|
Branding nummer 18: januari-maart
2005
Marnix Norder: een innovatieve pragmaticus ...meer
Om Den Haag gaat verder met een nieuwe directeur
...meer
BOT - Altijd
scherp ...meer
Waarom er geen Automobielmuseum in Reigersbergen
moet komen ...meer
DANKZIJ DUINWATERBEDRIJF BLIJVEN DUINEN MOOI
NATUURGEBIED
Een interview met DZH-directeur Piet Jonker ...meer
Duurzaamheidswerkgroep wil gratis openbaar vervoer
...meer
Voorburg heeft oren naar tips over ecologisch groenbeheer
...meer
Van de wal in de sloot: Reigersbergen revisited ...meer
Fietsen met obstakels ...meer
Biologische bloemen aan de Brouwersgracht ...meer
BONTEBALDECEMBER
...meer
Marnix Norder: een innovatieve
pragmaticus
Ineens had Den Haag een nieuwe wethouder Ruimtelijke Ordening,
Stedelijke Ontwikkeling en Wonen: Marnix Norder. De voormalige gedeputeerde
bij de Provincie Zuid-Holland volgde de al even abrupt vertrokken
Arend Hilhorst op. Wie is de man die door het Expertise bureau voor
Innovatieve Beleidsvorming werd verkozen tot de meest innovatieve
bestuurder van 2003? Tussen zijn drukke werkzaamheden door had Norder
even een halfuurtje tijd voor een kennismakingsgesprek.
Als gedeputeerde met in zijn portefeuille Mobiliteit heeft Norder
zijn groene sporen wel verdiend. Zo dwong hij een provinciaal fietsplan
af door te weigeren zijn fiets van deugdelijke verlichting te voorzien
totdat zo’n plan er was. Om automobilisten te verleiden de
reis tussen Leiden en Den Haag per bus te maken, nam Norder het
initiatief met een proef voor gratis openbaar vervoer op dit traject.
Verder zal zijn naam altijd verbonden blijven aan het experiment
met light-rail op de RijnGouwelijn en wist hij voor- en tegenstanders
van de verlengde A4 door Midden-Delfland tot overeenstemming te
brengen. Niettemin leggen wij hem de vraag voor: van welke natuur-
en milieu-organisaties is Marnix Norder eigenlijk lid?
“Uit m’n hoofd: in ieder geval de Fietsersbond. En verder
van organisaties als het Zuid-Hollands Landschap, Natuurmonumenten
en dergelijke. Het zullen er vijf à acht zijn. Maar ik weet
het niet precies. Als er blaadjes aan verbonden zijn heb ik die
heel vaak afbesteld omdat ik toch geen tijd heb om ze te lezen.”
Welke ‘groene’ plek in Den Haag is je favoriet?
“Dat is het Haagse Bos: oud, statig en Hollands. Echt een
oase midden in de stad.”
Rij je hier in Den Haag met licht op je fiets?
“Nadat Provinciale Staten vóór het Initiatiefvoorstel
Fiets hadden gestemd, heb ik ervoor gezorgd dat mijn fiets op orde
was. En dat is-ie jarenlang geweest, met verlichting en alles, maar
die fiets is helaas gejat. Sinds een half jaar heb ik een nieuwe
en die is gewoon op orde.”
Maar jeuken je vingers en je hersens niet om je in Den Haag met
het verkeersbeleid te bemoeien?
“Nee, juist niet. Ik heb bij de Provincie vijf jaar de portefeuille
Verkeer en Vervoer gehad – overigens zonder dat ik een verkeerskundige
achtergrond heb of zo – maar ik heb een knop omgezet. Ik heb
m’n handen vol aan m’n nieuwe portefeuille, die ontzettend
veel tijd en energie vergt, en ik vind het juist ook wel lekker
dat de files nu van Bruno zijn en niet meer van mij. Het Haagse
vijfjarenplan Fiets is een goed plan. Je kunt duidelijk merken dat
er hier in de fiets geïnvesteerd wordt.”
Een provincie kan gemeenten aanwijzingen geven, budgetten en plannen
goedkeuren… waarom stapt iemand van een provincie over naar
een gemeente?
“Dat is op zich een goede vraag, maar het antwoord is vrij
simpel. De portefeuilles vertonen veel overeenkomsten: in beide
gevallen gaat het om het maken van nieuwe dingen. In het ene geval
zijn dat fietspaden, wegen en busbanen, in het andere geval woningen,
kantoren, enzovoorts. Maar het aantrekkelijke van een wethouderschap
is dat je dichter bij de mensen, tússen de mensen staat.
Je hoort en ziet dingen en kunt direct iets doen. Dat is uiteindelijk
voor mij de echte reden om als politicus bezig te zijn. Als gedeputeerde
heb je voornamelijk te maken met collega-bestuurders, zoals wethouders,
burgemeesters, besturen van instellingen. Een wethouder heeft veel
meer contacten met burgers, maar er hoort ook bij dat je niet altijd
met een goede boodschap komt.”
Je hebt op provinciaal niveau veel gedaan voor duurzame
mobiliteit. Welke initiatieven op duurzaamheidsgebied kunnen we
in Den Haag van je verwachten?
“Den Haag zal in de toekomst verder groeien, niet alleen kwantitatief
maar ook kwalitatief. Dat laatste komt onder meer tot uiting in
de hang naar meer openbare ruimte, meer pleinen. Dat moeten interessante
ontmoetingsplekken worden. We willen een internationale stad zijn
– een ‘wereldstad aan zee’, wordt het in de Structuurvisie
genoemd. We willen vooral inzetten op een duurzame woon-, werk-
en leefkwaliteit.
Ik denk dat Den Haag een heel interessante internationale stad is,
maar dat betekent ook op een aantal plekken in die stad écht
kiezen voor verdichten: dus meer volume bouwen per hectare en ook
de hoogte in durven gaan.
De mogelijkheden om goed te wonen en goed te werken moeten dicht
bij elkaar blijven, zodat je draagvlak krijgt voor openbaar vervoer.
In die zin is het ook qua mobiliteit een investering in duurzaamheid.”
Op duurzaam bouwen is natuurlijk veel milieuwinst te boeken, maar
in de praktijk wordt er lang niet zo duurzaam gebouwd als mogelijk
is. Niet elk bouwproject wordt aan de Checklist Duurzaam Bouwen
onderworpen. Moet er, na tien jaar, niet eens een nieuwe Nota Duurzaam
Bouwen komen?
“De vlucht in het schrijven van nieuwe nota’s is heel
eenvoudig. Er zijn hele bibliotheken gevuld met nota’s die
niet uitgevoerd zijn. Als een nota voldoet, is het niet erg dat
die oud is. Als er in de uitvoering dingen mis gaan, moet dat in
de uitvoering worden opgelost. Ik ben een pragmaticus. Ik hou van
dingen die echt werken in de stad en niet van mooie verhalen over
hoe het zou moeten.
Zo’n aanpak als van het Haags Milieucentrum – een expert
meeting voor ambtenaren die met elkaar gaan nadenken over wat duurzaamheid
is - vind ik interessanter dan een nieuwe nota. De uitkomsten daarvan
moeten dan worden vertaald in hoe ze met corporaties en dergelijke
omgaan.”
“Maar goed, ik zit hier nu een maand. Ik heb geen afgerond
beeld van wat duurzaamheid voor deze stad precies is. Misschien
stel je me deze vraag te vroeg. Ik weet het gewoon nog niet.”
Bob Molenaar
Tom Pitstra
meer artikelen over ruimtelijke
ordening en duurzaam bouwen
Om Den Haag gaat verder met een
nieuwe directeur
Van Poekelboek naar milieumarketing: het lokale duurzaamheidsbeleid
heeft een lange weg afgelegd. Vijf jaar lang was Kitty van der Voorn
de stuwende kracht achter de Ontwikkelingsmaatschappij Den Haag.
De Stichting Om Den Haag is opgericht om bij te dragen aan de duurzame
ontwikkeling van Den Haag en om het (Haagse) bedrijfsleven tot duurzaam
ondernemen aan te zetten. Om te zorgen voor een balans tussen de
fameuze 3 P’s van People, Planet en Profit. Per 1 januari
jl. nam Van der Voorn afscheid als directeur. Branding blikte terug
met haar en vooruit met haar opvolger: D66-fractievoorzitter Robert
van Lente.
Van der Voorn: “Ik ben nu bijna vijf jaar bij Om Den Haag
betrokken, eerst bij het opzetten en daarna in de 31⁄2 jaar
dat de stichting functioneert. Al met al een geweldige tijd, met
interessante projecten en vol uitdagingen. Ik heb ontzettend veel
geleerd in die tijd. Op voorhand wist ik dat ik het niet veel langer
dan 5 jaar zou gaan doen. Ik ben iemand die graag pioniert en opbouwt;
een kwartiermaker. Ik weet dat er nu een goede organisatie staat
met veel kansen waarop mijn opvolger verder kan bouwen.
Persoonlijk heb ik nu behoefte aan zelfstandigheid. Ik ga als zelfstandige
werken in project- en interim-management. Ik wil graag weer deskundigheden
aanspreken die ik de laatste tijd weinig benut. Meer werk doen in
de sociale en culturele sfeer.”
Om Den Haag wordt door Van der Voorn getypeerd als ‘een wat
hybride organisatie’. “We hebben een ideëel doel
dat we bereiken door op marktconforme wijze diensten aan te bieden.
We werken daarbij op het snijvlak van bedrijfsleven en overheid.
Hoewel Om Den Haag economisch zelfstandig is - en móet zijn
- is geld verdienen geen doel op zich.
Twaalf organisaties die de stad en duurzame ontwikkeling in hun
hart dragen en willen bevorderen, hebben zitting in onze Raad van
Toezicht. Dat zijn HTM, Eneco, Rabobank, Woningbeheer - samen met
de gemeente, toen nog in de persoon van wethouder Stolte, de ‘founding
fathers’ van Om Den Haag - en verder de Haagse Hogeschool,
Mondriaangroep, Kamer van Koophandel, MKB, Shell, Siemens en de
Rijksgebouwendienst. In die Raad zitten voornamelijk de directeuren
van de vertegenwoordigde bedrijven, dus degenen die beslissingen
kunnen nemen.
Het commitment vanuit de Raad van Toezicht is voor Om Den Haag van
zeer grote waarde. Afgelopen voorjaar is de Raad flink uitgebreid.
Dat is goed voor het draagvlak voor duurzame ontwikkeling van de
stad. Binnen de Raad wordt niet altijd op dezelfde manier gedacht.
Bijvoorbeeld over de vraag hoe en in hoeverre de ideële doelstelling
moet, en kan, worden vertaald in geld. Er is natuurlijk wel eens
verschil van inzicht, ik ben het ook niet altijd met iedereen eens.
Maar dat maakt het werk wel veelzijdig en dynamisch.”
Opvolger Robert van Lente erkent dat het maatschappelijk draagvlak
van groot belang is. Verdere uitbreiding van de Raad van Toezicht
sluit hij niet uit: “Een bedrijf als TPG, met zijn expertise
op het gebied van logistiek, zou ik er wel graag bij willen hebben.
Maar de Raad moet geen waterhoofd krijgen.”
Op de kaart
Daar Om Den Haag in opdracht werkt, is acquisitie altijd een belangrijke
activiteit. Om opdrachten te werven kiest de stichting voor een
sneeuwbaleffect. De voormalige directeur: “We vragen ondernemers
het voortouw te nemen richting collega-ondernemers. Onze opdrachtgevers
vragen we om namen van mogelijk geïnteresseerden te noemen.
Maar het is een probleem dat we nog onvoldoende op de kaart staan.
We moeten zichtbaarder worden. Het zou leuk zijn als we wat vaker
de krant zouden halen. Je moet kunnen laten zien waarvoor mensen
bij je kunnen aankloppen.”
Dat duurzaamheid een zaak van lange adem is, is genoegzaam bekend.
Kortetermijnsuccessen zijn hier dan ook niet te behalen. Van der
Voorn weet dat projecten een lange aanlooptermijn kunnen hebben,
waarin er alleen maar geld bijmoet. Daarover horen we haar dan ook
niet. Maar wat haar tijdens haar directeurschap wel dwarsgezeten
heeft, is de moeite die je moet doen om erkend te worden: “Je
krijgt niet gemakkelijk de credits voor wat je doet. Het is soms
frustrerend als iemand anders de eer krijgt voor projecten waartoe
wij, een kleine, kwetsbare organisatie, de aanzet hebben gegeven.
Waarvoor wij de partijen en belangen bij elkaar hebben gebracht.
Een voorbeeld is stadsdistributie. Binnen de gemeente werd nog wel
eens gezegd dat ondernemers niets wilden doen aan een betere distributie
van goederen in de binnenstad. Alweer jaren geleden zijn wij met
een aantal ondernemers uit de binnenstad en de Kamer van Koophandel
om de tafel gaan zitten. Op eigen kosten hebben we met toonaangevende
ondernemers uit het Hofkwartier gesprekken gevoerd. Die bleken bijvoorbeeld
bereid om opslagpunten te creëren in de buitenste schil van
de stad, om daar met hun eigen auto’s spullen te gaan ophalen.
Toch wordt ons dan niet de opdracht gegund om van daaruit een project
Stedelijke Distributie op te zetten. Om Den Haag moet zich dus nog
veel sterker profileren en moet voortdurend positie verwerven.”
Een van de projecten die Kitty van der Voorn overdraagt is het stimuleren
van duurzaam ondernemen bij het midden- en Kleinbedrijf door middel
van een concrete, gestructureerde aanpak. Ze licht toe: “Ondernemers
kunnen hiermee hun bedrijfsvoering doorlichten op duurzaamheid.
Is het bijvoorbeeld mogelijk energie te besparen, het materiaalgebruik
te verduurzamen… Novem, ABN/AMRO en de Provincie Zuid-Holland
zijn partners in dit project. De Kamer van Koophandel werkt actief
mee door het organiseren van seminars en door op te treden als ambassadeur.
Het is een groot project, dat een wat trage start kende maar nu
erg goed loopt... Onze aanpak is heel praktisch gericht op het MKB,
gebaseerd op wat multinationals en andere grote bedrijven al doen.
We redeneren vanuit de ondernemers: What’s in it for me? Zo
worden hun investeringen in de stad niet een soort liefdadigheid,
maar krijgen ze een economische waarde. Omdat het een vernieuwende
en concrete aanpak is, heeft het project ook landelijke aandacht.”
Een ander lopend project van Om Den Haag is het ‘Stadsdebat
duurzame vastgoedontwikkeling’. “In een stadsdebat proberen
we met zoveel mogelijk partijen in de stad van gedachten te wisselen
over een bepaald onderwerp”, licht Van der Voorn toe. “We
willen op termijn een stadsdebat organiseren waarin betrokken partijen
praten over hun belangen bij grootschalige duurzame vastgoedontwikkeling.
Daarin kunnen vragen aan de orde komen als: Welke partij is verantwoordelijk
voor de duurzaamheid van het vastgoed? En voor de omgeving? Voor
de leefbaarheid van het gebied en het beheer? Wie is verantwoordelijk
voor de publieke ruimte?’ Dat zijn onderwerpen waarmee Om
Den Haag zich ook bezighoudt. Want duurzaamheid is meer dan alleen
milieu. We houden ons ook bezig met de publieke ruimte, leefbaarheid,
veiligheid, sociale cohesie.”
Energieke aanjager
Daarnaast is Om Den Haag van het begin af aan actief in projecten
om gebruik en opwekking van duurzame energie te stimuleren. Van
duurzaam energiegebruik door sportverenigingen tot bijvoorbeeld
zonnepanelen op scholen. Van energiescans tot financieringsconstructies
voor zonnepanelen.Vaak als aanjager en voortrekker en vaak als projectmanager.
Van der Voorn: ”Het project om windmolens langs de rijkswegen
te plaatsen hebben we, samen met Eneco, weer op de agenda gezet.
Dat begint nu voorzichtig aan handen en voeten te krijgen. Ook was
Om Den Haag aanjager van de plaatsing van gebouwgebonden windturbines.
De Haagse Hogeschool is nu verantwoordelijk voor het project en
voor het bijbehorende rendementsonderzoek. Om Den Haag heeft in
dit project nu alleen nog een begeleidende rol.”
Duurzame energie is een onderwerp dat de nieuwe directeur Robert
van Lente aan het hart gaat. “Ik heb me vreselijk geërgerd
aan de recente negatieve publiciteit tegen windenergie”, zegt
de D66’er, verwijzend naar een uitzending van Zembla op 4
november en een artikel in Elsevier. “Het zou me niets verbazen
als de kernenergielobby erachter zit. Het lijkt me wel iets voor
Om Den Haag en het Haags Milieucentrum om hierover samen een debat
te organiseren. Beïnvloeding van de meningsvorming zie ik wel
als een taak van Om Den Haag, zelfs als dat uit eigen middelen moet.”
Hoewel de benoeming van Van Lente voor velen als een verrassing
kwam, lijkt de econoom de aangewezen persoon om OM Den Haag op te
stuwen in de vaart der volkeren. Niet zonder trots vertelt hij dat
een motie van zijn partij het beslissende duwtje heeft gegeven om
de stichting vijf jaar geleden op te richten, toen de Lokale Agenda
21 ter ziele was gegaan. Het cirkeltje is in zekere zin dan ook
rond. Maar hoe gaat hij zijn nieuwe functie combineren met zijn
raadslidmaatschap?
Van Lente: ik zit nu voor mijn derde termijn in de gemeenteraad
en ik heb geen behoefte aan een vierde. Formeel is het raadswerk
wel met het directeurschap van Om Den Haag te verenigen, maar het
betekent wel dat ik me als raadslid over bepaalde zaken niet meer
kan uitlaten. Ik neem in januari, uiterlijk februari een beslissing
of ik deze termijn nog uitzit.”
Marketinginstrument
De eerste maanden zal Van Lente zich vooral bezighouden met het
consolideren van Om Den Haag. Daarna kan gedacht worden aan het
uitbreiden van het aantal medewerkers. Er zijn nu drie mensen in
vaste dienst, voor het overige worden freelancers ingezet. En ook
een naamswijziging sluit Van Lente niet uit: “Mensen denken
soms aan een bouwbedrijf bij de naam Om Den Haag. Het is wel ingeburgerd,
maar ik vind het eigenlijk helemaal niks. Als iemand een goede naam
heeft houd ik me aanbevolen. Maar dat heeft geen prioriteit. Wat
nu belangrijk is, is om Om Den Haag, dat een periode van zwaar weer
achter de rug heeft, op de kaart te zetten als een renderend bedrijf.
Met als belangrijke aandachtspunten energie, maatschappelijk verantwoord
ondernemen, duurzaam vastgoed en duurzame bedrijventerreinen.
Van essentieel belang is dat het bedrijfsleven en maatschappelijke
organisaties weten dat ze wat aan ons hebben. Dat we weten over
te dragen dat duurzaam ondernemen ook profijt kan opleveren. Ondernemers
denken niet op lange termijn, ze moeten kunnen zien dat ze er iets
aan kunnen verdienen. En daarvoor zie ik goede mogelijkheden. Het
kwartje is bij het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties
gevallen. Maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt commercieel,
bedrijven zien in dat duurzaamheid als marketinginstrument gebruikt
kan worden. Ik hoop dat een onderneming over vijf jaar geen product
meer kan verkopen als niet aangetoond kan worden dat het niet gemaakt
is door een kind in India.
Daarbij komt dat duidelijk is dat er iets moet gebeuren. Fossiele
bronnen raken uitgeput, olieprijzen stijgen torenhoog, de zeespiegel
stijgt…Het begint gewoon te dúúr te worden om
niets te doen.
En verder denk ik dat Om Den Haag een kenniscentrum zou kunnen
worden op het gebied van Europese regelgeving waar het duurzaamheid
betreft. Tegenwoordig geldt: milieu is Europa. De regelgeving komt
daar vandaan. Dat moeten we vertalen naar het lokale en regionale
niveau. Gelukkig beschik ik over goede contacten in Brussel en dankzij
mijn raadslidmaatschap ook in Den Haag.”
Bob Molenaar
Tom Pitstra
meer artikelen
over algemeen milieubeleid
BOT - Altijd scherp
15 september 2004: de Haagse wethouder Bruins en de Leidschendam-Voorburgse
burgervader Van Haersma Buma houden een persconferentie. Hier kondigen
zij aan dat het stadsgewest Haaglanden en de gemeenten Leidschendam-Voorburg
en Den Haag samen gaan bekijken hoe Den Haag via een nieuwe weg
beter ontsloten kan worden: het Trekvliettracé.
De Haagse en Leidschendams-Voorburgse bestuurders
hebben hierbij mede de bereikbaarheid en leefbaarheid van Rijswijk
op het oog. Niettemin was deze buurgemeente er niet bij betrokken.
Sterker nog: toen Branding in augustus bij de gemeente Rijswijk
informeerde naar haar standpunt inzake het Trekvliettracé,
was de reactie ronduit afhoudend. Die kwestie was immers helemaal
niet actueel.
Sindsdien zijn in Rijswijk alle alarmbellen gaan
rinkelen. Zo heeft de gemeenteraad zijn college van B&W opgedragen
om in overleg met Den Haag en Leidschendam Voorburg op zoek te gaan
naar alternatieven voor het Trekvliettracé. Raadslid Ricardo
Reijem van Onafhankelijk Rijswijk: “Het is een debacle dat
B&W zat te slapen. We hebben ze beterschap laten beloven.”
Ook de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg kwam in actie toen
ze ná de persconferentie van de plannen in kennis was gesteld.
VVD-raadslid Pieter Baeten: “We begrijpen dat Den Haag met
een bereikbaarheidsprobleem kampt. Dat levert ook in onze gemeente
problemen op, dus we zijn zeker bereid mee te denken over oplossingen.
Maar wat ons betreft zijn nut en noodzaak van het Trekvliettracé
allerminst aangetoond. Volgens ons moet je geen twee hoofdwegen
laten samenkomen in een gebied van nog gen vierkante kilometer groot.
Samen met de PvdA hebben we B&W dan ook per motie opgedragen
alternatieven te gaan onderzoeken, bijvoorbeeld verbetering van
het openbaar vervoer.”
Er was nog een derde partij die actie ondernam: BOT, de Belangenvereniging
Omwonenden Trekvliet. BOT was opgericht nadat er voor het eerst
plannen voor een tracé onder de Trekvliet door naar buiten
kwamen, zo’n vier jaar geleden. Nadat deze plannen als financieel
onhaalbaar waren afgevoerd, werd het aan alle fronten stil. Maar
na de roemruchte persconferentie van 15 september stond BOT - waarin
meer dan 250 Rijswijkse, Voorburgse en Haagse huishoudens vertegenwoordigd
zijn - onmiddellijk in de startblokken. De Belangenvereniging klom
in de pen om bij de betrokken overheden alle documenten op te vragen
die verband hielden met de voorbereiding van de aanleg van het Trekvliettracé.
Ze deed daarbij een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur. En
zo kwam het dat BOT al in november over stukken beschikte die de
Haagse gemeenteraad nog nooit onder ogen had gehad.
PvdA-raadslid Koen Baart, op een drukbezocht politiek café
dat BOT op 8 december organiseerde: “Het ambtelijke nut- en
noodzaakrapport is ons nooit toegezonden. Het Haagse gemeentebestuur
ís niet zo scheutig met informatie. En je kunt pas ergens
om vragen als je weet dat het er is. Ons is nu beloofd dat we vóór
het eind van het jaar de stukken krijgen. Ze worden waarschijnlijk
aanstaande maart in de commissie Verkeer, Economie en Monumenten
behandeld.”
De Binckhorst
Tom Pitstra van het Haags Milieucentrum, ook aanwezig bij het politiek
café, denkt wel te begrijpen waar de vertraging vandaan komt.
“Het nut- en noodzaakrapport is al drie jaar oud, en sindsdien
is er wel het één en ander veranderd. Zo is de ontwikkelingsvisie
op de Vlietzone door het Algemeen Bestuur van Haaglanden fors aangepast.
En het is frappant dat in het rapport van geen woord gerept wordt
over het belang van het Trekvliettracé voor de ontsluiting
van de Binckhorst. Dat aspect wordt nú juist erg benadrukt.”
De vraag dient zich aan voor welke probleem het
Trekvliettracé nu eigenlijk de veronderstelde oplossing biedt.
Ontsluiting van de Binckhorst? Files op de A4? Op de A12? Op de
Haagweg/Rijswijkseweg?
Er is een verkeerskundige nodig om wat licht in deze duisternis
te scheppen. En ook daartoe heeft BOT stappen ondernomen. Ze vroeg
een onafhankelijke vervoerskundige, Quik Advies, om het ambtelijke
rapport over nut en noodzaak van het Trekvliettracé te analyseren.
Quik heeft geen nieuw onderzoek gedaan, maar de veronderstellingen
die aan het rapport ten grondslag lagen, kritisch getoetst. Volgens
Quik wordt het bereikbaarheidsprobleem van de Haagse binnenstad
door aanleg van het Trekvliettracé niet opgelost. De Utrechtsebaan
is nu overbelast (835 auto’s meer dan de capaciteit van 8000
per uur) en zal dat na aanleg van het Trekvliettracé ook
zijn (798 auto’s meer dan de capaciteit, dus nog altijd tien
procent te veel). Wel neemt de verkeersdruk op de Haagweg/Rijswijkseweg
iets af, omdat een gering deel van de automobilisten een andere
route zal kiezen als het Trekvliettracé klaar is. Verder
zal de doorstroming op de A4 enigszins verbeteren, maar Quik ziet
eenvoudiger manieren om dat te realiseren dan door zo’n forse
ingreep als een Trekvliettracé.
Zoals gezegd stond de ontsluiting van de Binckhorst
nog niet in het rapport, dus daarover laat Quik zich niet uit. Maar
onder de bezoekers van het politiek café van 8 december 2004
heerst vrij algemene overeenstemming dat het Trekvliettracé
ook daarvoor geen oplossing vormt. Het is het verplaatsen van de
problemen, meer niet.
Het Rijswijkse raadslid Reijem is het er helemaal mee eens. “Kies
toch niet voor de moeilijkste oplossing. Je kunt bijvoorbeeld de
Prinses Beatrixlaan beter benutten en bij de Boogaard een prachtig
transferium aanleggen. En tegen mijn Haagse en Voorburgse collega
zou ik willen zeggen: “Laat je van je meest dualistische kant
zien!”
Bob Molenaar
meer artikelen
over mobiliteit
Waarom er geen Automobielmuseum
in Reigersbergen moet komen
Het gemeentelijke plan voor de vestiging van een Automobielmuseum
op het Landgoed Reigersbergen stuit op steeds meer weerstand bij
omwonenden en belangengroeperingen. Zowel de Haagse groene verenigingen
als de bewonersorganisaties zijn unaniem tegen. Hun uitgangspunt
is het behoud van de natuurwaarde van de landgoederen Reigersbergen
en Marlot, waarbij ze uitdrukkelijk aangeven dat er ook over de
grenzen van het plangebied heen gekeken moet worden.
Ook het pre-advies aan de Provinciale Planologische Commissie (PPC)
liep niet over van enthousiasme voor de plannen voor een automobielmuseum.
Plannen van een dergelijke maatvoering passen op voorhand niet binnen
het bestemmingsplan. Toch bood de PPC tijdens haar zitting van jl.
november nog wel ruimte voor de ontwikkeling. Het ‘Op voorhand
NEE’ van het pre-advies werd tijdens de zitting met min of
meer bemoedigende woorden aangevuld door vijf van de zes commissieleden.
Slechts de vertegenwoordiger van Monumentenzorg bood geen opening
en bleef tegen.
De tegenstanders uit de hoek van natuur- en bewonersorganisaties
hebben zich verenigd in de Belangengroep Reigersbergen/Marlot. Zij
gaan nu met feiten en argumenten de provinciale en Haagse politiek
benaderen, want Provinciale Staten en de Haagse gemeenteraad beslissen
uiteindelijk of het plan doorgang kan vinden.
“We zijn bang dat de politici geen goed beeld hebben van de
werkelijke waarde van het gebied”, verwoordt Saskia Aalbers,
woordvoerdster van de groep, haar vrees. “In het plan wordt
slechts gesproken van een rommelige aanblik van het huidige kwekerijterrein.
Daarmee wordt het terrein tekort gedaan en worden politici en beleidsmakers
misleid. Als dit plan werkelijkheid wordt, betekent dat een enorme
bebouwing midden in het groen, juist op een belangrijke open zichtas
van de Landgoederen. Dat vormt een onaanvaardbare aantasting van
het grote groen- en bosgebied dat begint bij het Haagse Bos en doorloopt
in de Wassenaarse landgoederenroute. Een Nationaal Automobielmuseum
in Den Haag is mooi, maar niet op de voorgestelde locatie”.
De belangengroep heeft inmiddels een folder uitgebracht waarin alle
feiten en argumenten van de natuurwaarde van het gebied worden uitgelegd.
Hieronder een beknopte weergave van die argumenten.
Reigersbergen heeft Groene bestemming
De locatie behoort tot het Beschermd Stadsgezicht en heeft een hoge
cultuurhistorische waarde. Ze heeft nu de bestemming: ‘Park
en plantsoen’. In het Provinciale Streekplan van februari
2003 wordt ze aangeduid met ‘Openluchtrecreatie of stedelijk
groen’. De locatie ligt buiten de rode contour, wat betekent
dat er officieel geen verdere verstedelijking mag plaatsvinden.
Aantasting biodiversiteit
Het landgoed Reigersbergen vervult een belangrijke rol in de ecologische
verbindingszone tussen het duingebied van Waalsdorp en Meyendel
en het achterliggende veenweidegebied. De instandhouding van de
biodiversiteit vanuit het duinlandschap en het poldergebied vice
versa is daarvan afhankelijk.
Verrommeld gebied heeft wel degelijk hoge natuurwaarde
De huidige kwekerijlocatie ziet er nu erg rommelig uit. Voor initiatiefnemer
Louwman en de gemeente een reden om aan te nemen dat hier geen natuurwaarde
aanwezig is. Het tegendeel is waar. De rust van de kwekerijlocatie
en de rommeligheid van de verlaten opstallen bieden goede schuilmogelijkheden
voor vele inheemse diersoorten. Er zitten nu bijvoorbeeld heel veel
amfibieën en vogelsoorten op het rustige terrein.
De bomen die het museum in de toekomst zouden moeten omringen hebben
op dat vlak weinig te bieden, evenmin als het aangeharkte plantsoen
waarin ze komen te staan.
Verlies natuurwaarde niet te compenseren in de omgeving
Het plan van het automobielmuseum spreekt over compensatie van natuurwaarde
door het verrijken van natuur elders op het landgoed. Dat is een
utopie. Natuurwaarde wordt niet uitgedrukt in vierkante meters grondoppervlak.
Natuurwaarde is de som van alle factoren die voor de biodiversiteit
van belang zijn. Daarbij spelen rust, ruimte, licht en duisternis
ook een rol. Het verlies aan natuurwaarde is veel meer dan de 8.000
m2 grondoppervlak dat wordt volgebouwd. Het uitstralingseffect op
de directe omgeving is enorm.
Museum vele malen groter dan landhuis
Ruim de helft van het terrein-oppervlak is bestemd voor het gebouw.
Dat betekent dat het museum 10 maal groter wordt dan een gebruikelijk
landhuis. Ter vergelijking: het huis Clingendael beslaat een grondoppervlak
van 750 m2. Daarbij zal ook het voorterrein en de parkeerplaats
nog worden geplaveid met verharding.
Verlies aan historisch cultuurgoed
Door het optrekken van een reusachtig gebouw verliest het landgoed
ook in cultuurhistorisch opzicht veel aan waarde. De eeuwenlange
traditie van een erfgoed gaat daarmee verloren. De schaalvergroting
van het museum past niet in de 19e eeuwse Engelse landschapsstijl
van de oorspronkelijke landgoedtraditie, waartoe de warmoezerij
en de tuinmuur onverbrekelijk behoren.
Afspraken met burgers genegeerd
Omwonenden en groene verenigingen hebben met de gemeente samengewerkt
bij de voorbereiding van de Ontwikkelingsvisie Reigersbergen / Marlot.
Daarbij werd gestreefd naar verbetering van groene functies in het
gebied. Het opnieuw realiseren van een bescheiden landhuis werd
toen uitdrukkelijk afgewezen. Die afspraken met belanghebbenden
worden met dit nieuwe plan genegeerd. De plannen voor het automobielmuseum
zijn door de gemeente bovendien twee jaar lang in het geheim ontwikkeld.
Hiermee heeft de gemeente zich onbetrouwbaar opgesteld ten opzichte
van de deelnemende burgers aan het Open-Plan-Proces.
Verkeersoverlast en files op Rijksweg N44
Grote aantallen bezoekers geven een piekbelasting die niet kan worden
opgevangen op de 135 geplande parkeerplaatsen. Dat geeft kans op
filevorming op de Rijksstraatweg. Het mobiliteitsplan van en naar
het parkeerterrein van Duindigt is ontoereikend omdat de piekbelasting
in het weekend plaatsvindt. Dan worden er ook sportwedstrijden en
paardenrennen aan de Waalsdorperlaan gehouden, die bezoekers met
auto’s aantrekken. In een tegenexpertise, uitgevoerd door
het onafhankelijke bureau ANT, wordt een breder inzicht gegeven
van de te verwachten verkeersdruk.
In de Belangengroep Reigersbergen/Marlot zijn verenigd:
AVN, Haagse Vogelbescherming, KNNV, Ver. Vrienden van Den Haag,
Het Groen Platform(Mariahoeve), Stg. Bewonersbelangen Reigersbergen
en Marlot, Wijkvereniging Marlot, Wijkberaad Mariahoeve en het Haags
Milieucentrum.
De folder is gratis op te vragen bij het Haags Milieucentrum, tel:
070-305.02.86
meer
artikelen over natuur algemeen
DANKZIJ DUINWATERBEDRIJF BLIJVEN
DUINEN MOOI NATUURGEBIED
Een interview met DZH-directeur Piet Jonker
Het Duinwaterbedrijf Zuid-Holland (DZH) behoort tot de grootste
natuurbeheerders van de provincie. In totaal beheert DZH 2600 hectare
duingebied langs de Zuid-Hollandse kust. Het waterbedrijf is in
gesprek met Staatsbosbeheer om ook het beheer van hún duingebied
(de westelijke kant van Berkheide, van Katwijk tot de Wassenaarse
Slag) van 400 hectare over te nemen.
Het grootste deel van het duingebied is eigendom van de gemeente
Den Haag of de Staat der Nederlanden en is in erfpacht uitgegeven
aan DZH. Het beheer gebeurt op basis van een beheersplan (2000–2010)
waarin DZH en Staatsbosbeheer samenwerken. Met DZH-directeur drs.
Piet Jonker spraken wij over de spanning tussen natuur en recreatie.
Over dezelfde thematiek houdt Jonker op 18 januari 2005 in de aula
van de Haagse Hogeschool de Simon Doorenboslezing.
Beheerders van natuurgebieden in Nederland hebben van doen met tal
van instanties en organisaties. Het beheersplan voor het Zuid-Hollands
duingebied is daarvan een goed voorbeeld. Volgens de provincie behoort
het duingebied tot de ecologische hoofdstructuur en is er sprake
van een natuurgebied van hoge waarde. Op basis van deze aanduiding
is besloten om in het duingebied de natuurwaarden zoveel mogelijk
verder tot ontwikkeling te brengen.
Jonker: “In het beheersplan kun je heel sterk de geest van
de jaren negentig van de vorige eeuw terug vinden. De ontwikkeling
van natuurwaarden ging boven alles. In ons geval was dat de ontwikkeling
van de zogenaamde vochtige duinvallei. In natuurbeschermingsland
heeft men de neiging om vanuit een ideaal model te werken op basis
van de vraag: ‘Wanneer was Nederland op z’n mooist?
Dat wordt dan zo rond 1850 gesitueerd. En dan komt de vraag: ‘Wat
is sindsdien verloren gegaan? Geconstateerd werd dat in het duingebied
veel vochtige duinvalleien zijn verdwenen. Om die terug te krijgen,
moest er een regeneratieproces op gang worden gebracht. DZH kwam
tot een overeenstemming met de provincie over deze regeneratie,
maar dat viel niet in goede aarde bij de bevolking. Die zag in Berkheide-Noord
bulldozers door het duingebied daveren die grote delen van de begroeiing
en de vegetatie wegsloopten om weer van die lekkere stuifduinen
te krijgen. De bevolking liep te hoop tegen deze gang van zaken.
Ze wilde het duin behouden zoals het was. In de Wassenaarse Courant
verscheen een artikel onder de kop: “Zo is het wel genoeg”.
Hierop ontstond een patstelling. De deskundigen en de bevolking
waren het volkomen oneens”.
Overigens speelden in Nederland al eerder onverwachte controverses
tussen ecologen en omwonenden en bezoekers van natuurgebieden. Met
de nota Natuur voor de mensen, mensen voor de natuur (2000) probeerde
de regering de verabsolutering van de natuur te relativeren. Het
natuurbeleid moest volgens toenmalig staatssecretaris Geke Faber
wel draagvlak hebben onder de bevolking en de natuurbeheersplannen
moesten ten minste op begrip kunnen rekenen.
Volgens Jonker doet deze situatie zich ook in zijn duingebied voor:
“Ik kan me best voorstellen dat ze bij de Stichting Duinbehoud
en bij sommige afdelingen van de provincie nog steeds achter het
beleid inzake de natte duinvalleien staan, maar zonder draagvlak
onder de bevolking gaat het echt niet. In Wassenaar wonen een hoop
mensen met geld en verstand van zaken en als die de kont tegen de
krib gooien, procederen ze al de beheersplannen aan barrels. Gedeputeerde
Staten hebben inmiddels geconcludeerd dat het anders moet en we
zijn nu in een open planproces bezig om te kijken hoe het beheersplan
kan worden bijgesteld. Het is nu al duidelijk dat hieruit voort
zal komen dat het huidige natuurbeeld van de duinen niet verder
mag worden aangetast. Vochtige duinvalleien zijn geen doel op zich
meer. Het hoofddoel van het beheersplan zal het verfraaien van de
natuur worden. Bovendien zullen de recreatieve voorzieningen worden
uitgebreid. Dat is volgens mij ook de toon voor de nabije toekomst.
Als je draagvlak wil houden voor natuurbeleid zul je de gebruikers
en bezoekers het gevoel moeten geven dat het beleid ook in hun belang
is. Ze moeten niet het gevoel krijgen dat ze natuur worden uitgewerkt”.
Meer recreatiemogelijkheden
Als grote natuurbeheerder heeft DZH van oudsher van doen met de
recreatiedruk op het duingebied. Het gebied rond de boerderij Meyendel
trekt per jaar meer bezoekers dan de Hoge Veluwe. Binnen DZH gaan
er steeds meer stemmen op van mensen die vinden dat het bedrijf
meer oog moeten hebben voor recreatie. Maar waar leg je dan de grens?
In de ogen van Piet Jonker gaat het te ver om de duinen om te bouwen
tot een groot park:
“De natuurwaarden van ons duingebied zijn op sommige punten
te waardevol om niet te beschermen. In een parkgebied heb je te
weinig beschermingsmogelijkheden. Maar in het huidige beheersplan
staan al tal van maatregelen aangekondigd om de recreatiemogelijkheden
te verruimen. Het voormalige bollenterrein van De Klip (ten noorden
van Duinrell) hebben we nog op de ouderwetse wijze aangepakt door
het terug te geven aan de natuur. De recreanten moeten het doen
met een uitwijkplek in dit gebied. Maar het daarop volgend gebied
dat wij onder handen hebben genomen, de Hertenkamp, langs de Jagerslaan
in Wassenaar, hebben we nu als wandelgebied uitgelegd. Daar is het
voor de recreanten goed toeven. In het Solleveld (aan de zuidkant
van Den Haag) hebben we een zeer succesvolle wandelroute aangelegd.
We hebben al heel veel hekken in het duingebied weggehaald. Nu lopen
er dus meer mensen door de duinen, soms ook op plekken waar dat
eigenlijk niet goed voor is. Maar door de bank genomen gaat dat
maar om zulke kleine aantallen dat het geen problemen veroorzaakt.
Er liggen voor de recreanten nog meer leuke zaken in ons gebied
in het verschiet”.
Op grond van langjarige ervaring is DZH niet bang voor de recreant.
Door slimme zonering weet men uiteenlopende gebieden te scheppen
waar de recreatie zich concentreert en zijn er gebieden geschapen
die spaarzaam bezocht worden.
Helikopterplatform in de natuur
Voor veel mensen is een waterbedrijf een vreemde eend in de bijt
van het natuurbeheer. Natuurbeheer is voor een waterbedrijf geen
primaire taak maar meer een afgeleide functie. En ook de omvang
van het beheersgebied speelt hierbij een rol. Waarom heb je zoveel
natuur nodig om aan waterwinning te doen? Of beter gezegd: om aan
waterzuivering te doen, want het water van DZH komt van de Afgedamde
Maas bij het Gelderse Brakel. De duinen dienen als bacteriologisch
filter om het al voorgezuiverde water van de Maas verder op te schonen.
Jonker is trots op de rol van de duinen bij de waterwinning: “Dankzij
de duinen hoeven wij als waterbedrijf niet allerlei chemische filters
toe te passen om het rivierwater te zuiveren. Die chemicaliën
veroorzaken trouwens in het drinkwater weer heel andere problemen.
Onze methode is dus pure milieuwinst. Wij gebruiken een heel goedkope
manier om het water in de duinen te zuiveren van de laatste bacteriën
en virussen. De duinen zorgen er ook voor dat ons drinkwater constant
van kwaliteit blijft. Het rivierwater dat we innemen heeft, afhankelijk
van het jaargetijde, een groot temperatuurverschil. De duininfiltratie
van het rivierwater zorgt voor een gelijkmatige temperatuur van
ons drinkwater.
Een niet minder belangrijk voordeel van de duinen is dat we onder
het duin een enorm spaarbekken aan drinkwater hebben liggen. Als
wij, om wat voor reden dan ook, geen rivierwater meer kunnen innemen,
kunnen we vanuit dit spaarbekken Den Haag en omgeving nog wel een
jaar voorzien van eerste klas drinkwater. Om zo’n zelfde spaarbekken
te bouwen heb je een terrein nodig ter grootte van een hele Vinex-locatie.
Dat kost een vermogen”.
Jonker is er heilig van overtuigd dat de Haagse
duinen zonder de aanwezigheid van de waterleiding al lang waren
volgebouwd met huizen, sportgebieden of militaire oefenterreinen:
“In de rest van Europa kun je goed zien wat er dan met de
duinen gebeurt: verstedelijking alom. Er zijn maar een paar uitzonderingen
op deze regel. Een stukje duinen op de grens van België en
Frankrijk en de duingebieden in Noord- en Zuid-Holland. En steeds
zijn dat gebieden die in beheer zijn bij waterleidingbedrijven.
Voor een gemeente als Den Haag met een zeer krap grondgebied, zijn
de duinen tot nu toe onaantastbaar. Men praat liever over een kapitale
investering van een nieuw wooneiland voor de kust dan over het bebouwen
van de Haagse duinen. Onze beheersgebieden lopen parallel met de
natuurgebieden. Maar steeds zie je dat me probeert te morrelen aan
deze grenzen. Als er een nieuwe helikopterlandingsplaats moet komen,
proberen ze maar weer eens om een stukje van onze duinen in te pikken.
Mooi niet dus. Zonder onze aanwezigheid was die landingsplaats midden
in de natuur terecht gekomen. Wij staan als drinkwatervoorziening
pal voor onze natuurgebieden en gaan ook niet akkoord met salamitactieken’.
Maar kunnen instanties als Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer de
duinen niet even goed beheren? Volgens Jonker hebben de waterleidingbedrijven
een belangrijk pluspunt: “Je moet een groot inzicht in de
hydrologie van de duingebieden hebben om ze goed te kunnen beheren.
Die kennis is voor ons de gewoonste zaak van de wereld. Onze expertise
op dit gebied is veel groter dan die van andere natuurbeheerders.
Daar komt nog eens een praktisch punt bij. Wij moeten onze waterwinactiviteiten
beschermen met behulp van bewakers. Deze zelfde mensen kunnen tegelijkertijd
als boswachters optreden om de natuur te beschermen. Vroeger waren
er ook waterleidingbedrijven die vonden dat de overheid als beheerder
moest optreden in het waterwingebied. Leiden is daar een voorbeeld
van. Maar toen de DZH het waterleidingbedrijf van Leiden overnam,
heeft de provincie gezegd dat de waterleidingbedrijven in Zuid-Holland
tevens als natuurbeheerder moesten optreden. Ook in andere delen
van Nederland zie je dat de zogenaamde grondwaterbedrijven er steeds
meer natuurbeheerstaken bij gaan doen, en ook in het buitenland
gebeurt dat. Een mooi voorbeeld is Wenen. Die stad haalt uit een
hoog berggebied zijn drinkwater. Dat water is zo schoon dat het
linea recta naar de afnemers gaat. Maar om dat zo te houden moet
dat berggebied beschermd worden. Dus de Plantsoenendienst van Wenen
heeft op 150 kilometer van de stad in de bergen een afdeling die
daar het natuurbeheer voert”.
Uiteraard kosten deze natuurbeheerstaken van DZH,
waarmee veertig mensen zich bezighouden, een lieve duit. Zo’n
5% van de kosten van het waterbedrijf gaat hieraan op. Uit consumentenenquêtes
die DZH regelmatig houdt, blijkt dat meer dan 80% van de waterklanten
geen moeite heeft om mee te betalen aan het natuurbeheer. Overigens
zijn de kosten van het natuurbeheer door DZH maar een fractie van
de precariorechten die het bedrijf aan gemeenten moet betalen omdat
zijn waterleidingen in gemeentegrond zijn aangelegd.
Hans Pars
meer
artikelen over 'natuurbeheer'
Duurzaamheidswerkgroep wil gratis
openbaar vervoer
Het is een idee dat met enige regelmaat gelanceerd wordt:
gratis openbaar vervoer. Onze zuiderburen hebben er goede ervaringen
mee (met Hasselt als cause célèbre) en ook de gratis
bussen tussen Leiden en Den Haag zaten het afgelopen jaar vaak bomvol.
Voor Jeltje van Nieuwenhoven, nog maar net aangetreden als gedeputeerde
voor verkeer en vervoer bij de Provincie Zuid-Holland, overigens
geen reden om het experiment met gratis ov voort te zetten. De files
zijn er immers niet aantoonbaar korter door geworden.
Gratis openbaar vervoer is nu ook binnen Den Haag een serieuze optie.
Bij een bezoek aan het milieucafé De Derde Dinsdag in Dudok,
in de lente van 2004, kwam een aantal mensen tot de conclusie dat
het zo niet langer gaat. Ze besloten een werkgroep op te richten
die er onder meer voor wil zorgen dat u over een tijdje gratis met
bus, tram of lightrail kunt reizen.
De nood is hoog, vindt de Werkgroep Duurzame Stadsmobiliteit. In
een stad die ooit ontworpen is voor voetgangers, koetsiers en schippers
zijn nu veel van de grachten gedempt en staan de straten vol auto's:
150.000 alleen al voor privé-gebruik. Die nemen 37.500.000
vierkante meter in beslag. Ambulances kunnen er bijna niet door
en vertegenwoordigers moeten de helft van hun afspraken schrappen.
Laden en lossen in de binnenstad is een crime. En dan is er nog
de luchtverontreiniging, die jaarlijks in Den Haag circa 150 slachtoffers
eist.
De gemeente zoekt dan wel naar oplossingen, maar bewandelt daarbij
steeds dezelfde wegen: rotondes, snelheidsverlagingen, omleidingen
voor vrachtwagens en duurder parkeren. Voor de Werkgroep Duurzame
Stadsmobiliteit is het de hoogste tijd voor nieuwe denkwegen in
plaats van nieuwe wegen. Ze wil dan ook samen met de Haagse burgers
de gemeenteraad en B&W ter verantwoording roepen en dwingen
alternatieve, ingrijpende oplossingen te ontwikkelen. Daartoe grijpt
de werkgroep naar een relatief nieuw middel, dat de kloof tussen
de burgers en de politiek moet verkleinen: het burgerinitiatief.
Frans de Leef, Ed Dusschoten en Beleke den Hartog zijn vast van
plan om 2500 handtekeningen van Hagenaars te verzamelen om hun Burger
Initiatief duurzamestads mobiliteit te realiseren. Als ze daarin
slagen, wordt de gemeenteraad verplicht om ‘gratis openbaar
vervoer’ op zijn agenda te plaatsen. Dat zou in mei 2005 moeten
gebeuren.
Natuurlijk is ‘gratis’ openbaar vervoer maar een kreet.
Iémand zal ervoor moeten betalen. Als dat niet de gebruiker
is, is dat de belastingbetaler. De werkgroep schat de kosten op
100 miljoen euro per jaar, oftewel zestig eurocent per Haagse inwoner
per dag.
Iemand die níet voor het burgerinitiatief zal tekenen is
Jan van Male van ROVER, de belangenvereniging van ov-gebruikers.
“Op deze manier haal je niet de automobilisten uit hun auto,
maar wel de fietsers van hun fiets en je genereert een vervoersvraag
waar geen nut tegenover staat. In Hasselt was het voorheen zo dat
de bussen leeg waren, maar dat is bij ons niet het geval. Je moet
dus méér voertuigen en mensen gaan inzetten. Dan gaan
de exploitatiekosten nog verder omhoog. Momenteel betaalt de reiziger
tussen de 30% en de 40% van de werkelijke exploitatiekosten voor
zijn kaartje. Het restant wordt nu al met de grootste moeite door
de overheid bijeengeschraapt. Waar zou je dan de rest vandaan moeten
halen?
Als je de zwakkeren wilt helpen aan openbaar vervoer kun je dat
beter op een andere manier doen.
Naar de mening van ROVER werpen de vele kaartsoorten en onduidelijkheid
over het aantal af te stempelen strippen belemmeringen op voor ov-gebruik.
“De chipcard gaat hierin ook tegemoetkomen”, aldus Van
Male.
Ronald van Onselen, voorman van het Platform beter
stedelijk en regionaal openbaar vervoer Haaglanden en omgeving (OVHA),
is aanzienlijk positiever gestemd: “Wij voelen wel voor het
Belgische succesvolle model, dat wil zeggen, ouderen en kinderen
tot 12 jaar gratis buiten de spits en geleidelijk aan uitbreiden
tot meer faciliteiten voor werkenden. Zo kun je stap voor stap bezien
hoe het gaat en welke effecten het heeft.” Van Onselen weet
te melden dat Belgische jongeren het dankzij een speciale kaart
‘cool’ vinden om het openbaar vervoer te gebruiken.
Daan Goedhart van de Fietsersbond afdeling Den Haag
en omstreken zit meer op de lijn van Van Male. Ook hij vreest met
grote vreze dat gratis openbaar vervoer fietsers de bus en tram
in lokt, zonder dat het automobilisten verleidt hun voertuig te
laten staan. Goedhart: “Dat heeft de praktijk toch wel bewezen.
Veel mensen zijn nu eenmaal gemakzuchtig. Er wordt tegenwoordig
veel minder gefietst dan vroeger, en uit gezondheidsoogpunt is het
niet gunstig als mensen zo gemakkelijk de bus of de tram nemen.
Voor beweging gaat er niets boven de fiets. Als je openbaar vervoer
al gratis zou moeten maken, dan alleen voor bijvoorbeeld gehandicapten
en ouderen. En misschien alleen buiten de spits.”
Compromissen zijn bij uitstek het domein van politici.
Hoe denken raadsleden eigenlijk over dit initiatief? Als de werkgroep
in zijn opzet slaagt, worden zij immers gedwongen om er in mei over
te gaan discussiëren. Op de discussieavond die de werkgroep
op 14 december jl. organiseerde, waren twee raadsleden aanwezig.
Cees de Jager van de PPS merkt op dat de subsidiëring van het
ov eigenlijk nog veel hoger is vaak gedacht wordt. De overheid draagt
niet tweederde bij aan de prijs van een kaartje, maar naar zijn
inschatting misschien wel negentig procent als je de kosten van
aanleg en onderhoud van infrastructuur meeneemt. Gratis ov gaat
De Jager te ver. Maar voor een prijs van één euro
per rit, onafhankelijk van de afstand, wil hij wel in de tram stappen.
En het zou een goede zaak zijn als benzinestations strippenkaarten
zouden gaan verkopen.
Joris Wijsmuller van de Haagse Stadspartij kiest
voor een iets andere benadering. Waarom niet de hele stad één
zone? Volgens Wijsmuller komt intensiever gebruik van het ov ook
de fietser ten goede. Want als er minder auto’s op de weg
zijn, heeft de fietser meer ruimte.
Al met al blijft er nog één belangrijke
vraag onbeantwoord. Dezelfde vraag waarmee ook de Provincie worstelde
toen ze moest beoordelen of de proef met gratis bussen tussen Leiden
en Den Haag geslaagd was: laten automobilisten de auto staan als
het ov gratis wordt?
Cees de Jager denkt er in elk geval het zijne van: “Als er
ruimte ontstaat op de wegen duiken andere automobilisten daar onmiddellijk
in.”
Bob Molenaar
De Werkgroep Duurzame Stadsmobiliteit is te bereiken via Postbus
61283, 2506 AG Den Haag.
Internet: http://home.planet.nl/~beleke/
meer artikelen
over mobiliteit
Voorburg heeft oren naar tips
over ecologisch groenbeheer
In de vorige Branding schreven we over de
plannen van de gemeente Leidschendam-Voorburg om haar grote parken
terug te brengen in hun oorspronkelijke 19e-eeuwse landschapsstijl.
Dit zou tot gevolg hebben dat ruim tweehonderd bomen, waaronder
vitale en minder vitale exemplaren van respectabele leeftijden,
het veld moeten ruimen.
Ieder landschap krijgt in de loop der tijd een eigen ecologische
waarde. Voor de Voorburgse parken bleek het achterstallig onderhoud
aan het groen juist zeer veel natuurwaarde te hebben opgeleverd.
Frederik Hoogerhoud trok dan ook namens twee ‘groene’
verenigingen uit de Haagse regio - de Vogelbescherming en de KNNV
- bij de Voorburgse projectleider aan de bel om die natuurwaarde
te verdedigen.
Hoogerhoud: “Voorburg geeft in het plan een aantal redenen
om bomen te willen kappen. De kap varieert van het verwijderen van
spontaan gegroeide zaailingen, tot dunning om heesters en de kruidlaag
meer licht te gunnen. Maar als hoofdreden wordt de wens tot herstel
van de historische situatie aangevoerd. Hierbij staat de wens tot
het komen van een gezond bomenbestand in het park voorop. Bij de
totstandkoming van het plan is echter voorbijgegaan aan het feit
dat minder vitale bomen wel erg waardevol zijn voor het ecologische
milieu.”
Hoogerhoud heeft bij de groenbeheerder aangegeven
welke bomen in het belang van de vogelstand en voor behoud van de
ecologische kwaliteit waardevol zijn. Voorburg stelde zich bereidwillig
op om gezamenlijk naar oplossingen te zoeken. Zoals voor enkele
oude eiken waarvan de zware bouwvallige kruinen niet meer stormvast
zijn. “Laten staan zolang het kan”, vindt Hoogerhoud.
“In een parkbos leveren ze bij storm geen direct gevaar op.
Bij zulk slecht weer lopen er toch geen mensen in het bos. Voor
een parksituatie is, anders dan bij straatbomen, dan ook geen juridische
verplichting om slechte bomen te kappen. Hier is juist artikel 21
van de Grondwet van kracht, waarbij de overheid tot taak heeft om
het natuurlijk leefmilieu zo veel mogelijk te beschermen en te verbeteren.”
Maar als het echt niet anders kan en de kruin er toch uit moet,
adviseert hij om de stam te laten staan. “In de stam van oude
ruwbastige bomen huist zoveel voedsel voor vogels, dat het alleen
daarom al de moeite waard is om ze te behouden”, legt hij
uit.
Artikel 21 beschermt in dit geval ook alle andere
bomen waarvan aangetoond kan worden dat ze de natuur verrijken.
Onnodige kap is niet toegestaan. Dat geldt dus ook voor het verwijderen
van zaailingen vanwege het feit dat ze daar oorspronkelijk niet
thuishoren. Alleen dunning ten gunste van het uitgroeien van de
kruidlaag is een plausibele reden om te kappen.
Projectleider Priem van de gemeente Leidschendam-Voorburg kon zich
wel verplaatsen in de genoemde punten. Daarom is hij samen met Hoogerhoud
gaan zoeken naar beheermaatregelen die binnen het landschapsplan
toch uitgevoerd kunnen worden. De zwarte elzen, die op de kaplijst
stonden omdat ze als zaailing niet bij de parkinventaris horen,
zullen nu gefaseerd worden gesnoeid. Daarna kunnen ze als grote
heesters uitgroeien. De volwassen exemplaren die goed geproportioneerd
zijn en niet misstaan in de kwaliteit van de bomenlaag, blijven
staan.
Per boom zal bekeken worden of de eiken op de lijst kunnen worden
ontdaan van hun kruin om ze als stam in de bomenlaag te laten staan.
De projectleider stelt verder voor om stammen zoveel mogelijk te
laten liggen en van het lichte hout achter de heesterfaçade
houtrillen aan te leggen. Hiermee wordt meer broed- en schuilgelegenheid
voor de aanwezige fauna gecreëerd.
Ook de wens om beeldbepalende eiken en beuken met een slechte conditie
toch zoveel mogelijk te laten staan vanwege hun natuurwaarde, wordt
gedeeltelijk gehonoreerd. Maar bomen die zo bouwvallig zijn dat
ze binnen enkele jaren zouden omvallen, worden alvast preventief
gekapt. Hiermee wordt voorkomen dat er binnen enkele jaren opnieuw
met zwaar materieel over de kwetsbare parkgrond moet worden gereden.
Dit zou verdichting en daardoor verslechtering van de bodemstructuur
tot gevolg hebben.
Verder stelt Priem voor om op de zwaar beschaduwde beuken/eiken/lindenweide
geen gras meer in te zaaien. Beter is het om hier het blad te laten
liggen, zoals dat ook tussen de heesterlagen gebeurt. De grond van
de dichtgeslagen speelweiden zal worden gelost en zal jaarlijks
worden gecultiveerd met prikrollen. Het gras rond de bomen wordt
niet meer gemaaid om beschadiging van de opgroeiende wortels te
voorkomen.
Over twee beeldbepalende wilgen langs de Vliet wordt nog discussie
gevoerd. Ze verdienen het om na de dunning te blijven staan en te
kunnen uitgroeien. Het herstellen van een historische zichtas is
geen reden om deze historische bomen te kappen, vindt Hoogerhoud.
Maar hier denkt de projectleider anders over. Hij vindt dat die
wilgen moeten wijken ten faveure van het 19e- eeuwse landschapsherstel.
Toch is Hoogerhoud is zeer tevreden met het resultaat
van zijn interventie. Door de bemiddeling van de Haagse Vogelbescherming
en de KNNV lijkt Voorburg een nieuwe koers in te zetten voor het
ecologisch beheren van haar parken.
Aletta de Ruiter,
Haags Milieucentrum
meer
artikelen over 'natuurbeheer'
Van de wal in de sloot: Reigersbergen
revisited
In de Branding van juni/juli 2004 schreven
we over de illegale demping van een sloot in Reigersbergen.
Deze sloot had een bijzonder rijke biodiversiteit ten opzichte van
andere sloten in deze wijk. Het was een ware kraamkamer van amfibieën,
zoals diverse soorten kikkers, de Gewone pad en soms de Rugstreeppad,
de Kleine watersalamander, en ook de Geelgerande Waterkever was
er te vinden. Het dempen van deze sloot heeft verregaande consequenties
gehad voor de soortendiversiteit en de populatieopbouw van de amfibieën
in stadsdeel Haagse Hout.
Joris Wijsmuller, raadslid voor de Haagse Stadspartij heeft over
deze kwestie vragen gesteld. Inmiddels heeft het College van B&W
daarop gereageerd. Het weet te melden dat de boer die het land van
de gemeente pacht, de sloot heeft gedempt zonder vergunning en zonder
de verpachter op de hoogte te stellen. Er zal nu een inspectie van
het weiland en de resterende sloot plaatsvinden door de pachter,
een medewerker van het Hoogheemraadschap Delfland en ‘iemand
van de gemeente’. Vervolgens zal alsnog een formele vergunning
voor het dempen en eventueel compenseren van de sloot worden aangevraagd.
De pachter zal onvoorwaardelijk zijn medewerking verlenen aan eventueel
noodzakelijke verdere compensatie.
Wijsmuller vindt de reactie verre van bevredigend: “Het college
heeft bijvoorbeeld niet geantwoord op mijn vraag welke sancties
zullen worden getroffen tegen deze overtreding van o.a. de Flora-
en faunawet. Ik ga deze kwestie dus wederom aan de orde stellen.
En ditmaal neem ik er geen genoegen mee als een antwoord maanden
op zich laat wachten.”
Ook Niek van der Worff, de bioloog van het Groen Platform (voorheen
Groen Platform Mariahoeve), laat het hier niet bij zitten. Hij heeft
de zaak inmiddels voor juridisch advies voorgelegd.
Van der Worff is een van de gasten op de talkshow ‘Groene
ramp aan zee’ die de Haagse Stadspartij op 25 januari organiseert
in restaurant De Hagedis, Waldeck Pyrmontkade 116 in Den Haag. HSP-beleidsmedewerker
Peter Bos presenteert de talkshow, waaraan verder wordt meegewerkt
door bioloog Lex Kreffer van de Rijksuniversiteit Leiden. De overige
gasten zijn nog niet bekend. Kijk voor het laatste nieuws op www.haagsestadspartij.nl.
meer
artikelen over waterbeheer
Fietsen met obstakels
Barrières voor de fietser, ze zijn er in
tal van soorten en maten. Of het nu waterwegen, spoorwegen, of autowegen
zijn, het resultaat is altijd omwegen. Denk maar eens aan de sporen
die van en naar Den Haag Centraal lopen, en waar een erkend griezelig
tunneltje onderdoor gaat. Denk ook aan de Utrechtse Baan, de Vliet,
de vrije trambanen… Vaak zijn de mogelijkheden om dergelijke
verbindingen te kruisen beperkt, en moet de fietser zich er doorheen
persen samen met al het overige verkeer. Dat kan anders.
De Fietsersbond Zuid-Holland heeft de knelpunten in haar werkgebied
in kaart gebracht en er een fraaie, zestig pagina’s tellende
brochure van gemaakt. ‘Fietsen met obstakels, barrières
in Zuid-Holland’ bevat een beschouwend deel over het verschijnsel
en zeven case-studies, alvorens met een aantal aanbevelingen te
besluiten. Zo bepleit de Fietsersbond een fietseffectrapportage,
oftewel het in de planvorming opnemen van een onderzoek naar de
effecten van infrastructurele ingrepen op fietsers.
De brochure is gratis af te halen op het Haags Milieucentrum.
meer artikelen
over mobiliteit
Biologische bloemen aan de Brouwersgracht
Als galeries al bloemen verkopen, zijn die
bloemen geschilderd, gebeeldhouwd of anderszins gestileerd. Als
bloemenwinkels al kunst verkopen, gaat het om kunstbloemen. Aggiez,
aan de Brouwersgracht 10, combineert deze zaken: én bloemen,
én kunst.
Nou is dat op zich geen reden om in een blad als Branding aandacht
aan deze winkel te besteden. Maar eigenares Agnes Eising probeert
zoveel mogelijk biologische bloemen in haar assortiment op te nemen.
“De reguliere snijbloementeelt is heel vervuilend, er worden
veel chemicaliën gebruikt. Ik wil mensen laten zien dat het
ook anders kan”, aldus Eising. “Biologische bloemen
staan in veel gevallen net zo lang als reguliere.”
Biologische bloementelers maken geen gebruik van kunstmest en chemische
bestrijdingsmiddelen. De bloemen krijgen alleen plantaardige en
dierlijke meststoffen, zoals klaver en koemest. Tegen eventuele
gewasziekten of plagen worden natuurlijke bestrijders ingezet. In
Nederland staat nu ongeveer dertig hectare biologische snijbloemen.
Eising betrekt haar bloemen bij Utopia in Kwintsheul en gaat ze
daar persoonlijk uitzoeken. “We lopen dan samen over het land
en ook komt de tuinder in de winkel. Toen er op de Brouwersgracht
een braderie was, was hij hier aanwezig om mensen voor te lichten
over de biologische teelt. Zoiets zouden we wat mij betreft vaker
kunnen doen.”
Helaas is het onmogelijk om de winkel alleen maar met biologische
bloemen te vullen. “Het aanbod is erg afhankelijk van het
seizoen”, aldus Eising, “en de weersomstandigheden maken
ook een groot verschil. Op dit moment heb ik bijvoorbeeld geen biologische
bloemen meer staan. Ik had biologische kerstbomen willen bestellen,
maar daarmee was ik jammer genoeg te laat. Er is een bedrijf in
België dat biologische kerstbomen levert, maar die had ik al
een paar maanden geleden moeten bestellen.”
Biologisch bolwerk
Aggiez opende eind mei haar deuren aan de geheel heringerichte Brouwersgracht
- naast een winkel die aan recycling van boeken doet en pal tegenover
de biologische winkel De Goede Zaak. Hoewel de winkels organisatorisch
niets met elkaar te maken hebben, besloot Eising haar winkel te
openen op de dag dat De Goede Zaak haar zevenjarig bestaan vierde.
“We hebben toen samen de mensen van De Theetuin ingeschakeld.
Die kwamen langs met hun bakfiets en hebben een terras ingericht
waar ze biologische dranken schonken en biologische hapjes serveerden.”
In een tijdsgewricht dat je voor biologische bloemen ook al bij
Shell-stations terecht kunt – hoe zouden die ruiken, vraagt
Branding zich af – is het verkwikkend te merken dat Agnes
Eising uit overtuiging hierin handelt. Behalve biologische bloemen
verkoopt ze ook ecobulbs (ecologische bloembollen) en biologische
potgrond. Ook bij de inrichting van haar zaak is ze zo milieuvriendelijk
mogelijk te werk gegaan. “Verschillende kastjes zijn gemaakt
van gerecycled materiaal, zoals oude vloerdelen. Verder hebben we
hout gebruikt van pallets waarmee de stenen voor de herbestrating
van de Brouwersgracht aangevoerd werden. Daarmee hebben we bijvoorbeeld
een bekisting gemaakt om de motor van de koelcel. Die koelcel is
een erfenis van de vorige gebruiker van de ruimte. “Voor bloemen
is een temperatuur van maximaal acht graden optimaal”, weet
Eising, “dus ik ben wel blij met die koelcel. Maar als het
niet nodig is, zoals met de huidige temperaturen, schakel ik hem
uit.”
Accessoires en kunstvoorwerpen
Enthousiast wijst Eising op de accessoires van hergebruikt materiaal
in haar collectie. Uit een kast haalt ze een lantaarn die in Marokko
is vervaardigd uit oude blikken. Eronder staat een pot opgebouwd
uit lagen van gevouwen, samengeperste tijdschriften. Knap gemaakt,
maar meer vakmanschap dan kunst. ‘Echte’ kunst is er
in de winkel echter ook volop te vinden: vazen in allerlei varianten,
beschilderde tassen, foto’s en ga zo maar door. “De
meeste voorwerpen worden gemaakt door mensen uit de buurt”,
legt Eising uit. “Er wonen hier veel kunstenaars. Ik streef
ernaar om ongeveer elke zes weken van collectie te wisselen.”
Kunst en bloemen: een praktische combinatie. Aggiez maakt het mogelijk
om biologische bloemen in een unieke, artistiek vormgegeven vaas
mee naar huis te nemen.
Bob Molenaar
meer
artikelen over gezondheid & milieu en milieuvriendelijke bedrijven
BONTEBALDECEMBER
December is een sombere maand, vooral voor een alleenstaande
als ik. Het wordt vroeger donker, het weer is guur en om me heen
worden allerlei feestjes gevierd: verjaardagen, sinterklaas, sint
Jezus (Kerstmis). Ik heb de rare gewoonte om als ik me somber voel,
sombere dingen te gaan lezen of beluisteren. Dat verdiept het gevoel
en ik wentel me erin. Zo draai ik de Mattheus Passion vaker in december
dan in de week voor Pasen. En in deze tijd van het jaar lees ik
ook steevast enkele malen het beroemde verhaal over de kalkoen die
zich had verstopt onder een blauwspar om zo aan de kerstslachting
te ontkomen. Het verhaal is algemeen bekend, ik hoef het hier niet
te herhalen. Toch bemerk ik enige vooruitgang bij mezelf: ik hoef
niet meer te huilen als ik het verhaaltje lees.
Nu ik het toch over kerst heb en de bekende verhalen: het is ook
algemeen bekend hoe ganzenboeren er voor zorgen dat hun vogels een
lekkere vette lever krijgen, de exquise foie gras. Je neemt een
emmer graan en een trechter en... enfin, je kent het. Dierenmishandeling
van de bovenste plank, je verbaast je erover dat het is toegestaan,
dat mensen het überhaupt willen vreten. Stichting Wakker Dier
heeft
theatergigant Joop van den Ende op de vingers getikt, omdat de foie
gras in het restaurant van het Circustheater gewoon op de kaart
staat. Joop heeft nu beterschap beloofd: direct ná de kerst
zal het spul van het menu verdwijnen. Ná de kerst: het blijft
gewoon een zakenman.
December is ook de maand van het vooruit blikken en terugkijken.
Dat is dubbelop: vooruit blikken ìs terugkijken. Een tijd
geleden schreef ik in deze hoek over een nieuwe ziekte bij kastanjes,
een parasiet: de paardekastanjemineermot. Ook dit jaar heeft het
beestje weer toegeslagen, waardoor al vroeg in het jaar de kastanjes
herfstkleuren begonnen te vertonen. Dodelijk is het niet, maar er
is een nieuwe kastanjeziekte bijgekomen. Een ernstige. Is de mineermot
alleen maar vervelend, deze nieuwe ziekte is fataal. Er wordt koortsachtig
gezocht naar een medicijn, maar op het moment dat ik dit schrijf
is dat nog niet gevonden.
De nog onbekende kastanjeziekte manifesteert zich zowel bij jonge
als bij oude kastanjes. Verspreid op de stam verschijnen kleine
roestbruine vlekken die zich snel uitbreiden over de rest van de
stam en gesteltakken. Uit de vlekken druipt puntsgewijs een donkerrode,
stroperige vloeistof. In de nazomer drogen de vlekken in tot ruwe
zwarte korsten. In het daarop volgende voorjaar en zelfs al in de
loop van hetzelfde jaar verdroogt de bast tussen de vlekken en sterft
af. Zodra de bast volledig rondom de stam afsterft, sterft ook de
boom. Bij jonge bomen zal dit eerder gebeuren dan bij oudere, dikke
exemplaren.
De stad kent veel monumentale kastanjes, bijvoorbeeld aan de Lange
Vijverberg en de Sophiastraat. Als die alle het loodje leggen is
dat een klap die we moeilijk te boven zullen komen.
De gemeente Den Haag heeft aangekondigd de komende tijd extra nieuwe
bomen te planten. Twee van mijn favoriete soorten zullen daarbij
in de meerderheid zijn: de Ginkgo biloba en de Robinia pseudo-acacia
Twee prachtige, zeer helder groene bomen. De stad zal ervan opknappen.
Maar Den Haag zonder kastanjes? Dat kan echt niet hoor.
meer
Brandingcolumns van Bontebal
|