branding  

Nummer 8 februari/maart 2003

 

Van de Redactie
Het eerste nummer van de Branding in 2003 ligt weer voor u. ...meer

Vijf keer zoveel gemeentesubsidie voor Haags Milieucentrum
Vrijdagnacht 8 november 2002 om 01.15 uur ...meer

Autovrij en evenementenvrij?
Het kan raar lopen ...meer

Voor wie is Randstadrail?
Nu de besluitvorming over Randstadrail steeds definitiever ...meer

Veerkadebewoners zijn ziek van het verkeer
Personenauto's, bussen en vrachtauto's wurmen zich
door de Haagse binnenstad
...meer

Rood voor Groen als successtrategie
In Branding Nr. 5 is een pleidooi gehouden voor een grondige sanering van de glastuinbouw ...meer

Het verhaal achter een fietsenstalling en speelplaats
In de Acaciastraat hebben de bewoners grote behoefte aan een veilige en fijne speelplek ...meer

Vlietland biedt dicht bij de stad recreatie voor jong en oud
Activiteiten en ontspanning. Genieten van de natuur, van rust en ruimte vlak bij de stad...meer

BONTEBAL CULTUUR EN NATUUR ...meer

 

Van de Redactie

Het eerste nummer van de Branding in 2003 ligt weer voor u. Er zal door de toekenning van extra subsidie ook veel aan de Branding gaan veranderen. Ten eerste komt er een nieuwe hoofdredacteur die er ook voor moet zorgen dat via wervingsacties nog meer mensen de Branding gaan lezen. Heeft u goede ideeën, schroom niet en stuur ze in.

Ook zullen meer mensen in de Branding gaan schrijven wat de diversiteit en de pluriformiteit van Branding zeker ten goede zal komen. En het zal de discussie in Den Haag over duurzaamheid ten goede komen, juist door verschillen in accent en insteek en soms diametraal tegenover elkaar staande standpunten. Iedereen schrijft in Branding op persoonlijke titel, ook de medewerkers van het Haags Milieucentrum. Branding verkondigt ook niet de mening en visie van dé natuur- en milieuorganisaties in Den Haag. Iedere organisatie geeft de eigen visie en standpunten.

De nieuwe medewerkers voor Ruimtelijke Ordening, Stedelijke Ontwikkeling en Duurzaam Bouwen en voor Mobiliteit zullen ook hun bijdragen gaan leveren. Bovendien gaat het Haags Milieucentrum samen met BOOG projecten rond Wijk en Milieu vorm geven. Voortaan zal in elke Branding een stuk komen over initiatieven in verschillende wijken van bewoners of andere belanghebbenden die vanuit duurzaamheid van belang zijn. Initiatieven waar ook anderen hun voordeel mee kunnen doen.

We zijn van plan voortaan in elke Branding een artikel te plaatsen over beleid, maatregelen en projecten in andere steden rond duurzaamheid, waar Den Haag wellicht zijn voordeel mee kan doen. Dit zal de positieve insteek van Branding verder versterken en wethouder Smits zal dat zeker waarderen gezien de inhoud van zijn ingezonden brief. Het mooiste zou natuurlijk zijn als wij de middelen en de menskracht hadden om maandelijks de Branding uit te brengen om zo directer te kunnen reageren op ontwikkelingen in onze stad.

meer artikelen over het Haags Milieucentrum

 

Vijf keer zoveel gemeentesubsidie
voor Haags Milieucentrum

Vrijdagnacht 8 november 2002 om 01.15 uur, heeft de Haagse gemeenteraad besloten het Haags Milieucentrum in totaal 200.000 euro extra subsidie toe te kennen waarvan 50.000 euro basissubsidie. Dat deed de gemeenteraad met 23 stemmen voor en 21 stemmen tegen. Als die impuls er niet was gekomen had het Centrum haar activiteiten waarschijnlijk moeten staken. Zo ver heeft het gelukkig niet hoeven komen. Belangrijk is ook dat het meeste geld van andere portefeuilles is overgeheveld naar duurzaamheid. Daardoor kan de wethouder Duurzaamheid voortaan over 0,61% van het gemeentebudget beschikken in plaats van over het huidige percentage van 0,6%. Door deze toekenning wordt het huidige onderkomen te klein en moet het Centrum verhuizen naar een ruimer pand.

Het is jammer dat het CDA en de VVD nog niet overtuigd kunnen zijn van de noodzaak om juist nu, naast de extra impuls van 256 miljoen euro in de stad, een impuls aan de duurzaamheid te geven in de vorm van extra subsidie aan één van de twee particuliere organisaties die zich met de duurzaamheid van onze stad bezighouden. Maar wat niet is kan nog komen. Het Haags Milieucentrum zal er in ieder geval, door een onafhankelijke opstelling, door het werken aan een levendig duurzaamheiddebat in de stad en door concrete resultaten te boeken, alles aan doen om ook alle politieke partijen in de nabije toekomst te overtuigen van het belang van een goede financiële basis voor een goed functionerend stedelijk milieucentrum.

De extra incidentele subsidie van 150.000 euro is voor een belangrijk deel toegekend op het thema Wijk en Milieu en op Mobiliteit en Duurzaam Bouwen. Het Centrum heeft vrijwel direct na de toekenning werkgroepen geformeerd met leden uit aangesloten organisaties en andere bij duurzaamheid betrokken Hagenaars om goede en aansprekende projecten te formuleren en uit te werken op deze terreinen. Met die projecten kan natuurlijk pas begonnen worden als het Centrum goed met de aangesloten organisaties overlegd heeft, goede mensen heeft weten aan te trekken en goede afspraken heeft kunnen maken met de Stichting BOOG die dit jaar samen met het Centrum de wijk- en milieuprojecten vorm gaat geven. De voorbereidingen verlopen goed en dus zal het Centrum, met een strak tijdschema, de meeste projecten rond half maart bij de Gemeente kunnen indienen.

Een deel van de basissubsidie zal gebruikt worden voor de ondersteuning en versterking van de 18 natuur- en milieuorganisaties die met hun belangrijke vrijwilligerswerk bezig zijn het draagvlak voor een duurzame ontwikkeling van Den Haag te versterken en ook concrete resultaten te boeken. Deze organisaties ontvangen vrijwel geen financiële ondersteuning. Dit in tegenstelling tot tal van particuliere en vrijwilligersorganisaties op het gebied van bijvoorbeeld bewoners- en wijkbelangen, integratie en allochtonenbelangen en kunst en cultuur. Door de toekenning van wat extra subsidie aan het Haags Milieucentrum is deze wel erg scheve situatie een klein beetje rechtgetrokken. Het begin is er.

In de volgende Branding zullen de nieuwe medewerkers zich voorstellen en zal er een overzicht gegeven worden van de initiatieven en projecten die met de extra subsidie betaald zullen worden. Nu zijn we bezig met de voorbereidingen van de Groene Speurkaart, de Haagse Milieuprijs, de CityDuinparkloop en -wandeling, de Zonnedag, en het maandelijkse milieucafé De Derde Dinsdag in Dudok. Ook daaraan zal in het volgende nummer van Branding aandacht besteed worden.

De gemeenteraad wil direct na de zomervakantie evalueren wat het Haags Milieucentrum met de extra subsidie heeft gedaan. Dat is te begrijpen want het gaat natuurlijk om de vraag of het Centrum het verdient om ook in 2004 en volgende jaren voor projectsubsidies in aanmerking te komen. Maar het is wel erg snel. Juist als het om de meestal toch complexe milieuvraagstukken gaat is een integrale benadering nodig om resultaten daarop te bereiken. Dan is een goede en doordachte voorbereiding de sleutel tot welslagen. Het Centrum wil niets liever dan afgerekend te worden op resultaten op het moment dat die er kunnen zijn.

De subsidieverlening door de gemeente wordt door de aangesloten organisaties en anderen bij duurzaamheid betrokkenen ervaren als een uitdrukking van waardering voor hun werk en het heeft iedereen een impuls gegeven om in 2003 extra hard maar wel duurzaam aan de weg te timmeren.

 

Haags Milieucentrum
Groot Hertoginnelaan 203
2517 ES Den Haag

meer artikelen over het Haags Milieucentrum

 

 

Autovrij en evenementenvrij?

Het kan raar lopen. De officiële Autovrije Dag in Den Haag op 22 september j.l. werd een per auto bereikbaar feestje in de binnenstad met attracties en evenementen. Drie weken later op de dag van de bijzetting van Prins Claus konden Hagenaars onverwacht de rust en ruimte ervaren van een echte autovrije dag. "En daar gaat het om op de Europese autovrije dag", stelt Marc Beek van de Fietsersbond, afdeling Den Haag. De Fietsersbond ziet Wipneus en Pim dan ook liever niet deze dag opluisteren.

Het begin van een nieuw jaar is een mooie gelegenheid om nog even achteruit en daarna vooruit te kijken op de 'autovrije' inspanningen van de gemeente Den Haag. De Haagse Autovrije Dag 2002 werd onder het motto 'Binnenstad Buitengewoon Bereikbaar' gecoördineerd door Bureau Binnenstad, dat de bezoekers een kijkje in de tramtunnel gunde en voor vermaak zorgde met theater en muziek. De Haagse Fietsersbond was één van de deelnemende partijen. Hun activiteiten trokken veel publiek, vooral het ligfietsenparcours en de workshop fietsendiefstal. Ook werden de winnaars van hun prijsvraag 'Andâhs jatte ze me fiets!!' bekend gemaakt. Voorzitter Marc Beek: "Daar hebben we vijf inzendingen voor gehad, allen hebben een prijs gekregen. Erg leuk vond ik het idee om een geknoopte zakdoek om het achterwiel te winden, onder het spatbord. Daardoor denkt de dief dat de fiets kapot is en laat hem staan."

Meedenken
Dus een geslaagde Autovrije Dag voor de Fietsersbond?
Beek: "Nee. We zijn op het laatste moment ingeschakeld als een soort evenementenbureau, wat wij natuurlijk niet zijn als belangenorganisatie. Wij denken dat het beter is om vroegtijdig alle groeperingen die met dit onderwerp te maken hebben, erbij te betrekken om mee te denken. Ook het Haags Milieucentrum. Dan kom je op veel creatievere ideeën en kost het lang niet zoveel geld als nu. Want als je er vroeg mee komt, willen de meeste wel belangeloos meewerken. En wat betreft de invulling: een dag als deze draagt niet bij aan het ervaren van rust en ruimte, waarvoor de Europese Autovrije Dag bedoeld is. Je kunt gewoon niet beide hebben: evenementen én rust en ruimte. Wat ons betreft dus geen Wipneus en Pim op de Autovrije Dag, hoe leuk die ook zijn. Op de dag van de uitvaart van Prins Claus was er ineens wèl rust en ruimte. We hoorden van veel mensen dat ze dat erg prettig vonden."

Winkeliers
Hoe ziet de Fietsersbond de Autovrije Dag 2003 het liefst?
Beek: "Meer autovrij en minder evenementen. En veel meer aanhaken bij de Europese campagne. Dat scheelt bovendien in de kosten, want je kunt gebruikmaken van dezelfde boodschap; dat er goede alternatieven zijn voor de auto. En meer samenwerken. Ik ben er optimistisch over, want de winkeliers in de binnenstad hebben nu ook ervaren dat een autovrije zone voordelen heeft. Ik hoop dat ze dit jaar meewerken aan een echte autovrije dag."

Structureler
Dat er op de Autovrije Dag iets georganiseerd werd in Den Haag, kwam door een motie van een aantal partijen in de gemeenteraad, waaronder GroenLinks. GroenLinks is ook niet tevreden over de Autovrije Dag in 2002. "Nee, absoluut niet, wij wilden veel verder gaan", aldus raadslid Niek Roozenburg. "Het was meer een inhaalcampagne voor het openbaar vervoer. Naar onze mening zou deze campagne er permanent moeten zijn. Wat betreft de Autovrije Dag voor dit jaar: de hele stad op deze dag dichtgooien voor auto's is niet haalbaar en daar bereik je je doel, bewustwording en gedragsverandering, niet mee. Wat ons betreft moet het structureler. Bijvoorbeeld regelmatig een autovrije dag in een bepaald gebied, dat kan ook voorafgaand of volgend op de Autovrije Dag in 2003. Dan gaan mensen vanzelf van alternatieven voor de auto gebruikmaken. Die gedragsaanpassingen kun je meten. Op die manier maak je er een leerproces van. Daar is nu nog geen meerderheid voor in de raad, maar we zijn hierover in gesprek met een aantal andere partijen. Verder willen we absoluut af van de evenementen op de Autovrije Dag. Het geeft geen natuurlijk beeld, want iedereen komt erop af en je kunt niets meten. Autovrije dagen zouden niet bijzonder moeten zijn; mensen moeten hun normale gang gaan, maar dan zonder de auto.

Lieneke Venhuis

meer artikelen over mobiliteit

 

Voor wie is Randstadrail?

Nu de besluitvorming over Randstadrail steeds definitiever lijkt te worden en ook in technisch opzicht de plannen steeds vastere vormen krijgen, is het zinvol om dit mega-project nog eens goed te bekijken. Tijdens en na de realisatie zal het namelijk diep in-grijpen in het leven in de stad. De vraag is wie er voordeel hebben van de honderden miljoenen die er aan uitgegeven worden.

Voor zover nog is na te gaan werd de eerste aanzet tot dit project meer dan 15 jaar geleden gegeven. Toen was de NS, die zich vooral richt op sneltreinen, intercity's en hoge snelheidstreinen, ontevreden over de exploitatieresultaten van de Hofpleinlijn en de Zoetermeerlijn. Om kosten te besparen werden de frequenties verlaagd. Toen dat tot overbezetting van de treinen leidde, werden uit sommige rijtuigen zitplaatsen uitge-broken zodat meer passagiers staande vervoerd konden worden. Dat deze 'pakwagens' niet echt vervoerswervend waren spreekt vanzelf. Er werd bezuinigd op perso-neel, zowel in de treinen als op de stations. Conducteurs en perronopzichters verdwe-nen, loketten werden gesloten en in veel stations was gedurende het grootste deel van de dag - en vooral de avond - helemaal geen personeel meer aanwezig. Van veel kanten werd gewaarschuwd dat daardoor de veiligheid in stations en treinen in ge-vaar zou komen, maar de geprivatiseerde NS wilde boven alles de exploitatiekosten verlagen.

In dat stadium ontstond bij de Rijksoverheid het besef dat het niet goed ging met het verkeer. NS verwaarloosde het voorstadsverkeer en met het streekvervoer ging het ook niet best. Het autoverkeer nam sterk toe en dat leidde tot files op de snelwegen en verstopte binnensteden. Daarom stelde het Rijk geld beschikbaar voor projecten ter verbetering van het openbare vervoer in de agglomeratiegebieden van de Randstad.

De HTM had toen belangstelling voor het overnemen van de Zoetermeerlijn en wilde die integreren in het HTM-net. De gemeente Rotterdam wilde de Hofpleinlijn wel in haar metrosysteem opnemen. Dit alles werd samengevoegd tot het Randstadrail-project: de NS wilde de exploitatie van de onrendabele lijnen kwijt, HTM en Metro Rot-terdam wilden die lijnen wel overnemen en het Rijk was bereid de kosten op zich te nemen. Dat leverde een enorm, en wat verdiensten betreft voor veel partijen zeer in-teressant, bouwproject op. De betrokkenen waren allen in hun nopjes met deze oplossing. Politici en bestuurders zagen bedrijvigheid en werkgelegenheid toenemen, NS was van zijn verwaarloosde kind af, HTM en Metro kregen een grote uitbreiding van hun lijnennet. Over de passagiers sprak niemand en zo lang de plannen niet uitgewerkt waren, kwamen er weinig klachten binnen van bewoners die te maken kregen met de gevolgen van het plan.

Randstadrail wordt vaak gepresenteerd als 'light rail' zonder dat verklaard wordt wat daarmee bedoeld wordt. Die term suggereert iets nieuws en moderns en wordt in het buitenland wel gebruikt als moderne motorwagens ingezet worden op een voorname-lijk voor goederenvervoer met stoomlocomotieven bedreven zijlijntje. Hier gaat het evenwel om het tot tramlijnen ombouwen van hoofdspoorlijnen waar kwalitatief goed materieel op rijdt. Dat is geen vernieuwing en promotie maar degradatie.

Reistijd
Volgens de gemeente is Randstadrail sneller dan de Sprinter nu is, maar de Sprinter haalt 135 km/uur en Randstadrail niet meer dan 70. Met hoge aanzetversnellingen is geen noemenswaardige verkorting van de rijtijd te bereiken; die veroorzaken alleen maar ongemak voor de passagiers. Over hoge remvertragingen zullen we het hele-maal maar niet hebben. Het is dus niet in te zien dat Randstadrail kortere rijtijden kan geven dan het huidige materieel.

Minder overstappen
Als voordeel van Randstadrail wordt verder vooral genoemd dat passagiers zonder overstappen kunnen doorrijden naar het stadscentrum. Er is echter nooit een studie gepubliceerd of zelfs een schatting gepresenteerd waaruit blijkt dat een groot deel van de passagiers, die thans met de Zoetermeerlijn in Den Haag CS aankomen, overstapt op trams naar het stadscentrum. Het in dienst stellen van Randstadrail in 2006 zal echter wel alle passagiers die met lijn 6 (de drukste lijn van HTM) uit de richting
Leidschendam komen en nu in CS kunnen blijven zitten, noodzaken om over te stappen. Dat geldt ook voor degenen die met Randstadrail uit het centrum van Den Haag aankomen in CS en verder willen in de richting Bezuidenhout-Mariahoeve-Leidschendam. De invoering van Randstadrail zal dus eerder tot meer dan tot minder overstappen leiden. En juist aan dat overstappen blijken reizigers het meeste een hekel te hebben.

Over het leggen van een directe verbinding tussen station Rotterdam CS en Scheveningen hoeven we het eigenlijk niet te hebben. Om Randstadrail naar een halte in de Rijnstraat te brengen is het noodzakelijk een buitensporig dure fly-over over alle sporen van Den Haag CS aan te leggen. Zoals het er nu uitziet is hiervoor geen geld. Als dat toch gebeurt, zal Rotterdams metromaterieel met hoge vloer dat op de Hofpleinlijn komt te rijden, moeten stoppen aan een zeer lange halte in de Rijnstraat. Die halte ligt daar dan knap in de weg, zoals alle andere haltes tot het eindpunt in Scheveningen. Stuk voor stuk haltes met een deel hoog perron voor Randstadrail en een deel laag perron voor de HTM trams.

Over het aantal reizigers dat thans vanuit de Hofpleinlijn overstapt op een tram naar Scheveningen zijn geen gegevens bekend gemaakt. De indruk is dat het er niet veel zijn, behalve misschien in de paar zomerweekeinden met mooi strandweer. Maar wie legt daarvoor een metrolijn aan? Trouwens, wie van Rotterdam CS - het andere eind-punt van Randstadrail - naar Scheveningen wil, neemt toch gewoon de non-stop intercity naar Den Haag HS met overstap op lijn 1 of op lijn 11 voor de haven? Ook hier biedt Randstadrail meer nadelen dan voordelen, want de nu van CS naar Schevenin-gen rijdende trams zullen stellig verdwijnen, zodat de reizigers die daar nu in zitten zullen moeten overstappen.

Comfort
Er wordt gesproken over meer zitplaatsen en ruimere opzet van de Randstadrailvoer-tuigen. Dat kan alleen met grotere voertuigen met meer staanplaatsen. Hetzelfde kan ook bereikt worden door het koppelen van bestaande voertuigen. Behalve over haltes in de nieuwe wijken, die er voorlopig niet komen, wordt verder gesproken over "optimalisatie van de ligging" van bestaande haltes. Het is duidelijk dat daarmee niet ver-betering voor de reizigers maar voor het vervoerbedrijf wordt bedoeld. Het betekent met name opheffing van haltes die te dicht bij elkaar liggen, dus mensen moeten dan verder lopen en langer wachten. Randstadrail kan voor die reizigers alleen maar een achteruitgang betekenen. Waarom zou iemand die nu per auto naar zijn werk gaat in 2006 op Randstadrail overstappen? Eerder het omgekeerde. Kortom: voor de passagiers wordt Randstadrail niet aangelegd.

Ook de bewoners van de binnenstad hebben geen reden om blij te zijn met
Randstadrail. De vrijliggende banen van Randstadrail onttrekken onevenredig veel ruimte aan het overige verkeer en maken drukke winkelstraten slecht oversteekbaar. De veel langere en bredere trams en de hogere, langere en bredere haltes vermin-deren de ruimte in de toch al drukke straten van Den Haag nog verder. Ze leiden tot gevaar, hinder, tijdverlies en extra verkeersopstoppingen. Verder streeft de HTM naar het afsluiten van kruisende straten, wat leidt tot tegen de rijrichting in fietsen en gevaarlijke U-bochten op de overblijvende kruisingen. De absolute voorrang op kruispun-ten die de HTM opeist voor de monsterlijk lange trams (meer dan twee maal zo lang als de huidige) betekent voor het overige verkeer langere wachttijden en nog meer opstoppingen.

Vooruitzichten voor het verkeer
Bij de naoorlogse opbouw van het stadscentrum heeft Den Haag welbewust en wel-overwogen gekozen voor de 'compacte stad' als stedenbouwkundig concept. Daarin liggen alle bestemmingen dicht bij elkaar, zodat de afstanden en de verkeersruimte minimaal zijn. Een prima beleidskeuze, maar dit heeft wel tot gevolg dat de verkeersdichtheid maximaal wordt. Daardoor is in het stadscentrum de ruimte op de begane grond te klein geworden om plaats te bieden aan voetgangers, fietsers, bestemmings-verkeer van personenauto's, goederenvervoer, hulpdiensten en openbaar vervoer.

De steeds grotere gebouwen in het centrum maken de verkeersproblemen steeds nijpender. Er woedt een permanente oorlog tussen auto´s, openbaar vervoer, fietsers en voetgangers om een zo groot mogelijk deel van de schaarse ruimte. Bijna altijd wint de economisch sterkste: de auto, die juist het meest verkwistend met de ruimte omgaat. Dit leidt tot schade van de leefbaarheid, het milieu en ook van de lokale ec-nomie. Een auto, waar in de spits meestal maar één persoon in zit, vraagt meer ruimte dan tien fietsers. Weinigen zullen ontkennen dat de auto verreweg het meest univer-seel bruikbare, het meest comfortabele en bovenal het meest geliefde vervoermiddel is, waar de bezitters zich bovendien emotioneel vaak stevig mee verbonden voelen. Dit mag echter geen reden zijn om het gebruik daarvan niet in te dammen, gezien de niet geringe problemen als gevolg van de toenemende automobiliteit.

Wurgende ontwikkeling
Zolang de groei van het autoverkeer door politieke partijen als dogma wordt aanvaard, is er geen oplossing voor de verstopte ziekmakende (binnen)steden. Als ontwik-kelingen alleen aan het krachtenspel van de vrije markt en de economie worden overgelaten, zal het autoverkeer iedere stad wurgen. Over de hele wereld ziet men dat ook gebeuren. Het huidige verkeersplan van Den Haag staat vol met autobevorderende projecten en zal, als het tij niet gekeerd wordt, onherroepelijk leiden tot een totaal verstopte stad. Dat kan alleen voorkomen worden door een drastische beleidswijziging waarbij de verkeersruimte tussen de verkeerssoorten verdeeld wordt op basis van het ruimtegebruik per persoon.

De basis daarvoor moet een systematisch en diepgaand onderzoek naar problemen en mogelijke oplossingen zijn. Een paar grote lijnen van wat daar vrijwel onontkoombaar uit zal komen, kunnen nu al aangegeven worden. Een deel van de oplossing zal het scheppen van nieuwe verkeersruimte in het stadscentrum moeten zijn. Op begane grondniveau zou die ruimte alleen te maken zijn door grootschalige afbraak en dat kan in Den Haag nauwelijks overwogen worden. Blijft over het maken van een tweede verkeersniveau in het centrum en dat ofwel te gebruiken voor het autoverkeer, ofwel voor het openbaar vervoer.

De meest logische manier om dat tweede niveau te realiseren, is de manier waarop dat al sinds meer dan een eeuw in grote steden over de hele wereld gebeurt: door openbaar railvervoer, ondergronds in het centrum, op viaducten in de buitenwijken en buiten de bebouwing terugkomend op de begane grond. Het openbare railvervoer heeft meer recht op het voorrecht van de kruisingsvrije baan dan het particuliere verkeer omdat het er veel meer personen per uur over kan vervoeren. Bovendien is een railtunnel veel goedkoper en veiliger dan een wegverkeerstunnel omdat geen giftige uitlaatgassen verwijderd behoeven te worden en omdat er geen grote hoeveelheden brandstoffen door gaan. Ook vraagt dit minder ruimte voor in- en uitritten.

Dit leidt tot een samenhangend, op het stadscentrum gericht net van railverbindingen. In bijna elke stad wordt het hart van een dergelijk net gevormd door twee elkaar in het centrum kruisende ondergrondse lijnen. De aanzet tot de eerste daarvan zou in Den Haag de tramtunnel onder de Grote Marktstraat kunnen zijn die binnenkort in gebruik wordt genomen.


Ir. Henk Ens

meer artikelen over mobiliteit

 

 

 

Veerkadebewoners zijn ziek van het verkeer

Personenauto's, bussen en vrachtauto's wurmen zich door de Haagse binnenstad, waarbij het verkeer voortdurend vast staat. Lange files dus, op de Veerkades, de Paviljoensgracht, tot voorbij de Grote Kerk en ver op de Prinsegracht. Langzaam rijdend, wachtend en optrekkend verkeer is met name op de Veerkades het dagelijkse beeld. Deze woon- en winkelstraat die eens redelijk leefbaar was, werd gepromoveerd tot verstopte verkeersader. Roetaanslag op en in de huizen zijn de zichtbare gevolgen. Maar wat zijn de niet direct zichtbare gevolgen van de uitstoot van al dit verkeer voor de gezondheid van de buurtbewoners en de mensen die daar werken?

 

Dan hebben we het bijvoorbeeld over NOx, koolmonoxide, benzeen en ozon. Van deze gassen is bekend dat ze schadelijk zijn voor de gezondheid. Onderzoeken hebben echter uitgewezen, dat ook de uitstoot van fijn stof ernstige schade aan de gezondheid toebrengt. Fijn stof is een verzamelnaam van zulke diverse stoffen als roetdeeltjes, aerosolen, rubber van afgesleten autobanden, zeezout, bodemstof stikstofverbindingen en sulfaat. Kolengestookte centrales zorgen voor veel uitstoot en dieselmotoren zijn de grootste boosdoeners. Die uitstoot van die motoren neemt flink toe bij remmen en optrekken en natuurlijk bij stilstand zoals op de Veerkades. Het, in dit geval gedwongen, rijgedrag heeft zelfs een grotere invloed op schadelijkheid van de uitstoot dan de snelheid. Pas de laatste jaren wordt men zich bewust van de ernst van deze fijn stof-problematiek. Het is een van de meest onderschatte problemen omdat het zo klein is dat het bij inademing diep doordringt in de luchtwegen. Het kan verhoogde bloedklontering tot gevolg hebben.

De nieuwste wetenschappelijke inzichten geven aan dat de veel lichtere en talrijkere deeltjes die uitgestoten worden veel meer schade aan de gezondheid toebrengen dan de grovere en zwaardere deeltjes, die grotendeels afgevangen kunnen worden met de huidige roetfilters. Deze ultrakleine deeltjes, de PM2,5, of nog kleiner met een diameter kleiner dan 2,5 micrometer (= duizendste millimeter), blijken de grote boosdoener te zijn. Ze richten dicht bij de bron veel schade aan. Wat verder van de bron minder, omdat die ultrafijne deeltjes dan samenklonteren. Ze zijn zo klein, kleiner dan de golflengte van het licht, dat ze absoluut onzichtbaar zijn.

Voertuigen zijn als gevolg van regelgeving en technologische ontwikkelingen weliswaar steeds schoner geworden, maar dieselmotoren scoren relatief nog steeds hoog als het gaat om de uitstoot van NOx en minuscule (roet)deeltjes. De wetgeving wordt de komende jaren aangescherpt. Vanaf 2005 moeten binnen de Europese Unie (E.U.) nieuwe diesels deeltjesfilters bevatten. Ook zijn er zijn in de E.U. nieuwe grenswaarden vastgesteld voor NO2 en fijn stof. Het probleem nu is dat die grenswaarden zijn vastgesteld op basis van gewicht. In 2005 mag een kubieke meter lucht niet meer dan 40 microgram fijn stof bevatten. Het voldoen aan deze norm betekent dat juist de zware grovere deeltjes tussen 10 en 2,5 micrometer afgevangen worden. Dit, terwijl dit grovere stof, dat niet het diepst in de longen doordringt, weinig met gezondheidseffecten in verband is gebracht. Nieuwe normen zouden dus afgestemd moeten worden op het aantal deeltje van 2,5 micrometer of kleiner dat een kubieke meter lucht zou mogen bevatten. De roetfilters op de HTM-bussen, zorgen ervoor dat de uitstoot van roet, koolmonoxide en koolwaterstoffen met circa 95% in gewicht wordt gereduceerd. Zij vangen dus niet de veel schadelijkere en talrijkere nog lichtere deeltjes af. Het zal niet eenvoudig zijn om langs snelwegen en in binnensteden aan normen te voldoen, gericht op stofdeeltjes van 2,5 micrometer en kleiner. En toch is dat hard nodig.

Vervroegde sterfte
Uit een onderzoek van de Universiteit van Wageningen bleek dat kinderen die in de buurt van snelwegen wonen of op school zitten, twee keer zo vaak last hebben van aandoeningen aan de luchtwegen. Onderzoeks- en Adviesbureau CE heeft in 2002 in opdracht van de Stichting Natuur en Milieu een rapport uitgebracht over de schadelijke effecten van onder andere verkeersuitstoot op de volksgezondheid. En in het internationale medisch onderzoeksblad The Lancet is in oktober een Nederlands onderzoek beschreven dat voor het eerst onomstotelijk bewijst dat luchtverontreiniging door wegverkeer samengaat met gezondheidsrisico's en verhoogde sterfte aan aandoeningen van het hart en de luchtwegen. Het gaat dan bijvoorbeeld om astma, bronchitis en aantasting van het centraal zenuwstelsel met hartritmestoornissen als gevolg. Het bleek dat bij mensen die langs een drukke weg woonden het risico van vervroegde sterfte door vaatvernauwing, hart- en longaandoeningen en herseninfarcten met factor twee verhoogd was. Naar de totale bevolking doorberekend betekent dat, dat jaarlijks maar liefst 1.700 tot 3.000 Nederlanders vroegtijdig overlijden als gevolg van het inademen van verkeersemissies. Dit zijn uitermate zorgelijke cijfers en dan gaat het alleen nog maar over de acute gevolgen. De lange termijn-effecten van chronische blootstelling aan uitlaatgassen zouden wel eens het vroegtijdig overlijden van zo'n 10.000 tot 15.000 mensen tot gevolg kunnen hebben. Veel meer dan het aantal verkeersdoden waar, terecht, wel veel aandacht voor is.

Mensen kunnen hun gezondheid bevorderen door bijvoorbeeld niet te roken en gebruik te maken van rookvrije ruimtes. Als het om fijn stof gaat hebben ze geen keus. Mensen worden simpelweg blootgesteld aan de uitlaatgassen, of ze dat nu willen of niet. Daar ligt dus een belangrijke verantwoordelijkheid van de overheid, nationaal en lokaal. Daar komt nog bij, dat wettelijk vastgestelde grenswaarden wat betreft de concentratie in de lucht van fijn stof en schadelijke gassen in Den Haag op een aantal plaatsen fors overschreden wordt.

Economie
Terug naar de Haagse binnenstad. De bewoners van de Veerkades, met een huisarts voorop, hebben tot dusver vergeefs aan de bel getrokken bij de gemeentepolitiek. Zij vinden dat zij niet de dupe mogen worden van de economische groei van de binnenstad en willen maatregelen tegen de luchtvervuiling. Er is al acht jaar sprake van een ringweg die er moet komen, maar daar zit nog steeds geen schot in. Ze zijn het zat. Dat is begrijpelijk, want toekomstige ringwegen en RandstadRail bieden nu geen soelaas. En wat betreft de E.U.-maatregelen voor het afvangen van het grove fijn stof, die zijn er pas in 2005. De huidige roetfilters zijn weinig effectief als het om de gezondheid gaat, wel als het gaat om de roetaanslag. Bovendien zijn HTM-bussen maar een deel van de talloze zware voertuigen, vaak zonder roetfilters, die de Veerkades dagelijks te verwerken krijgt.

Het CE-rapport geeft meer mogelijke maatregelen aan, waaronder toegang tot binnensteden alleen voor voertuigen die aan bepaalde milieueisen voldoen, het weghouden van auto's uit de stad met gericht parkeerbeleid, het stimuleren van fietsgebruik en een goede, gelijkmatige doorstroming van verkeer. Juist dit laatste is op de Veerkades van groot belang. De kruising van de Amsterdamse Veerkade met het Spui is de bottleneck. Het verkeer zet zichzelf daar vast. Op een gegeven moment kan niemand er meer door, ook al staat het stoplicht op groen.

Een autotunnel onder het Spui is hier geen goede oplossing. Autotunnels hebben grote nadelen wat betreft kosten, capaciteit, ruimtegebruik, afslagmogelijkheden, veiligheid en ventilatie. Daar moeten we niet aan willen beginnen. Het volume van het verkeer dat in de binnenstad moet zijn is al behoorlijk groot, maar al het doorgaande verkeer dat momenteel van de binnenstad gebruik maakt, is vragen om moeilijkheden. De enige oplossing is het doorgaande verkeer uit de binnenstad te weren door het te dwingen van de wegen om het centrum heen gebruik te maken. Groningen is hier een lichtend voorbeeld. Een tramtunnel onder het Spui een enorme verbetering betekenen. Het mooiste zou zijn die al bij Hollandse Spoor te laten beginnen en deze pas bij het Vredespaleis boven de grond te laten komen. Er is namelijk helemaal niets tegen tramtunnels om de verkeersdruk te verminderen en het openbaar vervoer te verbeteren, als ze maar goed aangelegd worden. Waar wel wat op tegen is, is die parkeergarage midden in ons centrum. Elke maatregel die het autoverkeer in het centrum bevordert, is slecht voor de leefbaarheid en de gezondheid, het prettig kunnen winkelen en slecht voor het milieu.

Auto als melkkoe?
En dan hebben we het nog niet gehad over de kosten van de schade aan de gezondheid. Volgens berekeningen zouden die kosten maar liefst 1,7% van het Bruto Nationaal Product bedragen. De economische schade is dus aanzienlijk. Tel daarbij op de schade ten gevolge van zaken als, klimaatveranderingen, geluidhinder, stank, vermesting, verzuring, vervuiling bodem en grondwater, verkeersongevallen, kosten van politie en handhaving, tijdsverlies, infrastructuur enz.. Dan blijken verhalen over 'de auto als melkkoe' fabeltjes, inclusief het kwartje van Lubbers en Kok. In de komende Branding zal op de werkelijke kosten van de automobiliteit uitgebreid worden ingegaan.

Duidelijk is in ieder geval dat op veel plaatsen in de stad mensen forse gezondheidsrisico's lopen ten gevolge van uitlaatgassen en de uitstoot van fijn stof. Met name op de Veerkades zijn de problemen wat dit betreft ernstig. Duidelijk is ook dat er maatregelen genomen kunnen worden. Daar dringen de bewoners en bedrijven aan de Veerkades dan ook terecht op aan. Hun toenemende ongeduld en frustraties zijn heel goed te begrijpen.

Lieneke Venhuis
Frans van der Steen

meer over gezondheid en milieu

 

 

Rood voor Groen als successtrategie


In Branding Nr. 5 is een pleidooi gehouden voor een grondige sanering van de glastuinbouw in het Westland en voor een economisch rendabele en groene ontwikkeling van het kassengebied. Hoe kan een dergelijke toekomst eruit zien en hoe moet de sanering van al dat glas betaald worden? Een project in de Duivenvoorde-corridor (de noordrand van de Haagse regio) kan misschien dienen als een goed voorbeeld.

Er kan geen misverstand over bestaan: als het om landschapsontwikkeling gaat, is glastuinbouw zo beetje de minst gewenste bedrijvigheid als het er om gaat een groen en aantrekkelijk landschapsbeeld te krijgen. Door economische en technologische ontwikkelingen zijn tuinbouwbedrijven hoog gespecialiseerde, "stedelijke" bedrijven. Hun product is dan wel groen, maar voor de rest zijn hetzelfde als het gewone stedelijke bedrijven met grote bedrijfsopstallen, computergestuurde teeltprocessen, geautomatiseerde beregeningsinstallaties, al dan niet gesloten waterkringlopen en bedrijfsgebouwen gericht op de massaproductie van een product of gewas.

Dergelijke bedrijven zijn landschappelijk niet of slecht in te passen, zeker als het om zulke hoeveelheden gaat als in het Westland. Maar de tuinbouw in de Zuidvleugel van de Randstad is economisch op dit moment wel van belang. Al is dit voor natuur- of landschapsliefhebbers moeilijk verteerbaar, kassen zullen in de toekomst net zo tot ons landschapsbeeld behoren als de kantoren in het Nieuwe Centrum van Den Haag of de bedrijventerreinen langs snelwegen. Zijn er binnen de bestaande plannen voor de regio Haaglanden geen mogelijkheden voor een landschapsontwikkeling waarmee de ecologische infrastructuur en de mogelijkheden voor landschapsbeleving kunnen worden verbeterd en problemen als de regelmatige wateroverlast in de regio kunnen worden aangepakt?

Sanering verouderd glas
Een eerste stap in de richting van een groene ontwikkeling is de sanering van verouderde bedrijfsopstallen of van bedrijven die geen bedrijfsopvolger kennen. Dit geldt zowel voor verspreid liggende kassencomplexen als voor niet duurzaam glas in de concentratiegebieden van de tuinbouw in het Westland of de omgeving van Pijnacker. Juist in de concentratiegebieden is de behoefte aan sanering van kassen bijzonder groot, omdat ecologisch waardevolle verbindingen hier vaak letterlijk tussen de bedrijven klem (komen te) zitten.

De sanering van een verouderd bedrijf gecombineerd met de herstructurering van voort te zetten bedrijven biedt in het Westland goede mogelijkheden voor natuur- en landschapsontwikkeling. De oude historische linten en weteringen (met name de voormalige veenkreken) lijken hiervoor de meest aangewezen gebieden. Als een flink deel van de bedrijven gesaneerd worden, is het mogelijk in het Westland groengebieden en watergebieden te scheppen die van net zo goor belang zijn en die net zo aantrekkelijk kunnen worden als de landgoederenzone van Rijswijk of Leidschendam-Voorburg. De oude kreken bieden daarbij tevens goede kansen voor een betere en veilige waterhuishouding.

Voorbeeld Duivenvoorde
Een goed voorbeeld voor een vernieuwend beleid op het gebied van de landschapsontwikkeling geven thans de gemeenten Leidschendam-Voorburg en de gemeente Voorschoten. Al twee jaar geleden hebben zij samen met de provincie het initiatief genomen voor een herstructurering van de Duivenvoorde-corridor. Deze is gelegen tussen Leidschendam en Voorschoten en heeft een oppervlak van circa 400 ha. Daarmee is dit gebied ongeveer net zo groot als een VINEX-nieuwbouwwijk.

De corridor kent zeer aantrekkelijke plekken als het landgoed Duivenvoorde of de oude buitens Haagwijk en Rozenburgh maar bevat ook circa 80 ha aan tuinbouw- en detailhandelsbedrijven. Met name de kassen zijn in de afgelopen jaren langzaam maar gestaag uitgebreid. Het schrikbeeld van het Westland doemt op sommige plekken dus reeds op. Al met al genoeg redenen voor de betrokken overheden om de handen in een te slaan en samen aan een nieuw toekomstperspectief te werken.

Afgelopen zomer verscheen een ontwerp-structuurvisie met als hoofddoelen:

behoud en versterking van het karakteristieke landschapsbeeld met forse bosschages, houtwallen, landgoederen, oprijlanen etc.

bevordering van extensieve recreatiemogelijkheden en natuurontwikkeling langs waterlopen

verbreding van open landschap in combinatie met een goed zicht op landgoed Duivenvoorde

herstel van cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen in oud Haagwijk en het oude buiten Noordhey

Om dit te bereiken, voorziet de structuurvisie in een stapsgewijze vermindering van niet-agrarische bedrijven (bijvoorbeeld bouwmarkten of caravanstallingen) cq. tuinbouwbedrijven. Met de sanering van de bedrijven (ca. 80 ha) is naar verwachting zeker 65 miljoen euro gemoeid. Hiervoor zijn op dit moment onvoldoende middelen beschikbaar en de slechtere conjunctuur en bezuinigingen bij de Rijksoverheid stemmen ook niet hoopvol. Kan een andere manier om geld te genereren bij de herstructurering van de corridor hier uitkomst bieden?

Een nieuwe buitenplaats
Het antwoord hierop is ja. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om op geschikte locaties nieuwe buitenplaatsen te ontwikkelen, waarvan de opbrengsten in groen- en landschapsontwikkeling worden gestoken. Een ander blijkt uit verkenningen voor een proeflocatie in de Duivenvoorde-corridor. Hier hebben verschillende studies uitgewezen dat op de plek van een oude buiten een meer eigentijdse versie van een nieuwe buitenplaats zou kunnen worden ontwikkeld. Gelijktijdig zouden circa 8 hectare aan glas en een grootschalig detailhandelsbedrijf gesaneerd kunnen worden. Het bebouwde oppervlak zou met meer dan 80% afnemen, de buitenplaats voor 80-90% openbaar toegankelijk zijn en er zouden mogelijkheden ontstaan voor nieuwe fiets- en wandelroutes op loopafstand van de bebouwde kom. En, last but not least, kunnen met een dergelijke buitenplaats ook cultuurhistorische waarden als een oud barok park met bosschages en waterpartijen een nieuw leven worden ingeblazen.

Keerzijde van het verhaal is, dat in de nieuwe buitenplaats misschien 80 woningen gebouwd zullen worden. Deze zouden over een hoofdgebouw en Oranjerie-achtige bijgebouwen gespreid kunnen worden, zodat het landschapsbeeld als geheel niet verstoord hoeft te worden. Aansluitend op reeds bestaande lintbebouwing is dan echter nog de bouw van circa 70 woningen noodzakelijk om de exploitatie van de sanering sluitend te maken.

Middel niet erger dan de kwaal
Gezien dit bouwvolume is de vraag natuurlijk of het middel hier niet erger is dan de kwaal. Ofwel: wordt de ene "rode" functie, te weten glastuinbouw, hier niet gewoon vervangen door een andere "rode" functie, de woonfunctie. Het antwoord is hierop, naar verwachting, nee. De hele operatie is namelijk zo omvangrijk, dat hier duidelijk sprake is van een landschappelijke winst. Deze wordt nog versterkt door een eigentijdse groenfunctie (een nieuwe buitenplaats) met een bebouwing passend bij het toekomstige karakter van het omringende landschap.

De gemeentelijke verkenning heeft door haar landschappelijke winst in ambtelijke kringen en bij bestuurders veel waardering gekregen. Spelbreker is tot nut toe echter nog de Rijksregeling voor Rijksbufferzones, die in de corridor in principe geen nieuwe bebouwing toelaat. Hierdoor worden bij voorbaat vormen van landschapsvernieuwing gefrustreerd, die aantoonbaar tot landschappelijke winst zouden leiden. De gemeenten kijken met verlangen uit naar de vorming van een nieuw kabinet en het uitbrengen van een nieuwe Rijksnota over de ruimtelijke ordening in ons land. Willen zij verdere verstedelijking van de corridor een halt toe kunnen roepen, dan moet redelijk snel duidelijkheid worden of aan een deze vorm van landschapsontwikkeling wordt toegestaan.

Conclusie
Ook voor het Westland moet het mogelijk zijn om - binnen de bestaande beleidskaders - op noemenswaardige schaal groen- en landschapsontwikkeling te realiseren. Een globale verkettering van de glastuinbouw als onrendabele industrietak en "verpester" van het landschap biedt hiervoor geen goed uitgangspunt. Meer resultaat valt te verwachten van:

aanwijzing van gebieden in het Westland, waarin natuur- en landschapsontwikkeling prioriteit moet krijgen (e.e.a. bijvoorbeeld in een nieuw groen-casco voor het Westland)

waterhuishoudkundig onderzoek, waarmee de aanvullende behoefte aan buffercapaciteiten wordt verkend, die nodig is om de waterproblemen van de afgelopen jaren op te lossen

voor zo ver deze behoefte bekend is, ruimtelijke verkenningen waarmee bepaald wordt hoe en waar deze buffers het beste in het Westland geïntegreerd kunnen worden

een verkenning van cultuurhistorisch waardevolle plekken, die als aanknopingspunten voor verdere landschapsontwikkeling kunnen worden gebruikt.

De ervaringen met Duivenvoorde maken duidelijk dat het succes van de landschapsontwikkeling met name afhangt van het gemeentelijke ambitieniveau. Het streven naar een maximale sanering van verspreid liggende bedrijven en de terughoudendheid waarmee de gemeenten kostendragers hebben bepleit, heeft veel aan hun geloofwaardigheid bijgedragen. Verder hebben zij door een pro-actieve houding tijdens de planvorming voorkomen tot speelbal van marktpartijen te worden. Eigen concepten zijn planeconomisch doorgerekend en hebben ertoe bijgedragen dat het kind (de landschappelijke en groene winst) niet met het badwater (lees nieuwbouw) werd weggegooid.

De ervaringen met Duivenvoorde hebben tot slot ook de vraag opgeroepen of natuur- en milieuorganisaties niet ook zelf een (mede-) ontwikkelende rol op het gebied van de landschapsontwikkeling zouden kunnen vervullen. Kennis van zaken lijkt in de milieubeweging in ieder geval in voldoende mate aanwezig.

Freerk Kiesow-Botyanovska

meer artikelen over ruimtelijke ordening en duurzaam bouwen

 

 

Het verhaal achter een fietsenstalling en speelplaats

In de Acaciastraat hebben de bewoners grote behoefte aan een veilige en fijne speelplek voor hun kroost niet al te ver van de voordeur. Maar dat niet alleen. Er is ook behoefte aan een veilige overdekte fietsenstalling. De huizen zijn niet geschikt om de fietsen te herbergen. De stalen ros staat dus noodgedwongen buiten bloot aan de gesel van storm en regen en aan de grijpgrage of vernielende handen van mensen met weinig respect voor het bezit van een ander. Er zijn weinig zaken die als erger ervaren worden dan s'ochtends naar je werk te moeten of je kinderen naar school te willen brengen en je fiets is weg of onklaar gemaakt. Als hier geen oplossing voor komt is voor veel mensen het alternatief voortaan maar in de auto te stappen en zo ook hun bijdrage te leveren aan verkeersopstoppingen en het verder verzieken van onze lucht.

Ergens begin 1996 slaat een aantal bewoners de handen ineen. Ze hebben een terreintje ontdekt bij de buurtbibliotheek aan de Acaciastraat dat niet gebruikt wordt en dat uitstekend zou kunnen dienen als speelplaatsje voor hun kinderen en als een eenvoudige fietsenstalling. Eerst moest natuurlijk de bibliotheek bereid gevonden worden hun terreintje daarvoor beschikbaar te stellen. Vervolgens de procedure om onder de vleugels van de Bewonersorganisatie Bomenbuurt rechtspersoon te worden om eventuele vergunningen en geld aan te kunnen vragen bij de gemeente en allerlei fondsen. Toen dat voor elkaar was, werd onder de bezielende leiding van Hans Verboom het buurtcomité Acaciastraat opgericht. Na zich verdiept te hebben in het speelterreinenbeleid van de gemeente, verliep de toekenning van de middelen voor het speeltuintje vlot. In die tijd was de gemeente namelijk net bezig met haar nota Speelbeleid en was voor de uitvoering daarvan vanuit het Grotestedenbeleid geld beschikbaar. In juni 1997 werd fl 27.000 toegekend. Bovendien bleek de gemeente zo soepel om het geld, gereserveerd voor het speeltuintje, te lenen voor het plaatsen van de fietsenstalling die berekend was op nog geen fl 15.000.

Het buurtcomité wilde eerst de fietsenstalling, omdat met de inkomsten daaruit het onderhoud van het speelplaatsje bekostigd kon worden en de fietsenstalnood hoog was. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de wachtlijst die al snel ontstond, want er waren meer belangstellenden dan stallingsplaatsen. Onder het initiatiefgroepje bevond zich gelukkig een aannemer in ruste die wel voor heter vuren had gestaan dan het ontwerpen en inpassen van vier hekken met een dak erover en dit te laten plaatsen door in dit geval de firma Respo. Een tegenvaller was dat, ondanks eerdere mededelingen van de gemeente en die firma, er toch een bouwvergunning vereist was. In mei 1997, na het uitreiken van een gouden klinker, werd deze dus aangevraagd en de 'bouwtekening' ingediend. Een eenvoudig en functioneel ontwerp met twee rijen fietsen dat voortbouwde op het bestaande hek als toegang voor de fietsenstalling.

Van bouwtekening naar bouwtekening
De Welstandscommissie diende een oordeel te vellen. Daarmee begon, na een aanvankelijk voorspoedige start, een periode van frustraties, onzekerheid, oponthoud en stilstand. De betrokkenheid en motivatie van de bewoners werd ernstig op de proef gesteld en wel zodanig dat onder meer de aannemer, aangetast in zijn beroepseer, er de brui aangaf. Omdat het ontwerp niet goed ingepast zou zijn, wees de Welstandscommissie het over een periode van enkele maanden meerdere keren af. Dit zonder aan te geven hoe de commissie wel te behagen zou zijn en ondanks het vroegtijdige verzoek van het bewonerscomité hiertoe. Uiteindelijk werd in oktober 1997 het smallere en hogere ontwerp goedgekeurd. Door de aanpassingen in het ontwerp waren de kosten gestegen van fl 10.000 naar maar liefst fl 35.000; een bedrag dat de gemaakte reservering ver te boven ging. Alles kwam dus weer tot stilstand en de leden van het comité moesten noodgedwongen hun schaarse tijd steken in getrek om geld en het aanschrijven van fondsen. Niet bepaald de manier om bewoners, die zich voor de goede zaak inzetten, bij hun straat en stad betrokken te houden.

Uiteindelijk kwam er in juni 1998 extra geld van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling en vond op 4 november van datzelfde jaar de feestelijke opening van de fietsenstalling plaats. Inmiddels zijn bijna drie jaar verstreken sinds de eerste activiteiten van de bewoners. Iedereen natuurlijk toch vreselijk blij met het uiteindelijke resultaat. De wachtlijst was in die tijd fors gegroeid, met smeekbrieven van bewoners om een plaatsje in de fietsenstalling te veroveren. En van de kinderspeelplaats, waar het initiatief mee begon, was nog niets gerealiseerd.

Groeiende vraag
Omdat de wachtlijst voor een stallingsplaats bleef groeien en groeien, werd er nageacht over manieren om de bergingscapaciteit te vergroten. Er was maar één mogelijkheid: het benutten van de verplicht gestelde hoogte van de fietsenstalling, door het installeren van een bovenlader. Na bestudering van verschillende systemen werd gekozen voor een gasgeveerde fietsenlift. Dit bleek het enige systeem dat ook voor oudere bewoners en kinderen makkelijk te bedienen is. Aan dit stukje vernuft hing echter een fors prijskaartje! Wederom kwam DSO over de brug, ditmaal met een subsidie van fl 25.000. In september 2002 kon de herbouwde stalling, met 25 extra plaatsen worden geopend. Een aanvraag werd ook ingediend bij Innovatie Programma Stedelijke Vernieuwing (IPSV). Deze aanvraag werd genomineerd als een van de vijf Haagse projecten. Daar stond het, met 2600 (!) euro, tussen gemeentelijke miljoenenprojecten. Het project kreeg dan ook de schattigheidsprijs. Dit was een terechte blijk van waardering van de gemeente en de bewoners waren dan ook terecht vereerd en trots. Met dit geld kan de stalling weer een stukje worden uitgebreid.

Nu terug naar de kinderspeelplaats bij de fietsenstalling. Met behulp van gelden uit verschillende gemeentelijke en particuliere fondsen (en giften van buurtbewoners), tja het is geld bij elkaar schrapen, kon in 1999 de speeltuin op de dag voor Sinterklaas worden geopend en daarna verder uitgebreid met meer speeltoestellen. Natuurlijk iedereen weer hartstikke blij en zeker degenen die uiteindelijk beloond werden voor hun uithoudingsvermogen. We schrijven dan wel bijna vier jaar later. Voor de bewoners die al in 1996 het initiatief ondersteund hadden, mede vanuit een persoonlijk belang, dat van het veilig kunnen spelen van hun kleuters, was dit te laat. Hun kinderen waren het speeltuintje ondertussen ontgroeid.

Een volgende verwikkeling dient zich al weer aan: in 2004 wordt de buurtbibliotheek opgeheven. Het contract voor het gebruik van het terreintje zal daarmee worden beëindigd. Het is op dit moment nog niet zeker welke bestemming het pand na het vertrek van de bibliotheek zal krijgen en hoe het gebruik van fietsenstalling en speelterrein hierin ingepast kan worden.

Conclusie
Het gaat hier niet om het uitdelen van rapportcijfers en de leden van het comité benadrukken dat ze blij zijn met het resultaat. De goede relatie met de gemeente wordt gekoesterd. De vraag die soms opdoemt is: wie is er nu voor wie en wie dient nu het meest gekoesterd te worden? Het gaat er echter om van deze ervaring te leren. Want hoe je het ook went of keert, vier jaren van onzekerheid en 'strijd' houden weinig buurtbewoners vol; in deze tijd nog minder dan pakweg 20 jaar geleden. Dat moet en kan anders. Als dat niet lukt en initiatieven van buurtbewoners niet met voorrang behandeld worden, kunnen we het wel vergeten met die zo gewenste echte betrokkenheid van burgers bij hun leefomgeving.

Aanvankelijk ging alles best voorspoedig. Er moeten nu eenmaal zaken goed en zorgvuldig geregeld worden met andere bewoners, met de bieb, met de bewonersorganisatie en met de gemeente die ook weer afhankelijk is van procedures en regelingen. Als bewoner zie je de mogelijkheden en de noden en wil je snel resultaat. Het gaat tenslotte om een dermate klein project dat enkele maanden meer dan voldoende zouden moeten zijn om alles af te handelen. Hier botst, per definitie bijna, een klein initiatief op een groot systeem. Vaak krijgen projecten pas aandacht als het om honderdduizenden of miljoenen gaat. Toen de kosten van de fietsenstalling een stuk hoger werden werd het project al interessanter en de gasdrukgeveerde fietsenlift genereerde belangstelling en gaf direct meer status aan het geheel.

Die toestand met de Welstandscommissie was zeker te voorkomen geweest. Dat had een stuk gescheeld. Er zou ook meer ondersteuning op maat moeten komen als het daarvoor noodzakelijke overleg niet teveel kostbare tijd kost. De contacten met HOF via 'Mooi Zo, Goed Zo' hebben wel subsidie van het Juliana WelzijnsFonds opgeleverd, maar niet de ondersteuning op maat die in het vooruitzicht was gesteld. In het verkorten van het hele traject van initiatieven en wensen naar uiteindelijke realisatie zouden bijvoorbeeld Buurtontwikkelingsbedrijven per stadsdeel met een ruim bemeten budget, met als doel het bevorderen van leefbaarheid en duurzaamheid, een belangrijke rol kunnen spelen. Zo blijft het voor de bewoners ook leuk en in tijd te doen om zich voor hun leefomgeving in te zetten.

Frans van der Steen

meer artikelen over mobiliteit

 

Vlietland biedt dicht bij de stad recreatie
voor jong en oud

Activiteiten en ontspanning. Genieten van de natuur, van rust en ruimte vlak bij de stad. Die mogelijkheden wil Branding laten zien. Dit keer in Vlietlanden tussen Leidschendam en Voorschoten. Goed te befietsen en vlak bij de A4.

De huidige eigenaren van Watersportcentrum Vlietland, Gerhard te Loo en Astrid van der Kooy, namen in 1989 hun intrek in een romantisch aan het Vlietlandse water gelegen woonbarak, een zogenaamde 'nissenhut'. Daar hebben zij in alle rust bijna zes jaar gewoond. Voor de paar dagjesmensen die in de begintijd het recreatiegebied bezochten, was er een bescheiden haventje en lagen er voor de verhuur enkele kano's en roeibootjes klaar. Anno 2003 is er van alles en nog wat te beleven en kunnen dagrecreanten en toeristen terecht bij een Watersportcentrum met allure, met ongekende mogelijkheden op watersportgebied.

Jarenlang droomden Gerhard en echtgenote Astrid van een eigen camping. Mogelijkheden voor het runnen van campings waren er in het Oosten van het land volop, maar zij wilden in het Westen blijven en hun kans afwachten. Die kans kwam uiteindelijk in 1995. Het echtpaar kreeg de ruimte om een Watersportcentrum te starten onder voorwaarde dat zij in het recreatiegebied een camping zouden exploiteren. Daar heeft dit enthousiaste duo niet lang over hoeven denken.

Camping en botenverhuur
Op de camping met plaats voor zestig kampeerders, is het heerlijk toeven. Autoverkeer wordt er niet toegelaten. Er zijn genummerde plaatsen, een familieveld en een veld speciaal ingericht voor de doortrekkers. Astrid: "Direct naast het kampeerterrein zijn volop parkeerplaatsen aanwezig, zodat men nooit ver hoeft te lopen. Zodoende is de rust gewaarborgd en kunnen kinderen er veilig ravotten. Er zijn spannende klimtorens en elders op het terrein ligt een zandbak, een jeu de boulebaan en een volleybalveld. En natuurlijk grenst aan het terrein een enorm zwemstrand, een peuterplas en in totaal 130 hectare schoon vaar- en zwemwater.

Bij Watersportcenrum Vlietland zijn er volop recreatiemogelijkheden voor volwassenen, maar zeker ook voor de jeugd. Gerhard: "Wij bezitten vaartuigen in alle soorten en maten. Met één van de vele kano's, zeil- of roeibootjes kan men een heerlijke dag doorbrengen op het water. Zo zijn er tochten te maken over de plas, maar ook in de aangrenzende polders van Zoeterwoude liggen veel aantrekkelijke slootjes met begroeide oevers." En over de rust: "Op de recreatieplas wordt motorvaart getolereerd, maar er mag beslist niet harder dan zes kilometer per uur worden gevaren en de boot mag niet langer zijn dan zeven meter. Als iedereen zich daaraan houdt, is er geen vuiltje aan de lucht. Een paar jaar geleden moest de waterpolitie nog wel eens ingrijpen. Toen het bonnenboekje er een aantal keren aan te pas kwam, kozen de snelheidsduivels eieren voor hun geld en is de rust weergekeerd."

Cursussen op het water
Vanaf half mei beginnen de zeillessen voor de jeugd. Die duren tot het einde van de zomervakantie. De allerkleinsten lessen in de 'Optimist', onder de volwassenen wat onvriendelijk het 'badkuipje' genoemd. In drie cursussen van een week leren de kinderen zeilen in het kleine bootje op drie niveaus onder professionele begeleiding van een instructeur. Voor de jeugd in de leeftijd van 12 tot 16 jaar wordt er gezeild met de Pico. Dit is een gemakkelijk op te tuigen bootje, waarmee ze zich alleen of met twee personen op het water kunnen vermaken. Voor volwassenen zijn er boten van het type 'Schakel' en 'Zestien kwadraat'. De Schakel is een soort racezeilbootje waarmee hoge snelheden te behalen zijn en dat plaats biedt aan slechts één persoon. De 'Zestien kwadraat'-zeilboot (zeiloppervlak 16 vierkante meter) is een echte familieboot met een gaffeltuig. Bij slecht zeilweer kan gebruik worden gemaakt van waterfietsen en kano's. Bij erg slechte omstandigheden kunnen er in de speciale lesruimte van het Centrum, 'Het Vooronder', theorielessen worden gevolgd en leren kinderen alles over scheepsmaterialen, knopen leggen en andere technieken.

Sloep met elektromotor
Astrid is trots op de nieuwste aanwinst van het Watersportcentrum: de sloep. Deze Franse partyboot biedt ruimte aan 6 tot 8 personen. Door de elektromotor kan men in alle rust een toer in de wijde omgeving maken met het gehele gezin. Astrid: "De oude generatie electromotoren had te weinig bereik. Maar met volledig opgeladen accu's kunnen we nu in alle rust zonder problemen acht uur lang non-stop genieten."
Medewerker Roy nodigt mij uit voor een tochtje. Astrid heeft niets teveel gezegd. Zelfs vanuit stilstand bouwt de glimmende polyester sloep in luttele seconden de maximaal toegestane snelheid van 6 kilometer per uur op. Er zit beslist toekomst in deze milieuvriendelijke, plezierige en rustgevende manier van toeren op het water.

Naast de genoemde Watersportmogelijkheden biedt Watersportcentrum Vlietland een totaalprogramma voor scholen, bedrijven en familiebijeenkomsten. In totaal kunnen er 250 personen gelijktijdig deelnemen aan de vele activiteiten op en rond het water. Zo is er de drakenkano, de watertrampoline, het aquawheel, the Cat-bike en kan men waterfietsen en vlotvaren, al of niet in wedstrijdverband. Rekening houdend met de samenstelling van de groep kan in overleg een programma op maat verzorgd worden. Op het terrein van het centrum ligt een restaurant alwaar men voor een snack, lunch, diner en natuurlijk een drankje terecht kan. Voor nadere informatie kan u bellen met Watersportcentrum Vlietland, telefoon 071-5612200 of een kijkje nemen op www.wsc-vlietland.nl

Jos Orleans

meer artikelen over natuur algemeen

 

  BONTEBAL CULTUUR EN NATUUR

Soms zit het mee: nieuwjaarsdag liep LPF-voorman Mat Herben op Scheveningen de branding in. Soms zit het tegen: twee tellen later liep hij ook weer terug.
Voor de slechte verstaander: dit is humor, het is in elk geval bedoeld als humor. Dat je niet denkt dat ik echt van mening ben dat Herben, of enig andere politicus, jammerlijk in zee moet verdrinken, of overlijden aan onderkoeling. Ik zou niet graag zien dat er naar aanleiding van dit stukje een of andere malloot naar België afreist om een revolver te kopen en terug in eigen land die Herben naar de andere wereld helpt.
Juist een paar dagen eerder had ik het verhaal 'De Laagtijvierder' van Gust Gils gelezen (uit de bundel 'Schotbalken en Doorlaatkleppen'). Het gaat over een man die verliefd is op een zeemeermin, maar het zilte wicht heeft hem laten zitten. Dat is het, dacht ik. Herben lijkt op een man die een blauwtje heeft gelopen bij een zeemeermin, ondanks dat hij zijn zeehondensnor heeft afgeschoren. Let maar eens op. Ik ken het probleem: ik ben verliefd op een zevenslaapster, maar ze ziet mij niet staan.
Ik schreef het vorige keer al: de deadline van de Branding ligt ruim voor het verschijnen. Als het blad in de bus valt zijn de verkiezingen al achter de rug, met alle rampzalige gevolgen van dien. Deze column schrijf ik op 12 januari. Zojuist is het grote lijsttrekkersdebat geweest. Twee uur lang, gelijktijdig in Buitenhof op tv en op Radio I. Weer viel het me op hoe beperkt het aantal onderwerpen is waarover men wenst te discussiëren: onveiligheid, wachtlijsten, bezuinigingen. En vooral ook: wie wil met wie (Mat: 'Met mijn kleine zeemeermin!') Als schrijver en liefhebber van de schone kunsten zou ik graag eens horen hoe men over cultuur denkt, en wat men er voor over heeft. Maar je hoort ze er niet over, cultuur scoort niet.
En dan natuur en milieu. Helemaal aan het eind van het debat ging het nog even over openbaar vervoer en automobiliteit. Wat bleek: ook in het volgend kabinet hoeft er van de meeste lijsttrekkers geen minister voor milieu te komen. Een staatssecretaris is goed genoeg en die mag zich in het buitenland minister noemen. Terwijl je natuurlijk met het aanstellen van een minister toont, hoe serieus je het milieu neemt. Uiteraard moeten er wel meer en vooral bredere wegen komen.
Zelfs de gekende groene partij(en?) nemen het woord 'milieu' mondjesmaat in de mond. Ook die zijn vol van de onveiligheid, wat mijns inziens een schijnonveiligheid is, een gevoelsonveiligheid. Je verwacht bij links en groen toch andere thema's. Het andere uiterste kan ook. Laatst zag ik een interview met een plaatselijk hoofd van de Ku Klux Klan, de Grote Afdelings Wizard of zoiets van een stadje op het zuidelijk Amerikaanse platteland. Hij was voor een raszuiver, blank Amerika én voor een schoon milieu. Hoe schizofreen moet je zijn om die combinatie te maken?
Wereldwijd zit de economie in een dip, zegt men. En wat gebeurt? We halen de elzenbroekriem aan, het milieu is het eerste waarop wordt beknibbeld. De mens is het enige wezen dat kan denken: je zou het niet zeggen.

Adriaan Bontebal
http://www.bart.nl/~bontebal

meer Brandingcolumns van Bontebal

 

  abonneren op branding?
Voor een proefexemplaar .....klik hier
{txt2}

Agenda

Zin in een dagje uit?

Hier ziet u wat er de komende weken in Den Haag en omstreken op natuur- en milieugebied te doen is

  Branding

 

Neem een gratis abonnement op Branding, hét Haagse tijdschrift voor natuur en milieu, of klik hier voor de elektronische versie.