branding  

Branding nummer 18: januari-maart 2005


Marnix Norder: een innovatieve pragmaticus ...meer

Om Den Haag gaat verder met een nieuwe directeur ...meer

BOT - Altijd scherp ...meer

Waarom er geen Automobielmuseum in Reigersbergen moet komen ...meer

DANKZIJ DUINWATERBEDRIJF BLIJVEN DUINEN MOOI NATUURGEBIED
Een interview met DZH-directeur Piet Jonker
...meer

Duurzaamheidswerkgroep wil gratis openbaar vervoer ...meer

Voorburg heeft oren naar tips over ecologisch groenbeheer ...meer

Van de wal in de sloot: Reigersbergen revisited ...meer

Fietsen met obstakels ...meer

Biologische bloemen aan de Brouwersgracht ...meer

BONTEBALDECEMBER ...meer

 

 

 

 

 

 

Marnix Norder: een innovatieve pragmaticus


Ineens had Den Haag een nieuwe wethouder Ruimtelijke Ordening, Stedelijke Ontwikkeling en Wonen: Marnix Norder. De voormalige gedeputeerde bij de Provincie Zuid-Holland volgde de al even abrupt vertrokken Arend Hilhorst op. Wie is de man die door het Expertise bureau voor Innovatieve Beleidsvorming werd verkozen tot de meest innovatieve bestuurder van 2003? Tussen zijn drukke werkzaamheden door had Norder even een halfuurtje tijd voor een kennismakingsgesprek.


Als gedeputeerde met in zijn portefeuille Mobiliteit heeft Norder zijn groene sporen wel verdiend. Zo dwong hij een provinciaal fietsplan af door te weigeren zijn fiets van deugdelijke verlichting te voorzien totdat zo’n plan er was. Om automobilisten te verleiden de reis tussen Leiden en Den Haag per bus te maken, nam Norder het initiatief met een proef voor gratis openbaar vervoer op dit traject. Verder zal zijn naam altijd verbonden blijven aan het experiment met light-rail op de RijnGouwelijn en wist hij voor- en tegenstanders van de verlengde A4 door Midden-Delfland tot overeenstemming te brengen. Niettemin leggen wij hem de vraag voor: van welke natuur- en milieu-organisaties is Marnix Norder eigenlijk lid?


“Uit m’n hoofd: in ieder geval de Fietsersbond. En verder van organisaties als het Zuid-Hollands Landschap, Natuurmonumenten en dergelijke. Het zullen er vijf à acht zijn. Maar ik weet het niet precies. Als er blaadjes aan verbonden zijn heb ik die heel vaak afbesteld omdat ik toch geen tijd heb om ze te lezen.”


Welke ‘groene’ plek in Den Haag is je favoriet?
“Dat is het Haagse Bos: oud, statig en Hollands. Echt een oase midden in de stad.”

Rij je hier in Den Haag met licht op je fiets?

“Nadat Provinciale Staten vóór het Initiatiefvoorstel Fiets hadden gestemd, heb ik ervoor gezorgd dat mijn fiets op orde was. En dat is-ie jarenlang geweest, met verlichting en alles, maar die fiets is helaas gejat. Sinds een half jaar heb ik een nieuwe en die is gewoon op orde.”

Maar jeuken je vingers en je hersens niet om je in Den Haag met het verkeersbeleid te bemoeien?

“Nee, juist niet. Ik heb bij de Provincie vijf jaar de portefeuille Verkeer en Vervoer gehad – overigens zonder dat ik een verkeerskundige achtergrond heb of zo – maar ik heb een knop omgezet. Ik heb m’n handen vol aan m’n nieuwe portefeuille, die ontzettend veel tijd en energie vergt, en ik vind het juist ook wel lekker dat de files nu van Bruno zijn en niet meer van mij. Het Haagse vijfjarenplan Fiets is een goed plan. Je kunt duidelijk merken dat er hier in de fiets geïnvesteerd wordt.”

Een provincie kan gemeenten aanwijzingen geven, budgetten en plannen goedkeuren… waarom stapt iemand van een provincie over naar een gemeente?

“Dat is op zich een goede vraag, maar het antwoord is vrij simpel. De portefeuilles vertonen veel overeenkomsten: in beide gevallen gaat het om het maken van nieuwe dingen. In het ene geval zijn dat fietspaden, wegen en busbanen, in het andere geval woningen, kantoren, enzovoorts. Maar het aantrekkelijke van een wethouderschap is dat je dichter bij de mensen, tússen de mensen staat. Je hoort en ziet dingen en kunt direct iets doen. Dat is uiteindelijk voor mij de echte reden om als politicus bezig te zijn. Als gedeputeerde heb je voornamelijk te maken met collega-bestuurders, zoals wethouders, burgemeesters, besturen van instellingen. Een wethouder heeft veel meer contacten met burgers, maar er hoort ook bij dat je niet altijd met een goede boodschap komt.”

Je hebt op provinciaal niveau veel gedaan voor duurzame mobiliteit. Welke initiatieven op duurzaamheidsgebied kunnen we in Den Haag van je verwachten?
“Den Haag zal in de toekomst verder groeien, niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief. Dat laatste komt onder meer tot uiting in de hang naar meer openbare ruimte, meer pleinen. Dat moeten interessante ontmoetingsplekken worden. We willen een internationale stad zijn – een ‘wereldstad aan zee’, wordt het in de Structuurvisie genoemd. We willen vooral inzetten op een duurzame woon-, werk- en leefkwaliteit.
Ik denk dat Den Haag een heel interessante internationale stad is, maar dat betekent ook op een aantal plekken in die stad écht kiezen voor verdichten: dus meer volume bouwen per hectare en ook de hoogte in durven gaan.
De mogelijkheden om goed te wonen en goed te werken moeten dicht bij elkaar blijven, zodat je draagvlak krijgt voor openbaar vervoer. In die zin is het ook qua mobiliteit een investering in duurzaamheid.”

Op duurzaam bouwen is natuurlijk veel milieuwinst te boeken, maar in de praktijk wordt er lang niet zo duurzaam gebouwd als mogelijk is. Niet elk bouwproject wordt aan de Checklist Duurzaam Bouwen onderworpen. Moet er, na tien jaar, niet eens een nieuwe Nota Duurzaam Bouwen komen?

“De vlucht in het schrijven van nieuwe nota’s is heel eenvoudig. Er zijn hele bibliotheken gevuld met nota’s die niet uitgevoerd zijn. Als een nota voldoet, is het niet erg dat die oud is. Als er in de uitvoering dingen mis gaan, moet dat in de uitvoering worden opgelost. Ik ben een pragmaticus. Ik hou van dingen die echt werken in de stad en niet van mooie verhalen over hoe het zou moeten.
Zo’n aanpak als van het Haags Milieucentrum – een expert meeting voor ambtenaren die met elkaar gaan nadenken over wat duurzaamheid is - vind ik interessanter dan een nieuwe nota. De uitkomsten daarvan moeten dan worden vertaald in hoe ze met corporaties en dergelijke omgaan.”
“Maar goed, ik zit hier nu een maand. Ik heb geen afgerond beeld van wat duurzaamheid voor deze stad precies is. Misschien stel je me deze vraag te vroeg. Ik weet het gewoon nog niet.”

Bob Molenaar
Tom Pitstra

meer artikelen over ruimtelijke ordening en duurzaam bouwen

 

 

 

 

 

Om Den Haag gaat verder met een nieuwe directeur


Van Poekelboek naar milieumarketing: het lokale duurzaamheidsbeleid heeft een lange weg afgelegd. Vijf jaar lang was Kitty van der Voorn de stuwende kracht achter de Ontwikkelingsmaatschappij Den Haag. De Stichting Om Den Haag is opgericht om bij te dragen aan de duurzame ontwikkeling van Den Haag en om het (Haagse) bedrijfsleven tot duurzaam ondernemen aan te zetten. Om te zorgen voor een balans tussen de fameuze 3 P’s van People, Planet en Profit. Per 1 januari jl. nam Van der Voorn afscheid als directeur. Branding blikte terug met haar en vooruit met haar opvolger: D66-fractievoorzitter Robert van Lente.


Van der Voorn: “Ik ben nu bijna vijf jaar bij Om Den Haag betrokken, eerst bij het opzetten en daarna in de 31⁄2 jaar dat de stichting functioneert. Al met al een geweldige tijd, met interessante projecten en vol uitdagingen. Ik heb ontzettend veel geleerd in die tijd. Op voorhand wist ik dat ik het niet veel langer dan 5 jaar zou gaan doen. Ik ben iemand die graag pioniert en opbouwt; een kwartiermaker. Ik weet dat er nu een goede organisatie staat met veel kansen waarop mijn opvolger verder kan bouwen.
Persoonlijk heb ik nu behoefte aan zelfstandigheid. Ik ga als zelfstandige werken in project- en interim-management. Ik wil graag weer deskundigheden aanspreken die ik de laatste tijd weinig benut. Meer werk doen in de sociale en culturele sfeer.”


Om Den Haag wordt door Van der Voorn getypeerd als ‘een wat hybride organisatie’. “We hebben een ideëel doel dat we bereiken door op marktconforme wijze diensten aan te bieden. We werken daarbij op het snijvlak van bedrijfsleven en overheid. Hoewel Om Den Haag economisch zelfstandig is - en móet zijn - is geld verdienen geen doel op zich.
Twaalf organisaties die de stad en duurzame ontwikkeling in hun hart dragen en willen bevorderen, hebben zitting in onze Raad van Toezicht. Dat zijn HTM, Eneco, Rabobank, Woningbeheer - samen met de gemeente, toen nog in de persoon van wethouder Stolte, de ‘founding fathers’ van Om Den Haag - en verder de Haagse Hogeschool, Mondriaangroep, Kamer van Koophandel, MKB, Shell, Siemens en de Rijksgebouwendienst. In die Raad zitten voornamelijk de directeuren van de vertegenwoordigde bedrijven, dus degenen die beslissingen kunnen nemen.

Het commitment vanuit de Raad van Toezicht is voor Om Den Haag van zeer grote waarde. Afgelopen voorjaar is de Raad flink uitgebreid. Dat is goed voor het draagvlak voor duurzame ontwikkeling van de stad. Binnen de Raad wordt niet altijd op dezelfde manier gedacht. Bijvoorbeeld over de vraag hoe en in hoeverre de ideële doelstelling moet, en kan, worden vertaald in geld. Er is natuurlijk wel eens verschil van inzicht, ik ben het ook niet altijd met iedereen eens. Maar dat maakt het werk wel veelzijdig en dynamisch.”


Opvolger Robert van Lente erkent dat het maatschappelijk draagvlak van groot belang is. Verdere uitbreiding van de Raad van Toezicht sluit hij niet uit: “Een bedrijf als TPG, met zijn expertise op het gebied van logistiek, zou ik er wel graag bij willen hebben. Maar de Raad moet geen waterhoofd krijgen.”

Op de kaart
Daar Om Den Haag in opdracht werkt, is acquisitie altijd een belangrijke activiteit. Om opdrachten te werven kiest de stichting voor een sneeuwbaleffect. De voormalige directeur: “We vragen ondernemers het voortouw te nemen richting collega-ondernemers. Onze opdrachtgevers vragen we om namen van mogelijk geïnteresseerden te noemen. Maar het is een probleem dat we nog onvoldoende op de kaart staan. We moeten zichtbaarder worden. Het zou leuk zijn als we wat vaker de krant zouden halen. Je moet kunnen laten zien waarvoor mensen bij je kunnen aankloppen.”


Dat duurzaamheid een zaak van lange adem is, is genoegzaam bekend. Kortetermijnsuccessen zijn hier dan ook niet te behalen. Van der Voorn weet dat projecten een lange aanlooptermijn kunnen hebben, waarin er alleen maar geld bijmoet. Daarover horen we haar dan ook niet. Maar wat haar tijdens haar directeurschap wel dwarsgezeten heeft, is de moeite die je moet doen om erkend te worden: “Je krijgt niet gemakkelijk de credits voor wat je doet. Het is soms frustrerend als iemand anders de eer krijgt voor projecten waartoe wij, een kleine, kwetsbare organisatie, de aanzet hebben gegeven. Waarvoor wij de partijen en belangen bij elkaar hebben gebracht.
Een voorbeeld is stadsdistributie. Binnen de gemeente werd nog wel eens gezegd dat ondernemers niets wilden doen aan een betere distributie van goederen in de binnenstad. Alweer jaren geleden zijn wij met een aantal ondernemers uit de binnenstad en de Kamer van Koophandel om de tafel gaan zitten. Op eigen kosten hebben we met toonaangevende ondernemers uit het Hofkwartier gesprekken gevoerd. Die bleken bijvoorbeeld bereid om opslagpunten te creëren in de buitenste schil van de stad, om daar met hun eigen auto’s spullen te gaan ophalen. Toch wordt ons dan niet de opdracht gegund om van daaruit een project Stedelijke Distributie op te zetten. Om Den Haag moet zich dus nog veel sterker profileren en moet voortdurend positie verwerven.”


Een van de projecten die Kitty van der Voorn overdraagt is het stimuleren van duurzaam ondernemen bij het midden- en Kleinbedrijf door middel van een concrete, gestructureerde aanpak. Ze licht toe: “Ondernemers kunnen hiermee hun bedrijfsvoering doorlichten op duurzaamheid. Is het bijvoorbeeld mogelijk energie te besparen, het materiaalgebruik te verduurzamen… Novem, ABN/AMRO en de Provincie Zuid-Holland zijn partners in dit project. De Kamer van Koophandel werkt actief mee door het organiseren van seminars en door op te treden als ambassadeur.
Het is een groot project, dat een wat trage start kende maar nu erg goed loopt... Onze aanpak is heel praktisch gericht op het MKB, gebaseerd op wat multinationals en andere grote bedrijven al doen. We redeneren vanuit de ondernemers: What’s in it for me? Zo worden hun investeringen in de stad niet een soort liefdadigheid, maar krijgen ze een economische waarde. Omdat het een vernieuwende en concrete aanpak is, heeft het project ook landelijke aandacht.”


Een ander lopend project van Om Den Haag is het ‘Stadsdebat duurzame vastgoedontwikkeling’. “In een stadsdebat proberen we met zoveel mogelijk partijen in de stad van gedachten te wisselen over een bepaald onderwerp”, licht Van der Voorn toe. “We willen op termijn een stadsdebat organiseren waarin betrokken partijen praten over hun belangen bij grootschalige duurzame vastgoedontwikkeling. Daarin kunnen vragen aan de orde komen als: Welke partij is verantwoordelijk voor de duurzaamheid van het vastgoed? En voor de omgeving? Voor de leefbaarheid van het gebied en het beheer? Wie is verantwoordelijk voor de publieke ruimte?’ Dat zijn onderwerpen waarmee Om Den Haag zich ook bezighoudt. Want duurzaamheid is meer dan alleen milieu. We houden ons ook bezig met de publieke ruimte, leefbaarheid, veiligheid, sociale cohesie.”

Energieke aanjager
Daarnaast is Om Den Haag van het begin af aan actief in projecten om gebruik en opwekking van duurzame energie te stimuleren. Van duurzaam energiegebruik door sportverenigingen tot bijvoorbeeld zonnepanelen op scholen. Van energiescans tot financieringsconstructies voor zonnepanelen.Vaak als aanjager en voortrekker en vaak als projectmanager.
Van der Voorn: ”Het project om windmolens langs de rijkswegen te plaatsen hebben we, samen met Eneco, weer op de agenda gezet. Dat begint nu voorzichtig aan handen en voeten te krijgen. Ook was Om Den Haag aanjager van de plaatsing van gebouwgebonden windturbines. De Haagse Hogeschool is nu verantwoordelijk voor het project en voor het bijbehorende rendementsonderzoek. Om Den Haag heeft in dit project nu alleen nog een begeleidende rol.”
Duurzame energie is een onderwerp dat de nieuwe directeur Robert van Lente aan het hart gaat. “Ik heb me vreselijk geërgerd aan de recente negatieve publiciteit tegen windenergie”, zegt de D66’er, verwijzend naar een uitzending van Zembla op 4 november en een artikel in Elsevier. “Het zou me niets verbazen als de kernenergielobby erachter zit. Het lijkt me wel iets voor Om Den Haag en het Haags Milieucentrum om hierover samen een debat te organiseren. Beïnvloeding van de meningsvorming zie ik wel als een taak van Om Den Haag, zelfs als dat uit eigen middelen moet.”

Hoewel de benoeming van Van Lente voor velen als een verrassing kwam, lijkt de econoom de aangewezen persoon om OM Den Haag op te stuwen in de vaart der volkeren. Niet zonder trots vertelt hij dat een motie van zijn partij het beslissende duwtje heeft gegeven om de stichting vijf jaar geleden op te richten, toen de Lokale Agenda 21 ter ziele was gegaan. Het cirkeltje is in zekere zin dan ook rond. Maar hoe gaat hij zijn nieuwe functie combineren met zijn raadslidmaatschap?
Van Lente: ik zit nu voor mijn derde termijn in de gemeenteraad en ik heb geen behoefte aan een vierde. Formeel is het raadswerk wel met het directeurschap van Om Den Haag te verenigen, maar het betekent wel dat ik me als raadslid over bepaalde zaken niet meer kan uitlaten. Ik neem in januari, uiterlijk februari een beslissing of ik deze termijn nog uitzit.”

Marketinginstrument
De eerste maanden zal Van Lente zich vooral bezighouden met het consolideren van Om Den Haag. Daarna kan gedacht worden aan het uitbreiden van het aantal medewerkers. Er zijn nu drie mensen in vaste dienst, voor het overige worden freelancers ingezet. En ook een naamswijziging sluit Van Lente niet uit: “Mensen denken soms aan een bouwbedrijf bij de naam Om Den Haag. Het is wel ingeburgerd, maar ik vind het eigenlijk helemaal niks. Als iemand een goede naam heeft houd ik me aanbevolen. Maar dat heeft geen prioriteit. Wat nu belangrijk is, is om Om Den Haag, dat een periode van zwaar weer achter de rug heeft, op de kaart te zetten als een renderend bedrijf. Met als belangrijke aandachtspunten energie, maatschappelijk verantwoord ondernemen, duurzaam vastgoed en duurzame bedrijventerreinen.
Van essentieel belang is dat het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties weten dat ze wat aan ons hebben. Dat we weten over te dragen dat duurzaam ondernemen ook profijt kan opleveren. Ondernemers denken niet op lange termijn, ze moeten kunnen zien dat ze er iets aan kunnen verdienen. En daarvoor zie ik goede mogelijkheden. Het kwartje is bij het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties gevallen. Maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt commercieel, bedrijven zien in dat duurzaamheid als marketinginstrument gebruikt kan worden. Ik hoop dat een onderneming over vijf jaar geen product meer kan verkopen als niet aangetoond kan worden dat het niet gemaakt is door een kind in India.
Daarbij komt dat duidelijk is dat er iets moet gebeuren. Fossiele bronnen raken uitgeput, olieprijzen stijgen torenhoog, de zeespiegel stijgt…Het begint gewoon te dúúr te worden om niets te doen.

En verder denk ik dat Om Den Haag een kenniscentrum zou kunnen worden op het gebied van Europese regelgeving waar het duurzaamheid betreft. Tegenwoordig geldt: milieu is Europa. De regelgeving komt daar vandaan. Dat moeten we vertalen naar het lokale en regionale niveau. Gelukkig beschik ik over goede contacten in Brussel en dankzij mijn raadslidmaatschap ook in Den Haag.”

Bob Molenaar
Tom Pitstra

meer artikelen over algemeen milieubeleid

 

 

 

 

BOT - Altijd scherp


15 september 2004: de Haagse wethouder Bruins en de Leidschendam-Voorburgse burgervader Van Haersma Buma houden een persconferentie. Hier kondigen zij aan dat het stadsgewest Haaglanden en de gemeenten Leidschendam-Voorburg en Den Haag samen gaan bekijken hoe Den Haag via een nieuwe weg beter ontsloten kan worden: het Trekvliettracé.

De Haagse en Leidschendams-Voorburgse bestuurders hebben hierbij mede de bereikbaarheid en leefbaarheid van Rijswijk op het oog. Niettemin was deze buurgemeente er niet bij betrokken. Sterker nog: toen Branding in augustus bij de gemeente Rijswijk informeerde naar haar standpunt inzake het Trekvliettracé, was de reactie ronduit afhoudend. Die kwestie was immers helemaal niet actueel.

Sindsdien zijn in Rijswijk alle alarmbellen gaan rinkelen. Zo heeft de gemeenteraad zijn college van B&W opgedragen om in overleg met Den Haag en Leidschendam Voorburg op zoek te gaan naar alternatieven voor het Trekvliettracé. Raadslid Ricardo Reijem van Onafhankelijk Rijswijk: “Het is een debacle dat B&W zat te slapen. We hebben ze beterschap laten beloven.”
Ook de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg kwam in actie toen ze ná de persconferentie van de plannen in kennis was gesteld. VVD-raadslid Pieter Baeten: “We begrijpen dat Den Haag met een bereikbaarheidsprobleem kampt. Dat levert ook in onze gemeente problemen op, dus we zijn zeker bereid mee te denken over oplossingen. Maar wat ons betreft zijn nut en noodzaak van het Trekvliettracé allerminst aangetoond. Volgens ons moet je geen twee hoofdwegen laten samenkomen in een gebied van nog gen vierkante kilometer groot. Samen met de PvdA hebben we B&W dan ook per motie opgedragen alternatieven te gaan onderzoeken, bijvoorbeeld verbetering van het openbaar vervoer.”


Er was nog een derde partij die actie ondernam: BOT, de Belangenvereniging Omwonenden Trekvliet. BOT was opgericht nadat er voor het eerst plannen voor een tracé onder de Trekvliet door naar buiten kwamen, zo’n vier jaar geleden. Nadat deze plannen als financieel onhaalbaar waren afgevoerd, werd het aan alle fronten stil. Maar na de roemruchte persconferentie van 15 september stond BOT - waarin meer dan 250 Rijswijkse, Voorburgse en Haagse huishoudens vertegenwoordigd zijn - onmiddellijk in de startblokken. De Belangenvereniging klom in de pen om bij de betrokken overheden alle documenten op te vragen die verband hielden met de voorbereiding van de aanleg van het Trekvliettracé. Ze deed daarbij een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur. En zo kwam het dat BOT al in november over stukken beschikte die de Haagse gemeenteraad nog nooit onder ogen had gehad.
PvdA-raadslid Koen Baart, op een drukbezocht politiek café dat BOT op 8 december organiseerde: “Het ambtelijke nut- en noodzaakrapport is ons nooit toegezonden. Het Haagse gemeentebestuur ís niet zo scheutig met informatie. En je kunt pas ergens om vragen als je weet dat het er is. Ons is nu beloofd dat we vóór het eind van het jaar de stukken krijgen. Ze worden waarschijnlijk aanstaande maart in de commissie Verkeer, Economie en Monumenten behandeld.”
De Binckhorst


Tom Pitstra van het Haags Milieucentrum, ook aanwezig bij het politiek café, denkt wel te begrijpen waar de vertraging vandaan komt. “Het nut- en noodzaakrapport is al drie jaar oud, en sindsdien is er wel het één en ander veranderd. Zo is de ontwikkelingsvisie op de Vlietzone door het Algemeen Bestuur van Haaglanden fors aangepast. En het is frappant dat in het rapport van geen woord gerept wordt over het belang van het Trekvliettracé voor de ontsluiting van de Binckhorst. Dat aspect wordt nú juist erg benadrukt.”

De vraag dient zich aan voor welke probleem het Trekvliettracé nu eigenlijk de veronderstelde oplossing biedt. Ontsluiting van de Binckhorst? Files op de A4? Op de A12? Op de Haagweg/Rijswijkseweg?
Er is een verkeerskundige nodig om wat licht in deze duisternis te scheppen. En ook daartoe heeft BOT stappen ondernomen. Ze vroeg een onafhankelijke vervoerskundige, Quik Advies, om het ambtelijke rapport over nut en noodzaak van het Trekvliettracé te analyseren. Quik heeft geen nieuw onderzoek gedaan, maar de veronderstellingen die aan het rapport ten grondslag lagen, kritisch getoetst. Volgens Quik wordt het bereikbaarheidsprobleem van de Haagse binnenstad door aanleg van het Trekvliettracé niet opgelost. De Utrechtsebaan is nu overbelast (835 auto’s meer dan de capaciteit van 8000 per uur) en zal dat na aanleg van het Trekvliettracé ook zijn (798 auto’s meer dan de capaciteit, dus nog altijd tien procent te veel). Wel neemt de verkeersdruk op de Haagweg/Rijswijkseweg iets af, omdat een gering deel van de automobilisten een andere route zal kiezen als het Trekvliettracé klaar is. Verder zal de doorstroming op de A4 enigszins verbeteren, maar Quik ziet eenvoudiger manieren om dat te realiseren dan door zo’n forse ingreep als een Trekvliettracé.

Zoals gezegd stond de ontsluiting van de Binckhorst nog niet in het rapport, dus daarover laat Quik zich niet uit. Maar onder de bezoekers van het politiek café van 8 december 2004 heerst vrij algemene overeenstemming dat het Trekvliettracé ook daarvoor geen oplossing vormt. Het is het verplaatsen van de problemen, meer niet.
Het Rijswijkse raadslid Reijem is het er helemaal mee eens. “Kies toch niet voor de moeilijkste oplossing. Je kunt bijvoorbeeld de Prinses Beatrixlaan beter benutten en bij de Boogaard een prachtig transferium aanleggen. En tegen mijn Haagse en Voorburgse collega zou ik willen zeggen: “Laat je van je meest dualistische kant zien!”

Bob Molenaar

meer artikelen over mobiliteit

 

 

 

 

 

Waarom er geen Automobielmuseum in Reigersbergen moet komen


Het gemeentelijke plan voor de vestiging van een Automobielmuseum op het Landgoed Reigersbergen stuit op steeds meer weerstand bij omwonenden en belangengroeperingen. Zowel de Haagse groene verenigingen als de bewonersorganisaties zijn unaniem tegen. Hun uitgangspunt is het behoud van de natuurwaarde van de landgoederen Reigersbergen en Marlot, waarbij ze uitdrukkelijk aangeven dat er ook over de grenzen van het plangebied heen gekeken moet worden.


Ook het pre-advies aan de Provinciale Planologische Commissie (PPC) liep niet over van enthousiasme voor de plannen voor een automobielmuseum. Plannen van een dergelijke maatvoering passen op voorhand niet binnen het bestemmingsplan. Toch bood de PPC tijdens haar zitting van jl. november nog wel ruimte voor de ontwikkeling. Het ‘Op voorhand NEE’ van het pre-advies werd tijdens de zitting met min of meer bemoedigende woorden aangevuld door vijf van de zes commissieleden. Slechts de vertegenwoordiger van Monumentenzorg bood geen opening en bleef tegen.


De tegenstanders uit de hoek van natuur- en bewonersorganisaties hebben zich verenigd in de Belangengroep Reigersbergen/Marlot. Zij gaan nu met feiten en argumenten de provinciale en Haagse politiek benaderen, want Provinciale Staten en de Haagse gemeenteraad beslissen uiteindelijk of het plan doorgang kan vinden.
“We zijn bang dat de politici geen goed beeld hebben van de werkelijke waarde van het gebied”, verwoordt Saskia Aalbers, woordvoerdster van de groep, haar vrees. “In het plan wordt slechts gesproken van een rommelige aanblik van het huidige kwekerijterrein. Daarmee wordt het terrein tekort gedaan en worden politici en beleidsmakers misleid. Als dit plan werkelijkheid wordt, betekent dat een enorme bebouwing midden in het groen, juist op een belangrijke open zichtas van de Landgoederen. Dat vormt een onaanvaardbare aantasting van het grote groen- en bosgebied dat begint bij het Haagse Bos en doorloopt in de Wassenaarse landgoederenroute. Een Nationaal Automobielmuseum in Den Haag is mooi, maar niet op de voorgestelde locatie”.


De belangengroep heeft inmiddels een folder uitgebracht waarin alle feiten en argumenten van de natuurwaarde van het gebied worden uitgelegd. Hieronder een beknopte weergave van die argumenten.


Reigersbergen heeft Groene bestemming
De locatie behoort tot het Beschermd Stadsgezicht en heeft een hoge cultuurhistorische waarde. Ze heeft nu de bestemming: ‘Park en plantsoen’. In het Provinciale Streekplan van februari 2003 wordt ze aangeduid met ‘Openluchtrecreatie of stedelijk groen’. De locatie ligt buiten de rode contour, wat betekent dat er officieel geen verdere verstedelijking mag plaatsvinden.
Aantasting biodiversiteit
Het landgoed Reigersbergen vervult een belangrijke rol in de ecologische verbindingszone tussen het duingebied van Waalsdorp en Meyendel en het achterliggende veenweidegebied. De instandhouding van de biodiversiteit vanuit het duinlandschap en het poldergebied vice versa is daarvan afhankelijk.
Verrommeld gebied heeft wel degelijk hoge natuurwaarde
De huidige kwekerijlocatie ziet er nu erg rommelig uit. Voor initiatiefnemer Louwman en de gemeente een reden om aan te nemen dat hier geen natuurwaarde aanwezig is. Het tegendeel is waar. De rust van de kwekerijlocatie en de rommeligheid van de verlaten opstallen bieden goede schuilmogelijkheden voor vele inheemse diersoorten. Er zitten nu bijvoorbeeld heel veel amfibieën en vogelsoorten op het rustige terrein.
De bomen die het museum in de toekomst zouden moeten omringen hebben op dat vlak weinig te bieden, evenmin als het aangeharkte plantsoen waarin ze komen te staan.
Verlies natuurwaarde niet te compenseren in de omgeving
Het plan van het automobielmuseum spreekt over compensatie van natuurwaarde door het verrijken van natuur elders op het landgoed. Dat is een utopie. Natuurwaarde wordt niet uitgedrukt in vierkante meters grondoppervlak. Natuurwaarde is de som van alle factoren die voor de biodiversiteit van belang zijn. Daarbij spelen rust, ruimte, licht en duisternis ook een rol. Het verlies aan natuurwaarde is veel meer dan de 8.000 m2 grondoppervlak dat wordt volgebouwd. Het uitstralingseffect op de directe omgeving is enorm.
Museum vele malen groter dan landhuis
Ruim de helft van het terrein-oppervlak is bestemd voor het gebouw. Dat betekent dat het museum 10 maal groter wordt dan een gebruikelijk landhuis. Ter vergelijking: het huis Clingendael beslaat een grondoppervlak van 750 m2. Daarbij zal ook het voorterrein en de parkeerplaats nog worden geplaveid met verharding.
Verlies aan historisch cultuurgoed
Door het optrekken van een reusachtig gebouw verliest het landgoed ook in cultuurhistorisch opzicht veel aan waarde. De eeuwenlange traditie van een erfgoed gaat daarmee verloren. De schaalvergroting van het museum past niet in de 19e eeuwse Engelse landschapsstijl van de oorspronkelijke landgoedtraditie, waartoe de warmoezerij en de tuinmuur onverbrekelijk behoren.
Afspraken met burgers genegeerd
Omwonenden en groene verenigingen hebben met de gemeente samengewerkt bij de voorbereiding van de Ontwikkelingsvisie Reigersbergen / Marlot. Daarbij werd gestreefd naar verbetering van groene functies in het gebied. Het opnieuw realiseren van een bescheiden landhuis werd toen uitdrukkelijk afgewezen. Die afspraken met belanghebbenden worden met dit nieuwe plan genegeerd. De plannen voor het automobielmuseum zijn door de gemeente bovendien twee jaar lang in het geheim ontwikkeld. Hiermee heeft de gemeente zich onbetrouwbaar opgesteld ten opzichte van de deelnemende burgers aan het Open-Plan-Proces.
Verkeersoverlast en files op Rijksweg N44
Grote aantallen bezoekers geven een piekbelasting die niet kan worden opgevangen op de 135 geplande parkeerplaatsen. Dat geeft kans op filevorming op de Rijksstraatweg. Het mobiliteitsplan van en naar het parkeerterrein van Duindigt is ontoereikend omdat de piekbelasting in het weekend plaatsvindt. Dan worden er ook sportwedstrijden en paardenrennen aan de Waalsdorperlaan gehouden, die bezoekers met auto’s aantrekken. In een tegenexpertise, uitgevoerd door het onafhankelijke bureau ANT, wordt een breder inzicht gegeven van de te verwachten verkeersdruk.

In de Belangengroep Reigersbergen/Marlot zijn verenigd: AVN, Haagse Vogelbescherming, KNNV, Ver. Vrienden van Den Haag, Het Groen Platform(Mariahoeve), Stg. Bewonersbelangen Reigersbergen en Marlot, Wijkvereniging Marlot, Wijkberaad Mariahoeve en het Haags Milieucentrum.
De folder is gratis op te vragen bij het Haags Milieucentrum, tel: 070-305.02.86

meer artikelen over natuur algemeen

 

 

 

 

 

 

DANKZIJ DUINWATERBEDRIJF BLIJVEN DUINEN MOOI NATUURGEBIED
Een interview met DZH-directeur Piet Jonker


Het Duinwaterbedrijf Zuid-Holland (DZH) behoort tot de grootste natuurbeheerders van de provincie. In totaal beheert DZH 2600 hectare duingebied langs de Zuid-Hollandse kust. Het waterbedrijf is in gesprek met Staatsbosbeheer om ook het beheer van hún duingebied (de westelijke kant van Berkheide, van Katwijk tot de Wassenaarse Slag) van 400 hectare over te nemen.
Het grootste deel van het duingebied is eigendom van de gemeente Den Haag of de Staat der Nederlanden en is in erfpacht uitgegeven aan DZH. Het beheer gebeurt op basis van een beheersplan (2000–2010) waarin DZH en Staatsbosbeheer samenwerken. Met DZH-directeur drs. Piet Jonker spraken wij over de spanning tussen natuur en recreatie. Over dezelfde thematiek houdt Jonker op 18 januari 2005 in de aula van de Haagse Hogeschool de Simon Doorenboslezing.


Beheerders van natuurgebieden in Nederland hebben van doen met tal van instanties en organisaties. Het beheersplan voor het Zuid-Hollands duingebied is daarvan een goed voorbeeld. Volgens de provincie behoort het duingebied tot de ecologische hoofdstructuur en is er sprake van een natuurgebied van hoge waarde. Op basis van deze aanduiding is besloten om in het duingebied de natuurwaarden zoveel mogelijk verder tot ontwikkeling te brengen.


Jonker: “In het beheersplan kun je heel sterk de geest van de jaren negentig van de vorige eeuw terug vinden. De ontwikkeling van natuurwaarden ging boven alles. In ons geval was dat de ontwikkeling van de zogenaamde vochtige duinvallei. In natuurbeschermingsland heeft men de neiging om vanuit een ideaal model te werken op basis van de vraag: ‘Wanneer was Nederland op z’n mooist? Dat wordt dan zo rond 1850 gesitueerd. En dan komt de vraag: ‘Wat is sindsdien verloren gegaan? Geconstateerd werd dat in het duingebied veel vochtige duinvalleien zijn verdwenen. Om die terug te krijgen, moest er een regeneratieproces op gang worden gebracht. DZH kwam tot een overeenstemming met de provincie over deze regeneratie, maar dat viel niet in goede aarde bij de bevolking. Die zag in Berkheide-Noord bulldozers door het duingebied daveren die grote delen van de begroeiing en de vegetatie wegsloopten om weer van die lekkere stuifduinen te krijgen. De bevolking liep te hoop tegen deze gang van zaken. Ze wilde het duin behouden zoals het was. In de Wassenaarse Courant verscheen een artikel onder de kop: “Zo is het wel genoeg”. Hierop ontstond een patstelling. De deskundigen en de bevolking waren het volkomen oneens”.


Overigens speelden in Nederland al eerder onverwachte controverses tussen ecologen en omwonenden en bezoekers van natuurgebieden. Met de nota Natuur voor de mensen, mensen voor de natuur (2000) probeerde de regering de verabsolutering van de natuur te relativeren. Het natuurbeleid moest volgens toenmalig staatssecretaris Geke Faber wel draagvlak hebben onder de bevolking en de natuurbeheersplannen moesten ten minste op begrip kunnen rekenen.
Volgens Jonker doet deze situatie zich ook in zijn duingebied voor: “Ik kan me best voorstellen dat ze bij de Stichting Duinbehoud en bij sommige afdelingen van de provincie nog steeds achter het beleid inzake de natte duinvalleien staan, maar zonder draagvlak onder de bevolking gaat het echt niet. In Wassenaar wonen een hoop mensen met geld en verstand van zaken en als die de kont tegen de krib gooien, procederen ze al de beheersplannen aan barrels. Gedeputeerde Staten hebben inmiddels geconcludeerd dat het anders moet en we zijn nu in een open planproces bezig om te kijken hoe het beheersplan kan worden bijgesteld. Het is nu al duidelijk dat hieruit voort zal komen dat het huidige natuurbeeld van de duinen niet verder mag worden aangetast. Vochtige duinvalleien zijn geen doel op zich meer. Het hoofddoel van het beheersplan zal het verfraaien van de natuur worden. Bovendien zullen de recreatieve voorzieningen worden uitgebreid. Dat is volgens mij ook de toon voor de nabije toekomst. Als je draagvlak wil houden voor natuurbeleid zul je de gebruikers en bezoekers het gevoel moeten geven dat het beleid ook in hun belang is. Ze moeten niet het gevoel krijgen dat ze natuur worden uitgewerkt”.


Meer recreatiemogelijkheden
Als grote natuurbeheerder heeft DZH van oudsher van doen met de recreatiedruk op het duingebied. Het gebied rond de boerderij Meyendel trekt per jaar meer bezoekers dan de Hoge Veluwe. Binnen DZH gaan er steeds meer stemmen op van mensen die vinden dat het bedrijf meer oog moeten hebben voor recreatie. Maar waar leg je dan de grens? In de ogen van Piet Jonker gaat het te ver om de duinen om te bouwen tot een groot park:
“De natuurwaarden van ons duingebied zijn op sommige punten te waardevol om niet te beschermen. In een parkgebied heb je te weinig beschermingsmogelijkheden. Maar in het huidige beheersplan staan al tal van maatregelen aangekondigd om de recreatiemogelijkheden te verruimen. Het voormalige bollenterrein van De Klip (ten noorden van Duinrell) hebben we nog op de ouderwetse wijze aangepakt door het terug te geven aan de natuur. De recreanten moeten het doen met een uitwijkplek in dit gebied. Maar het daarop volgend gebied dat wij onder handen hebben genomen, de Hertenkamp, langs de Jagerslaan in Wassenaar, hebben we nu als wandelgebied uitgelegd. Daar is het voor de recreanten goed toeven. In het Solleveld (aan de zuidkant van Den Haag) hebben we een zeer succesvolle wandelroute aangelegd. We hebben al heel veel hekken in het duingebied weggehaald. Nu lopen er dus meer mensen door de duinen, soms ook op plekken waar dat eigenlijk niet goed voor is. Maar door de bank genomen gaat dat maar om zulke kleine aantallen dat het geen problemen veroorzaakt. Er liggen voor de recreanten nog meer leuke zaken in ons gebied in het verschiet”.


Op grond van langjarige ervaring is DZH niet bang voor de recreant. Door slimme zonering weet men uiteenlopende gebieden te scheppen waar de recreatie zich concentreert en zijn er gebieden geschapen die spaarzaam bezocht worden.

Helikopterplatform in de natuur
Voor veel mensen is een waterbedrijf een vreemde eend in de bijt van het natuurbeheer. Natuurbeheer is voor een waterbedrijf geen primaire taak maar meer een afgeleide functie. En ook de omvang van het beheersgebied speelt hierbij een rol. Waarom heb je zoveel natuur nodig om aan waterwinning te doen? Of beter gezegd: om aan waterzuivering te doen, want het water van DZH komt van de Afgedamde Maas bij het Gelderse Brakel. De duinen dienen als bacteriologisch filter om het al voorgezuiverde water van de Maas verder op te schonen.
Jonker is trots op de rol van de duinen bij de waterwinning: “Dankzij de duinen hoeven wij als waterbedrijf niet allerlei chemische filters toe te passen om het rivierwater te zuiveren. Die chemicaliën veroorzaken trouwens in het drinkwater weer heel andere problemen. Onze methode is dus pure milieuwinst. Wij gebruiken een heel goedkope manier om het water in de duinen te zuiveren van de laatste bacteriën en virussen. De duinen zorgen er ook voor dat ons drinkwater constant van kwaliteit blijft. Het rivierwater dat we innemen heeft, afhankelijk van het jaargetijde, een groot temperatuurverschil. De duininfiltratie van het rivierwater zorgt voor een gelijkmatige temperatuur van ons drinkwater.
Een niet minder belangrijk voordeel van de duinen is dat we onder het duin een enorm spaarbekken aan drinkwater hebben liggen. Als wij, om wat voor reden dan ook, geen rivierwater meer kunnen innemen, kunnen we vanuit dit spaarbekken Den Haag en omgeving nog wel een jaar voorzien van eerste klas drinkwater. Om zo’n zelfde spaarbekken te bouwen heb je een terrein nodig ter grootte van een hele Vinex-locatie. Dat kost een vermogen”.

Jonker is er heilig van overtuigd dat de Haagse duinen zonder de aanwezigheid van de waterleiding al lang waren volgebouwd met huizen, sportgebieden of militaire oefenterreinen: “In de rest van Europa kun je goed zien wat er dan met de duinen gebeurt: verstedelijking alom. Er zijn maar een paar uitzonderingen op deze regel. Een stukje duinen op de grens van België en Frankrijk en de duingebieden in Noord- en Zuid-Holland. En steeds zijn dat gebieden die in beheer zijn bij waterleidingbedrijven. Voor een gemeente als Den Haag met een zeer krap grondgebied, zijn de duinen tot nu toe onaantastbaar. Men praat liever over een kapitale investering van een nieuw wooneiland voor de kust dan over het bebouwen van de Haagse duinen. Onze beheersgebieden lopen parallel met de natuurgebieden. Maar steeds zie je dat me probeert te morrelen aan deze grenzen. Als er een nieuwe helikopterlandingsplaats moet komen, proberen ze maar weer eens om een stukje van onze duinen in te pikken. Mooi niet dus. Zonder onze aanwezigheid was die landingsplaats midden in de natuur terecht gekomen. Wij staan als drinkwatervoorziening pal voor onze natuurgebieden en gaan ook niet akkoord met salamitactieken’.


Maar kunnen instanties als Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer de duinen niet even goed beheren? Volgens Jonker hebben de waterleidingbedrijven een belangrijk pluspunt: “Je moet een groot inzicht in de hydrologie van de duingebieden hebben om ze goed te kunnen beheren. Die kennis is voor ons de gewoonste zaak van de wereld. Onze expertise op dit gebied is veel groter dan die van andere natuurbeheerders. Daar komt nog eens een praktisch punt bij. Wij moeten onze waterwinactiviteiten beschermen met behulp van bewakers. Deze zelfde mensen kunnen tegelijkertijd als boswachters optreden om de natuur te beschermen. Vroeger waren er ook waterleidingbedrijven die vonden dat de overheid als beheerder moest optreden in het waterwingebied. Leiden is daar een voorbeeld van. Maar toen de DZH het waterleidingbedrijf van Leiden overnam, heeft de provincie gezegd dat de waterleidingbedrijven in Zuid-Holland tevens als natuurbeheerder moesten optreden. Ook in andere delen van Nederland zie je dat de zogenaamde grondwaterbedrijven er steeds meer natuurbeheerstaken bij gaan doen, en ook in het buitenland gebeurt dat. Een mooi voorbeeld is Wenen. Die stad haalt uit een hoog berggebied zijn drinkwater. Dat water is zo schoon dat het linea recta naar de afnemers gaat. Maar om dat zo te houden moet dat berggebied beschermd worden. Dus de Plantsoenendienst van Wenen heeft op 150 kilometer van de stad in de bergen een afdeling die daar het natuurbeheer voert”.

Uiteraard kosten deze natuurbeheerstaken van DZH, waarmee veertig mensen zich bezighouden, een lieve duit. Zo’n 5% van de kosten van het waterbedrijf gaat hieraan op. Uit consumentenenquêtes die DZH regelmatig houdt, blijkt dat meer dan 80% van de waterklanten geen moeite heeft om mee te betalen aan het natuurbeheer. Overigens zijn de kosten van het natuurbeheer door DZH maar een fractie van de precariorechten die het bedrijf aan gemeenten moet betalen omdat zijn waterleidingen in gemeentegrond zijn aangelegd.

Hans Pars

meer artikelen over 'natuurbeheer'

 

 

 

 

 

 

 

Duurzaamheidswerkgroep wil gratis openbaar vervoer


Het is een idee dat met enige regelmaat gelanceerd wordt: gratis openbaar vervoer. Onze zuiderburen hebben er goede ervaringen mee (met Hasselt als cause célèbre) en ook de gratis bussen tussen Leiden en Den Haag zaten het afgelopen jaar vaak bomvol. Voor Jeltje van Nieuwenhoven, nog maar net aangetreden als gedeputeerde voor verkeer en vervoer bij de Provincie Zuid-Holland, overigens geen reden om het experiment met gratis ov voort te zetten. De files zijn er immers niet aantoonbaar korter door geworden.


Gratis openbaar vervoer is nu ook binnen Den Haag een serieuze optie. Bij een bezoek aan het milieucafé De Derde Dinsdag in Dudok, in de lente van 2004, kwam een aantal mensen tot de conclusie dat het zo niet langer gaat. Ze besloten een werkgroep op te richten die er onder meer voor wil zorgen dat u over een tijdje gratis met bus, tram of lightrail kunt reizen.
De nood is hoog, vindt de Werkgroep Duurzame Stadsmobiliteit. In een stad die ooit ontworpen is voor voetgangers, koetsiers en schippers zijn nu veel van de grachten gedempt en staan de straten vol auto's: 150.000 alleen al voor privé-gebruik. Die nemen 37.500.000 vierkante meter in beslag. Ambulances kunnen er bijna niet door en vertegenwoordigers moeten de helft van hun afspraken schrappen. Laden en lossen in de binnenstad is een crime. En dan is er nog de luchtverontreiniging, die jaarlijks in Den Haag circa 150 slachtoffers eist.


De gemeente zoekt dan wel naar oplossingen, maar bewandelt daarbij steeds dezelfde wegen: rotondes, snelheidsverlagingen, omleidingen voor vrachtwagens en duurder parkeren. Voor de Werkgroep Duurzame Stadsmobiliteit is het de hoogste tijd voor nieuwe denkwegen in plaats van nieuwe wegen. Ze wil dan ook samen met de Haagse burgers de gemeenteraad en B&W ter verantwoording roepen en dwingen alternatieve, ingrijpende oplossingen te ontwikkelen. Daartoe grijpt de werkgroep naar een relatief nieuw middel, dat de kloof tussen de burgers en de politiek moet verkleinen: het burgerinitiatief. Frans de Leef, Ed Dusschoten en Beleke den Hartog zijn vast van plan om 2500 handtekeningen van Hagenaars te verzamelen om hun Burger Initiatief duurzamestads mobiliteit te realiseren. Als ze daarin slagen, wordt de gemeenteraad verplicht om ‘gratis openbaar vervoer’ op zijn agenda te plaatsen. Dat zou in mei 2005 moeten gebeuren.


Natuurlijk is ‘gratis’ openbaar vervoer maar een kreet. Iémand zal ervoor moeten betalen. Als dat niet de gebruiker is, is dat de belastingbetaler. De werkgroep schat de kosten op 100 miljoen euro per jaar, oftewel zestig eurocent per Haagse inwoner per dag.
Iemand die níet voor het burgerinitiatief zal tekenen is Jan van Male van ROVER, de belangenvereniging van ov-gebruikers. “Op deze manier haal je niet de automobilisten uit hun auto, maar wel de fietsers van hun fiets en je genereert een vervoersvraag waar geen nut tegenover staat. In Hasselt was het voorheen zo dat de bussen leeg waren, maar dat is bij ons niet het geval. Je moet dus méér voertuigen en mensen gaan inzetten. Dan gaan de exploitatiekosten nog verder omhoog. Momenteel betaalt de reiziger tussen de 30% en de 40% van de werkelijke exploitatiekosten voor zijn kaartje. Het restant wordt nu al met de grootste moeite door de overheid bijeengeschraapt. Waar zou je dan de rest vandaan moeten halen?
Als je de zwakkeren wilt helpen aan openbaar vervoer kun je dat beter op een andere manier doen.
Naar de mening van ROVER werpen de vele kaartsoorten en onduidelijkheid over het aantal af te stempelen strippen belemmeringen op voor ov-gebruik. “De chipcard gaat hierin ook tegemoetkomen”, aldus Van Male.

Ronald van Onselen, voorman van het Platform beter stedelijk en regionaal openbaar vervoer Haaglanden en omgeving (OVHA), is aanzienlijk positiever gestemd: “Wij voelen wel voor het Belgische succesvolle model, dat wil zeggen, ouderen en kinderen tot 12 jaar gratis buiten de spits en geleidelijk aan uitbreiden tot meer faciliteiten voor werkenden. Zo kun je stap voor stap bezien hoe het gaat en welke effecten het heeft.” Van Onselen weet te melden dat Belgische jongeren het dankzij een speciale kaart ‘cool’ vinden om het openbaar vervoer te gebruiken.

Daan Goedhart van de Fietsersbond afdeling Den Haag en omstreken zit meer op de lijn van Van Male. Ook hij vreest met grote vreze dat gratis openbaar vervoer fietsers de bus en tram in lokt, zonder dat het automobilisten verleidt hun voertuig te laten staan. Goedhart: “Dat heeft de praktijk toch wel bewezen. Veel mensen zijn nu eenmaal gemakzuchtig. Er wordt tegenwoordig veel minder gefietst dan vroeger, en uit gezondheidsoogpunt is het niet gunstig als mensen zo gemakkelijk de bus of de tram nemen. Voor beweging gaat er niets boven de fiets. Als je openbaar vervoer al gratis zou moeten maken, dan alleen voor bijvoorbeeld gehandicapten en ouderen. En misschien alleen buiten de spits.”

Compromissen zijn bij uitstek het domein van politici. Hoe denken raadsleden eigenlijk over dit initiatief? Als de werkgroep in zijn opzet slaagt, worden zij immers gedwongen om er in mei over te gaan discussiëren. Op de discussieavond die de werkgroep op 14 december jl. organiseerde, waren twee raadsleden aanwezig. Cees de Jager van de PPS merkt op dat de subsidiëring van het ov eigenlijk nog veel hoger is vaak gedacht wordt. De overheid draagt niet tweederde bij aan de prijs van een kaartje, maar naar zijn inschatting misschien wel negentig procent als je de kosten van aanleg en onderhoud van infrastructuur meeneemt. Gratis ov gaat De Jager te ver. Maar voor een prijs van één euro per rit, onafhankelijk van de afstand, wil hij wel in de tram stappen. En het zou een goede zaak zijn als benzinestations strippenkaarten zouden gaan verkopen.

Joris Wijsmuller van de Haagse Stadspartij kiest voor een iets andere benadering. Waarom niet de hele stad één zone? Volgens Wijsmuller komt intensiever gebruik van het ov ook de fietser ten goede. Want als er minder auto’s op de weg zijn, heeft de fietser meer ruimte.

Al met al blijft er nog één belangrijke vraag onbeantwoord. Dezelfde vraag waarmee ook de Provincie worstelde toen ze moest beoordelen of de proef met gratis bussen tussen Leiden en Den Haag geslaagd was: laten automobilisten de auto staan als het ov gratis wordt?
Cees de Jager denkt er in elk geval het zijne van: “Als er ruimte ontstaat op de wegen duiken andere automobilisten daar onmiddellijk in.”

Bob Molenaar

De Werkgroep Duurzame Stadsmobiliteit is te bereiken via Postbus 61283, 2506 AG Den Haag.
Internet: http://home.planet.nl/~beleke/

meer artikelen over mobiliteit

 

 

 

 

 

Voorburg heeft oren naar tips over ecologisch groenbeheer

In de vorige Branding schreven we over de plannen van de gemeente Leidschendam-Voorburg om haar grote parken terug te brengen in hun oorspronkelijke 19e-eeuwse landschapsstijl. Dit zou tot gevolg hebben dat ruim tweehonderd bomen, waaronder vitale en minder vitale exemplaren van respectabele leeftijden, het veld moeten ruimen.

Ieder landschap krijgt in de loop der tijd een eigen ecologische waarde. Voor de Voorburgse parken bleek het achterstallig onderhoud aan het groen juist zeer veel natuurwaarde te hebben opgeleverd. Frederik Hoogerhoud trok dan ook namens twee ‘groene’ verenigingen uit de Haagse regio - de Vogelbescherming en de KNNV - bij de Voorburgse projectleider aan de bel om die natuurwaarde te verdedigen.
Hoogerhoud: “Voorburg geeft in het plan een aantal redenen om bomen te willen kappen. De kap varieert van het verwijderen van spontaan gegroeide zaailingen, tot dunning om heesters en de kruidlaag meer licht te gunnen. Maar als hoofdreden wordt de wens tot herstel van de historische situatie aangevoerd. Hierbij staat de wens tot het komen van een gezond bomenbestand in het park voorop. Bij de totstandkoming van het plan is echter voorbijgegaan aan het feit dat minder vitale bomen wel erg waardevol zijn voor het ecologische milieu.”

Hoogerhoud heeft bij de groenbeheerder aangegeven welke bomen in het belang van de vogelstand en voor behoud van de ecologische kwaliteit waardevol zijn. Voorburg stelde zich bereidwillig op om gezamenlijk naar oplossingen te zoeken. Zoals voor enkele oude eiken waarvan de zware bouwvallige kruinen niet meer stormvast zijn. “Laten staan zolang het kan”, vindt Hoogerhoud. “In een parkbos leveren ze bij storm geen direct gevaar op. Bij zulk slecht weer lopen er toch geen mensen in het bos. Voor een parksituatie is, anders dan bij straatbomen, dan ook geen juridische verplichting om slechte bomen te kappen. Hier is juist artikel 21 van de Grondwet van kracht, waarbij de overheid tot taak heeft om het natuurlijk leefmilieu zo veel mogelijk te beschermen en te verbeteren.” Maar als het echt niet anders kan en de kruin er toch uit moet, adviseert hij om de stam te laten staan. “In de stam van oude ruwbastige bomen huist zoveel voedsel voor vogels, dat het alleen daarom al de moeite waard is om ze te behouden”, legt hij uit.

Artikel 21 beschermt in dit geval ook alle andere bomen waarvan aangetoond kan worden dat ze de natuur verrijken. Onnodige kap is niet toegestaan. Dat geldt dus ook voor het verwijderen van zaailingen vanwege het feit dat ze daar oorspronkelijk niet thuishoren. Alleen dunning ten gunste van het uitgroeien van de kruidlaag is een plausibele reden om te kappen.
Projectleider Priem van de gemeente Leidschendam-Voorburg kon zich wel verplaatsen in de genoemde punten. Daarom is hij samen met Hoogerhoud gaan zoeken naar beheermaatregelen die binnen het landschapsplan toch uitgevoerd kunnen worden. De zwarte elzen, die op de kaplijst stonden omdat ze als zaailing niet bij de parkinventaris horen, zullen nu gefaseerd worden gesnoeid. Daarna kunnen ze als grote heesters uitgroeien. De volwassen exemplaren die goed geproportioneerd zijn en niet misstaan in de kwaliteit van de bomenlaag, blijven staan.
Per boom zal bekeken worden of de eiken op de lijst kunnen worden ontdaan van hun kruin om ze als stam in de bomenlaag te laten staan. De projectleider stelt verder voor om stammen zoveel mogelijk te laten liggen en van het lichte hout achter de heesterfaçade houtrillen aan te leggen. Hiermee wordt meer broed- en schuilgelegenheid voor de aanwezige fauna gecreëerd.
Ook de wens om beeldbepalende eiken en beuken met een slechte conditie toch zoveel mogelijk te laten staan vanwege hun natuurwaarde, wordt gedeeltelijk gehonoreerd. Maar bomen die zo bouwvallig zijn dat ze binnen enkele jaren zouden omvallen, worden alvast preventief gekapt. Hiermee wordt voorkomen dat er binnen enkele jaren opnieuw met zwaar materieel over de kwetsbare parkgrond moet worden gereden. Dit zou verdichting en daardoor verslechtering van de bodemstructuur tot gevolg hebben.

Verder stelt Priem voor om op de zwaar beschaduwde beuken/eiken/lindenweide geen gras meer in te zaaien. Beter is het om hier het blad te laten liggen, zoals dat ook tussen de heesterlagen gebeurt. De grond van de dichtgeslagen speelweiden zal worden gelost en zal jaarlijks worden gecultiveerd met prikrollen. Het gras rond de bomen wordt niet meer gemaaid om beschadiging van de opgroeiende wortels te voorkomen.
Over twee beeldbepalende wilgen langs de Vliet wordt nog discussie gevoerd. Ze verdienen het om na de dunning te blijven staan en te kunnen uitgroeien. Het herstellen van een historische zichtas is geen reden om deze historische bomen te kappen, vindt Hoogerhoud. Maar hier denkt de projectleider anders over. Hij vindt dat die wilgen moeten wijken ten faveure van het 19e- eeuwse landschapsherstel.

Toch is Hoogerhoud is zeer tevreden met het resultaat van zijn interventie. Door de bemiddeling van de Haagse Vogelbescherming en de KNNV lijkt Voorburg een nieuwe koers in te zetten voor het ecologisch beheren van haar parken.

Aletta de Ruiter,
Haags Milieucentrum

meer artikelen over 'natuurbeheer'

 

 

 

 

 

Van de wal in de sloot: Reigersbergen revisited

In de Branding van juni/juli 2004 schreven we over de illegale demping van een sloot in Reigersbergen.
Deze sloot had een bijzonder rijke biodiversiteit ten opzichte van andere sloten in deze wijk. Het was een ware kraamkamer van amfibieën, zoals diverse soorten kikkers, de Gewone pad en soms de Rugstreeppad, de Kleine watersalamander, en ook de Geelgerande Waterkever was er te vinden. Het dempen van deze sloot heeft verregaande consequenties gehad voor de soortendiversiteit en de populatieopbouw van de amfibieën in stadsdeel Haagse Hout.


Joris Wijsmuller, raadslid voor de Haagse Stadspartij heeft over deze kwestie vragen gesteld. Inmiddels heeft het College van B&W daarop gereageerd. Het weet te melden dat de boer die het land van de gemeente pacht, de sloot heeft gedempt zonder vergunning en zonder de verpachter op de hoogte te stellen. Er zal nu een inspectie van het weiland en de resterende sloot plaatsvinden door de pachter, een medewerker van het Hoogheemraadschap Delfland en ‘iemand van de gemeente’. Vervolgens zal alsnog een formele vergunning voor het dempen en eventueel compenseren van de sloot worden aangevraagd. De pachter zal onvoorwaardelijk zijn medewerking verlenen aan eventueel noodzakelijke verdere compensatie.
Wijsmuller vindt de reactie verre van bevredigend: “Het college heeft bijvoorbeeld niet geantwoord op mijn vraag welke sancties zullen worden getroffen tegen deze overtreding van o.a. de Flora- en faunawet. Ik ga deze kwestie dus wederom aan de orde stellen. En ditmaal neem ik er geen genoegen mee als een antwoord maanden op zich laat wachten.”
Ook Niek van der Worff, de bioloog van het Groen Platform (voorheen Groen Platform Mariahoeve), laat het hier niet bij zitten. Hij heeft de zaak inmiddels voor juridisch advies voorgelegd.

Van der Worff is een van de gasten op de talkshow ‘Groene ramp aan zee’ die de Haagse Stadspartij op 25 januari organiseert in restaurant De Hagedis, Waldeck Pyrmontkade 116 in Den Haag. HSP-beleidsmedewerker Peter Bos presenteert de talkshow, waaraan verder wordt meegewerkt door bioloog Lex Kreffer van de Rijksuniversiteit Leiden. De overige gasten zijn nog niet bekend. Kijk voor het laatste nieuws op www.haagsestadspartij.nl.

meer artikelen over waterbeheer

 

 

 

 

Fietsen met obstakels

Barrières voor de fietser, ze zijn er in tal van soorten en maten. Of het nu waterwegen, spoorwegen, of autowegen zijn, het resultaat is altijd omwegen. Denk maar eens aan de sporen die van en naar Den Haag Centraal lopen, en waar een erkend griezelig tunneltje onderdoor gaat. Denk ook aan de Utrechtse Baan, de Vliet, de vrije trambanen… Vaak zijn de mogelijkheden om dergelijke verbindingen te kruisen beperkt, en moet de fietser zich er doorheen persen samen met al het overige verkeer. Dat kan anders.

De Fietsersbond Zuid-Holland heeft de knelpunten in haar werkgebied in kaart gebracht en er een fraaie, zestig pagina’s tellende brochure van gemaakt. ‘Fietsen met obstakels, barrières in Zuid-Holland’ bevat een beschouwend deel over het verschijnsel en zeven case-studies, alvorens met een aantal aanbevelingen te besluiten. Zo bepleit de Fietsersbond een fietseffectrapportage, oftewel het in de planvorming opnemen van een onderzoek naar de effecten van infrastructurele ingrepen op fietsers.
De brochure is gratis af te halen op het Haags Milieucentrum.

meer artikelen over mobiliteit

 

 

 

Biologische bloemen aan de Brouwersgracht

Als galeries al bloemen verkopen, zijn die bloemen geschilderd, gebeeldhouwd of anderszins gestileerd. Als bloemenwinkels al kunst verkopen, gaat het om kunstbloemen. Aggiez, aan de Brouwersgracht 10, combineert deze zaken: én bloemen, én kunst.

Nou is dat op zich geen reden om in een blad als Branding aandacht aan deze winkel te besteden. Maar eigenares Agnes Eising probeert zoveel mogelijk biologische bloemen in haar assortiment op te nemen. “De reguliere snijbloementeelt is heel vervuilend, er worden veel chemicaliën gebruikt. Ik wil mensen laten zien dat het ook anders kan”, aldus Eising. “Biologische bloemen staan in veel gevallen net zo lang als reguliere.”
Biologische bloementelers maken geen gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen. De bloemen krijgen alleen plantaardige en dierlijke meststoffen, zoals klaver en koemest. Tegen eventuele gewasziekten of plagen worden natuurlijke bestrijders ingezet. In Nederland staat nu ongeveer dertig hectare biologische snijbloemen. Eising betrekt haar bloemen bij Utopia in Kwintsheul en gaat ze daar persoonlijk uitzoeken. “We lopen dan samen over het land en ook komt de tuinder in de winkel. Toen er op de Brouwersgracht een braderie was, was hij hier aanwezig om mensen voor te lichten over de biologische teelt. Zoiets zouden we wat mij betreft vaker kunnen doen.”

Helaas is het onmogelijk om de winkel alleen maar met biologische bloemen te vullen. “Het aanbod is erg afhankelijk van het seizoen”, aldus Eising, “en de weersomstandigheden maken ook een groot verschil. Op dit moment heb ik bijvoorbeeld geen biologische bloemen meer staan. Ik had biologische kerstbomen willen bestellen, maar daarmee was ik jammer genoeg te laat. Er is een bedrijf in België dat biologische kerstbomen levert, maar die had ik al een paar maanden geleden moeten bestellen.”

Biologisch bolwerk
Aggiez opende eind mei haar deuren aan de geheel heringerichte Brouwersgracht - naast een winkel die aan recycling van boeken doet en pal tegenover de biologische winkel De Goede Zaak. Hoewel de winkels organisatorisch niets met elkaar te maken hebben, besloot Eising haar winkel te openen op de dag dat De Goede Zaak haar zevenjarig bestaan vierde. “We hebben toen samen de mensen van De Theetuin ingeschakeld. Die kwamen langs met hun bakfiets en hebben een terras ingericht waar ze biologische dranken schonken en biologische hapjes serveerden.”
In een tijdsgewricht dat je voor biologische bloemen ook al bij Shell-stations terecht kunt – hoe zouden die ruiken, vraagt Branding zich af – is het verkwikkend te merken dat Agnes Eising uit overtuiging hierin handelt. Behalve biologische bloemen verkoopt ze ook ecobulbs (ecologische bloembollen) en biologische potgrond. Ook bij de inrichting van haar zaak is ze zo milieuvriendelijk mogelijk te werk gegaan. “Verschillende kastjes zijn gemaakt van gerecycled materiaal, zoals oude vloerdelen. Verder hebben we hout gebruikt van pallets waarmee de stenen voor de herbestrating van de Brouwersgracht aangevoerd werden. Daarmee hebben we bijvoorbeeld een bekisting gemaakt om de motor van de koelcel. Die koelcel is een erfenis van de vorige gebruiker van de ruimte. “Voor bloemen is een temperatuur van maximaal acht graden optimaal”, weet Eising, “dus ik ben wel blij met die koelcel. Maar als het niet nodig is, zoals met de huidige temperaturen, schakel ik hem uit.”

Accessoires en kunstvoorwerpen

Enthousiast wijst Eising op de accessoires van hergebruikt materiaal in haar collectie. Uit een kast haalt ze een lantaarn die in Marokko is vervaardigd uit oude blikken. Eronder staat een pot opgebouwd uit lagen van gevouwen, samengeperste tijdschriften. Knap gemaakt, maar meer vakmanschap dan kunst. ‘Echte’ kunst is er in de winkel echter ook volop te vinden: vazen in allerlei varianten, beschilderde tassen, foto’s en ga zo maar door. “De meeste voorwerpen worden gemaakt door mensen uit de buurt”, legt Eising uit. “Er wonen hier veel kunstenaars. Ik streef ernaar om ongeveer elke zes weken van collectie te wisselen.”
Kunst en bloemen: een praktische combinatie. Aggiez maakt het mogelijk om biologische bloemen in een unieke, artistiek vormgegeven vaas mee naar huis te nemen.

Bob Molenaar

meer artikelen over gezondheid & milieu en milieuvriendelijke bedrijven

 

 

 

 

 

BONTEBALDECEMBER

December is een sombere maand, vooral voor een alleenstaande als ik. Het wordt vroeger donker, het weer is guur en om me heen worden allerlei feestjes gevierd: verjaardagen, sinterklaas, sint Jezus (Kerstmis). Ik heb de rare gewoonte om als ik me somber voel, sombere dingen te gaan lezen of beluisteren. Dat verdiept het gevoel en ik wentel me erin. Zo draai ik de Mattheus Passion vaker in december dan in de week voor Pasen. En in deze tijd van het jaar lees ik ook steevast enkele malen het beroemde verhaal over de kalkoen die zich had verstopt onder een blauwspar om zo aan de kerstslachting te ontkomen. Het verhaal is algemeen bekend, ik hoef het hier niet te herhalen. Toch bemerk ik enige vooruitgang bij mezelf: ik hoef niet meer te huilen als ik het verhaaltje lees.

Nu ik het toch over kerst heb en de bekende verhalen: het is ook algemeen bekend hoe ganzenboeren er voor zorgen dat hun vogels een lekkere vette lever krijgen, de exquise foie gras. Je neemt een emmer graan en een trechter en... enfin, je kent het. Dierenmishandeling van de bovenste plank, je verbaast je erover dat het is toegestaan, dat mensen het überhaupt willen vreten. Stichting Wakker Dier heeft
theatergigant Joop van den Ende op de vingers getikt, omdat de foie gras in het restaurant van het Circustheater gewoon op de kaart staat. Joop heeft nu beterschap beloofd: direct ná de kerst zal het spul van het menu verdwijnen. Ná de kerst: het blijft gewoon een zakenman.

December is ook de maand van het vooruit blikken en terugkijken. Dat is dubbelop: vooruit blikken ìs terugkijken. Een tijd geleden schreef ik in deze hoek over een nieuwe ziekte bij kastanjes, een parasiet: de paardekastanjemineermot. Ook dit jaar heeft het beestje weer toegeslagen, waardoor al vroeg in het jaar de kastanjes herfstkleuren begonnen te vertonen. Dodelijk is het niet, maar er is een nieuwe kastanjeziekte bijgekomen. Een ernstige. Is de mineermot alleen maar vervelend, deze nieuwe ziekte is fataal. Er wordt koortsachtig gezocht naar een medicijn, maar op het moment dat ik dit schrijf is dat nog niet gevonden.
De nog onbekende kastanjeziekte manifesteert zich zowel bij jonge als bij oude kastanjes. Verspreid op de stam verschijnen kleine roestbruine vlekken die zich snel uitbreiden over de rest van de stam en gesteltakken. Uit de vlekken druipt puntsgewijs een donkerrode, stroperige vloeistof. In de nazomer drogen de vlekken in tot ruwe zwarte korsten. In het daarop volgende voorjaar en zelfs al in de loop van hetzelfde jaar verdroogt de bast tussen de vlekken en sterft af. Zodra de bast volledig rondom de stam afsterft, sterft ook de boom. Bij jonge bomen zal dit eerder gebeuren dan bij oudere, dikke exemplaren.
De stad kent veel monumentale kastanjes, bijvoorbeeld aan de Lange Vijverberg en de Sophiastraat. Als die alle het loodje leggen is dat een klap die we moeilijk te boven zullen komen.

De gemeente Den Haag heeft aangekondigd de komende tijd extra nieuwe bomen te planten. Twee van mijn favoriete soorten zullen daarbij in de meerderheid zijn: de Ginkgo biloba en de Robinia pseudo-acacia Twee prachtige, zeer helder groene bomen. De stad zal ervan opknappen. Maar Den Haag zonder kastanjes? Dat kan echt niet hoor.

meer Brandingcolumns van Bontebal

 

 

  abonneren op branding?
Voor een proefexemplaar .....klik hier
{txt2}

Agenda

Zin in een dagje uit?

Hier ziet u wat er de komende weken in Den Haag en omstreken op natuur- en milieugebied te doen is

  Branding

 

Neem een gratis abonnement op Branding, hét Haagse tijdschrift voor natuur en milieu, of klik hier voor de elektronische versie.