame energie en energiebesparing
...meer
ROMBO,
een naam om te onthouden ...meer
PADDENTREK IN
DEN HAAG
Jaarlijks vindt van eind februari tot eind april in heel Nederland
...meer
NATUURVRIENDELIJK TUINIEREN ...meer
VERKIEZINGEN: HET GROENE DEBAT
EN DE UITSLAG ...meer
CITYDUINPARKLOOP EN -WANDELING VERTRAAGD
...meer
BRANDENDE KWESTIE ...meer
VUILRAAP - INITIATIEF ...meer
GROEN
forum
THE ANSWER IS BLOWIN'
IN THE WIND +
PARKEERVERBOD OP HET VOORHOUT +
GEACHTE REDACTIE VAN BRANDING ...meer
BONTEBAL
VERVOER ...meer
DE WESTLANDWISSELTRUC
VAN DEETMAN
Je ziet het helemaal voor je:
een glunderende burgemeester Deetman die begin 2001 in het college
en van enkele topambtenaren de felicitaties incasseert voor zijn
succesvolle lobby bij de Provincie. Den Haag kreeg van de Provincie
toch het groene licht voor de bouw van in het groen gelegen villa's
aan de rand van de stad. Dit in ruil voor het loslaten van de
eis tot verdergaande sanering van het glas in het Westland en
de uitplaatsing van de 200 hectare glastuinbouw in de Westlandse
Zoom naar 400 hectare omringend groen in de Zuidplaspolder. Nu
Pronk nog om en de vurig gewenste bouwlocatie Nieuw Madestein
is binnen. Bij Pronk lag op dat moment nog een niet onaanzienlijk
probleem. In het concept van zijn Vijfde Nota stond namelijk dat
de Westlandse Zoom geen bouwbestemming zou krijgen. Bovendien
moest volgens de nota de glastuinbouw in het Westland geconcentreerd
blijven.
Deetman maakte zich echter geen al
te grote zorgen over een verkeerde afloop. Hij had zo zijn eigen
uitgebreide netwerk in de landelijke politiek. Tel daarbij nog
de druk op vanuit de Provincie richting Pronk. En niet het minst
belangrijk: hij kon ook nog steunen op de lobby van de eigen PvdA-wethouder
ROSV richting de minister-partijgenoot. Pronk ging dan ook om
en toen kon het feestje echt gevierd worden. Weer uitbreiding
van het Haagse grondgebied en een belangrijke stap in de verdere
vormgeving van het met zorg opgebouwde imago van Stad van Recht
en Vrede.
Met dat imago is niets mis en met
de bijdrage die dat levert aan de stadseconomie nog minder. Maar
Deetmans wisseltruc staat wel haaks op andere belangen die minstens
zo groot zijn. Dan hebben we het natuurlijk over de natuur in
de omgeving van Den Haag en de open groene ruimte die een stad
van internationale allure ook nodig heeft om aantrekkelijk te
blijven. Den Haag moet het economisch gezien hebben van chique
kantoren en andere met name hoogwaardige dienstverlening. Dat
soort bedrijven en hun personeel hechten grote waarde aan de aantrekkelijkheid
van de omgeving.
Maar die directe omgeving van de
stad wordt toch alleen maar aantrekkelijker? Zeker, Den Haag krijgt
in Madestein, door de transformatie van een kassengebied in een
groene woonomgeving, meer woningen en meer groen. Die wisseltruc
van Deetman staat echter, door het niet vasthouden aan een grondige
glassanering, een duurzame, economisch gezonde en groene ontwikkeling
van het Westland als geheel in de weg. Met meer durf en visie
had Den Haag alles kunnen hebben: en dure woningen met het nodige
privégroen en een hoge groene omgevingskwaliteit met bijvoorbeeld
de waterberging om de voortdurende wateroverlast ook in de stad
te voorkomen. Wat daarvoor nodig is, is het ontwikkelen van een
integrale visie op de totale glastuinbouw, voordat je weer een
stukje open groene ruimte in de het Groene Hart opoffert voor
een, alle kosten opgeteld, onrendabele bedrijfstak die met zijn
forse beslag op de schaarse ruimte eigenlijk niet thuishoort in
de Deltametropool.
Als het om glasbelangen gaat, lijkt het er namelijk op dat niemand
durft te zeggen waar het op staat. Wij wel. De glastuinbouw is
een industrietak die het landschap verpest, die door bebouwing
van de kwelpolders in het Westland, elders voor grote wateroverlast
en waterschade zorgt en de gemeenschap met de kosten daarvoor
opzadelt, die ons water ernstig vervuilt en de hoge waterzuiveringskosten
afwentelt op de belastingbetaler. Een industrietak die verboden
op pesticiden vaak aan de laars lapt, die voor elke milieumaatregel
en modernisering via subsidies dubbel en dwars gecompenseerd wordt,
die gesubsidieerd via een veel te lage gasprijs een grote bijdrage
levert aan het broeikaseffect. Die met zijn bulkproductie op dure
grond geen economische toekomst heeft, die andere ruimtelijke
ontwikkelingen frustreert, die illegalen die overgeleverd zijn
aan de willekeur van koppelbazen uitbuit. Een industrie die bij
grote schades, waar de sector door hun kwetsbaarheid zelf verantwoordelijk
voor is, telkens weer de hand bij de belastingbetaler ophoudt
en dan honderden miljoenen incasseert ter compensatie van risico
dat behoort tot het vrije ondernemerschap en bovendien een sector
waarvan de kosten van uitplaatsing gigantisch zijn. De glastuinbouw
levert naast dit alles een negatieve bijdrage aan het vestigingsklimaat
in Den Haag van internationale instellingen en andere hoogwaardige
werkgelegenheid. We weten dus wiens gesubsidieerde belang het
is: enkel en alleen het belang van de sector zelf en van de politici
die door hen gekozen worden. De sector verdient goed geld, niet
aan hun producten, maar aan de belastingbetaler. Ja, de tomaat,
de paprika en de bloemen worden duur betaald! Het is ongelofelijk
dat deze onrendabele, ruimteverslindende en milieuverpestende
bedrijfstak niet veel eerder en grondig is gesaneerd. Waarom is
er nog geen goede studie gedaan naar de totale kosten en baten
van de glastuinbouw?
Den Haag had dus moeten vasthouden
aan die noodzakelijke sanering van de glastuinbouw. Toch valt
de gemeente die uitruil van belangen niet al te hard aan te rekenen.
Dat komt door de status van het overlegplatform waarin dat had
moeten gebeuren. Dat is het overleg in het kader van het IOPW:
het Integraal OntwikkelingsPlan Westland; een overleg tussen alle
Westlandse gemeenten, Den Haag en de Provincie. Dit is namelijk
te zeer een overleg van belangenpartijen en dus ook van die sterke
glasbelangen. Daarvan valt dus weinig te verwachten. Nu komen
we bij de belangrijke rol van de Provincie. Deze draagt namelijk,
meer dan de verschillende gemeenten, de verantwoordelijkheid om
een duurzame en een gezonde economische ontwikkeling in gang te
zetten door de glastuinbouw aan te pakken en om de verrommeling
van het landschap te voorkomen. De Provincie heeft daartoe ook
de bevoegdheden. Dan ligt het voor de hand om als Provincie erop
in te zetten verouderd glas geheel te saneren en glas te hergroeperen.
Dit schept ruimte voor de ontwikkeling van woningbouwlocaties,
bedrijventerreinen, water en waterberging, voor recreatie en voor
het realiseren van ecologische verbindingszones en het verbeteren
van de natuurwaarde van de duinrand en de kwaliteit van de groene
ruimte.
Van de Provincie mag je bovendien
verwachten dat deze boven de al jaren strijdende partijen staat.
Maar helaas, de Provincie blijkt niet die strenge doch rechtvaardige
partij die boven de strijdende partijen uit, weliswaar vanuit
goed overleg, de bakens in de goede richting weet te verzetten.
Als ergens eens de bakens verzet dienen te worden, dan is dat
wel bij de Provincie zelf. Deze belangrijke bestuurslaag heeft
zich vastgeklonken aan de glasbelangen. De Provincie is dan ook
een uitgesproken tegenstander van een echte sanering van de sector
en heeft zich ingegraven op het standpunt dat de glastuinbouw
alleen toekomst heeft als er niet op het bestaande areaal binnen
de provinciegrenzen beknibbeld wordt. De Provincie gaat in haar
glasliefde zelfs zo ver om nota bene op Valentijnsdag de manifestatie
'Hart voor het Glas' te vieren!
Het was dus geen goede zet van Pronk
om de Provincie aan te stellen als opdrachtgever van een belangrijke
studie, die naar de toekomst van de glastuinbouw in de Randstad.
Die studie zag in juni 2001 het licht: de 'Glasverkenning'. Daarin
wordt gesteld dat, gezien vanuit de toekomst van de glastuinbouw,
de claim van de sector op het bestaande areaal grond juist is.
Men kiest voor glas in de Deltametropool, lekker dicht bij de
arbeiders. De sector moet wel meer vernieuwen. En natuurlijk worden
er mooie woorden gewijd aan een duurzamere ontwikkeling . Het
rapport stelt ook dat het noodzakelijk is dat deze een kwaliteitsslag
maakt richting specialisatie en veredeling, maar ook dat daar
bulkproductie voor nodig is. Zo kan ook de veiling behouden blijven.
Geen verrassende conclusies dus gezien de vooringenomenheid van
de opdrachtgever.
Als men gegevens over wat glastuinbouw
kost bij die toekomst betrekt en deze naast de gewenste duurzame
ruimtelijke ontwikkeling zet, dan kom je op heel andere blauwdrukken
uit. Voor de hand ligt in dat geval het economisch benutten van
de opgebouwde kennis. Dit betekent een koplopersfunctie en de
verdere ontwikkeling van moderne vormen van glastuinbouw. Behalve
de enorme reductie van het areaal glas, kan een innovatieve vorm
van kennisintensieve en niet grondgebonden productie vrijwel geheel
op bedrijventerreinen plaatsvinden. Daar kan ook ruimte worden
gemaakt voor laboratoria en kantoren. Bestemmingsplannen zitten
deze ontwikkeling nu juist in de weg. Bovendien heeft de vrij
kunstmatige productie van gewassen zoals in de glastuinbouw een
meer steriele omgeving nodig dan zoals nu, midden op het land
met alle lastige insecten en schimmels die daar de kasplantjes
bedreigen. Vanuit deze optiek zouden vraagtekens gezet moeten
worden bij het nieuwe glasbeleid om elke hectare nieuw glas in
een hectare groen in te bedden. Door dit inbedden verdwijnt weliswaar
het massieve karakter van de aaneengesloten glasbarrières enigszins
en is er ook meer ruimte voor doorgangen tussen de kassen, maar
het betekent ook dat nieuw glas in feite twee keer zoveel ruimte
inneemt.
Een ander probleem als gevolg van
de wisseltruc en het saldo-nul-beleid van de Provincie (geen glas
erbij, maar ook niet eraf) is dat het glasvirus door de uitplaatsing
van glas zich steeds verder over de provincie verspreidt. Niet
alleen in de Zuidplaspolder, maar ook naar de zoheten B-driehoek,
het gebied tussen Berkel en Rodenrijs, Bleiswijk en Bergschenhoek.
Dat weer grenst aan het glastuinbouwgebied het Oostland; het gebied
rond Pijnacker dat nu een stevige barriere vormt voor het realiseren
van een belangrijke Groenblauwe Slinger. Aldus ontstaat in de
omgeving van Den Haag, in de Zuidvleugel van Zuid Holland, een
geheel nieuwe glas-as die een prettig verblijfs- en vestigingsklimaat
behoorlijk frustreert en belangrijke ecologische verbindingszones
afkapt.
De huidige ontwikkeling in de glastuinbouw
gericht op bulkproductie op dure grond, waar veel belangrijkere
andere claims op liggen, is dus irrationeel. Deze is het gevolg
van een sterke lobby en positie van de glasbelangen, die de Provincie
aan zich hebben weten te binden en waar Den Haag geen of veel
te weinig tegenwicht aan biedt. Aldus zal er weinig terechtkomen
van de kwaliteitsslag waar iedereen de mond vol van heeft. Als
men die kwaliteitsslag echt wil, zal alles op de onontkoombare
sanering van het glas ingezet moeten worden, tenzij we zo gek
zijn om deze sector kunstmatig in leven te blijven houden en andere
claims op de ruimte die deze sector inneemt te laten varen. Om
in de Randstad uit de voortdurende lokale belangenstrijd te geraken
zou de landelijke overheid veel meer dan nu de regie gaat voeren
en de kaders gaat stellen. Het zijn tenslotte ook de subsidiegelden
vanuit de landelijke overheid die het glas overeind houden als
het niet hagelt. Dat alles natuurlijk in goed overleg met de lagere
overheden en belangenpartijen, zoals dat in ons poldermodel hoort.
Het is verleidelijk hier door te filosoferen op hoe bestuurslagen
beter en effectiever te organiseren. Dat dit, door de zwakke regie
vanuit de Provincie Zuid Holland, binnen de Randstad anders moet
is duidelijk. Het valt goed te verdedigen dat een economisch gezonde
en tevens duurzame ontwikkeling van de Randstad van nationaal
belang is. De bestuurlijke provinciegrenzen houden geen rekening
met het geheel dat de Randstad van nature is. Het zou bijvoorbeeld
mogelijk zijn meer bevoegdheden en legitimatie toebedelen aan
de stadsgewesten. Nu zijn de grote steden en samenwerkingsverbanden
van de kleinere blijkbaar machtiger dan de landelijke overheid
en spelen, als het zo uitkomt, een-tweetjes met de Provincie om
hun eigen belangen veilig te stellen.
Dit is binnen sommige kringen geen
populair geluid, maar wie andere mogelijkheden ziet, draag ze
aan zouden wij zeggen. Onze opiniepagina staat daarvoor open.
In ieder geval zou een grote stad als Den Haag en zijn burgemeester
Deetman, in plaats van alle lobbykracht in te zetten voor het
wijzigen van een juist te koesteren deel van de Vijfde Nota, zijn
kracht moeten aanwenden om het bredere belang te dienen van een
leefbare en groene omgeving van de stad. Dus van een omgeving
die aantrekkelijk is voor bedrijven en met bijvoorbeeld voldoende
waterberging. Nu kijkt men alleen naar stadsuitbreiding vanuit
het (woning)bouwbelang. Dit zonder harde inzet om de ruimte die
binnen de stadsgrenzen ook nog aanwezig is beter te benutten.
Kortom, het zou het Haagse bestuur sieren, en het zou ook in het
economisch belang van de stad zijn, op te komen voor een duurzame
ontwikkeling van de stad tot in de wijde omtrek.
Nu hebben niet alleen natuur en milieu
en alle Hagenaars die willen genieten van de open groene ruimte
weer het onderspit gedolven, maar ook het belang van een gezonde
economische ontwikkeling van de regio. Een herbezinning is nodig
met als één van de belangrijkste uitgangspunten een gedegen visie
op de toekomst van de glastuinbouw. Daarbij spelen de centen om
die glastuinbouw uit te kunnen kopen vanzelfsprekend een grote
rol. Denk dan ondermeer aan een goed gevuld groenfonds met daarin
ondermeer een groot deel van de opbrengst van de woningbouw. Zonder
helder aan te geven hoe de groene kwaliteitsimpuls in de Westlandse
Zoom betaald gaat worden, zullen alle op schrift gestelde goede
voornemens daarover dode letters blijken te zijn. En, hoewel wij
tegen uitplaatsing van glas zijn, omdat dit niet nodig is en het
de belastingbetaler veel geld kost, als dat dan toch gaat gebeuren,
plaats het dan uit naar een gebied waar het veel minder schade
oplevert, zoals de omgeving van Schiphol. Kasplantjes hebben namelijk
geen last van lawaai of zouden die daar ook gestresst van raken?
Frans van der Steen
meer
artikelen over ruimtelijke ordening en duurzaam bouwen
Verkeersplan
gaat heldere keuze uit de weg
De voorzitter van de Fietsersbond leverde in
de vorige Branding een bijdrage over de fiets en het verkeersplan.
Wij beloofden, als vervolg, artikelen over het openbaar vervoer
en de auto in het kader van het verkeersplan. Daarover valt het
nodige te zeggen. Maar juist bij deze twee vervoersmiddelen hangen
oplossingen en te nemen maatregelen nauw met elkaar samen. Daarom
eerst globaal onze visie op een duurzaam verkeersbeleid en de
belangrijkste uitgangspunten hoe dit te realiseren. Vervolgens
wordt deze vergeleken met de visie en de uitgangspunten van het
concept Verkeersplan tot 2010.
Een duurzaam verkeersbeleid houdt rekening met de economie en
dus met een goede bereikbaarheid van bedrijven, met de belangen
van natuur en milieu en met de belangen van de verschillende soorten
reizigers. Daarnaast is een hoge mobiliteit ook een verworvenheid
en het kunnen beschikken over een auto scoort terecht hoog. Daar
willen wij niet aankomen. Al zijn milieutechnische verbeteringen
slechts in beperkte mate mogelijk, voor een aantal doeleinden
is de auto een fantastisch vervoersmiddel. Echter, een gegarandeerd
hoog mobiliteitsniveau is niet hetzelfde als tegemoet komen aan
de vele wensen wat betreft automobiliteit, want die zijn in principe
onbegrensd. Dit terwijl ruimte, geld en milieu wel begrensd zijn.
Bovendien houdt de keuzevrijheid van de ene individuele burger
op waar de leefbaarheid van de andere burger en het milieu begint.
We betalen nu al een veel te hoge prijs voor de fors uit de hand
gelopen automobiliteit. Er is niets tegen het hebben van fun,
integendeel. Maar het plezier van de autorijder houdt wel op waar
de misère van anderen begint.
Dan hebben we het over verstopping van wegen, asociaal
gedrag van een harde kern automobilisten, onveiligheid, geluidshinder,
het grote ruimtebeslag, stank, het vele blik dat het aangezicht
van de stad domineert en tenslotte de aanslag op onze gezondheid
en het milieu door fijn stof, roetdeeltjes, CO2 en andere giftige
en klimaatverstorende emissies. Dat kan niet langer zo doorgaan.
De auto is, zoals wij al eerder betoogd hebben, van een zegen
voor de mens verworden tot misschien wel de grootste plaag van
onze stad. Zelfs de Kamers van Koophandel vinden dat er stevige
maatregelen moeten komen, omdat het voortdurend vastzittende verkeer
bepaald niet goed is voor de bereikbaarheid van bedrijven. Deze
exponenten van de vrije markt denken zelfs aan het opleggen van
beperkende maatregelen voor niet-zakelijke automobiliteit.
De vraag die centraal staat, is welk vervoer we
letterlijk de ruimte willen geven. Die ruimte is namelijk per
definitie schaars. Iedere vierkante meter die aan de één
gegeven wordt, moet in principe worden weggehaald bij de ander.
Meer ruimte scheppen in de binnenstad betekent vaak sloop. Vrije
trambanen gaan ten koste van parkeerruimte, fietspaden, oversteekbaarheid
en leefbaarheid van straten. Dit geldt zeker voor een bestaande
grote stad met weinig uitbreidingsmogelijkheden als Den Haag.
Maar niet alleen ruimte is een beperkende factor. Het gaat ook
om geld. Ook dat is per definitie schaars. Met geld is het namelijk,
hoewel in beperkte mate, mogelijk om extra ruimte te scheppen.
Naast ruimte en geld zijn er natuurlijk meer zaken van belang
zoals betere handhaving van verkeersregels en het letterlijk geven
van voorrang. Geef je de fiets, het openbaar vervoer of de auto
meer voorrang op kruisingen door directe verbindingen en door
het scheiden van de verschillende verkeersstromen. Dat laatste
vraagt overigens ook weer ruimte. Wij beperken ons in dit artikel
echter tot ruimte en geld.
Van alle vervoersmiddelen neemt de auto per persoon
verreweg de meeste ruimte in. Geef je de auto in de stad de ruimte,
dan drukt deze de fietser en het openbaar vervoer van de weg.
Tenzij er met miljardeninvesteringen wat meer ruimte gecreëerd
wordt. Daar moeten we echter niet teveel van verwachten, want
die extra ruimte helpt vaak niet, omdat die nieuwe wegen toch
weer ergens samen moeten komen en op die plekken, bijvoorbeeld
aan het eind van tunnels, nieuwe verkeersophopingen ontstaan.
Bovendien, en belangrijker, wordt de ruimte die geschapen wordt
als vanzelf opgevuld door nog meer auto's. Bij veel mensen staat
de auto hoog op het lijstje van verlangens en in onze welvaartsmaatschappij
is voldoende koopkracht. Als er weer meer ruimte op de weg komt,
grijpt men zijn kans. Bovendien trekken meer auto's een nog zwaardere
wissel op de leefbaarheid in de stad en op de natuur en het milieu.
Wel is het mogelijk om met het investeren in infrastructuur autostromen
te bundelen en gerichter naar de plaats van bestemming te voeren,
wat de woonwijken gedeeltelijk ontlast. Maar de toename van het
aantal auto's zal dit voordeel meer dan teniet doen en de overlast
en milieubelasting zal, daar waar die bundeling plaatsvindt, fors
toenemen.
GIGA-INVESTERINGEN
De andere keuze is het openbaar vervoer, de fiets en niet te vergeten
de deelauto de ruimte te geven. Deze keuze zal de leefbaarheid
zeker ten goede komen en spaart natuur en milieu. Uitgaande van
het behoud van een kwalitatief hoge mobiliteit biedt dit het noodzakelijk
alternatief voor het onnodige gebruik van de privé-auto.
Je mag tenslotte van mensen niet verwachten dat zij geregeld voor
uitstapjes, boodschappen, kinderen halen en brengen en de gang
naar het werk de auto laten staan, als er geen aantrekkelijk alternatief
is. Deze keuze ligt ook zo voor de hand, omdat het openbaar vervoer,
de deelauto en zeker de fiets veel minder ruimte innemen en investeringen
daarin dus aanmerkelijk minder gemeenschapsgeld kosten. Om een
hoge kwaliteit van het openbaar vervoer te bewerkstelligen hebben
we het overigens nog steeds over grote bedragen, zeker als we
er bijvoorbeeld voor zouden kiezen een metro aan te leggen.
Nu zou je kunnen denken, we doen het gewoon allebei.
En meer ruimte voor de auto en meer ruimte voor de fiets en het
openbaar vervoer. Win-win dus en keuzevrijheid-blijheid. Maar
dat kan dan alleen met dubbel grote dus giga-investeringen. Dit
is eigenlijk waar het conceptverkeersplan, op papier dus, voor
kiest. Maar deze vlieger gaat niet op. Men zou dan eerst heel
goed aan moeten geven waar men al dat geld vandaan wil halen,
want geld is een sterk beperkende factor. Dat wordt in het conceptverkeersplan
niet duidelijk. Wat vanuit tientallen jaren ervaring wel duidelijk
is, is dat de beloofde miljarden voor openbaar vervoer meestal
uitblijven en uitvoeringstrajecten op dat terrein lang duren.
Dit meestal in tegenstelling tot toegezegde miljarden voor auto-infrastructuur
die relatief snel gerealiseerd wordt.
Minstens zo belangrijk is dat de vlieger ook niet
opgaat vanuit de eigen doelstellingen van de gemeente, namelijk
die zoals vastgelegd in het milieubeleidsplan. Uitvoering van
het verkeersplan betekent dat de zogeheten 'modal shift' nooit
bereikt zal worden. Modal shift wil zeggen dat, uitgaande van
hetzelfde aantal kilometers, er een grootschalige overstap plaatsvindt
van de auto naar het openbaar vervoer en de fiets. Het milieubeleidsplan
kiest overduidelijk, terecht en ambitieus voor forse reductie
van CO2 binnen onze stadsgrenzen. Het nemen van een aantal technische
maatregelen is lang niet voldoende. Dat kan alleen bereikt worden
door waar mogelijk het autoverkeer te beperken. Het kan toch niet
zo zijn, dat noodzakelijke maatregelen die de ene milieuwethouder
voor moet stellen om het collegebeleid te verwezenlijken, haaks
staan op maatregelen die de andere mobiliteitswethouder voorstelt,
terwijl deze ook meent het collegebeleid uit te voeren.
Dit zijn geen makkelijke vraagstukken, maar wel
heldere dilemma's. Het geld is er gewoonweg niet voor en-en. De
ruimte geven aan alle vervoersvormen staat haaks op het eigen
(noodzakelijke) milieubeleid en aldus zullen veiligheids- en gezondheidsproblemen
van de Haagse burgers ook niet opgelost worden. Precies voor dit
soort moeilijke dilemma's hebben wij burgers de politiek aangesteld.
Om soms tegen het directe korte termijn privé-belang in,
niet gemakkelijke, maar wel heldere keuzes te maken. Soms dus
de individuele wensen van groepen kiezers weerstaan, ook al behoren
die kiezers tot je eigen achterban. Dit om vanuit weging van verschillende
belangen, het algemene en overkoepelende belang te dienen waar
een politicus en bestuurder met name voor aangesteld is.
GELDSTROMEN OP MAAT
Als je vanuit zorg voor duurzaamheid, gezondheid, veiligheid en
andere leefbaarheid als overheid een hoge mobiliteit en een hoge
kwaliteit daarvan wilt garanderen, dan is er dus maar één
keuze mogelijk. Dat is het toebedelen van voldoende ruimte en
middelen aan met name het openbaar vervoer en zeker ook de fiets
en de deelauto, ten koste van de automobiliteit. Daar moeten juist,
ondermeer door een duurzaam parkeerbeleid, beperkende maatregelen
genomen worden. Alleen zo en met een fijnmazig, frequent, veilig
en comfortabel openbaar vervoer, kunnen mensen verleid worden
bij veel van hun uitstapjes of zakelijk vervoer over te stappen
op de trein, tram en bus. Of natuurlijk op de fiets en in de deelauto,
maar dat kost niet zoveel geld. Deze heldere keuze wordt in het
concept verkeersplan niet gemaakt. Hij wordt zelfs krampachtig
ontweken. Als grote investeringen in het openbaar vervoer en in
mindere mate (want relatief goedkoop) in de fiets niet gegarandeerd
worden, en daar geen tijdpad voor wordt gesteld dat is verbonden
met het tijdpad voor de investering in een minder aantal wegen,
dan is het de automobilist die zoals tot dusverre altijd het geval
is, aan het langste eind trekt ten koste van het milieu en de
andere weggebruikers.
Het gaat er dus ook om hoe je geldstromen richt.
Als de gemeente een effectief en duurzaam verkeersbeleid wil voeren,
dan moet zij haar energie en invloed inzetten om van het rijk
de benodigde middelen daarvoor te krijgen. Als subsidieregelingen
vanuit het rijk het gewenste gemeentebeleid niet mogelijk maken,
dan moet dat door onze wethouders op dat niveau aan de orde gesteld
worden, meestal bij eigen minister-partijgenoten. Er moet gewoon
meer geld vanuit het rijk naar met name openbaar vervoer, maar
ook naar de fiets en de deelauto. Maar ook binnen de geldstroom
die er voor een beter openbaar vervoer beschikbaar zou komen,
kunnen beter andere keuzes gemaakt worden. Een concreet voorbeeld
is de financiële beloftes in verband met Randstadrail. Die
lopen al vanaf 1987, zo'n 15 (!) jaar dus. Maar er is niet in
de eerste plaats behoefte aan nieuwe infrastructuur. Van het al
die tijd gereserveerde geld had zonder probleem een betere dienstverlening
(frequentie, aansluiting, loop-afstand) op het bestaande net verwezenlijkt
kunnen worden en dit had fijnmaziger gemaakt kunnen worden. Dat
alles kan relatief snel gerealiseerd worden als je ziet hoe snel
de tramlijnen 15 en 17 aangelegd zijn voor elk niet meer dan 35
à 80 miljoen euro. Wat kun je dan niet doen met de 500
miljoen euro die Randstadrail zou kosten? Wat financieel echter
goed is voor vervoerders die dergelijke grote projecten exploiteren,
loopt lang niet altijd parallel met wat goed is voor de reizigers.
Wat zij samen voor hun kaartjes betalen is namelijk maar een deel
van de geldstromen waarmee vervoerders worden gevoed.
Het kan allemaal heel anders. Nergens heeft men
nog de moed gehad om openbaar vervoer en de fiets echt voorrang
te geven boven de auto. Toch zijn er tal van voorbeelden in andere
steden die aantonen dat het stukken beter kan dan de maatregelen
zoals voorgesteld in het plan dat er nu ligt. Dit verkeersplan
is echter nog maar een onderlegger. Over meer uitgewerkte plannen
en de budgetten daarvoor wordt nog apart beslist in onze nu duale
gemeenteraad. Wij zullen dat op de voet volgen, mogelijk met alternatieve
voorstellen komen en we zullen u op de hoogte houden.
Frans van der Steen
meer
artikelen over mobiliteit
NIEUW PARKEERBELEID:
BETER VOOR DE ECONOMIE, BEREIKBAARHEID EN DUURZAAMHEID
Het parkeerbeleid is misschien wel het belangrijkste
instrument om de almaar groeiende automobiliteit in duurzamere
banen te leiden. En dat is nodig. Op tal van terreinen wordt namelijk
wat betreft duurzaamheid enige vooruitgang geboekt, maar dit gebeurt
niet of nauwelijks bij het verkeersbeleid. We kennen de verhalen
van files, geen goed (aansluitend) openbaar vervoer en een palet
van verschillende opvattingen en verbrokkelde verantwoordelijkheden
over tal van beleidsmakers en beslissers.
Het werd dus tijd om een duurzame samenhangende
visie op het parkeerbeleid te ontwikkelen. En we worden op onze
wenken bediend, want onlangs bracht de gemeente de discussienota
'Parkeren en werken' uit. Duurzaamheid is daarin helaas geen uitgangspunt.
Dat zijn stimulering van de stedelijke economie, ruimtelijke effectiviteit
en goede bereikbaarheid. Dit neemt niet weg dat als de aanbevelingen
van de nota gevolgd zouden worden, de duurzaamheid zeker zal verbeteren.
In de nota wordt bereikbaarheid met de auto en OV
gezien als de belangrijkste vestigingsfactor. Het (toekomstig)
tekort aan parkeergelegenheid, met name wat betreft de zakelijke
dienstverlener, wordt gezien als een van de grootste knelpunten.
Door de parkeernormen is de parkeerruimte gefixeerd, terwijl het
aantal vierkante meters kantoorruimte per werknemer fluctueert.
Ook hebben nogal wat bedrijven eigen specifieke mobiliteits- en
parkeerbehoeften. Voor de dienstensector geldt dat die zowel behoefte
heeft aan een goede bereikbaarheid per auto als per openbaar vervoer.
Deze instellingen zitten vaak in het centrum en bij stations waar
de autobereikbaarheid dus minder is. Geconcludeerd wordt dat het
huidige parkeernormenbeleid eigenlijk een te grof instrument is
gebleken om een effectief economisch en ruimtelijk beleid te voeren.
In ieder geval kunnen we op de huidige voet niet doorgaan, omdat
onder ongewijzigd beleid in de komende 10 jaar 20.000 parkeerplaatsen
extra nodig zijn. Denk aan de grote projecten. De groei zal dus
door middel van beleid fors gereduceerd moeten worden.
Op basis van deze analyse en uitgangspunten wordt
in de nota, afhankelijk van het woon-werkprofiel en de ruimtelijke
(on)mogelijkheden, voor een groot aantal gebieden gekozen voor
goede ontsluiting met het openbaar vervoer. In die situaties kan
en moet de auto een stapje terug doen. In andere gevallen heeft
de auto beredeneerd een streepje voor. Het is een keuze voor afname
van autogebruik door optimale afstemming van vervoersvraag en
aanbod. Het gaat er om de reismogelijkheden optimaal af te stemmen
op de wensen van de werknemers. Werknemers die nu nog voor het
woon-werkverkeer de auto pakken en deze overdag nauwelijks gebruiken
zullen dan voor het openbaar vervoer kiezen. Dit betekent minder
(extra) parkeerplaatsen en toch een betere bereikbaarheid.
Deze keuze voor maatwerk is echt een omslag in het
denken. Tot nu toe was de keuze vanzelfsprekend om meer parkeergelegenheid
te scheppen en daar moesten veel andere gebruiksfuncties en (vervoers-,
leefbaarheids-, en milieu-) belangen voor wijken. Nu wordt in
de discussienota gekozen voor het faciliteren van de vraag door
ruim te investeren in OV en zo nodig in auto-infrastructuur en
parkeren. Ook wil men de bestaande parkeercapaciteit beter benutten.
Een voorwaarde bij dit alles is te kiezen voor een gebiedsgewijze
aanpak.
Het globale parkeernormenbeleid wordt dus ingeruild
voor maatwerk. Maatwerk betekent een attente klantgerichte houding
naar instellingen en gebruikers toe, maar houdt ook in dat grenzen
worden gesteld aan de beschikbare ruimte. Dus geen grote verkeersaantrekkende
kantoren vestigen in een stedenbouwkundig kwetsbare omgeving.
Naar mate de parkeersituatie klemmender is zal de kwaliteit van
het openbaar vervoer sterk verbeterd moeten worden. Dat dit nodig
is blijkt wel uit het rapport waar gesteld wordt dat de aantrekkelijkheid
van het openbaar vervoer van 13% in 1992 naar 8% in 1999 is teruggevallen.
Vooral in de agglomeratie en vanuit het Westland zullen niet alleen
via het centrum, maar ook met de grote werk/woongebieden directe
railverbindingen aangelegd moeten worden. Uit het rapport blijkt
dat de reiziger bereid is over te stappen van de auto naar het
openbaar vervoer indien dit vervoer er minder dan 1,5 keer zo
lang over doet dan de auto.
Het zwaartepunt van de nota ligt bij het woon-werkverkeer
in en naar de agglomeratie dat 69% vormt van alle verkeersbewegingen.
Op grond daarvan wordt ervoor gepleit in 10 werkgebieden, goed
voor 53% van de werkgelegenheid, de toekomstige parkeerbehoefte
(2010) in beeld te brengen. De gebieden zijn: Archipel/Willemspark,
Benoordenhout, Bezuidenhout, Centrum, Congrescentrum, Kerketuinen/Zichtenburg,
Nieuwe Laakhaven, Scheveningen-Haven en omgeving CS. Deze gebieden
hebben als gemeenschappelijk kenmerk de grote aantallen werknemers.
Verschillen zijn er ook. Zo wordt in verschillende gebieden druk
gewoond, zodat de parkeerdruk extra hard aankomt bijvoorbeeld
in Archipel/Willemspark. In 2010 verovert dit gebied de derde
plaats wat betreft parkeerbehoefte na het centrum en Bezuidenhout.
In deze gebieden zal geïnvesteerd moeten worden in openbaar vervoer
en betere benutting van parkeerplaatsen. Verder verschillen de
gebieden in die zin, dat de parkeerdruk soms gelijk is, overdag
soms de ochtenden bepalend zijn en soms de middagen. In bepaalde
wijken zoals Binckhorst, Kerketuinen en Benoordenhout vindt buiten
de kantooruren onderbezetting plaats. Slechts 30.000 van 60.000
parkeerplaatsen zijn dan bezet. Van belang is te weten in welke
wijken werknemers behoefte hebben aan een langdurige parkeerplaats
of waar er korter kan worden geparkeerd, denk aan de bedrijven
in de dienstensector.
TE VERWACHTEN RESULTATEN
De effecten van het nieuwe parkeerbeleid - dat is het verschil
tussen voortzetting bestaand beleid tot 2010 en het nieuwe beleid
in dat jaar - formuleert de nota als volgt:
* openbaar vervoer wordt een alternatief bij verminderde
reistijd
* in de werkgebieden zullen 20% minder auto's aanwezig
zijn. Concreet: in 2010 rijden 45.223 minder auto's de stad in
naar de 10 genoemde werkgebieden. In absolute zin minder parkeerplaatsen
in Willemspark/Archipel, Bezuidenhout, Binckhorst en omgeving
CS. In de overige gebieden relatief minder parkeerplaatsen
- door slimmere benutting is 10% minder van de bestaande parkeerplaatsen
nodig. 50% van alle parkeerplaatsen in een werkgebied kan
voor meerdere functies worden benut
- OV-verbetering heeft een gering effect op de zakelijke gebruiker,
wel een groot effect op het woon-werkverkeer en dat betreft
het overgrote deel
- de benutting van de parkeerplaatsen (dubbelgebruik) heeft
grote effecten, bijvoorbeeld 24%, oftewel 6.341 van de parkeerplaatsen
in het centrum, wordt dubbel gebruikt.
Voor Bezuidenhout, Nieuwe Laakhaven en omgeving
CS bedragen de percentages 12,19 en 17%. Voor de Binckhorst noemt
de nota 'zeer goed openbaar vervoer'. Dit betekent 50% afname
van het autoverkeer.
Alhoewel de nota dit niet zegt, betekent het voorgestelde
beleid een omslag in het denken. De verkeerssituatie kan minder
ongebreideld en meer gedoseerd over de werkgebieden worden toegelaten.
Het gevolg zal ongetwijfeld zijn dat het milieu en dus de leefbaarheid
wordt verbeterd. En daarmee komt met dit parkeerbeleid het perspectief
van een wat duurzamer verkeersbeleid in zicht. De kanttekening
is dat de plannen ook wat OV betreft uitgevoerd moeten worden,
anders zitten we met een groot probleem.
Het is van belang om alle genoemde werkgebieden
tegelijk op de besproken uitgangspunten te toetsen. Dat is nodig
omdat de stedenbouwkundige samenhang tussen de gebieden en de
raillijnen groot is en men zo het maximale effect het snelst bereikt.
De raadscommissie Verkeer en Vervoer heeft er bij wijze van proef
de voorkeur aan gegeven de Binckhorst als proeftuin te gebruiken.
Beter is het om de koe bij de horens te vatten en alle 10 gebieden
onder de loep te nemen. Veel van de verkeers- en vervoersgegevens
in die gebieden zijn beschikbaar. Doet men dat niet, dan zullen
in 2010 de doelstellingen waarschijnlijk niet gehaald zijn. Dit
rapport kan het begin zijn van een vernieuwend en duurzamer verkeersbeleid.
Zodoende wordt een effectvolle bijdrage geleverd aan de uitdaging
die gesteld is in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Voor dergelijk
innoverend beleid zou een extra (Europese ) subsidie niet misplaatst
zijn.
Ronald van Onselen Lid Milieu Advies Commissie
meer
artikelen over mobiliteit
DE
NORFOLKLINE EN HET KLEIN DUIMPJESYNDROOM
Zolang de Norfolkline bestaat, is deze onderneming
verantwoordelijk voor tal van ongelukken, niet zelden en nog onlangs
met dodelijke afloop. En daar blijft het niet bij. De geluidsoverlast
en luchtverontreiniging van de zware vrachtwagens zorgen voor
aanzienlijke gezondheidsrisico's en milieuschade. Dat komt met
name door de locatie. De Scheveningse haven ligt ingesloten tussen
woonwijken en de zee. Doordat een goede ontsluiting onmogelijk
is, dendert het zware vrachtverkeer elke dag dwars door onze stad.
Daarbij is het een open vraag of de niet geringe snelheid waarmee
dit vaak gebeurt door tijdsdruk komt of gebakken zit in de chauffeursgenen.
De oplossing lijkt zo simpel: verplaats deze grote
transporteur naar Vlissingen. Een havenstad die in deze bedrijfstak
gespecialiseerd is en waarbij woonwijken en bedrijventerreinen
elkaar niet in de weg zitten. Bijna iedereen blij. Die vreugde
geldt in ieder geval voor het overgrote deel van de Haagse bevolking,
door de forse bijdrage die het vertrek van deze grote transporteur
levert aan de leefbaarheid. We kunnen ons ook verheugen in het
vrijkomen van financiële middelen, doordat forse investeringen
in de infrastructuur niet meer nodig zijn. De bevolking van Vlissingen
blij door de, weliswaar bescheiden, bijdrage aan de werkgelegenheid
die de komst van de Norfolkline met zich meebrengt. Maar simpele
en duurzamere oplossingen mogen blijkbaar niet. Want nog in 1999
is het contract met de Norfolkline, onder bepaalde voorwaarden,
door de Haagse politiek tot maar liefst 2010 verlengd. Wat heeft
de Haagse politiek in hemelsnaam bewogen om de kans, geschapen
door het aflopen van het contract, om zonder al te hoge kosten
van dit nijpende probleem af te komen, niet met beide handen aan
te grijpen?
Daarvoor zijn drie oorzaken te noemen. De belangrijkste
is het Haagse kleinduimpjesyndroom. Bestuurlijk Den Haag heeft
ten opzichte van andere grote steden een minderwaardigheidsgevoel
als het gaat om het kunnen pronken met echte industrie binnen
de gemeentegrenzen. Werkgelegenheid dus waar het BNP met noeste
arbeid, waar je echt vies van wordt, daadwerkelijk wordt verdiend.
Om de helden van het eerlijke werken met grove sterke handen te
kunnen eren met een groot standbeeld zoals de Dokwerker, zit er
voor Den Haag niet in. Wij moeten het doen met een iel mannetje
gebukt onder een paar planken bij de Houtzagerssingel of ons gegoede
Jantje dat deftig zwaait met zijn zo fijnbesneden handje. Daar
zal ook nooit eelt op komen. Wij, zo is het gevoel, zijn een stad
van witte boorden en kantoren, van papierwerk en bureaus, met
te lege terrassen en zonder het volle kroegleven zoals in havensteden
als Amsterdam en Rotterdam. En dat wringt. Daarom doet het gemeentebestuur
er veel aan om nog een beetje echte industrie en de uitstraling
van een echte haven vast te houden. En zo kan het gebeuren dat
met zo´n Norfolkline voor een appel en een ei een huurcontract
voor een toplocatie wordt gesloten. Als tegenprestatie wil de
top van dit bedrijf de collegeleden wel eens inviteren en bij
gelegenheid op de schouders slaan. Goed voor het zelfvertrouwen
van onze bestuurders, dat wel.
Wat in 1999 ook meespeelde was de begrijpelijke
ongerustheid over het gebrek aan werk in de Haagse regio. De slogan
was: werk, werk en nog eens werk! Elke lokale arbeidsplaats telt
en dus ook het relatief kleine aantal van 250 bij de Norfolkline.
Maar een andere invulling van deze toplocatie met bijvoorbeeld
dure woningen en bedrijven die zich richten op het toerisme zou
veel meer geld en veel meer werkgelegenheid opleveren. Op die
plek zou je een in het oog springend project met hightech nieuwigheden
van duurzaam bouwen kunnen realiseren, dat midden in de (toeristische)
belangstelling geplaatst kan worden. Is daar ooit een goede studie
naar gedaan, zodat er wat te kiezen viel? Het antwoord daarop
is ontkennend. En dat brengt ons vanzelf bij het derde punt waarom
niet voor een voor de hand liggende en duurzamere oplossing gekozen
is.
OPENHEID GEVRAAGD
Dat is de ritsel- en regelcultuur tussen de mannen met geld en
macht. Voormalig wethouder Noordanus beheerste deze 'sport' als
geen ander. Hij zorgde er net als bij de Zwarte Madonna voor dat
alles wel in orde kwam. Dan worden in achterkamertjes, restaurants
of chique kantoren de afspraken gemaakt die eigenlijk in de gemeenteraad
en met inspraakmogelijkheid van de bevolking gemaakt moeten worden.
Eén en ander werd gelegitimeerd door de (publicitaire)
druk vanuit Scheveninger belangengroepen. Dat een flink aantal
Scheveningers voor het behoud van de Norfolkline zal zijn, is
overigens best te begrijpen, maar het gaat hier om veel meer dan
een Schevenings deelbelang.
De aanpassing van de brug en de aanleg van het geluidsscherm
langs de weg kost de hele Haagse bevolking veel geld. Duidelijk
is dat deze kostbare en ingrijpende maatregelen een relatief kleine
verbetering zijn van een per definitie onveilige situatie als
gevolg van het constante zware vrachtwagenverkeer door een aantal
woonwijken. De enige oplossing is uitplaatsing van dit voor Scheveningen
ooit karakteristieke bedrijf. Zo gaat dat nu eenmaal en zo ging
het ook met onze scheepsbouw, met de textielindustrie en in de
toekomst wellicht met de suikerfabrieken. Soms is concentratie
van een bedrijfstak in een bepaald gebied de beste oplossing,
zowel voor de omgeving als de rentabiliteit van de bedrijven zelf.
Zo zou het normaal gesproken ook gaan met de Norfolkline, die
door ons gemeentebestuur kunstmatig in de Scheveningse haven wordt
gehouden. Dat zou nog enigszins te billijken zijn als die subsidiëring
niet gepaard zou gaan met zulke grote overlast en onveiligheid.
Bovendien zou een andere invulling van deze toplocatie
zeer veel geld opleveren indien de grond bijvoorbeeld wordt uitgegeven
voor woningen en bedrijven. Dat betekent ook nog jaarlijkse inkomsten
uit forse onroerendzaakbelasting van de dure woningen. Ook is
het mogelijk om van de gebouwen, door een opvallende vormgeving,
een toeristische trekpleister te maken en tal van bedrijven daarin
te vestigen die de nodige toeristen zullen trekken. Ook dit zal
de nodige werkgelegenheid in Scheveningen scheppen en weer andere
inkomsten genereren. Nu zit Norfolk die ontwikkeling dubbel in
de weg, want zij keren zich ook tegen de komst van een nautisch
centrum en groot appartementenhotel. Zij zijn bang voor klagende
zeilers en hotelgasten wat betreft de overlast door hun schepen.
Met een actie probeert men dan ook de verdere grootschalige ontwikkeling
van de toeristische industrie tegen te houden. Wie zit wie nu
in de weg? Wat hier aan de hand is, is dat een gesubsidieerd bedrijf,
doordat het een schijntje betaalt voor de huur van de dure grond
van het bedrijventerrein, probeert een gezonde en duurzamere economische
ontwikkeling te blokkeren.
KRACHT DEN HAAG VERSTERKEN
Het wordt dus tijd om af te rekenen met het kleinduimjesyndroom.
Laten we er juist trots op zijn dat onze residentie het kloppende
bestuurlijke hart van ons land is en ervoor zorgen dat dit zo
blijft. Laat Den Haag zijn kracht zoeken waar die in potentie
ligt en niet krampachtig vasthouden aan glorie die vergaan is.
Het wordt ook tijd de regel- en ritselcultuur uit te bannen en
dergelijke belangrijke
beslissingen in volle openheid te nemen en de
Haagse burgers en hun inbreng weer geheel serieus te nemen.
Het zou dan ook getuigen van bestuurlijke moed en
zelfvertrouwen als besloten zou worden om opnieuw met de bedrijfsleiding
van de Norfolkline in gesprek te gaan, maar dit keer over uitplaatsing.
Met name D'66 heeft laten weten voor het spoedige vertrek van
Norfolk te zijn en GroenLinks sluit zich daarbij aan. De PvdA
heeft bij monde van haar voormalig fractievoorzitter gezegd zeer
waarschijnlijk het contract na 2010 niet te zullen verlengen.
Die mogelijke uitplaatsing moet nu natuurlijk wel op basis van
vrijwilligheid. Het gaat ook om een betrouwbare overheid. Er zijn
toezeggingen gedaan en daar heeft Norfolk zijn bedrijfsvoering
en investeringen in materieel op afgestemd. Bij het nieuwe huurcontract
is echter bedongen dat het bedrijf niet meer mag groeien. In Vlissingen
zou dat wel mogelijk zijn. Bovendien kan de directie van Norfolk
nu al duidelijk gemaakt worden dat een verlenging van het huurcontract
na 2010 er niet in zit. Elk bedrijf dat zijn voortbestaan verzekerd
wil zien, zou dan eieren voor zijn geld kiezen. Het is dus verstandig
nu niet te kiezen voor de uiterst kostbare sloop en opnieuw bouwen
van de brug. Die investering leverde al een te laag rendement
op, maar als dat slechts voor zeven jaar is, als het huurcontact
opnieuw afloopt en zeer waarschijnlijk dan niet verlengd wordt,
is het helemaal weggegooid geld.
De politieke wil en inzet om er samen uit te komen
zou dus een zegen zijn voor de leefbaarheid en veiligheid van
Den Haag. Dat de oplossing door de huurverlenging in 1999 nu niet
meer simpel en goedkoop is, heeft het bestuur aan zichzelf te
wijten. Desondanks is en blijft uitplaatsing van deze vreemde
en gevaarlijke eend in de Haagse bijt, de enige oplossing.
Frans van der Steen
meer
artikelen over gezondheid & milieu
EVALUATIE GROENBELEIDSPLAN
1996 - 2000
Het Groenbeleidsplan is destijds geschreven door
de afdeling Grote Groengebieden. Het brengt het Haagse groen in
beeld en geeft aan wie verantwoordelijk is voor het groen (provincie,
gemeente, stadsdeel). Daarnaast beschrijft het de ambities en
de prioriteiten van het Haagse groen.
En dat is veel en gevarieerd. Denkt u maar aan de
stadsparken, landgoederen, duinen en recreatiegebieden om een
paar grote groengebieden te noemen. Maar het beschrijft ook buurt-wijkparken,
historische groene pleinen, plantsoenen, groene trambanen en begraafplaatsen.
Kortom het biedt een uitstekend overzicht van het Haagse groen.
De ambities en prioriteiten worden aangegeven door
globale waarden te benoemen zoals recreatieve waarde, natuurwaarde,
ruimtelijke betekenis, cultuurhistorische waarde, betekenis voor
de ecologische structuur en de educatieve waarden.
Het bosgebied Sint Hubertuspark is een restant van
het vroegere duinlandschap tussen Scheveningen en Den Haag; een
jong duinlandschap gekenmerkt door veel reliëf en een matig kalkrijke
bodem. Het bos wordt afgewisseld met open zandvlakten als restanten
van vroegere duinzandverstuivingen. Ter verhoging van de belevingswaarde
werd rond 1930 door de inzet van vele werklozen een kunstmatige
duintop aangelegd met uitzicht naar zee en naar de stad. In 1968
is een deel verloren gegaan door de aanleg van het Hubertusviaduct.
Belangrijke waarden zijn de natuurwaarde, recreatieve
waarde, betekenis voor de ecologische structuur en de ruimtelijke
betekenis. Zo maakt het park deel uit van de Provinciale Ecologische
Hoofdstructuur doordat het de Oostduinen en het Westbroekpark
verbindt. Enkele beleidsuitgangspunten: landschappelijke elementen
handhaven, uitbreiding van het padenstelsel is uit oogpunt van
natuurwaarde en landschapswaarde niet gewenst en bij realisering
van de Noordelijke Randweg verdient de boorvariant de voorkeur.
Dergelijke beschrijvingen vind je over alle grote
groengebieden. Voor een geïnteresseerde groenliefhebber is het
zelfs een leuk plan om te lezen.
STATUS VAN HET GROENBELEIDSPLAN
Het Groenbeleidsplan is destijds goedgekeurd in de Raadscommissie.
Het heeft echter niet de status van een soort gemeentelijke verordening
in de zin van 'van dit groengebied blijf je af' of 'deze plaats
is ecologisch van belang en er mag dus geen benzinestation gebouwd
worden'. Het biedt geen planologische bescherming.
Sterker nog, sommige afdelingen van de Dienst Stedelijke
Ontwikkelingen kennen het plan niet. Zo bleek uit de eerste versie
van het Verkeersplan dat er geen rekening was gehouden met het
aanwezige groen.
Het plan is een goed naslagwerk vanwege het uitstekende
overzicht van het groen in Den Haag. De AVN gebruikt het vaak
als uitgangspunt voor een discussie over het groen. Het Groenbeleidsplan
heeft vooral gediend als kapstok voor de uitwerking van visie
en beheerplan van een gebied. U herinnert zich misschien de visie
de Uithof, Landgoed Meer en Bos of Stedelijke Ecologische Verbindingszones.
In afgelopen jaren is met name het natuurvriendelijk beheer goed
op de kaart gezet, doordat dit in het Groenbeleidsplan beschreven
is en als uitgangspunt gebruikt wordt in de beheerplannen.
EVALUATIE VAN HET GROENBELEIDSPLAN
Voor de evaluatie heeft de projectleider intern en extern een
aantal personen geïnterviewd, waaronder iemand van de AVN. Al
snel werd duidelijk, dat er eerder sprake is van het Groenbeleidsplan
vernieuwen, dan een totaal nieuw plan schrijven. Verbeteringen
moeten gezocht worden in:
l Het abstractieniveau: In samenhang met de Vijfde
Nota RO en Groen In en Om de Stad een uitwerking voor hoogwaardige
groene en blauwe structuren realiseren en naar andere gemeentediensten
toe beter meetbare randvoorwaarden aanbieden die in de beheersvisies
beschreven worden.
- Monitoring: Door een beschrijving van meetbare doelen,
kun je achteraf constateren of het ingezette beleid effect
heeft gehad.
- Meer aandacht voor wijk- en buurtgroen, waarbij meer aandacht
gegeven wordt aan het centraal stellen van het gebruik van
het groen. Heldere keuzen maken: waar is de hondenuitlaatplek
in de wijk, waar is het trapveldje en waar de ecologische
zone.
- Samenspraak bij het maken van de beheersvisies; het interactieve
proces.
- Instrumentarium: Het creëren van financiële middelen voor
beheer, handhaving en toezicht. Het Groenbeleidsplan moet
duidelijk maken aan de gemeenteraad hoeveel geld er voor groen
nodig is
De heer B. Swart, beleidsmedewerker van Stedelijke
Structuren, heeft inmiddels toestemming gekregen van de Raad om
een vernieuwd Groenbeleidsplan te schrijven.
De AVN hoopt constructief bij te dragen aan het
plan, in ieder geval kritisch te volgen hoe het vernieuwde plan
tot stand komt en welke status het krijgt in het gemeentebeleid.
Thérèse van Gijn - Bruggink, Bestuurslid AVN
meer
artikelen over natuurontwikkeling & waterbeheer
INTENTIEOVEREENKOMST
duurzame energie en energiebesparing
Op 19 februari was het dan zover. Op het Politiek
Terras in het Atrium van het stadhuis werd de intentieovereenkomst
duurzame energie en energiebesparing officieel bekrachtigd. De
gemeente Den Haag, de NV Eneco Energie en de Stichting Om Den
Haag komen met elkaar overeen om samen te werken aan het bevorderen
van Duurzame Energie en energiebesparing. Dat doen zij op tal
van manieren en hebben daarbij de beschikking over een speciaal
fonds.
De vorige samenwerkingsovereenkomst tussen Eneco
en de gemeente liep in 2000 af. Het heeft dus nog even geduurd
voordat de partijen zo ver waren om een nieuw samenwerkingsverband
aan te gaan. Geld speelt daarbij natuurlijk een belangrijke rol.
Er lag trouwens nog een flinke zak met geld uit de tijd van het
Milieuactieplan om de uitstoot van CO2 te verminderen. Deze MAP-gelden
zijn, via een toeslag op de energietarieven, opgebracht door de
Haagse burgers. Het had dus al veel eerder geïnvesteerd kunnen
en moeten worden. De feestelijke aankondiging van het fonds was
eigenlijk een sigaar uit eigen doos. Bovendien is het niet duidelijk
of al het opgebrachte Haagse geld in dit fonds is gestort.
Maar goed, het ligt er nu en daar dient goed gebruik
van gemaakt te worden. Eenieder met bruikbare ideeën: dien
deze in bij Om Den Haag (info@omdenhaag.nl,
tel: 070-3629857)! Ook nog niet uitgewerkte ideeën maken
een kans. Bij de uitwerking kan ondersteuning geboden worden.
Schroom dus niet. Er liggen al projecten, waaronder acties die
gericht zijn op gedragsverandering en heel specifiek energiebesparing
bij Haagse sportverenigingen, voortzetting van de zonneboileracties
en de actie Zonnestroom, het streven naar de realisatie van windmolens
op het grondgebied van Den Haag zoals langs de A4, A12 en A13,
de plaatsing van gebouwgebonden windturbines, bevordering van
gebiedsgerichte energieprojecten, zoals het zoveel mogelijk realiseren
van zonnestroom op kantoorgebouwen en het promoten van het gebruik
van duurzame energie, onder meer via toepassing van de Regeling
Energiepremie en het Energie Prestatie Advies.
Na afloop van de ondertekening werd er behalve door
wethouder Bas Verkerk en Doeke Eisma, de voorzitter van de Raad
van Toezicht van Om Den Haag, ook een toespraakje gehouden door
Hans ten Berge, lid van de Raad van Bestuur van Eneco. Hij vertelde
dat sinds de markt voor duurzame energie op 1 juli werd vrijgegeven,
het aantal klanten van Ecostroom van Eneco is gegroeid van 15.000
naar 160.000. Dat komt natuurlijk doordat Groene stroom door overheidsingrijpen
nu net zo duur is als gewone stroom. Hij wees erop dat de productie
in Nederland bij lange na niet genoeg is om aan de massale vraag
naar ecostroom te voldoen. Volgens Ten Berge bestaat er dan ook
een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheid, het bedrijfsleven
en de burgers om initiatieven te nemen om, naast het bevorderen
van energiebesparing, ook de productie van Groene Energie in ons
land en in de eigen regio te bevorderen. Daar is ook in de Haagse
regio ruimte voor. Tot slot zei hij dat Eneco zich blijvend zou
inzetten voor het bevorderen van duurzame energie en energiebesparing.
Tot zo ver akkoord en daar zullen wij Eneco ook aan houden.
Maar in zijn toespraak kon Hans ten Berge het niet
laten de milieubeweging een flinke veeg uit de pan te geven. Eerst
betoogde hij dat Groene Energie "geen zaak meer is voor geitenwollensokkentypes".
Het zou kunnen dat hij deze betiteling van de voorvechters uit
het verleden niet denigrerend bedoelde. Maar het is ook feitelijk
onjuist. Al tientallen jaren zijn er binnen de milieubeweging
goed opgeleide mensen actief die, goed verzorgd en goed gekleed,
met goede initiatieven het broeikaseffect willen bestrijden. Maar
ten Berge gaat verder door te zeggen dat hij het betreurt dat
er in Nederland soms weerstand is tegen projecten voor duurzame
energie: "merkwaardig genoeg vaak juist van de milieubeweging".
Hij doelt daarbij onder meer op weerstand tegen de enorme windmolen
van Siemens langs de snelweg bij Zoetermeer.
Beste Hans, wij voelen ons als Milieucentrum door
je opmerkingen aangesproken. Wij zijn voorstanders van verdere
ontwikkeling en productie van duurzame energie, maar tegelijkertijd
tegen de visuele vervuiling van ons landschap en voor behoud van
de vogelstand. Het zijn verschillende zaken die in een soms moeilijk
afwegingsproces om de voorrang strijden. Vele duizenden vogels
vinden jaarlijks de dood door de wieken van windturbines, onder
meer omdat bij de keuze van de locatie geen rekening is gehouden
met de routes van de vogeltrek. Juist vanuit de milieubeweging
komen tal van voorstellen waar windturbines wel en waar zeker
niet geplaatst kunnen worden. Als je wilt zullen wij je die informatie
graag toesturen. En, zoals je zelf al zei, is het bevorderen van
duurzame energie en dus van de keuze van locaties, een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van overheid, bedrijfsleven en burgers. En
zonder rancune, neem als Eneco samen met de overheid eerst maar
eens de verantwoordelijkheid om ook jullie klanten die zich tot
de Groene Stroom bekeerd hebben, niet langer kernenergie te leveren
via hun stopcontacten. In de volgende Branding zullen wij onze
verantwoordelijkheid nemen door aandacht te besteden aan de manier
waarop Groene Stroom aan de mens gebracht wordt. De keuze daarvoor
is namelijk minder simpel dan het lijkt.
Frans van der Steen
meer
artikelen over duurzame energie & energiebesparing
ROMBO,
een naam om te onthouden
Steeds breder wordt onderkend dat duurzaam bouwen
veel meer is dan het gebruik van duurzaam geproduceerde bouwmaterialen
die bij normaal onderhoud lang meegaan. Het proces van duurzaam
bouwen strekt zich ook uit tot de compactheid waarmee wordt gebouwd,
de ontsluiting van bouwlocaties door goed openbaar vervoer, de
bereikbaarheid van scholen, winkels, medische en recreatieve voorzieningen
en bijvoorbeeld de kwaliteit van de openbare ruimte. Dit betekent
dat tijdens de ontwerpfase van bouwprojecten de inbreng van duurzaamheid
een vereiste is. Om te bereiken dat duurzaamheid wat betreft energie,
materiaalgebruik, afval- en waterkringlopen en een gezonde, veilige
en comfortabele omgeving steeds vaker een vast ijkpunt wordt bij
bouwprojecten, heeft de afdeling Bouwfysica en Bouwecologie van
de gemeente een belangrijk instrument ontwikkeld: de ROMBO-strategie.
Dat staat voor Ruimtelijke Ordening en MilieuBeleidsOntwerp-strategie.
Wat houdt dat precies in?
ROMBO is bedoeld als hulpmiddel voor mensen die
bij de verschillende fasen van het ontwerpproces betrokken zijn.
Het wijst op het belang en de mogelijkheid van duurzame technieken.
Het streeft er naar dat duurzaam bouwen zo veel mogelijk wordt
geïntegreerd in de ontwikkeling van de stad en is in het
bijzonder gericht op de stedelijke vernieuwingsopgave van Den
Haag.
Om duurzaam bouwen handen en voeten te geven is
het dynamische ROMBO-proces in drie opeenvolgende fasen verdeeld:
1. de beeldvorming van de technische mogelijkheden;
2. de meningsvorming over de benodigde maatregelen om die technische
mogelijkheden economisch haalbaar te maken;
3. de maatschappelijke besluitvorming over welke maatregelen uit
fase 2 genomen worden.
De dynamiek ontstaat doordat op basis van de ervaringen
in de Haagse praktijk de theorie, in samenwerking met de TU Delft,
steeds verder ontwikkeld wordt.
Het blijft natuurlijk moeilijk om economische haalbaarheid
los te zien van maatschappelijke en politieke haalbaarheid. Die
zijn sterk met elkaar verweven. Wat hebben bouwers, vanuit hun
maatschappelijke verantwoordelijkheid en de politiek vanuit het
dienen van het algemeen belang, over voor de duurzaamheid in het
bouwen? Die maatschappelijke verantwoordelijkheid van bouwers
kan je natuurlijk ook vastleggen en opleggen, zoals met belastingheffing.
Dat geldt ook voor de politiek en de gemeente zelf. Daar zijn
we blijkbaar nog niet aan toe. Dat wordt dus elkaar steeds opnieuw
overtuigen in de fase van de uiteindelijke besluitvorming.
De beeldvorming van fase 1 vindt plaats in een workshop.
In die workshop worden eerst de drie schaalniveaus afgebakend
van waaruit op het gebied van energie, materiaal en gezondheid
met elkaar mogelijke maatregelen besproken worden. In de praktijk
blijkt dat de wijk het grootste schaalniveau is en een woning
of bouwdeel het kleinste. Milieueffecten en milieumaatregelen
zullen namelijk verschillen afhankelijk van de schaal van waaruit
je het bouwproces benadert.
Bij de meningsvorming van fase 2 gaat het erom,
met de resultaten van fase 1, met de verschillende partijen tot
bespreekbare voorstellen te komen. Daar komt heel wat bij kijken:
nader onderzoek naar randvoorwaarden bij de inzet van technieken
en de opbrengst daarvan, organisatievragen en de mogelijke financiering,
waaronder subsidies. Hier worden onvermijdelijk al besluiten genomen,
maar altijd op basis van argumenten en goed gedocumenteerd. Uiteindelijk
moeten de voorstellen zo gedetailleerd uitgewerkt zijn voor wat
betreft investeringen en opbrengsten, dat opdrachtgevers, gemeente,
investeerders en overige partijen, zoals bewoners, afgewogen en
eenstemmig een besluit kunnen nemen dat wordt aangeboden aan de
besluitvormende instanties.
Tenslotte de besluitvorming in fase 3. Hier vindt
de keuze plaats wat de duurzaamheid van het betreffende bouwplan
concreet in gaat houden en wat dit mag kosten. Dit is een zaak
van het gemeentebestuur en de directie(s) van private onderneming(en).
Ook zouden voor bepaalde onderdelen bewonersorganisaties in deze
fase een stem kunnen hebben.
Juist nu voor een groot aantal wijken stedelijke
vernieuwingsplannen ontwikkeld (gaan) worden, komt de ROMBO-strategie
als geroepen. ROMBO-workshops zijn al gehouden bij de wijkplannen
voor Duindorp, Spoorwijk en Rustenburg-Oostbroek. Op komst zijn
nog workshops in Morgenstond, Transvaal en bij de herbestemming
van het Johan de Witt-college. De gehouden workshops leverden
een breed pakket op van DUBO-maatregelen. Dan gaat het bijvoorbeeld
om het uitvoeringsproject duurzame warmtelevering 'Vlamloze energie
in Spoorwijk'. Maar ook om hergebruikmaterialen bij wegfundering
en asfaltverharding, gebruik van regen- en oppervlaktewater bij
bouwwerkzaamheden, lage temperatuur verwarmingssystemen en toepassing
van zonneboilers. Dat gaat de goede kant op!
Tot slot een algemene, maar belangrijke opmerking
over dit prachtige instrument en dat geldt bijvoorbeeld ook voor
de Checklist Duurzaam Bouwen. Breed wordt in de politiek het belang
van duurzaamheid erkend en de belangrijke bijdrage die duurzaam
bouwen daar aan kan leveren. Vandaar dat een aantal mensen zich
met hart en ziel inzet om daar goede instrumenten voor te ontwikkelen.
Helaas is er echter geen enkele verplichting om van deze instrumenten
gebruik te maken. Het blijft allemaal vrijblijvend en dus afhankelijk
van de bereidheid van opdrachtgevers, ontwerpers, bouwers en financiers.
De resultaten zijn bemoedigend, maar beperkt. Met de inzet en
goede bedoelingen van degenen die bereid zijn hun verantwoordelijkheid
te nemen, komen we niet ver genoeg met duurzaamheid. Het kan niet
vaak genoeg gezegd worden; duurzaamheid is niet iets wat je kan
doen of kan laten. Het gaat hier om niets minder dan onze bestaansgrond.
Daarom zou duurzaamheid een voorwaarde of een uitgangspunt moeten
zijn bij al ons handelen en dus ook bij duurzaam bouwen. Wie wil
mag meer doen, maar voor iedereen ligt er een behoorlijk hoge
ondergrens. ROMBO zou onderdeel van zo'n ondergrens kunnen zijn.
Frans van der Steen
meer
artikelen over ruimtelijke ordening en duurzaam bouwen
PADDENTREK IN DEN
HAAG
Jaarlijks vindt van eind februari tot eind april
in heel Nederland de paddentrek plaats. Gedurende deze periode
trekken de padden massaal van hun winterverblijf naar poelen en
sloten waar ze zich voortplanten. Hiervoor kiezen ze steevast
het water waar ze zelf ter wereld gekomen zijn.
Wanneer de trek precies start, hangt sterk samen
met de weersomstandigheden. De padden ontwaken namelijk uit hun
winterslaap wanneer de gemiddelde temperatuur tijdens een etmaal
rond de 7o C komt en de luchtvochtigheid hoog is. De mannetjes
ontwaken als eerste, de grotere vrouwtjes hebben meer tijd nodig
om op te warmen. Vervolgens gaan de dieren op pad, waarbij de
mannetjes in de startblokken staan om op zoek te gaan naar een
vrouwtje. Zodra een mannetje en een vrouwtje elkaar gevonden hebben
en elkaar bevallen (wat zeker niet altijd het geval is) kruipt
het mannetje op de rug van het vrouwtje waarna beiden samen de
weg vervolgen.
De trek vindt plaats van zonsondergang tot in de
vroege ochtenduren. Onvermijdelijk worden dan wegen of fietspaden
overgestoken. Op deze momenten zijn de langzame dieren bijzonder
kwetsbaar. Padden lopen namelijk, ze springen (vrijwel) niet.
Het oversteken van een straat kost hierdoor al gauw een aantal
minuten. Zonder hulp worden veel padden dan slachtoffer van het
verkeer.
Met name op drukke Haagse locaties als de Laan van
Poot vallen nogal wat slachtoffers. Maar ook op de veel minder
druk bereden Kwekerijweg, waar grote aantallen padden de oversteek
wagen, halen velen de overkant niet. Andere locaties in Den Haag
zijn de Duinweg, Dotterbloemlaan en Machiel Vrijenhoeklaan, in
Leidschendam de Appelgaarde en in Wassenaar de Buurtweg, kasteel
Oud Wassenaar en de Van Ommerenlaan. Sinds een aantal jaren bestaat
binnen de Dierenbescherming afdeling Den Haag een paddenwerkgroep.
Deze werkgroep bestaat uit een aantal coördinatoren en een grote
groep enthousiaste vrijwilligers, die in het paddenseizoen één
of meerdere avonden per week de padden helpen met het veilig oversteken.
In 2001 zijn op al deze locaties meer dan 19.000 padden overgezet!
De vrijwilligers geven zich voor de periode februari-april
op voor één of meer avonden per week. Tijdens deze avonden lopen
ze van zonsondergang tot een uur of tien, elf (afhankelijk van
het weer) en zetten dan padden over de weg. Het padden 'rapen'
is een behoorlijk verslavende bezigheid, veel vrijwilligers doen
dit werk jaren achter elkaar. En nieuwe vrijwilligers zijn al
snel fanatiek en enthousiast aan het rapen. Mensen omschrijven
het werk als gezellig, belangrijk en heel zinvol, lekker een avond
buiten zijn, de beginnende lente over je heen laten komen en gewoon
fijn om iets voor die dieren te kunnen doen.
Gezien de hoeveelheid locaties, de grote aantallen
padden en het feit dat er uiteraard wel doorstroming van vrijwilligers
plaatsvindt, is er altijd behoefte aan nieuwe vrijwilligers. Bij
deze wil ik iedereen aanmoedigen die er over denkt zelf een jaar
mee te helpen met de trek! Mocht u interesse hebben om volgend
jaar mee te helpen, neemt u dan tijdens werkdagen contact op met
de Dierenbescherming afdeling Den Haag, telefoon 070-3924289.
We zetten uw naam dan op een lijst en benaderen u vervolgens vóór
de trek van 2003 begint.
Bram Heijkers Hoofd werkgroep Padden
meer
artikelen over natuur algemeen
NATUURVRIENDELIJK
TUINIEREN
Bij veel mensen roept natuurvriendelijk tuinieren
nog de associatie op van een rommelige, slecht onderhouden tuin,
goed voorzien van brandnetels en andere (on)kruiden. Maar dit
vooroordeel is snel aan het verdwijnen nu de belangstelling voor
natuurvriendelijk tuinieren gelukkig steeds groter wordt. De Haagse
Natuurverenigingen hebben in het najaar 2001 dan ook ruim aandacht
besteed aan 'natuurvriendelijk tuinieren'.
Er gaat steeds meer groen in de steden verloren
door allerlei bouwplannen. Daarom is het des te belangrijker om
bewust om te gaan met de tuin. Al die relatief kleine stukjes
tuin in een stad vertegenwoordigen gezamenlijk een aanzienlijke
oppervlakte. Ruimte die planten en dieren nodig hebben om zich
te kunnen handhaven in de stad, maar ook om zich te kunnen verplaatsen,
bijvoorbeeld vanuit een buitengebied de stad in. Bezitters van
een balkon kunnen ook bijdragen aan een groenere stad. Op ieder
balkon past wel een plantenbak of waterschaal.
Bij natuurvriendelijk tuinieren wordt geprobeerd
door onder andere de plantenkeuze de tuin zo aantrekkelijk mogelijk
te maken voor allerlei diersoorten, van insecten tot egels en
vogels. In een tuin waar geen insecten voorkomen, zie je ook weinig
andere dieren. Kies voor planten die van nature in de omgeving
thuishoren. Dit komt ook de gezondheid van de planten ten goede.
Door bij de keuze van de beplanting te letten op
hun waarde voor bijvoorbeeld vogels, is het mogelijk meer vogels
naar de tuin te lokken.
Een aantal struiken, zoals struikklimop en vuurdoorn
bieden vogels niet alleen voedsel in de vorm van bessen, maar
ook schuil- en nestgelegenheid. Bovendien lokken deze struiken
met hun bloemen veel insecten naar de tuin. Ook het plaatsen van
een waterschaal en nestkastjes trekt vogels aan. Een aantal vogelsoorten
voedt zichzelf en zijn jongen met insecten. Dit betreft onvoorstelbare
hoeveelheden muggen, vliegen, mieren en luizen. Ook lieveheersbeestjes
zijn grote liefhebbers van luizen. Dit zijn dus natuurlijke verdelgers
van schadelijke insecten. Daar komt geen gif aan te pas. Als een
egel eenmaal de tuin heeft ontdekt, zal hij zich te goed doen
aan de slakken. Ook padden en kikkers en natuurlijk de lijster
eten graag slakken. Natuurlijke vijanden te over. Maar ook de
natuurvriendelijke tuinier heeft wel eens last van slakken. 's
Avonds of na een regenbui kun je ze met de hand wegvangen en elders
uitzetten. Of je maakt een zogenaamde bierval. Een schaaltje bier
ingraven, zodat 's morgens alle dorstige slakken zijn verdronken.
Ik vraag me wel af of je hiermee ook niet alle slakken van de
buren op een idee brengt. Slakken zijn namelijk dol op bier!
Wil je graag veel vlinders naar de tuin lokken,
dan kun je bijvoorbeeld kiezen voor planten als herfstaster, prikneus,
kogeldistel, kranssalie, koninginnekruid en vlinderstruik. Vlinders
gebruiken vaak brandnetels voor hun eitjes. Een enkele brandnetel
in een verloren hoekje is hier zeer geschikt voor. Als ergens
veel vlinders voorkomen, dan is dit een goede graadmeter voor
de kwaliteit van de natuur.
Ook planten als kamperfoelie, vingerhoedskruid,
ooievaarsbek, zonnebloem, reuzenbalsemien en dovenetel zijn aantrekkelijk
voor niet schadelijke insecten.
Als daarnaast de tuin 's winters niet al te rigoureus
'winterklaar' wordt gemaakt, biedt dit zowel de planten als de
overwinterende insecten bescherming. Insecten kunnen overwinteren
in holle plantenstengels of onder afgevallen bladeren. Als de
afgestorven stengels 's winters aan de plant blijven zitten, geeft
dit ook bescherming tegen de vorst.
Bij natuurvriendelijk tuinieren wordt dus geen gebruik
gemaakt van bestrijdingsmiddelen. Dit om de voedselkringloop niet
te verstoren.
Als het echt niet anders kan, kan er ook nog gebruik
gemaakt worden van een milieuvriendelijk product . Deze producten
worden verkocht onder de merknaam Ecostyle en bestrijden alleen
het probleem waarvoor het verkocht wordt, bijvoorbeeld slakken.
Door de samenstelling van het product is het niet schadelijk voor
de voedselkringloop.
Voor wie niet alleen wil lezen over natuurvriendelijk
tuinieren, maar dat ook wil beleven, is er de jaarlijkse Geraniummarkt
op 4 mei a.s. op het binnenplein van Leidschenhage, van 10.00
tot 16.00 uur. Daar treft u, op uitnodiging van de Leidschendamse
afdeling van de KMTP/Groei & Bloei, de Haagse natuurverenigingen
aan, die van alles laten zien en daar boeiend en bloeiend over
kunnen vertellen.
Met Haagse Natuurverenigingen wordt hier bedoeld:
Haagse Vogelbescherming
Stichting Egelopvang Den Haag
Vereniging voor Veldbiologie (KNNV)
Vereniging voor Natuur-en Milieueducatie (IVN)
Algemene Vereniging voor Natuur-bescherming voor 's-Gravenhage
e.o. (AVN)
Ingrid Piek Portefeuillehouder AVN
meer
artikelen over natuur algemeen
VERKIEZINGEN:
HET GROENE DEBAT EN DE UITSLAG
Op 19 februari vond op het Haags Milieucentrum
het groene verkiezingsdebat plaats. Hieronder kunt u in het kort
lezen welke onderwerpen aan de orde kwamen en welke toezeggingen,
gerelateerd aan de verkiezingsuitslag werkelijkheid kunnen worden.
DEBAT
Alle op dat moment zittende gemeenteraadsfracties waren vertegenwoordigd
bij het groene debat in het Haags Milieucentrum, inclusief de
wethouder van Milieu, Wilbert Stolte en de wethouder van Verkeer,
Bruno Bruins. Wat jammer is en tegenvalt, is het aantal aanwezige
zwevende kiezers. De zaal zit goed vol, maar met name met partijgenoten,
die 'meelopen' in campagnetijd en ambtenaren van de wethouders.
Wellicht zijn er niet zoveel zwevende kiezers als het om natuur-
en milieubeleid gaat ...
Allereerst geeft gespreksleider Frans van der Steen
de raadsleden de mogelijkheid in het kort aan te geven waar hun
partij voor staat als het gaat om milieu. Wat wij in het vorige
nummer van Branding al schreven komt weer naar boven: voor het
CDA ligt milieu dicht bij huis en wel in de betekenis van leefbaarheid.
D66 is praktisch en kiest onder andere voor het weren van vrachtauto's
in de stad; in 2009 is er wat hen betreft geen plek meer voor
Norfolkline in Den Haag. GroenLinks ziet milieubeleid en duurzaamheid
de portefeuilles economie, verkeer en ruimtelijke ordening doorkruisen.
De PvdA kiest nadrukkelijk voor een investering in het openbaar
vervoer en de ChristenUnie/SGP ziet voor een beter milieu een
taak voor de inwoners van onze stad weggelegd. De VVD pronkt met
de roetfilters op 150 HTM-bussen en de PPS ziet de wethouders
liever fietsen dan in de auto. Moet gezegd worden: de PPS is de
enige partij die pleit voor gemeentelijke financiële steun van
het Haags Milieucentrum.
Vervolgens vindt er een discussie plaats over de
kwaliteit van het openbaar vervoer. Wethouder Bruins kijkt tevreden
terug op de ontwikkeling in het openbaar vervoer. Aanwezigen vinden
dat het veel beter kan en moet. Zo duiken er praktische problemen
op voor de VINEX-locaties; ze betalen een extra zone omdat ze
bijvoorbeeld door Rijswijk rijden. De wethouder geeft aan dat
zone-indeling een taak van de overheid is, maar zegt wel toe er
naar te willen kijken. Natuurlijk komt ook de te late aanleg van
tramlijn 15 naar Ypenburg ter sprake. Ondanks kritiek blijft Bruins
trots op hetgeen gerealiseerd is.
Loes Jalink (Haagse Vogelbescherming) maakt zich
zorgen over het behoud van groen; bij alle nieuwbouw- en herstructureringsplannen
lijkt het groen ondergeschikt te worden aan wonen. Wethouder Stolte
zegt toe de groenomvang, nu na de herindeling het Haagse grondgebied
is vergroot, opnieuw te willen bekijken.
UITSLAG
Het nieuwe krachtenveld van de Haagse politieke arena geeft ons
een klein beetje hoop, mede gelet op de inhoud van de verkiezingsprogramma's.
Zo moet een autovrij Lange Voorhout nu tot de mogelijkheden behoren,
de aanleg van meer vrijliggende fietspaden bijna een feit zijn
en investeringen voor een beter openbaar vervoer gewaarborgd.
Voor een werkelijk duurzaamheidsbeleid is echter
meer nodig: op het moment van schrijven van dit artikel zijn de
Collegeonderhandelingen nog in volle gang. Vrijwel zeker is dat
de samenstelling ongewijzigd zal blijven, ondanks de zetel verlies
van zowel de VVD als de PvdA. De extra zetel winst van het CDA
levert hen waarschijnlijk een tweede (en dus achtste) wethouder
op. Naar de verdeling van portefeuilles over de acht wethouders
kunnen we alleen nog maar gissen. We hebben echter vanuit het
informele circuit gehoord dat de huidige fractievoorzitter van
het CDA, Ries Smits, de nieuwe wethouder van Milieu wordt, met
in zijn portefeuille ook energiebeleid en duurzaam bouwen. Die
onderwerpen passen goed bij elkaar onder Milieu. Dat zou in onze
ogen een duidelijke verbetering zijn. Maar hoe zorg je er als
gemeente voor dat de belangrijkste natuur - en milieuonderwerpen
van deze tijd, ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer, in
het College voortdurend langs de Groene Graadmeter gelegd worden,
waardoor wordt voorkomen dat milieubeleid uitsluitend geïnterpreteerd
wordt als een leefbaarheidkwestie?
Monique Vermin
meer
artikelen over algemeen milieubeleid
CITYDUINPARKLOOP
EN -WANDELING VERTRAAGD
Het Haags Milieucentrum was druk bezig met het
organiseren van een echt evenement. De CityDuinparkloop en -wandeling
op 23 juni, waarbij vijf bekende Haagse parken voor één dag met
elkaar verbonden worden. Iedereen is enthousiast over het idee.
En dat spreekt ook voor zich, want het gaat om een unieke 10 km.
hardloopwedstrijd en educatieve wandeling. Dat plan is zeker niet
van de baan. Het stuit echter op grote bezwaren bij de vergunningverleners.
Zij zouden negatief beschikken op het verzoek om de Nieuwe Parklaan
op zondagmorgen voor ruim een uur voor het verkeer af te sluiten.
Daarom heeft het Haags Milieucentrum besloten het evenement te
verplaatsen naar de Europese Autovrije dag.
De Haagse Milieuprijs, georganiseerd door het Haags
Milieucentrum heeft een plan opgeleverd om 12 parken en grote
groengebieden in het noorden van Den Haag met elkaar te verbinden
om zo het grootste stadspark ter wereld, het CityDuinpark, te
creëren. De CityDuinparkloop is een begin om dat ook voor elkaar
te krijgen. Een unieke en uitdagende loop geheel door het groen
van vijf Haagse parken. Op 23 juni zouden deze, door dit jaarlijks
terugkerende evenement, voor een dag aan elkaar verbonden worden.
Dat levert een gevarieerde loop op van 10 km. met een aantal stevige
klimmetjes, waaronder die over het hoogste duin van Den Haag:
het bedreigde Hubertusduin. Het is een loop die je doet voor je
plezier, omdat deze geheel door het Haagse groen klimt en slalomt.
De educatieve wandeling volgt dezelfde route als
de loop. Tijdens de educatieve wandeling is er veel aandacht voor
wat er allemaal te zien is in bos en park. Natuurgidsen en borden
zijn dan overal aanwezig. Wie meedoet levert ook nog een bijdrage
aan het realiseren van het CityDuinpark. Als dat er eenmaal is,
kan iedere Hagenaar dicht bij huis en goed bereikbaar met het
openbaar vervoer een hele dag wandelen en genieten van groen,
ruimte en ook rust. Dit betekent een echte verbetering van de
al bestaande groenkwaliteit.
Veel was er al geregeld. De natuur- en milieuverenigingen
waren akkoord met de plannen. De aanvraag voor de vergunning was
ingediend. Er was een startsubsidie van Fonds 1818 en contact
met de Algemene Spaarbank Nederland over een hoofdsponsorschap.
We hadden ons licht opgestoken bij een aantal loopverenigingen,
de Duinenmars en de Stichting Promotie Den Haag. Ook zij waren
enthousiast en boden hun diensten aan. Er werd gewerkt aan een
draaiboek en in overleg was een datum vastgesteld: zondag 23 juni.
Contacten zijn gelegd met de HOF over het werven van vrijwilligers
als pilot in het kader van een nieuw 'single event'- beleid. Ook
de folder was in opzet klaar. Wat betreft de hoofdzaken moest
alleen die vergunning er nog komen.
Dit valt gezien de route van de loop en wandeling
onder het stadsdeel Scheveningen. Wij wisten dat er twee flinke
knelpunten in de route zaten: de oversteek bij de Teldersweg en
de oversteek bij de Nieuwe Parklaan. Twee belangrijke verkeersaders,
die ook op zondagmorgen voor de aan- en afvoer zorgen van kust-
en horecabezoekers. Na de eerste bespreking met het stadsdeel
hadden wij met veel pijn de oversteek bij de Teldersweg laten
vallen. Dit kon door gebruik te maken van het tunneltje bij Madurodam.
Maar voor de Nieuwe Parklaan was geen alternatief te vinden. We
hebben gedacht aan een loopbrug en wilden de loop eventueel een
uur vervroegen. Daardoor zou de Nieuwe Parklaan in een rustigere
tijd, van 10.00 tot ongeveer 11.15 uur, afgesloten kunnen worden
voor het verkeer behalve voor de tram en de hulpdiensten. Het
verkeer moet dan voor korte tijd omgeleid worden. Er werd door
de Scheveningse politie overigens in goede onderlinge sfeer meegedacht.
Het moest toch mogelijk zijn om de Hagenaars een
evenement met een geweldige uitstraling, ook voor het groen in
Scheveningen, aan te kunnen bieden. En wij vroegen, na de nodige
concessies, niet meer dan de Nieuwe Parklaan, waar het autoverkeer
8760 uur per jaar vrij baan heeft, voor ruim een uur af te sluiten.
Daarbij kon bovendien de toestroom van toeristen gegarandeerd
worden door een omleiding over de Scheveningse weg en de van Alkemadelaan.
Dit bleek bij een tweede overleg met de gemeente echter onbespreekbaar.
De sfeer was niet slecht, maar het meedenken zoals bij het eerste
overleg was veel minder aanwezig. Er is opnieuw gesproken over
een tijdelijke voetgangersbrug, maar dat is een hele investering
voor zo'n uurtje. Bovendien hebben wij daar (nog) geen geld voor
en kost dat heel wat extra organisatiekracht.
Om een negatief advies te voorkomen, moesten wij
de aanvraag voor 23 juni intrekken.
Als organisator van een dergelijk evenement moet
je ruim van te voren zekerheid hebben over de datum en is de medewerking
van de politie erg belangrijk. Nu willen we de CityDuinParkloop
op de Europese Autovrije dag op 22 september organiseren. Wellicht
bestaat in Scheveningen, of anders bij de politiek, op een dergelijke
dag in het naseizoen wel de bereidheid om de Nieuwe Parklaan voor
iets meer dan een uur in het jaar voor het toeristisch verkeer
af te sluiten.
Frans van der Steen
meer
artikelen over het Haags Milieucentrum
BRANDENDE KWESTIE
Voor u ligt het nieuwe nummer van Branding. Voor
iedere betrokken Hagenaar is dit eigenlijk een onmisbaar blad.
Voor zover bekend is Branding het enige onafhankelijke blad dat
Hagenaars breed over ontwikkelingen op het gebied van natuur en
milieu in de eigen stad informeert en daarover opinieert. Het
blad zet aan tot uitwisseling van gedachten en ervaringen en biedt
daar ook een forum voor. Door de kritisch-constructieve benadering
en de diepgang, biedt het blad veel informatie die niet in bijvoorbeeld
de Haagsche Courant te vinden is. Vanaf de voorpagina valt u midden
in de achtergronden van ontwikkelingen in Den Haag rond belangrijke
zaken als verkeer en vervoer, bouwen en wonen, ruimtelijke ordening
en het behoud van de open groene ruimte, C02-reductie door energiebesparing
en duurzame energie, natuur, natuurbehoud, natuurontwikkeling,
afval, duurzaam bouwen, biologische landbouw, milieu en gezondheid,
enz. Branding zoekt naar een juiste mix van verdieping, actuele
korte berichtgeving en discussie.
Er wordt vanuit het Haags Milieucentrum enthousiast
en hard gewerkt om een goed, leesbaar en aantrekkelijk blad te
maken. Dat wordt wel steeds moeilijker. Dat komt door het aanleggen
van een hoge standaard wat betreft de kwaliteit en toegankelijkheid
van de artikelen en een chronisch gebrek aan tijd en goed gekwalificeerde
menskracht. Dit is er bijvoorbeeld de reden van dat de uitgave
van dit nummer van Branding een maand uitgesteld is. Tegelijkertijd
is het aantal bladzijden van Branding met vier uitgebreid, juist
omdat er zoveel boeiende ontwikkelingen in en om Den Haag aan
de gang zijn.
Het Haags Milieucentrum kampt al tien jaar met een
tekort aan professionele menskracht. Andere grootstedelijke milieucentra
zoals in Amsterdam en Utrecht hebben het ook niet gemakkelijk,
maar zij beschikken wel over diverse inhoudelijke en projectmedewerkers
op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur, mobiliteit, energie,
duurzaam bouwen en ander milieubeleid.
Daarom heeft het bestuur van het Haags Milieucentrum
in juni 2001 een aanvraag voor aanvullende structurele subsidie
ingediend bij de wethouders van Milieu, Ruimtelijke Ordening en
Verkeer en Vervoer en daarbij duidelijk gemaakt dat de situatie
urgent is. Kort voor behandeling in oktober van de begroting 2002
in de gemeenteraad was er nog geen duidelijkheid vanuit het gemeentebestuur.
Die duidelijkheid kwam er ook in november niet. Na aandringen
van de commissie Milieu kwam er op de dag voor het Kerstreces
een gesprek met de wethouder. Daarin werd afgesproken dat rond
half februari het Haags Milieucentrum, nog voor uitvoering in
2002, bij Milieu twee projectsubsidieaanvragen zou indienen op
het gebied van mobiliteit en ruimtelijke ordening, die daarna
weer aan de portefeuillehouders op die terreinen voorgelegd zouden
worden. Verder was het Haags Milieucentrum een belangrijke kandidaat
voor de externe begeleiding van de Milieu Adviescommissie (MAC).
Nu ligt er een ambtelijk advies over de ingediende
conceptprojecten, maar zit de collegevorming een spoedige afhandeling
weer in de weg. Bij ons is het water ondertussen tot aan de lippen
gestegen. Een aanvraag in juni 2001 voor 2002 en volgende jaren
wordt pas een jaar later afgehandeld, ondanks het urgente karakter
daarvan. Bovendien nog steeds zonder enige zekerheid over een
positieve uitkomst. Alle energie die in het ambtelijk apparaat
aan onze subsidieaanvraag is besteed, zou ondertussen omgerekend
in geld, het bedrag van onze aanvrage wel eens kunnen overtreffen.
De hele procedure kost ons veel tijd, en dat is nu juist waar
wij gebrek aan hebben.
Het Haags Milieucentrum probeert vanuit een kritische
benadering constructief te werken aan een leefbaar en duurzaam
Den Haag. Die kritisch-constructieve aanpak is ook onze opdracht.
Het werk dat wij doen is belangrijk. Het schept een breder draagvlak
voor een duurzaam beleid en met onze inhoudelijke en andere inbreng
kunnen bestuur en politiek bij belangrijke beslissingen op tal
van terreinen hun voordeel doen.
Maar zoals het nu gaat, kan het niet langer. Met
de huidige beperkte ondersteuning heeft Den Haag als Groene Stad
aan Zee, eigenlijk geen recht op het kostbare bezit van een grootstedelijk
Milieucentrum.
Frans van der Steen
HET HAAGS MILIEUCENTRUM ZOEKT VRIJWILLIGE
MEDEWERKERS
Al heel lang zijn in Den Haag natuur- en milieuorganisaties
actief. Op de meest zichtbare en voelbare problemen is het nodige
bereikt, mede door inspanningen van de gemeente. Dat kon vaak
met relatief eenvoudige regelgeving en maatregelen. Tegelijkertijd
zijn een aantal natuur- en milieuproblemen duidelijk toegenomen.
Hierbij gaat het meestal om complexe vraagstukken en processen
waar vele belangen mee gemoeid zijn. Oplossingen zijn niet eenvoudig.
Dat kan de gemeente alleen niet voor elkaar boksen. Dat hoeft
ook niet. Den Haag kan namelijk gebruik maken van de opgebouwde
kennis en ervaring bij natuur- en milieuorganisaties. Zij kunnen
vanuit hun specifieke positie en met het draagvlak dat zij onder
delen van de bevolking hebben een belangrijke bijdrage leveren
aan de noodzakelijke oplossingen. Het Haags Milieucentrum vraagt
voor vier dagen per week hoog gekwalificeerde vrijwilligers
die vanuit een duurzame en integrale visie initiatieven en activiteiten
ontplooien op de gebieden:
- energie, duurzaam bouwen en overig milieubleid
- communicatieve ondersteuning Verder wordt gevraagd dat
zij:
- complexe vraagstukken bondig en helder in het voetlicht
brengen
- projecten identificeren die de potentie hebben mensen bij
duurzaamheid te betrekken en die, liefst meetbaar, zullen
bijdragen aan een duurzamer Den Haag
- beschikken over goede communicatieve vaardigheden in hun
contacten met andere natuur- en milieuorganisaties, de gemeentepolitiek,
het ambtelijk apparaat en anderen
- ervaring hebben met projectfinanciering via fondsen
Tevens zijn wij op zoek naar een vrijwillige hoofdredacteur.
Hij of zij:
- is zowel inhoudelijk als wat betreft de vormgeving verantwoordelijk
voor ons blad Branding: het Haagse natuur- en milieublad
- dient een netwerk op te bouwen van mensen die bijdragen
aan Branding kunnen leveren
- zal samen met de vrijwillige medewerker communicatie het
blad bij de potentiële lezers promoten Wij bieden een goede
werksfeer en enthousiaste collega's.
Inlichtingen bij Frans van der Steen, tel: 3050286,
frans.vdsteen@haagsmilieucentrum.nl
meer
artikelen over het Haags Milieucentrum
VUILRAAP - INITIATIEF
Zag u ze al eens? Op een zondagochtend? In een
van de Haagse parken en bossen? De enthousiaste mensen van de
vuilraap-ploeg. Een groep van vijf mensen vormt de harde kern,
waaromheen een stuk of tien anderen actief meedoen. Wij hadden
er geen zin meer in altijd tussen het vuil te wandelen en besloten
zelf de handen uit de mouwen te steken. Om zo ook de gemeente
de helpende hand te bieden. Een keer per maand op zondag - tussen
10 en 14 uur - gaan wij gewapend met sterke vuilzakken en een
grijpertje het bos of park in. Wij verzamelen daar al het zwerfvuil
en dat is heel wat! Van verroeste bromfietskarkassen tot bijvoorbeeld
35 aanstekers op een plek waar vaak hengelaars zitten. De blikjes,
flessen en ander verpakkingsmateriaal verraden wie de uiteindelijke
afzenders zijn: de fabrikanten van deze versnaperingen. Ook zij
zijn verantwoordelijk voor de vervuiling die hun verpakking veroorzaakt.
Natuurlijk, via de hand van degene die ze achteloos weggooide,
maar toch.
Als leden van de vuilraap-ploeg geven wij als burgers
het voorbeeld, en vinden het ook nog erg leuk en gezellig. En
de boel knapt er enorm van op, zoals bijvoorbeeld de Waterpartij,
die na de zondag van februari twee maanden gewoon schoon is gebleven.
Want waar geen vuil ligt wordt minder snel vuil achtergelaten.
De gemeente en staatsbosbeheer (Haagse Bos) voorzien
hen van materialen en halen de vele volle zakken op om ze af te
voeren.
Wij vinden dit leuk om te doen, we krijgen veel
bijval van wandelaars die ons aanspreken en we nodigen iedereen
uit om mee te doen of eigen groepjes op te richten.
Berber de Haan
Tel: 3541917 e-mail: wildehaan@planet.nl
meer
artikelen over algemeen milieubeleid
GROEN
forum
THE ANSWER IS BLOWIN' IN THE WIND...
Nu Den Haag eindelijk bestuurlijk verantwoordelijk
is geworden voor een lang stuk A4, is dit dé gelegenheid om haar
ambities op het gebied van duurzame energie waar te gaan maken.
Het hoofdwegennetwerk is niet alleen zeer geschikt om files op
te laten ontstaan, je kunt het ook benutten voor het opwekken
van duurzame energie. Het benutten van de warmteopslagcapaciteit
van asfalt is een bewezen techniek; het hoeft alleen nog maar
aangelegd te worden. Natuurlijk duurt dat eventjes, maar met de
ambitie van Den Haag om een CO2-neutrale stad te willen zijn,
zal deze kans niet lang onbenut mogen blijven. Een andere optie
is om kilometerslange geluidswallen, die nodig zijn om het omringende
gebied nog enigszins leefbaar te houden, te voorzien van fotovoltaïsche
of zonnecellen. Heel nuttig, want dan wordt die oppervlakte tenminste
voor opwekking van duurzame energie gebruikt. Een dure optie echter
en het levert nog steeds relatief weinig energie op per vierkante
meter. Maar niet getreurd, er is nog een betere oplossing. Nederland
is er wereldberoemd om, de kennis is al eeuwenlang in huis. Windenergie.
Eureka. In tegenstelling tot de genoemde opties hoeft het ook
helemaal niet zo lang te duren. De moderne turbines zijn met een
beetje goede wil zo te plaatsen, ze zijn helemaal niet duur en
nemen weinig ruimte in beslag. Een betere optie is er niet; het
geeft tenslotte het hoogste rendement van alle duurzame energietechnieken.
De projectontwikkelaars verdringen zich om de turbines te mogen
plaatsen. Er valt van de wind goed te leven. En de gemeente Den
Haag heeft het tij mee. Minister Pronk dringt in zijn 5e nota
Ruimtelijke Ordening aan op het gebruiken van hoofdwegen als infrastructurele
basis voor windturbineparken in lijnopstelling. Langs de A4 was
al eerder een aantal locaties onderzocht op bruikbaarheid voor
windenergieproductie, maar de gemeenten Leidschendam en Rijswijk
lieten de zoeklocaties voor wat ze waren; winderige tochtgaten
in een dichtslibbende stedelijke omgeving. Dit gaat nu veranderen.
De Haagse gemeenteraad heeft nog niet zo lang geleden
een motie aangenomen, waarin werd aangedrongen op het nader onderzoeken
van de 'nieuwe gebieden' op kansen voor windenergie. Eerder zou
een dergelijk voorstel met afgrijzen zijn weggehoond. Windmolens
in die mooie stad achter de duinen, daar komt niets van in. Not
in my backyard. Zeker als het gaat om die grote masten van 85
meter hoog. Maar nu er één staat bij Zoetermeer, langs de A12,
is men toch wel een beetje jaloers. Siemens heeft mooi wel de
grootste blikvanger in de regio op z'n terrein staan. Dat is een
hightech uitstraling ten top. En dat realiseert men zich terdege
in het Haagse gemeentehuis. En wil je CO2-neutraal zijn, dan moet
de duurzaamheid wel ergens vandaan komen. Den Haag heeft een team
van ambtenaren de opdracht gegeven hier een dijk van een plan
voor op tafel te leggen. Eneco is als energiebedrijf op het juiste
moment aangeschoven, door samen met Den Haag en OM-Den Haag een
convenant af te sluiten, waarin het ontwikkelen van duurzame energie
het doel is. Het voorwerk is al voor een groot deel gedaan door
de 'oude' gemeenten, al dan niet in samenwerking met een van de
windmolenverenigingen in de regio. Of die nu hun pionierswerk
nog kunnen verzilveren, nu er opeens nieuwe partijen mooi weer
spelen met de locaties, is nog niet duidelijk. Maar hoe het ook
zij, het zal niet lang meer duren dat de wind ongehinderd het
Haaglandse landschap kan teisteren. De A4-zone leent zich in ieder
geval uitstekend voor de opstelling van een aantal grote turbines.
Oudere studies wezen uit dat in dit gebied zeker 20 MW kan worden
gemaakt. Gewoon uit wind. Fantastisch toch? En hoewel de turbines
van een ranke schoonheid zijn, er zijn altijd wel mensen die ze
niet mooi vinden. Maar dat ze de natuurhistorische waarden van
de A4-zone zouden aantasten, daar zal toch echt niet iemand mee
aan durven komen.
Het stadsgewest Haaglanden en de provincie Zuid-Holland
hebben, door ervaring wijs geworden, het zekere voor het onzekere
genomen en besloten alle potentiële windenergielocaties aan een
vogelhinderonderzoek te onderwerpen. Want vogels mogen niet het
kind van de rekening worden van een ondoordacht plaatsingsbeleid.
Het is echter een hardnekkig misverstand, maar het is bekend dat
het wegverkeer voor het overgrote deel de onnatuurlijke dood van
vogels veroorzaakt in Nederland. Niet de windturbines. Als je
ze tenminste niet op de verkeerde plaatsen neerzet. Want Den Haag
heeft nog een weeffoutje weg te poetsen. De windturbine aan het
Scheveningse Zuiderstrand, eigendom van het energiebedrijf Eneco,
heeft zijn werk voor Den Haag nu wel gedaan. Het wordt nu tijd
voor het serieuze werk. Nog even en Den Haag blaast zijn partijtje
duurzaam mee. The answer is blowin' in the wind.
Frits Raaphorst Projectleider windenergie
Haaglanden
meer
artikelen over duurzame energie en energiebesparing
PARKEERVERBOD OP HET VOORHOUT
Zou het niet prachtig zijn, geen geparkeerde
auto's meer op het Voorhout? Koen Baart, gemeenteraadslid van
de PvdA in Den Haag, denkt er net zo over. Hieronder het relaas
van zijn poging dit te bewerkstelligen, nog uit de vorige raadsperiode.
Het wachten is nu op toestemming van de nieuwe Raad.
Om het Voorhout te laten zijn zoals hierboven is
beschreven, is het noodzakelijk dat het geparkeerde blik zoveel
mogelijk verdwijnt. Daarom heeft de fractie van de Partij van
de Arbeid aangedrongen op een parkeerverbod voor het gehele middengedeelte
van het Voorhout. Iedereen die je erover spreekt deelt die mening.
Dus ik dacht: een motie indienen bij de begrotingsbehandeling,
een meerderheid vinden, een datum vaststellen waarop het parkeerverbod
ingaat en het is geregeld. Nee dus. Hoe gaat zoiets dan wel? Je
begint in de fractie mee te delen wat je wilt. De fractie gaat
unaniem akkoord, hoe kan je het zo treffen. Je belt met wat woordvoerders
Verkeer en Vervoer van andere fracties en voor je het weet heb
je een meerderheid die een eventuele motie wil steunen. Trots
meld je dat in de fractie en krijg je te horen de motie maar in
te dienen. Zo gezegd zo gedaan. Coalitiepartners, VVD en CDA,
zijn niet echt gecharmeerd van het idee. De VVD heeft in oktober
al een motie van gelijke strekking ingediend, echter voorzien
van veel onderzoek, daar is de gemeente goed in. Er is dus nog
niets gebeurd. Het College van B & W doet een toezegging, alle
voors en tegens worden in kaart gebracht en als het 'voorstel'
wordt aanvaard, een parkeerverbod met ingang van 1 januari 2003.
Het College, dus ook onze eigen wethouders! Hoezo een unanieme
fractie voor een motie om gewoon een parkeerverbod in te stellen?
Voordat ik het wist, en voor de lezers van dit stukje geldt dat
waarschijnlijk ook, zijn we in de hogere gemeentepolitiek beland.
Het kan niet zo zijn dat er zomaar een besluit genomen wordt.
Voors en tegens in kaart gebracht, wat betekent dat enz. Als ik
het allemaal goed begrepen heb; wat kost het, wie heeft er last
van, wie gemak, waar blijven de nu geparkeerde auto's et cetera,
et cetera? Worden er misschien moties en amendementen tegen elkaar
ingeruild? Wie het echt weet mag het zeggen. Volgende fractievergadering.
De toezegging wordt mij gepresenteerd als een geweldige overwinning.
Eindelijk is er een datum genoemd waarop het parkeerverbod ingaat,
als de nieuwe Raad het goed vindt. Hoe kan ik het zo treffen.
Mijn verweer, dat er al een meerderheid is als we de oorspronkelijke
motie handhaven en de fractie unaniem voorstemt, vindt geen gehoor.
Je moet je zegeningen tellen. Dat heb ik dan maar gedaan, beter
een kwart ei dan een lege dop.
De wethouder Verkeer en Vervoer heeft toegezegd
met een voorstel te komen waarin staat hoe dit gerealiseerd wordt.
Als alles volgens plan verloopt, zal met ingang van 1 januari
2003 een parkeerverbod gelden voor het middengedeelte van het
Voorhout. Dan wordt de mooiste laan van Nederland nog mooier dan
nu het geval is.
Koen Baart
meer
artikelen over mobiliteit
GEACHTE REDACTIE VAN BRANDING
In uw stukje met betrekking tot 'Rode stroken op
de Thorbeckelaan' in Branding van februari/maart 2002 geeft u
wel een zeer tendentieuze weergave van de werkelijkheid. Uw strekking
komt er op neer dat er voldoende ruimte is voor de fietsers op
de 'zeer ruim bemeten trottoirs' en dat het met name de VVD-stemmers
zijn die dit plan van de agenda geveegd hebben. Dit komt niet
overeen met mijn beleving van het geheel.
Mijn werkelijkheid is dat ik doorgaans links stem,
ik lid ben van de Fietsersbond, ik geen auto bezit en al mijn
(stedelijke) verplaatsingen met de fiets doe. En toch ben en blijf
ik, en gelukkig veel van mijn Laangenoten ook, een tegenstander
van het gewraakte plan.
Ik kan er een lang verhaal van maken; over schijnveiligheid,
leefbaarheid en automobiliteit, maar ik beperk me tot het uiteindelijke
resultaat van het plan om het fietspad op het trottoir te plaatsen.
Het uiteindelijke resultaat is namelijk dat de fietsers en voetgangers
op een breedte van 4 meter tot elkaar gedwongen worden ten gunste
van de automobilisten, die er ruim een meter bij krijgen, om nog
harder - er zijn immers geen vervelende fietsers meer - over de
Thorbeckelaan te racen.
Ik ben dan ook hoopvol (wellicht tegen beter weten
in), dat er een plan komt om een gescheiden, vrij fietspad te
creëren ten koste van een rijstrook op de Thorbeckelaan. Want
dan pas toon je echt aan dat je voorrang geeft aan de leefbaarheid
en de fietsers en niet aan de automobilist.
Alex Koppert
meer
artikelen over mobiliteit
BONTEBAL
VERVOER
Op zoab bloeien geen bloemen.
Nederland is vol... met auto's. Precieze aantallen
weet ik niet, interesseert me ook niet, ik zie het om me heen.
Je kan in de stad je kont niet keren of je brandt je billen aan
een bumper. Het aloude balspel stoeprandje kan in geen straat
meer worden gespeeld. Ook heb ik geen flauw idee hoeveel kilometer
file er dagelijks in ons land staat, vaak tot diep in de nacht,
maar ik zie ze staan, als ik langs de 'snel'weg fiets, als ik
over het Bernhardviaduct ga.
Nederland is vol... met auto's en dagelijks komen
er hordes nieuwe auto's ons land binnen. De opvangplaatsen, de
terreinen van de importeurs zijn overvol. De dealers weten van
gekkigheid niet welke aanbiedingen te doen om stand te houden
in een moordende concurrentie. Het wordt tijd dat daar paal en
perk aan wordt gesteld. Binnen Europa zal dat waarschijnlijk niet
kunnen wegens allerhande EU-regeltjes: het vrije verkeer van verkeer
over de binnengrenzen, maar het moet toch mogelijk zijn de auto's
van buiten de gemeenschap te weren.
En een uitzettingsbeleid, er moet een stringent
uitzettingsbeleid worden gevoerd. Auto's van buiten de Europese
gemeenschap die betrapt worden op zware overtredingen moeten zonder
pardon worden teruggestuurd naar het land van herkomst. Over illegaal
in ons land aanwezige auto's hoeven we het niet te hebben: wegwezen,
oprotten!
Netelenbos (ach, Netelenbos) en Jorritsma zijn de
afgelopen acht jaar bijna maandelijks met nieuwe plannetjes gekomen
om het fileprobleem aan te pakken. Plannetjes die werden weggehoond,
plannetjes die in de ijskast van het onderzoek werden gezet, plannetjes
die op het laatste nippertje werden afgeblazen. Aan het eind van
acht jaar paars blijkt er uiteindelijk geen reet veranderd. Ja,
één ding: het is nog drukker geworden.
Dé oplossing voor de problemen is een goed openbaar
vervoer (jeetje, hoe kom ik erop?). Maar áls daar al over wordt
gesproken, blijft het bij spreken, plannetjes maken die in het
laatje 'daar moeten we later nog maar eens naar kijken' verdwijnen.
Buslijnen worden opgeheven, de spoorwegen zijn hard op weg terug
te vallen naar het niveau van voor 1800.
In het Belgische Hasselt is sinds een jaar of drie,
vier het openbaar vervoer gratis. Er zijn geen lijnen opgeheven,
er zijn zelfs vele haltes bijgekomen en het loopt als een tierelier:
het gebruik is verachtvoudigd. Geen oponthoud meer door mensen
die een kaartje moeten kopen, geen gezeik meer met zwartrijders.
Het scheelt in tijd, het scheelt controleurs.
Tegenstanders gniffelen: het is een sigaar uit eigen
doos. Het openbaar vervoer wordt nu volledig uit belastinggelden
bekostigd en dat geld moeten we zelf opbrengen. Ja, nou, en? Wegen
worden ook aangelegd met belastinggeld, uit hetzelfde potje wordt
het leger gefinancierd. Anderen zeggen: maak het gratis voor de
minima, laat de rijken gewoon betalen. Er zit wat in, maar toch
weer niet: dan krijg je weer het oponthoud van kaartjeskopers
en moet je weer een controle-apparaat onderhouden.
Wat doen we met de auto's die er nu toch al zijn?
Proberen het gebruik een heel eind terug te dringen en dan niet
via ontmoediging. Geen negatieve benadering, want dan gooit de
Nederlander zijn kont tegen de krib en zet zijn hakken in het
zand. Dus, weer, zorgen voor goed openbaar vervoer, maar misschien
kunnen we de mensen die voorgoed de auto de deur uit doen daar
een premie voor geven (rijbewijs inleveren). Ontmoediging door
lastenverzwaring is een asociale weg, ik heb het al eerder gezegd.
Daarmee wordt Jan-met-de-pet in een hoek gezet, terwijl Floris-Jan-met-de-hoge-zijden-hoed
er geen hap kaviaar minder om vreet.
Pluis voor aanstaande 15 mei de verkiezingsprogramma's
door op werkelijke oplossingen voor de problemen. En bedenk: een
voortzetting van de asfaltering van ons land is een heilloze weg,
want: op zoab broeden geen vogels.
Adriaan Bontebal www.bart.nl/~bontebal
meer
Brandingcolumns van Bontebal