|
Nummer 4 Februari/Maart 2002
DIGITAAL VERKIEZINGSDEBAT
DE GROENE GRAADMETER
Op 6 maart vinden de gemeenteraads-
...meer
HOE SCHEVENINGEN IN HET BEZIT KWAM - EN BLEEF
- VAN EEN WINDMOLEN
Een verhaal over duurzame energie
in Den Haag ...meer
NIEUW CONCEPT VERKEERSPLAN
Er is weer een nieuw concept ...meer
HAAGS VERKEERSBELEID: te traag
om op twee wielen door de bocht te gaan
Bezuinigingen in het verleden zijn ...meer
DEN HAAG EN HET DUURZAME BOUWEN
Als een gemeente duurzaamheid serieus neemt
...meer
DUURZAAM BOUWEN OP WATERINGSE VELD
Wateringse Veld is een van
de Vinexlocaties ...meer
"MILIEU: EEN VERPLICHT VAK OP DE BASISSCHOOL"
Op een typisch grijze, regenachtige ...meer
GROEN
forum
WIE HET EERST ONDERHANDELT, ONDERHANDELT
HET BEST? +
REACTIE VAN WETHOUDER VERKERK +
BESTE REDACTIE ...meer
DIGITAAL VERKIEZINGSDEBAT
DE GROENE GRAADMETER
Op 6 maart vinden de gemeenteraads-verkiezingen
plaats. De verkiezingskoorts is weer uitgebroken. Overal in de stad
wordt gedebatteerd; op straat, in het Stadhuis en ook op Internet.
Op de website van het Haags Milieucentrum kunt u vanuit de eigen
bureaustoel de discussie aangaan met de wethouder van Milieu, de
wethouder van Verkeer en de milieuwoordvoerders van alle fracties.
Surf dus naar www.haagsmilieucentrum.nl, klik op De Groene Graadmeter
en doe mee aan het debat. Natuurlijk kunt u ook alleen meelezen
en op die manier bewust een groene stem uitbrengen op woensdag 6
maart. Maar dat niet alleen. Door mee te doen aan dit groene digibat
kunt u invloed uitoefenen op de visievorming binnen de verschillende
politieke partijen en zo uiteindelijk ook op de besluiten die zij
nemen. Zo helpt u uw eigen stad stap voor stap op weg naar een duurzamere
stad.
Bij deze nodigen wij u ook van harte uit om
deel te nemen aan het afsluitende live-debat van de Groene Graadmeter
waarvoor alle lijsttrekkers zijn uitgenodigd. Dit vindt plaats op
19 februari, 20.00 uur op het Haags Milieucentrum, Paviljoensgracht
1.
Voor het debat is het nodig om de beschikbare
verkiezingsprogramma's met elkaar te vergelijken. Wij hebben er
begrip voor dat niet iedereen tijd en zin heeft om alle programma's
op te vragen en uit te pluizen. Daarom heeft het Haags Milieucentrum
deze voor u langs haar Groene Graadmeter gelegd. Dat kan natuurlijk
niet heel uitgebreid, maar wel voldoende om een globale indruk te
krijgen en brandstof voor uw vragen te leveren. (Helaas waren nog
niet alle programma's beschikbaar bij het ter perse gaan van deze
editie.)
Alvorens de verkiezingsprogramma's per partij
te bekijken, valt in het algemeen de zeer geringe aandacht in alle
verkiezingsprogramma's op voor de ruimtelijke ordening in en om
onze stad. Dit terwijl ontwikkelingen op dit gebied van groot belang
zijn voor een duurzamere ontwikkeling. Wat zijn de kansen en bedreigingen
van de grove lijnen zoals uitgezet in de 5e Nota Ruimtelijke Ordening?
Hoe wordt gedacht over de gewenste ontwikkeling in bijvoorbeeld
de Westlandse Zoom en de Zuidrand (zie eerdere artikelen in Branding)?
Hoe wil men de waterberging gaan regelen nu de boel bij flinke stortbuien
letterlijk overloopt? Hoe wil men de noodzakelijke groene corridors
en verbindingszones tot stand brengen vanuit de stad richting Hoek
van Holland, Delft, Zoetermeer en Leiden? Hoe wil men een evenwichtige
integrale ontwikkeling van werken, bouwen, natuur, waterbeheer en
recreatie tot stand brengen? Hoe wil men ervoor zorgen dat individuele
belangen, met de daarmee gepaard gaande particuliere geldstromen,
niet per definitie voorrang krijgen op algemene belangen van leefbaarheid,
het behoud van de open groene ruimte en van een vitaal milieu? Hoe
wil men het overleg over dit soort aangelegenheden met de buurgemeenten
vormgeven? Op dit gebied moet dus nog een visieontwikkeling plaatsvinden
bij alle partijen. Datzelfde geldt voor de ontwikkeling, en het
behoeden voor aantasting, van de grote groengebieden en parken in
onze Groene Stad aan Zee. Is het nu wel genoeg geweest met de aanleg
van bijvoorbeeld de Skidôme? Naar uitspraken over dergelijke
zaken moet men met een lampje zoeken. D66 komt wat dit betreft nog
het beste uit de bus.
VVD
Het nieuwe verkiezingsprogramma is 'groener' dan voorheen en dat
is wat ons betreft winst. Zo kiest de VVD voor het parkeren van
auto's onder de grond of inpandig. Op deze manier wil men aan de
ene kant het moeten zoeken naar een parkeerplek verminderen en aan
de andere kant meer ruimte op straat creëren. Ook wil de VVD
de mogelijkheid onderzoeken om particulieren parkeerplekken te laten
kopen in publieke parkeergarages in hun woonwijk. Minder geparkeerde
auto's op straat is natuurlijk mooi, maar dergelijke voorstellen
leiden niet tot een vermindering van het autogebruik. Toch ziet
de VVD in dat het verlagen van de CO2-uitstoot alleen mogelijk is
door een positieve impuls voor het openbaar- en fietsvervoer. Ze
kiest nadrukkelijk voor meer fietspaden en rode fietsstroken. De
VVD is voorstander van wijkmobiliteitscentra; dit zijn parkeergarages
en fietsenstallingen in woonwijken nabij aansluitingen op openbaar
vervoer (bus, tram en taxi).
Voor 'autootje pesten' is er letterlijk geen plaats binnen de VVD.
Zij zien de ontwikkeling van de Noordwestelijke Hoofdroute en het
Trekvliettracé als onontkoombaar. Milieubeleid betekent voor
de VVD vooral praktische verbetering van de leefomgeving. Voorwaarden
op het vlak van groen- en bomenvoorziening moeten integraal onderdeel
uitmaken van de vergunningverlening aan nieuwbouwplannen. Het behoud,
en waar mogelijk de versterking, van de grote groengebieden moeten
worden gewaarborgd in een nieuw Groenbeleidsplan. Daarnaast acht
de VVD de kwaliteit van het water, alsmede de aanleg van natuurvriendelijke
oevers van groot belang. De VVD is op zichzelf voorstander van het
nastreven van ecologische doelen, op voorwaarde dat niet de indruk
wordt gewekt dat het groen verslonst.
PVDA
De PvdA legt in haar programma qua mobiliteit de bestuurlijke en
financiële nadruk op de realisatie van een hoogwaardiger openbaar
vervoernet. Verbetering van de infrastructuur voor het autoverkeer
binnen de stad wordt alleen overwogen als deze een hoog en meervoudig
rendement heeft: autoluw maken van woonwijken, verbetering van doorstroming
van openbaar vervoer en fiets, versterking van ecologische structuur,
beter bereikbaarheid en toegankelijkheid van Den Haag, ook voor
de voetganger. Openbaar vervoer moet volgens de PvdA een vervoerssoort
blijven c.q. worden waar iedereen gebruik van maakt en niet alleen
personen die zich (nog) geen auto kunnen permitteren.
Ook de PvdA pleit voor een fijnmazig fietsroutenetwerk en voor investeringen
in fietsstallingsplaatsen en bewonersstallingen. Voor wat betreft
het Trekvliettracé ziet de PvdA graag eerst een onderzoek
naar de wenselijkheid en effectiviteit in samenhang met de realisatie
van Hoog Hage.
In het ruimtelijk beleid van PvdA staat compactheid voorop. Verder
zien ze de milieueisen die gesteld worden aan bouwprocessen en de
milieuprestaties van nieuwbouw graag stapsgewijs verder opgevoerd
worden. De PvdA spreekt de wens uit voor een gemeentelijk CO2-reductieplan
(zonder overigens een reductiepercentage te noemen), waaraan gemeente,
energiebedrijven en bedrijfsleven een bijdrage leveren.
De PvdA spreekt in haar programma de wens uit voor het instellen
van een of meer autovrije dagen in combinatie met een 'Binnenstadsfestival'.
CDA
Het CDA kiest, naar haar eigen zeggen, voor een duurzaam en eerlijk
vervoersbeleid gecombineerd met een goede ontsluiting. Een fijnmazig
openbaar vervoersnetwerk, waarbij het motto 'meer vervoer op maat'
centraal staat is volgens het CDA van groot belang. Het belang van
de automobilist mag echter niet uit het oog worden verloren. Het
CDA staat voor een consistent verkeers- en vervoersbeleid, waarbij
naast een beleid dat gericht is op een autoluwe binnenstad, alternatieven
voor autoverkeer worden aangedragen zoals de aanleg van grote parkeervoorzieningen
aan de rand van de stad, gekoppeld aan shuttle-systemen.
Het CDA is van mening dat de fiets moet worden gestimuleerd en gepromoot
als goed, veilig, schoon en snel vervoersmiddel in de stad. Ze willen
dan ook uitbreiding van het aantal duidelijk onderscheiden fietsroutes
en adequate parkeer- en stallingsvoorzieningen in binnenstad, Scheveningen
en Kijkduin.
Het CDA houdt een pleidooi voor investering in meer groen, juist
ook in de achterstands- en probleemwijken en wil Den Haag graag
als Groene Stad aan Zee behouden.
Zij geven dan als voorbeeld dat er moet worden gestreefd naar het
in ere herstellen van de oude grachten in Den Haag.
GROENLINKS
In het nieuwe verkiezingsprogramma heeft GroenLinks de nodige aandacht
voor betere voorzieningen voor de fietser; GroenLinks houdt een
pleidooi voor vrijliggende fietspaden, een veilige fietsroute van
en naar het centrum en de verbetering van stallingsmogelijkheden.
GroenLinks is geen tegenstander van auto-gebruik, maar wel voor
doelmatig gebruik. Autoverkeerprojecten als het Trekvliettracé
en de Noordwestelijke hoofdroute dienen beperkt te worden tot maatregelen
die wel de verkeersafwikkeling bevorderen, maar niet de groei van
het autoverkeer stimuleren.
Het autogebruik moet worden tegengegaan vanwege de gevolgen voor
het milieu. Inwoners van de stad moeten weer meer ruimte krijgen
om in de stad te lopen, spelen en recreëren. Dat kan alleen
door het forse ruimtebeslag van de auto in de openbare ruimte tegen
te gaan.
GroenLinks kiest voor het instellen van een duurzaamheidcommissie,
die nieuwbouw en renovatie toetst op een aantal duurzaamheidscriteria.
Ook ziet ze graag een toename van gevelbegroeiing, vegetatiedaken
en daktuinen.
GroenLinks is van mening dat de overheid voorop dient te lopen in
milieubewust energiegedrag. Dit kan door een intensiever eigen beleid
rond energiebesparing. De gemeente moet daarboven actief naar de
bevolking uitdragen welke bijdragen particulieren zelf kunnen leveren.
Dat geldt ook voor waterbeheer. Zo kan volgens GroenLinks veel van
het regenwater, dat nu nog via riolen wegvloeit, opgevangen worden
voor de besproeiing van tuinen, plantsoenen of voor het doorspoelen
van toiletten. De gemeente zal zulke systemen moeten stimuleren.
D66
D66 heeft geen uitgebreide mobiliteits-paragraaf opgenomen in hun
verkiezingsprogramma. Wel geeft ze de prioriteit aan de Noordwestelijke
Hoofdroute boven het Trekvliettracé en pleit ze voor een
OV-transferium bij het Leyenburgziekenhuis. De mogelijkheden voor
transferia op ander punten in de stad moeten worden onderzocht.
Ook D66 ziet graag meer auto's onder de grond geparkeerd in woonwijken
en wenst ze een Lange Voorhout zonder geparkeerde auto's. Een parkeergarage
onder de Hofvijver is echter ongewenst.
D66 ziet graag een uitbreiding van het geslaagde experiment van
de fietstrommels in Laak, pleit voor uitbreiding van het aantal
bewaakte fietsenstallingen en wil de openingstijden van fietsenstallingen
verlengen tot 24 uur op werkdagen en tot 2 uur in het weekend. Tevens
wil D66 investeren in doorgaande fietsroutes, door deze met behulp
van korte doorsteken met elkaar te verbinden.
D66 wil in de komende raadsperiode een ecoduct over de Utrechtse
Baan gerealiseerd zien. Zodoende worden het Haagse Bos en het Malieveld
weer met elkaar verenigd. Ook in het Scheveningse groen wordt, als
het aan D66 ligt, naar mogelijkheden gezocht om duin en bossen met
elkaar te verbinden. Bij wegreconstructies en stedelijke vernieuwingsplannen
moet aan dit aspect prioriteit worden gegeven.
Een initiatief valt te verwachten voor de Binckhorst; D66 vindt
dit gebied heel geschikt voor vestiging van bedrijven die zich toeleggen
op het ontwikkelen en toepassen van nieuwe milieutechnologie. D66
wil deze vorm van bedrijvigheid stimuleren door bruikbare nieuwe
technologie binnen de gemeente toe te passen.
HAAGSE STADSPARTIJ
De Haagse Stadspartij pleit allereerst voor een beheerste economische
ontwikkeling, waarin grote zorgvuldigheid ten aanzien van het milieu
voorop staat. Daarnaast zien zij het terugdringen van het autoverkeer
graag met kracht worden aangepakt.
De Haagse Stadspartij wil de politie dwingen haar sociale functie
te versterken door veel selectiever met haar wagenpark om te gaan
en meer gebruik te maken van de fiets of rollerskates; dit Stadspartij-mes
snijdt prettig aan twee kanten.
De fietser moet in het Haagse verkeer vaak op z'n hoede zijn. Met
name in het centrum ontbreken goede fietsverbindingen. De Haagse
Stadspartij kiest voor meer investeringen voor de fietser en de
skater (vrijliggende en comfortabele fietspaden). Ook moeten er
meer gratis stallingsmogelijkheden voor de fiets komen in zowel
het centrum, bij de stations, als in woonwijken. Vooral in en rond
het centrum moet voor het autoverkeer eenrichtingsverkeer worden
ingesteld en parkeerruimte worden ingeleverd om de fietser de noodzakelijke
ruimte te geven. Behalve de fiets moet ook collectief vervoer meer
worden gestimuleerd.
Bijzonder, en wellicht technisch wat achterhaald, is dat de Haagse
Stadspartij een onderzoek wil naar de invoering van trolleybussen
op enkele tramtrajecten.
Naast het reguliere verkeersveiligheidsbeleid moet wat de Haagse
Stadspartij betreft extra aandacht besteed worden aan de verkeersveiligheid
rondom scholen, de stroom vrachtwagens van en naar de Norfolkline
en de (brand)veiligheid in de tramtunnel.
POLITIEK VUURWERK
Welke discussies kunnen we op basis van de programma's verwachten
in de komende collegeperiode? Wij denken dat met name de uitvoering
van het verkeersplan de nodige discussie zal oproepen omdat de daarin
aangekondigde maatregelen zeer ingrijpend zijn voor de stad. Ook
zal de politieke agenda voor een deel bepaald worden door de verdere
uitwerking van het regionaal structuurplan Haaglanden dat de grote
lijnen schetst van de ruimtelijke ontwikkeling rond de stad en de
toebedeling van de schaarse ruimte aan de verschillende functies.
Politiek vuurwerk kunnen we wellicht gaan zien omtrent het handhaven
van Norfolkline in Scheveningen; de Haagse gemeenteraad is verdeeld
op dit punt. Zo was en is D66 bijvoorbeeld pertinent tegenstander
van het verlengen van hun contract, de Norfolkline veroorzaakt immers
een levensgevaarlijke verkeerssituatie voor met name de fietser
en de voetganger. De Politieke Partij Scheveningen is nog voorstander
voor behoud van Norfolkline.
De reductie van CO2-uitstoot ziet de VVD met
name gebeuren door het stimuleren van het fiets- en openbaarvervoergebruik;
dit is een trendbreuk in het VVD-denken. Het CDA concentreert zich
juist meer op de huishoudens en hun afval om een CO2-reductie te
bereiken. Dat kan een interessant debat gaan opleveren.
Ook het parkeerbeleid van zowel de fiets als
de auto is punt van discussie. Gaat de VVD zich werkelijk hard maken
voor minder geparkeerde auto's op straat? Wordt het Lange Voorhout
dadelijk mooier zonder geparkeerde auto's? Komen er artistiek vormgegeven
fietsenstallingen, zoals de VVD dit onder andere graag zou zien
of gaat de SP deze discussie winnen en krijgen we een soort fietsbunkers
in de stad?
Wij kijken uit naar een nieuw college, met
hopelijk een uitgesproken milieu-beleid. Uiteraard speelt uw stem
daar een grote rol in. Een beter milieu begint bij een zorgzame
en solidaire overheid en ook de burger zelf kan het nodige doen,
zeker als deze het daarbij wat gemakkelijker gemaakt wordt. Kies
daarom bewust, kies groen!
meer
artikelen over algemeen milieubeleid
HOE SCHEVENINGEN IN HET
BEZIT KWAM - EN BLEEF - VAN EEN WINDMOLEN
Een verhaal over duurzame energie in Den
Haag was het verzoek van de redactie van Branding. Dit artikel is
dat nog niet. Waarom niet?
In hoofdzaak omdat duurzame energie in
Den Haag, maar ook in Nederland nog weinig voorstelt. Eind 2000
kwam niet meer dan 1,4% van het totale energiegebruik in Nederland
uit duurzame bronnen en daarvan komt nog het overgrote deel uit
afval en biomassa. Alle windturbines in Nederland dragen daar nog
niet meer dan circa 0,4 % aan bij. En toch is duurzame energie van
groot belang en zal het aandeel duurzaam fors moeten groeien. Het
Nederlandse energiebeleid richt zich nu op 10 % in 2020, met een
tussenstap van 5% in 2010.
Het belang van duurzame energie ligt dus in
de toekomst. Om beter zicht op die toekomst te krijgen, is het verleden
een bron om van te leren. Eind vorig jaar verscheen het boek "Een
kwestie van lange adem, de geschiedenis van de duurzame energie
in Nederland" (uitgeverij Aeneas). Den Haag speelt in dat boek
geen rol. Toch kent Den Haag ook zijn eigen leerzame geschiedenis,
met name het verhaal van de windmolen in Scheveningen. Dit verhaal
gaat over politiek en de veranderingen bij het energiebedrijf. Dat
is van belang om te begrijpen in wat voor context duurzame energie
zich verder moet ontwikkelen.
Begin jaren negentig liep de zoveelste poging
van de Haagse Windmolenvereniging en anderen om in Den Haag een
windmolen van de grond te krijgen op niets uit. Toch had windenergie
in Den Haag, op papier, over steun niet te klagen. De gemeenteraad
had vanaf begin jaren tachtig al verschillende moties aangenomen
waarin steun en een hogere terugleververgoeding was vastgelegd.
De lokale PvdA had de vereniging zelfs de Jan Tomey milieuprijs
toegekend. Desondanks ging het in 1992, door problemen rond de Blansjaar-locatie
in het havengebied, toch weer mis.
En van de voorvechters voor windmolens in
Den Haag stapte toen naar de Haagse wethouder van energie met de
boodschap dat als de gemeente niet zelf actie onderneemt, het nooit
wat wordt met windenergie. De wethouder ging vervolgens praten met
de directeur van het verzelfstandigde Haagse GEB en zij maakten
een afspraak. De gemeente zou voor een geschikte locatie zorgen,
het GEB zou gaan investeren en het onrendabele deel van de investeringen
kon uit het MAP gedekt worden.
De gemeente vond een geschikte locatie bij
het zuidelijk havenhoofd van de Scheveningse Haven. Het GEB werd
enthousiast en er kwam een investeringsvoorstel dat door de Raad
van Commissarissen, met de wethouder energie als voorzitter, werd
aangenomen. De procedure met zijn vele hobbels kon beginnen. De
vragen van het wijkcomit, Duindorp en de omliggende bedrijven,
de vrees van de dienst Haven- en Marktwezen voor storing op de radar,
en bezwaren van Scheveningen Radio vanwege de vermeende storing
van de turbine op het berichtenverkeer. Deze werden allemaal beantwoord
en weerlegd. Vervolgens kon het voorstel, een grote molen van 60
meter met twee wieken, naar de Welstandscommissie.
Tot verrassing van het GEB kwam die alleen met de dankbaar overgenomen
suggestie om de paal van de turbine niet in wit maar in grijs uit
te voeren.
Toen werd het 1994, en trad er een nieuwe wethouder energie aan
met wie de directeur van het GEB kwam kennismaken. Aan het eind
van het gesprek, bij de deur, zei de wethouder: "Oh ja, nog
,,n ding, die lelijke windmolen bij Scheveningen, is daar nog wat
aan te doen?"
"Ach," zei de directeur, "het is en blijft een politieke
molen, ik zal eens kijken".
Het antwoord kwam per omgaande. Annuleren van de bestelling, een
Windmaster van 750 kW, kon nog wel, maar dat zou de gemeente een
fors bedrag gaan kosten.
En zo geschiedde het dat op een mooie zonnige
dag in 1995, de wethouder van milieu de windturbine van inmiddels
Eneco (het nieuwe fusiebedrijf van GEB Den Haag, Rotterdam en Dordrecht)
feestelijk in bedrijf stelde. Volgens de voorzitter van de Haagse
windmolenvereniging was dit het begin van een glorieuze windtoekomst.
Een tweede molen, een kleine Lagerweij, aan de Oorberlaan kwam nu
ook in zicht en is er later ook gekomen.
Bijna iedereen toch nog blij?
Nou niet helemaal. Op de receptie na afloop deelde een Eneco directeur
(voorheen GEB Rotterdam) mij mee: "Die molen had er nooit moeten
komen."
Wat kregen we nou? Rotterdam met zijn enorme havengebied waar al
veel Eneco-molens draaiden en waar ruimte genoeg was voor nog veel
meer turbines zag blijkbaar niets meer in windenergie. En volgens
de Haagse gemeenteraad was schaalvergroting n van de
voordelen van de fusie. Die maakte het immers mogelijk om de plaatsing
van windmolens in een veel ruimer gebied te beoordelen. En was dan
het Rotterdamse havengebied niet veel geschikter voor de plaatsing
van windmolens en het halen van de duurzame MAP-doelstellingen dan
het dichtbebouwde Den Haag?
Terug naar de molen in Scheveningen.
Een mooie molen vonden velen, en een symbool voor een duurzame toekomst.
Helaas. In februari 1999 sloeg de bliksem in en enige weken later,
na het verlies van een rotorblad, hield de molen op met draaien.
Voor het leven van de molen moest gevreesd worden. De fabrikant
was inmiddels failliet en tweewiekers werden nauwelijks meer gemaakt.
Ook de stemming bij het buurtcomit, was inmiddels omgeslagen
en de raadscommissie toonde zich bezorgd over de veiligheid. Een
onafhankelijk onderzoek bevestigde echter dat op deze locatie een
turbine geen enkel risico voor de omwonenden oplevert.
Voor de Haagse wethouder van energie en tevens commissaris bij Eneco
was er nog een andere reden om de windmolen bij Eneco aan te kaarten:
"Die molen is een onsierlijk element dat soms ook badgasten
afschrikt."
Eneco moest ook nog nadenken over een andere
brief van de wethouder over verdere samenwerking tussen Eneco en
grootaandeelhouder Den Haag.
KEMA had daarvoor een mooi rapport geschreven, met als meest aansprekende
suggestie om ver voor de kust van Den Haag een groot windpark op
zee te bouwen. De Scheveningse molen kon dan een toeristische attractie
worden met klimmuur en uitkijkplatform en vanuit de haven konden
de toeristen een boottochtje naar het windpark op zee maken. Wat
vond Eneco daarvan?
Het antwoord liet, door een nieuwe fusie van
het energiebedrijf, even op zich wachten.
Eneco meldde de gemeente dat de Scheveningse molen weer zo snel
mogelijk moest gaan draaien, stilstand kostte het bedrijf geld en
had een negatieve uitstraling. Wel toonde Eneco zich bereid 'omstreeks
2004' de locatie op te geven, als de gemeente een alternatieve locatie
beschikbaar kon stellen. En zo ging vlak voor de grote Klimaatconferentie
in Den Haag, de windmolen toch weer draaien.
Want de windmolen is geen politieke molen
meer. Windenergie is in ons land, dankzij een royale vrijstelling
van de energiebelasting, een rendabel product geworden. En de molen
in Scheveningen is nodig om de waarde van Eneco in de vrije markt
voor groene stroom overeind te houden. Dat is in het belang van
de onderneming en haar aandeelhouders en daar dient een commissaris
naar te handelen, of windmolens nu badgasten afschrikken of niet.
Louis Kanneworff
Lid van de Denktank Duurzaam Den Haag, zelfstandig energieadviseur
en verbonden aan de Haagse Hogeschool.
meer
artikelen over duurzame energie en energiebesparing
NIEUW CONCEPT VERKEERSPLAN
Er is weer een nieuw concept verkeersplan.
En het moet gezegd, het ziet er weer schitterend uit en deze keer
leest het nog prettig ook. We hebben niet eens durven vragen wat
de drukkosten waren van de twee concepten samen. We wilden het niet
weten. Gelukkig dragen eindredactie, vormgeving, fotografie en drukwerk
bij aan de economie van respectievelijk Haarlem, Eindhoven, Leiderdorp
en Leiden. Belangrijker is natuurlijk de inhoud. Het gaat tenslotte
om het meest ingrijpende plan dat Den Haag kent. Het zal een grote
wissel trekken op de gemeentebegroting de komende 10 jaar, want
het gaat om miljardeninvesteringen. Bovendien zal de uitvoering
diep ingrijpen op het leven in de stad, zowel als gevolg van de
bouwwerkzaamheden als het verleggen en concentreren van verkeersstromen.
En die inhoud is er zeker op vooruit gegaan
sinds het vorige concept. Met name de fiets komt er, in ieder geval
op papier, nu beter van af. Dat zou ondermeer het gevolg kunnen
zijn van de inspanningen van de Fietsersbond, van ons centrum en
van voortschrijdend inzicht bij politiek en bestuur. Maar misschien
is de belangrijkste geestelijke vader van het Verkeersplan bij de
gemeente, Louis Eggen, dat nu aan zijn nieuwe stand verplicht. Hij
is prominent Haags lid van het onlangs door minister Netelenbos
ingestelde 'Fietsberaad'. Dit beraad van verkeerskundigen op persoonlijke
titel is een kritisch en onafhankelijk adviesorgaan voor lokale
en regionale overheden. Het brengt kansen en bedreigingen voor het
fietsgebruik in beeld en verzamelt en verspreidt kennis, ervaringen
en statistische gegevens. Het Fietsberaad helpt ondermeer de bij
de verkeersveiligheid betrokkenen, waaronder gemeenteambtenaren,
om goede voorzieningen voor fietsverkeer te realiseren en te onderhouden.
Dat klinkt veelbelovend. Bij deze dan ook een welgemeende felicitatie.
Maar de fundamentele vraag blijft natuurlijk
de bijdrage van dit plan aan de noodzakelijk beperking van het autoverkeer.
Voor alle zekerheid zeggen we daar steeds bij dat wij niet tegen
de auto zijn, maar tegen de gevolgen van het ongebreidelde, onnuttige
en onnodige gebruik daarvan. Dit plan gaat er van uit dat er steeds
meer auto's bijkomen, maar of dat gebeurt hangt op de eerste plaats
van het beleid af en minder van de automarkt. Om die niet geringe
gevolgen van de toenemende automobiliteit in te dammen en onze mobiliteit
toch op een hoog peil te houden, zijn goede alternatieven en beperkende
maatregelen nodig. Daarom zal Branding in een serie van drie artikelen
dieper ingaan op dit nieuwe concept Verkeersplan. We starten met
een bijdrage van de Fietsersbond, vervolgens komt het Openbaar Vervoer
aan bod en we besluiten met de auto en de voetganger.
meer artikelen
over mobiliteit
HAAGS VERKEERSBELEID:
te traag om op twee wielen door de bocht te gaan
Bezuinigingen in het verleden zijn de voornaamste
oorzaak van de lage kwaliteit van de huidige Haagse fietsvoorzieningen.
In 2001 toonde de Fietsersbond dit met de Fietsbalans op wetenschappelijke
wijze aan, maar elke geoefende fietser herkent dit beeld onmiddellijk:
het Haagse fietsroutenetwerk bestaat uit onregelmatig knip- en plakwerk.
Honderd meter fietsen in Den Haag gaat over vrijliggende tegelfietspaden,
een kerngezonde klinkerfietsstrook en eindigt tussen het overige
verkeer op een asfaltweg. Ook de Haagse fietsenstalling wisselt
sterk in kwaliteit. Overal waar je kijkt staan grijze fietsbeugels
en de Biesieklette-stallingen worden zelfs in kostbare, kunstzinnige
jasjes gestoken.
Maar wie de fiets simpel onbewaakt bij CS
of HS wil stallen, moet daarvoor vroeg opstaan: de vrije stallingplaatsen
zijn beperkt in aantal en nog beperkter in kwaliteit. Deze onbetrouwbare
afwisseling in de kwaliteit van de Haagse fietsvoorzieningen is
de voornaamste oorzaak van het huidige, relatief lage Haagse fietsgebruik.
Maar er is troost: het Verkeersplan 2010 is de Haagse fietsers zeer
goed gezind! Het Verkeersplan 2010 pleit voor een inhaalslag in
de uitvoering van fietsvoorzieningen, wil barrières voor fietsers
doorbreken door tunnels of bruggen aan te leggen over snel- en waterwegen
en tram- en spoorbanen, besteedt aandacht aan de veilige oversteekbaarheid
voor fietsers en voetgangers van gelijkvloerse kruisingen en zal
meer buurtstallingen in woonwijken laten bouwen. Ook worden de plannen
voor fietsroutes en fietsenstallingen gekoppeld aan de nog te bouwen
Stadstransferpunten: opstappunten van het regionale openbaar vervoer.
Hierbij zal de gemeente rekening houden met de statistische gegevens
die worden verzameld over de rijdende en gestalde fietsen. Terwijl
de informatie over de wensen en behoeften van fietsers geleverd
wordt door intensief contact te houden met de Fietsersbond. Dat
zal dus wel goed komen, vooral omdat gelijktijdig het budget voor
fietsvoorzieningen (met enige steun van het kaderwetgebied Haaglanden)
aanmerkelijk is verhoogd! Toch levert al dat mooie beleid van het
Verkeersplan de fietsers voorlopig nog niets concreets op: er wordt
alleen een studie naar de betere ontsluiting van de nieuwe Haagse
Vinex-wijken gemaakt. Ook wordt er geen korte-rittenbeleid ontwikkeld,
waarmee een bijdrage kan worden geleverd aan het terugdringen van
de CO2-productie door het verkeer in Den Haag. Eveneens mist de
Fietsersbond een koppeling met de gemeentelijke nota over verkeersveiligheid:
aandacht voor de verkeersveilige inrichting van vlotte fiets- en
looproutes naar de scholen ontbreekt geheel. Zo blijft er tussen
de rijdende en geparkeerde auto's in de openbare ruimte te weinig
speelruimte voor kinderen over. Kortom: het Verkeersplan 2010 kiest
in woord al wel voor de fiets als meest geschikte vervoerswijze,
maar doet dat nog niet in daad. De vertaling van beleid naar uitvoering
kan blijkbaar alleen in een laag tempo. Zo zal het nog wel tien
jaar duren voordat het Haagse verkeer echt op twee wielen door de
bocht gaat!
Marc Beek Voorzitter Fietsersbond, afdeling Den Haag e.o.
meer artikelen
over mobiliteit
DEN HAAG
EN HET DUURZAME BOUWEN
Als een gemeente duurzaamheid serieus neemt,
en daar is alle reden toe, bieden nieuwbouwprojecten een uitgelezen
mogelijkheid om echt wat te doen. Dit natuurlijk naast het voor
de hand liggende beleid de levensduur van bestaande gebouwen te
verlengen. Vanaf het begin van het planproces kan bij nieuwbouw
dan rekening worden gehouden met maatregelen die van belang zijn
voor het in stand houden van de bestaansgrond van onze mensensoort,
zoals schoon water, schone lucht, een voor de mens geschikt klimaat
en voldoende ruimte voor een vitale biodiverse natuur. Duurzaam
Bouwen betekent dan niet alleen het nemen van allerlei technische,
fysieke maatregelen en aandacht voor bouwmaterialen. Het gaat ook
om de aantrekkelijkheid van de woningen, de leefomgeving en om flexibiliteit
als aanpassing nodig is doordat oorspronkelijke functies veranderen.
Bovendien hebben de slaapsteden uit de zestiger en zeventiger jaren
ons geleerd dat voorzieningen op loopafstand en het minimaliseren
van verkeersstromen tussen wonen-werken-recreeëren leveren
op termijn een belangrijke bijdrage aan de levensduur van een wijk.
Juist deze laatste zaken bepalen of de duurzaam gebouwde woningen
ook voor lange tijd gebruikt zullen worden. Dan hebben we het over
een pakket van maatregelen dat de volgende zaken bevordert:
compact bouwen en (mede daardoor) een behoorlijk
voorzieningenniveau in de buurt
een lange levensduur
CO2-reductie met name door energiebesparing en duurzame energie
een goede waterhuishouding en zuinig watergebruik
het gebruik van duurzame bouwmaterialen
het terugdringen van de automobiliteit
een aaneengesloten, niet al te smal groengebied
toezicht tijdens het bouwen en beheer na het bouwen
het betrekken van de bewoners bij de visie achter hun wijk/buurt
de kwaliteit van vormgeving van de woningen en de openbare ruimte
een aantrekkelijke sociale omgeving opnieuw kunnen gebruiken van
de infrastructuur als de bebouwing zijn functie verliest.
Uit deze opsomming wordt
direct duidelijk dat het bij duurzaam bouwen om een complex en integraal
proces gaat, waarbij zeer veel aspecten aan bod komen. Ook mag duidelijk
zijn dat een aantal maatregelen aanzienlijke kosten met zich mee
zal brengen. Dat behoeft, zoals we willen laten zien, geen onoverkomelijk
probleem te zijn. Tenminste als we bereid zijn over woningontwerpen,
bouwprocessen en afschrijvingstermijnen anders te gaan denken. En
de bouwwereld is bijna in zijn aard een conservatief wereldje. Wenkbrauwen
worden al snel opgetrokken als men wat anders wil. Wat de boer niet
kent, dat lust hij niet. En dat niet alleen. De bouwwereld hangt
aan elkaar van contracten en contacten met vertrouwde leveranciers
en bedongen kortingen. Planning is al moeilijk ondermeer door levertijden
en de inzet van schaarse vakmensen, maar als je dan met onbekenden
in zee moet... Laten we ons bovendien in de architecten niet vergissen.
Veel ontwerpen zien er modern en innovatief uit, maar dat is vaak
niet meer dan "gevelbekleding". Architectuur, maar ook
de vorm van de woonomgeving in het geheel, is een trendgevoelige
business en ook in deze wereld is te weinig bereidheid om een aantal
axioma´s rond ondermeer woningindeling en de 'architectonische
expressie' ter discussie te stellen. Als een huis langer meegaat,
dan moet het er ook langer fraai uit blijven zien. Ook is men om
den brode gevoelig voor de geringe veranderingsgezindheid en verlangens
van de bouwers. Opdrachtgevers die best gevoelig zijn voor duurzaamheidseisen,
laten zich door de dwingend gebrachte praktische bezwaren met bijkomend
kostenplaatje, vaak van hun eerdere mooie voornemens afbrengen.
Maar de opdrachtgever is uiteindelijk degene die bepaalt en als
de bereidheid bij opdrachtgevers er is om ernst te maken met duurzaam
bouwen dan zal dit, zoals eerder gezegd, zeer veel opleveren. Het
is namelijk vele malen goedkoper om veel van bovengenoemde zaken
te realiseren door ze direct in het ontwerp mee te nemen. Als dat
niet gebeurt, zijn vaak voor tientallen jaren de mogelijkheden om
duurzaamheid te realiseren om zeep geholpen. Bovendien dragen maatregelen
die de duurzaamheid bevorderen vaak bij aan de leefbaarheid. Elk
nieuwbouwproject zou dan ook standaard moeten voldoen aan een aantal
duurzaamheidseisen. Den Haag heeft mede door de inzet van voormalig
wethouder Noordanus een Checklist Ruimtelijke Ordening en Milieu
opgesteld die iedere beleidsambtenaar die te maken heeft met de
realisatie van nieuwbouwprojecten in zijn of haar bezit heeft. Maar
ligt die checklist in een la of staat deze voor het grijpen? Wat
wordt er gedaan als de gemeente geen opdrachtgever is? En met goede
controlelijsten alleen bouw je natuurlijk nog geen ecologisch verantwoorde
woningen. Dat is pas een eerste begin van een lang proces van vallen
en opstaan. Maar het is wel een spannend en uitdagend proces dat
resultaten kan opleveren waar iedereen trots op kan zijn.
Branding gaat in een
artikelenserie van drie afleveringen dieper in op duurzaam bouwen
in Den Haag. In de laatste aflevering zullen we het hebben over
de vraag waarom de voorbeelden van duurzaam bouwen in Den Haag bepaald
niet voor het oprapen liggen, ondanks de checklist en tal van nieuwbouwprojecten.
Daarover wordt een verantwoordelijke beleidsambtenaar aan de tand
gevoeld. Ook zullen we een of twee nieuwbouwprojecten onder de loep
nemen die nog op de tekentafel liggen. In de hierna volgende bijdrage
wordt aandacht besteed aan het voorbeeld van duurzaam bouwen dat
direct genoemd wordt: Wateringse Veld. Dit nieuwbouwproject plaatsen
binnen het bredere kader van duurzaam bouwen, dat vergt wat meer
woorden dan naar journalistieke maatstaven verantwoord wordt geacht.
U kunt zelf beoordelen of het, ondanks de lengte, boeiend genoeg
is.
meer artikelen
over ruimtelijke ordening & duurzaam bouwen
Duurzaam Bouwen op Wateringse
Veld
Wateringse Veld is een van de Vinexlocaties waar van het Rijk
in het open gebied gebouwd mocht worden om tegemoet te komen aan
de groeiende vraag naar woonruimte. Doordat Den Haag geen ruimte
had om grootschalige nieuwbouw te realiseren is er een strijd met
de buurgemeenten losgebrand om uitbreiding van het Haagse grondgebied.
In 1994 kwam er een zogeheten 'grenscorrectie' waardoor Wateringse
Veld (328 hectare waarvan 260 wordt bebouwd) binnen Haagse grenzen
werd getrokken. Vervolgens zijn door de ontwikkelingscombinatie
van de Gemeente met het Bouwfonds de tuinders uitgekocht. De eerste
paal werd in september 1996 geslagen en in 2006 wordt volgens schema
de laatste woning opgeleverd. Er worden in totaal 7500 huizen gebouwd
in 8 buurten met ieder een eigen karakter waar in totaal zo'n 20.000
Hagenaars zullen worden gehuisvest. De wijk moet door herkenbare
architectuur, lommerrijke lanen, waterpartijen en plantsoenen een
echte Haagse uitstraling krijgen. Van de woningen bestaat 80% uit
eengezinswoningen. Er komen twee winkelcentra, vier scholen, 10
hectare sportvelden, 12.000 parkeerplaatsen en een aaneengesloten
recreatief groengebied.
Wat bij een eerste verkenning, naar wat het duurzame bouwen op
Wateringse Veld inhoudt, direct opviel is het schitterende, goed
geschreven boek voor de bewoners over hun wijk en de ruime aandacht
daarin voor duurzaamheid en leefbaarheid. De productie van dat boek
heeft samen met het bewonersfeestje een slordige miljoen gulden
gekost. Dat is veel geld. De vraag echter is of een dergelijk boek
het beoogde effect van betrokkenheid van de nieuwe bewoners bij
de wijk en het duurzame idee daarachter werkelijk bevordert. Een
nadeel van een boekwerk lijkt de veelheid aan informatie. Nemen
mensen het dan wel echt ter hand, doen ze er wat mee? Zijn er geen
betere en minder kostbare manieren om bewoners te betrekken? Wat
betreft het persoonlijk betrekken van de bewoners bij de duurzaamheidaspecten
van hun wijk zijn geen andere acties ondernomen. Uit een kleine
steekproef van ons onder 20 bewoners bleek in het algemeen een behoorlijke
tevredenheid over het wonen, 4 mensen hadden stukken van het boek
goed gelezen, 6 wel ingekeken en stukjes gelezen, 4 niet gelezen
en 6 niet opgehaald. Ook was een aantal mensen van de ondervraagden
echt geïnteresseerd in het duurzame concept achter de wijk. Een
aantal bevindingen komt verderop nog aan de orde.
Wat ook opvalt, is het enthousiasme van het projectteam voor hun
eigen project. Men is er trots op dat vrijwel alles rond duurzaamheid,
dat in het begin van het planproces is opgenomen, uiteindelijk ook
gerealiseerd is. Dit is bijzonder omdat de weerbarstige praktijk
leert dat heel wat zaken als puntje bij paaltje komt onderweg onder
andere door de meerkosten sneuvelen. Bij alles wat we hier verder
over het project schrijven, willen we benadrukken dat wat betreft
duurzaam bouwen Wateringse veld aanmerkelijk beter scoort dan veel
andere nieuwbouwprojecten, ook in de buurgemeenten. Er is flink
wat meer bereikt dan de landelijke standaard van 1996, zoals vastgelegd
in het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen. Een pakket overigens met
een niet al te hoog ambitieniveau. De vraag is echter of beter wel
goed genoeg is, vergeleken bij wat kan en wat nodig is. En er kan
veel als de wil bij de opdrachtgever er is en men een andere financiële
bril durft op te zetten. En uiteraard moet met rechte rug onderhandeld
worden met bouwers en de aannemers altijd op de vingers gekeken
worden.
WOONDICHTHEID
Laten we daarom een aantal van de eerder genoemde criteria voor
Duurzaam Bouwen eens op dit woningbouwproject loslaten. Allereerst
de woondichtheid en de voorzieningen binnen loop en fietsafstand.
Deze twee zaken hangen direct met elkaar samen want hoe meer mensen
in een buurt wonen hoe minder grond er aan de open groene ruimte
hoeft te worden onttrokken en het behoud van de open groene ruimte
is van groot belang voor natuur en milieu. Bovendien betekent veel
mensen ook een hoger niveau van voorzieningen als winkels, scholen,
recreatie en medische zorg. En dat is goed voor zowel de leefbaarheid
als voor het terugdringen van met name de automobiliteit. En al
dat blik van de straat is op zich weer goed voor de leefbaarheid.
Er is wel een probleem bij het beoordelen van de woondichtheid.
Het is de gangbare opvatting onder beleidsambtenaren dat, om te
voorkomen dat de koopkrachtige Hagenaar zijn heil buiten Den Haag
zoekt (met alle gevolgen voor de inkomsten en dus voorzieningen
van de stad), het nodig is om een ruim aanbod te hebben van liefst
vrijstaande eengezinswoningen met tuin en twee auto's voor de deur.
De markt zou dit eenvoudigweg voorschrijven. Daarom zijn er nogal
wat ruime kavels in het Wateringse Veld. Wij hebben zo onze twijfels
over deze aannames. Prettig wonen betekent voor heel veel mensen
bijvoorbeeld voorzieningen in de buurt bij voorkeur op loopafstand
en het gebrek daaraan is dan ook precies waar de bewoners in Wateringse
Veld voortdurend over klagen. Die hebben, lijkt het, weinig prioriteit
want hoe kan het anders dat de financiering van een aantal medische
posten bijvoorbeeld nog steeds niet rond is, wat tot grote problemen
leidt.
Het autobezit is er dan ook onevenredig hoog en je moet concluderen
dat, net als in Ypenburg, het dagelijkse leven zonder auto een stuk
minder comfortabel is: dat geldt voor de reis naar je werk, een
station maar ook langs de dokter, de basisschool of de winkel. Er
komen weliswaar nog twee supermarkten, maar een hoog voorzieningenniveau
is niet mogelijk bij de huidige woondichtheid. Ook worden voorzieningen
onvoldoende ingepland en daarin geïnvesteerd. Men heeft nadat alles
al ontworpen en ingetekend was nog wel een poging gedaan om het
aantal woningen te verhogen van 7000 naar 8000. Uiteindelijk zijn
het er 500 meer geworden. Een gemiste kans dus, want als vanaf het
begin op een vernuftige manier compacter was ontworpen dan zou het
dubbele aantal woningen gerealiseerd kunnen worden.
Slim en creatief ontwerpen is buiten de geijkte kaders en plattegronden
durven te denken en de nieuwe eisen wat betreft duurzaamheid zien
als een uitdaging voor vernieuwing. Dat alles zonder uit het oog
te verliezen wat mensen als prettig wonen ervaren. Dat betekent
voor architecten de verleiding weerstaan mee te doen aan trends
die zo tijdsgebonden zijn dat deze over 10 jaar alweer uit zijn.
Dat betekent kort gezegd een voor de beleving ruime woning realiseren,
met veel licht, goede inrichtingsmogelijkheden, een aardig uitzicht,
met de auto onder de grond en voor de liefhebbers een groot balkon
om buiten tussen de planten te kunnen vertoeven. Deze woningen vervolgens
zo ontwerpen en stapelen dat architectonische kwaliteit gecombineerd
wordt met een hoge woondichtheid. Dat betekent tevens dat de prijs
per woning aanmerkelijk kan dalen. Dat is goed voor iedereen en
daar kunnen dan bijvoorbeeld weer de parkeergarages uit bekostigd
worden. Vanuit duurzaamheid gezien had die grotere dichtheid ons
landschap en de natuur een hele Vinexlocatie gescheeld en een dubbel
zo hoog voorzieningenniveau voor de bewoners opgeleverd.
LEVENSDUUR
Het volgende punt is de levensduur van de woning. Er staan in de
oude binnensteden tal van huizen van honderden jaren oud. Een dergelijke
levensduur scheelt onnoemelijk veel energie en bouwmaterialen. Het
gebruik van duurzame materialen en een stevige constructie levert
bij goed onderhoud een veel langere levensduur op. Vreemd genoeg
worden alleen populistische en aan de buitenkant zichtbare maatregelen
(gebrekkig) doorgevoerd: zo moet je de buitengevel rondom een raam
slopen wanneer je een kozijn wilt vervangen dat rot is; 'montagekozijnen'
waarin je dat eenvoudig kunt verwisselen worden niet toegepast.
Een hardboard binnendeur wordt duurzaam genoemd, maar veel 19e en
20e eeuwse woningen laten zien dat de sterkere paneeldeuren na 100
jaar er nog geweldig uit kunnen zien. Een eikenhouten of teakhouten
voordeur is niet alleen mooier maar gaat zonder problemen 100 jaar
mee en is maar drie keer zo duur als een deur die nog geen twintig
jaar mee gaat. En daaraan zit wellicht een nog belangrijker voordeel.
Het geeft de mogelijkheid tot een veel langere afschrijftermijn
en dat betekent dat de huizen per levensjaar veel goedkoper worden.
Investeringsplaatjes gaan er vanzelfsprekend heel anders uitzien
als zonder probleem op deze manier het dubbele budget beschikbaar
is. Alle extra kosten kunnen gefinancierd worden door een eenvoudige
paragraaf in het belastingstelsel en hypotheekvoorwaarden. De afschrijftermijn
in Nederland is nu nog 50 jaar. Dat kan zo naar 75 of 100 jaar wanneer
er technisch en esthetisch aan bepaalde eisen wordt voldaan: flexibiliteit,
detaillering en materiaalgebruik, onderhoud en reparatiemogelijkheden.
In het Wateringse Veld is van die 50 jaar evenwel niet afgeweken.
Ook wat dit betreft had men boven de bestaande normen moeten gaan
zitten. Voor een deel van de woningen is het daar overigens nog
niet te laat. Wanneer we daarbij constateren dat een nieuwbouwwoning
voor viereneenhalve ton wordt opgeleverd en binnen een jaar voor
drie ton méér wordt doorverkocht, dan is het wrang te constateren
dat die winst in de zak verdwijnt van de eerste koper en niet is
aangewend om een betere en duurzamere woning te bouwen.
BROEIKASEFFECT
Nu dan de CO2-reductie. Per woning zijn tal van maatregelen genomen
zoals zonneboilers, zonnepanelen, bouwen op de zuidkant voor goede
lichtinval, een warmtenet met een centraal ketelhuis waarop 2000
woningen worden aangesloten en de gebruikelijke maatregelen als
hoog isolerend glas, dakbedekking en spouwmuren. Daardoor is men
ruim onder de nationale Energie Prestatie Norm (EPN) uitgedrukt
in een coëfficiënt (EPC) van 1,1 gaan zitten. Het Wereld Natuurfonds
heeft overigens al huizen gerealiseerd met een norm van 0,6. Dit
betekent een verbruik van 400 m3 aardgas ten opzichte van 1200 m3
bij een norm van 1. Dat scheelt dus nogal wat. Wateringse Veld zit
op een EPC van 0,85 en de bouwwereld is bereid een EPC van 0,8 tot
standaard verheffen, maar die moet dan wel landelijk verplicht gesteld
worden. Staatssecretaris Remkes (VVD) wil dit echter niet "dirigistisch"
opleggen. Komen de bouwers zelf eens met een goed initiatief, wordt
dit zo de grond in geboord. Laten we toch afstappen van dit soort
schemadenken. Soms is het beter een norm vast te stellen of te privatiseren
en soms niet.
Een bewoner vertelde ons dat het een gemiste kans was dat niet
op grote schaal zonnecollectoren zijn aangebracht. Waarom niet hele
daken daarmee bekleed? In een deel van Wateringse Veld, de Bouwlusthof,
wilde men zelfs een energieneutrale buurt doen verrijzen. Dat betekent
net zoveel energie opwekken als verbruiken. Daar zijn voorbeelden
van zoals in Heerhugowaard. Hier wil men drie windmolens plaatsen
en via een allesbrandertje per huis ook nog wat bij kunnen stoken.
Ook leuk voor de mensen. Een EPC van 0 bleek echter moeilijk haalbaar
omdat men bijvoorbeeld grote ramen wilde, niet alles op de zon wilde
bouwen en ruimere woningen wenste met een bredere gevel en een hoger
plafond. Daar zijn goede argumenten voor te geven, want niet alles
wat goed voor het milieu is, is ook goed als het gaat om prettig
en comfortabel wonen. Een EPC van 0,25 bleek dan wel haalbaar. Of
dit project uiteindelijk gerealiseerd wordt, hangt met name ervan
af of men het geld ervoor over heeft en of de geluidhinder van de
windmolens geen roet in het eten gooit. Ons advies zou zijn om een
deel van de extra investeringen te betalen door de afschrijftijd
te verlengen. Bovendien mag voor een aansprekend voorbeeld van een
wooncomplex binnen de Haagse grenzen met een zeer lage EPC wel dieper
in de buidel getast worden.
WATERHUISHOUDING
Nu dan het water. Aan een goede waterhuishouding is met inzet en
inventiviteit gewerkt, waarbij watervoorzieningen herkenbare dragers
zijn van het totale stedenbouwkundige plan. Zo doet het Wateringse
Veld zijn naam ook eer aan. De oude waterlopen, zoals de oude getijdenkreek
de Gantel, zijn zo veel mogelijk in takt gelaten en er is slim gebruik
gemaakt van de natuurlijke scheiding tussen het hoger en lager gelegen
deel. Door het creëren van grote waterpartijen die karakteristiek
zijn binnen het project was het mogelijk om een geheel gesloten
waterhuishoudingssysteem te scheppen. Dit is dus afgesloten van
het boezemwater. Dit betekent dat geen vuil water wordt binnengelaten
maar ook dat de waterbergingscapaciteit voldoende moet zijn. Die
waterbergingscapaciteit werd gewaarborgd doordat 10% van de wijk
uit water bestaat en door het openbaar gebied zo min mogelijk te
verharden zodat het water in de grond kan zakken. Door het gescheiden
riool wordt het hemelwater niet op het riool geloosd, maar blijft
dit binnen de wijk. Dit scheelt kosten aan waterzuivering en energie
en door het veel schonere oppervlaktewater ontstaat als vanzelf
een gevarieerde oevervegetatie. Wel stelt het behoorlijk hoge eisen
aan het voorkomen van vervuiling van het oppervlakte water door
afspoeling van vuil op drukbereden wegen, hondenpoep, het wassen
van de auto of het sleutelen daaraan op straat, zwerfvuil en, om
maar iets te noemen, het gebruik van bouwmaterialen die door uitspoeling
zware metalen in het milieu brengen zoals de huidige trend om gevels
te bekleden met zink. Dit betekent betere technieken als afvoer
van eerste afspoeling van wegen, bakken die voor filtering zorgen
en de helofytenfiltering door riet en biezen. Het betekent ook meer
aandacht voor controle en beheer.
In het ontwerp en in de uitvoering daarvan is deze waterkwaliteit
ook zichtbaar gemaakt om zo een aantrekkelijke woonomgeving en openbare
ruimte te scheppen. Dat is gedaan in samenwerking met de stichting
Stroom voor toegepaste kunst. Dit heeft ondermeer een basalten kademuur
opgeleverd. Samen met de oude Bovendijk als natuurlijke scheiding
tussen het hoger en lager gelegen deel is deze muur een functioneel
en aantrekkelijk landschappelijk element. Het water dat via open
straatgoten in het midden van het wegdek in de zogeheten waterstraten
wordt afgevoerd stroomt, uit de kademuur op een spannende manier
over ontworpen stenen tafels in de Waterlandsingel. Via een circulatiepompsysteem
wordt het water in het hele gebied in beweging gehouden zodat het
leeft en zuurstof opneemt. En natuurlijk werken deze pompen op zonne-
of windenergie. Tenslotte is voor een betere ontwatering van de
klei- en veenbodem gebruik gemaakt van drainagebuizen die zowel
voor de afvoer van grondwater als van regenwater zorgen. Het zit
dus wel goed met deze integrale aanpak van het waterbeheer.
MOBILITEIT EN ONTSLUITING
De ligging van Wateringse Veld en ook van andere Vinexwijken is
gezien vanuit mobiliteit en flexibiliteit niet erg gunstig. Het
is een soort eindhalte/satellietwijk waar je slechts op een manier
in kunt en op dezelfde manier weer uitkomt. Je komt er nooit zomaar
langs als je van het ene deel van de stad naar het andere gaat.
Dat betekent niet alleen meer (auto)kilometers, maar ook dat het
moeilijk zal zijn om, met gebruikmaking van de totale infrastructuur,
een andere functie aan het gebied te geven als de huidige woonfunctie,
met name gericht op gezinnen met opgroeiende kinderen, niet meer
zou voldoen. Dan moet alles gesloopt. Weg investeringen en kapitaal
en jammer voor het milieu.
Maar binnen dit gegeven is door de ontwerpers vanaf het begin van
het planproces uitgegaan van een goede ontsluiting van de wijk en
het scheppen van alternatieven voor de auto. Men stelt onomwonden
dat het autoverkeer dient te worden afgeremd en dat meer asfalt
het probleem niet zal oplossen. Wel spreekt men over de centrale
ligging van Wateringse Veld. Daar snappen wij niets van, al sluit
de wijk zeker beter aan bij Den Haag dan andere Vinexlocaties. Daardoor
was het relatief gemakkelijk om "al" in 1999 te zorgen voor aansluiting
op het openbaar vervoer door tramlijn 17 door te trekken. Dat is
snel vergeleken bij veel andere Vinexwijken. Binnenkort komt lijn
9 daar nog bij. Daarna volgen nog en aantal buslijnen. Dat vanaf
het begin de wijk door openbaar vervoer ontsloten is, is van groot
belang omdat dit van invloed is op de keuze van bewoners en toekomstige
bewoners wat betreft hun vervoerswijze; neem bijvoorbeeld de aanschaf
van een eerste of tweede auto. Wel klaagde iemand over de kosten
omdat vier zones nodig zijn om in de stad te komen.
De inrichting van de wijk is zo dat auto's niet van de ene buurt
naar de andere kunnen, maar altijd via de twee centrale ontsluitingswegen
gedirigeerd worden: het Oosteinde en de Laan van Wateringse Veld.
Deze wegen sluiten goed aan op het rijkswegennet. In de meest compacte
wijk zijn zes autovrije hoven waardoor er meer ruimte is voor groen
en speelplekken. En ook de fiets is niet vergeten: vrijliggende
fietspaden die aansluiten op recreatieve routes en een fijnmazig
netwerk van fietspaden in de buurten. Ook de snelheidsbeperking
van 30 km is goed voor het veilig kunnen fietsen. Voor het direct
kunnen doorsteken voor fietsers van de ene buurt naar de andere
komen er ook speciale fietsbruggen.
Helaas wordt, ondanks deze inzet, toch erg veel ruimte ingenomen
door de 12000 parkeerplaatsen. De twee centrale pleinen die sterk
hadden kunnen bijdragen aan een groene beleving en aan een leefbare
omgeving worden volkomen door het autoblik gedomineerd. De opvatting
is dat er zelfs een tekort aan parkeerruimte is. Maar al dit blik
had gewoon onder de grond gestopt kunnen worden en door de parkeernorm
te verlagen dwing je de bewoners gebruik te maken van de alternatieven.
Als je kiest voor Wateringse Veld, met alle voordelen die beperking
van de automobiliteit voor de leefbaarheid betekent, is het duidelijk
dat meer dan een auto, liefst onder de buurt, er niet in zit. Bovendien
zouden meer voorzieningen in de wijk, zoals reeds besproken, structureel
voor een forse beperking van de mobiliteitsbehoefte zorgen.
Wat ronduit een gemiste kans is, is dat niet direct het autodelen
via bijvoorbeeld GreenWheels sterk gepromoot is. Bij autodelen heeft
men persoonlijk niet de lasten van de auto, maar wel de lusten,
want er staat met de chipkaart vlak bij huis altijd een auto met
boordcomputer klaar. En ook de wijk heeft dan de last niet. Bovendien
is het veel goedkoper. Weliswaar wordt in het bewonersboek hier
een kleine passage aan gewijd, maar dat zorgt natuurlijk niet voor
deelauto's in de wijk.
DE NATUUR ALS NAASTE BUUR
In Wateringse Veld komt naast het water ook veel groen. Al dat groen
zorgt door zijn herkenbare variatie voor rust en beslotenheid en
draagt aldus sterk bij aan de leefbaarheid. Belangrijk is dat men
ervoor gezorgd heeft dat al dat groen op elkaar aansluit. Daardoor
heeft het behalve een belangrijke recreatieve waarde vlak voor de
deur, ook een belangrijke ecologische functie zeker daar waar speciale
ecologische zones zijn aangelegd die niet in de eerste plaats een
recreatieve functie hebben. In de grote brede ecologische zones
zoals langs de Rijner Watering, heeft de natuur vrij spel. De aaneengesloten
ecologische verbindingszone is van groot belang voor het behoud
van de verscheidenheid in de natuur. Deze loopt dwars door de wijk
en legt zo een verbinding tussen het bedreigde natuurgebied de Uithof
en de Voordes in het Noorden en de waterloop de Zweth en het veenweidegebied
Midden-Delfland. Een knelpunt is de flessenhals bij de toekomstige
stadsboerderij.
In de buurten worden maar liefst 300 verschillende boomsoorten
geplant die binnen de condities van Wateringse Veld lijken te kunnen
floreren. Hierdoor wordt het bomenspectrum veel gevarieerder dan
gebruikelijk in stadswijken. Aardig is dat de "boomkunstenaar" die
de selectie heeft gemaakt ook een bomengids heeft samengesteld en
granieten tegels heeft gemaakt die aan het begin van de straat in
de trottoirs geplaatst zijn. Op deze stenen staan de naam en bladvorm
van de bomen.
MATERIAALGEBRUIK
In Wateringse Veld zijn behoorlijk hoge eisen gesteld aan het gebruik
van duurzame materialen. Dan gaat het om lange lijsten met beschrijvingen
en eisen waar bouwers en aannemers zich aan dienen te houden. Of
dat ook gebeurd is, valt alleen met een technisch onderzoek te achterhalen.
Daar zijn wij niet aan begonnen en daar hebben we ook het geld en
dus de deskundigheid niet voor. Er mocht in ieder geval geen tropisch
hardhout gebruikt worden of het moest het FSC-keur hebben. Materialen
als lood en zink zijn zo min mogelijk verwerkt doordat de winning
vaak desastreus is voor het milieu en deze door uitspoeling en verwering
zware, giftige metalen in het milieu brengen. Opvallend is dat beton
als duurzaam wordt gekenmerkt, terwijl de productie van beton zeer
hoog energetisch is en de delving van de benodigde grondstoffen
vaak met forse milieuschade gepaard gaat. Natuurlijk zijn er wel
verbeteringen zoals het verwerken van puingranulaat in plaats van
grind en eisen aan de winning van zand en mergel in Nederland. Maar
het blijft een niet erg duurzaam bouwmateriaal. Ook hergebruik is
beperkt mogelijk.
SCHOONHEID IS DUURZAAM
Bij de opzet van de wijk zou een poging worden gedaan aan te sluiten
bij het 'Haags repertoire' aan wijken: de groene lanen van Zuid-west,
huizen met kappen als in Benoordenhout en Marlot, de moderne witte
architectuur in het Bos van Zanen. De wijk moest daarmee niet alleen
'Haags' worden, maar ook op lange termijn ontsnappen aan de waan
van de dag waar veel nieuwbouw onder lijdt. Wanneer je sommige stukken
in het Lage Veld bekijkt, lijkt dat daar maar matig gelukt. Onder
de stedenbouwers en architecten wordt nauwelijks in deze zin gedebatteerd
over duurzaam bouwen. Terwijl de kwaliteit van de vormgeving van
woningen en de openbare ruimte van groot belang is, als het er om
gaat voor tientallen jaren een aantrekkelijke woonomgeving te hebben
en te houden.
Er zou nog veel meer te vertellen zijn over Wateringse Veld zoals
de problemen die het gevolg zijn van het overplanten van hele straten
uit Zuid-West naar de buurt Lage Veld waarmee de sociale problematiek
ook overgeplant wordt. Over het belang van het intensief betrekken
van bewoners bij hun buurt door een combinatie van aansprekende
informatie, positieve waardering, goed beheer en controle met sancties
om de hondenpoep en het zwerfvuil zoveel mogelijk te voorkomen.
Uit onze gesprekken met bewoners bleek veel mis te zijn met het
beheer: veel mensen die hun auto toch op straat wassen, hondenpoep,
verkeerd aangeboden huisvuil, vernielingen, illegale puinstort,
veel zwerfvuil etc. Ook werd gewag gemaakt van schadelijk bouwafval
met piepschuim, lege kithulzen en blikken, het gebruik van purschuim
en vragen over het onderhoud van de zonnepanelen.
In het bestek van dit artikel is het niet mogelijk daar verder
op in te gaan. De beoordeling van Wateringse Veld voor wat betreft
duurzaam bouwen is niet makkelijk. Je zou kunnen zeggen dat in het
land der blinden eenoog koning is. Dat zou het projectteam geen
recht doen. Als je ook beoordeelt vanuit inzet en wat binnen de
vastgelegde kaders mogelijk was scoort dit project binnen de Haagse
context gewoon erg goed. Indien we uitgaan van wat vanuit een brede
en integrale benadering kan en mogelijk en nodig is, scoort het
project zeker voldoende. En de beoordeling van Den Haag als geheel
houdt u nog van ons tegoed.
Frans van der Steen
meer artikelen
over ruimtelijke ordening & duurzaam bouwen
"MILIEU: EEN VERPLICHT VAK
OP DE BASISSCHOOL"
Op een typisch grijze, regenachtige januaridag
bezoeken we Dirk van Rijn en z'n vrouw in zijn huis. Dirk is geboren
in 1923 als zoon van een molenaar en een boerendochter. Enthousiast
steekt hij van wal. De belangstelling voor de natuur heeft hij met
de paplepel ingegoten gekregen. Dat begint al in z'n vroege jeugd,
1937, wanneer hij een actieve padvinder blijkt. Met verrekijker,
pukkel en kompas trekt hij er als jong knaapje regelmatig op uit.
Zo ook op 11 mei 1940, wanneer de Tweede wereldoorlog uitbreekt.
Bevlogen vertelt hij over wat hij heeft meegemaakt en hoe hij de
oorlog door zijn ogen heeft vastgelegd op papier. Naast een gepassioneerd
verteller, een man met vreselijk veel kennis van de natuur, blijkt
Dirk ook nog te beschikken over een groot tekentalent. Menig aangrijpend
oorlogstafereel en oogstrelend landschap trekken aan ons voorbij
wanneer hij zijn verzameling tekeningen voor ons uitstalt. Vol trots
kondigt hij dan ook de publicatie aan van zijn boek, begin mei,
met daarin uitsluitend zijn tekeningen en schilderijen over de oorlog.
Na de oorlog gaat Dirk, inmiddels veteraan, werken
als groepsleider in het jongerenwelzijnswerk. Hij blijft dit de
rest van z'n leven doen en trekt er, hoe kan het ook anders, met
de 'jongens' vaak op uit. "Natuurlijk gingen we niet in het pikkiedonker
naar buiten, maar wachtten we op het juiste maanlicht." Ook het
gezin van Rijn, met vier dochters en twee zonen, ging als het maar
even kon 'naar buiten'; met z'n allen in het VW-busje de natuur
in.
Met zijn ruime ervaring en ideeën over hoe kinderen
betrokken kunnen worden bij de natuur en het milieu besluit hij
mee te dingen naar de Haagse Milieuprijs met zijn idee dat liefde
voor de natuur via het onderwijs in de kinderziel gegrift moet worden.
"Bewustwording van wat milieu is moet voorop staan.
Milieu moet voor kinderen een ontdekking worden. Mijns inziens moet
het vak milieu, naast bijvoorbeeld het schoolzwemmen, een verplicht
vak zijn vanaf groep 3. Kinderen weten nu nog net wat een brandnetel
is, maar bij herderstasje denken ze eerder aan Mond- en Klauwzeer."
Voor Dirk van Rijn, getekend door de oorlog, is
de natuur hét symbool voor vrijheid. "Wat het leven is? Het leven
is vrijheid! En God? De zon is mijn god! De enige plek waar de ware
wijsheid van het leven te vinden is, is in de natuur."
Dirk van Rijn ontvangt voor deze inzending een van
de vier aanmoedigingsprijzen. Het Haags Milieucentrum gaat, samen
met andere organisaties, in de nieuwe Collegeperiode bekijken welke
politieke partijen ervoor voelen om hier in Den Haag wat meer mee
te doen.
Monique Vermin
GROEN
forum
WIE HET EERST ONDERHANDELT, ONDERHANDELT HET BEST?
De Zwarte Madonna is een woongebouw op
een steenworp afstand van het Centraal Station in Den Haag. De gemeente
wil de Zwarte Madonna en twee aangrenzende ministeriegebouwen slopen
om zo ruimte te maken voor het "Wijnhavenplan", een plan
met kolossale nieuwbouw voor de Ministeries van Justitie en Binnenlandse
Zaken. Hoewel het plan van de gemeente ook een bescheiden aantal
woningen, diverse voorzieningen en talrijke winkelruimtes bevat,
is het overduidelijk dat het Rijk de drijfveer is achter het plan.
September jl. schreef Frans van der Steen een aansprekend artikel
over de Zwarte Madonna ("De kwestie Zwarte Madonna: een zwarte
bladzijde?", Branding nr.2). Dat de sloop van drie technisch
zeer goede gebouwen, die nog lang niet zijn afgeschreven, vanuit
milieuoogpunt een slechte zaak is, behoeft geen discussie. Daarover
was Van der Steen dan ook kort. In het artikel lag de nadruk veel
meer op het besluitvormingsproces dat tot het Wijnhavenplan heeft
geleid. De kritiek van Van der Steen was dat hierin o.a. milieubezwaren
geen rol hebben gespeeld. Hij stelde dat kwaliteit van het besluitvormingsproces
cruciaal is als het om duurzaamheid gaat.
In Branding nr.3 reageerde wethouder Hilhorst op de kritiek. Met
een verhaal over hergebruik probeerde hij de milieubezwaren te bagatelliseren
om vervolgens in het geheel voorbij te gaan aan de kritiek op het
besluitvormingsproces. Namens de bewoners zet ik mij nu alweer 1.5
jaar in voor behoud van de Zwarte Madonna. De kritiek van de bewoners
is net als die van Van der Steen voor een groot deel gericht op
het besluitvormingsproces. Wij vinden de besluitvorming onzorgvuldig,
o.a. omdat er onvoldoende aandacht is geweest voor de vele alternatieve
plannen.
Uit ervaring weet ik dat bezwaren van bewoners (en andere Hagenaars)
hetzelfde lot is beschoren als milieubezwaren. Zij worden weggepoetst
met mooie, maar inhoudsloze woorden. Op die manier wordt voorbijgegaan
aan de kern van de bezwaren. Hoe komt het toch dat dergelijke maatschappelijke
belangen zomaar worden weggehoond? De oorzaak ligt in het besluitvormingsproces.
Een besluitvormingsproces over zo'n groot project begint meestal
met geheime onderhandelingen tussen de driehoek, gemeente, projectontwikkelaars
en afnemer (in dit geval het Rijk). De belangen zijn vooral van
financiële en economische aard. De gemeente wil werkgelegenheid
en economische groei. De projectontwikkelaars willen investeringen
met weinig risico en een hoog rendement. De afnemer wil voor weinig
mooie nieuwe gebouwen. De belangen lopen dus ver uiteen en de onderhandelingen
verlopen moeizaam. Geen van de partijen heeft er belang bij om andere
dan technische of financiële bezwaren bij de besluitvorming
te betrekken. Zeker als het Rijk zelf de afnemer is, zullen milieubezwaren
het moeten afleggen tegen een zeer sterke drang om tot besluitvorming
te komen.
Pas als genoemde driehoek het eens is, komen de plannen in de openbaarheid
en krijgen bewoners en ander belanghebbenden (bijvoorbeeld milieuorganisaties)
de kans hun zienswijze naar voren te brengen. De driehoek heeft
er dan echter geen enkel belang meer bij om af te wijken van de
in de achterkamertjes moeizaam overeengekomen afspraken. Zij stellen
dus alles in het werk om bezwaren en alternatieven van welke aard
dan ook te bagatelliseren of zelfs helemaal terzijde te schuiven.
In de gemeenteraad worden zij daarin ondersteund door de collegepartijen
die niet het risico willen lopen op electorale schade en dus hun
eigen wethouder niet zullen afvallen.
Zolang de besluitvorming bij dit soort processen niet wordt omgedraaid
(eerst inspraak en pas daarna onderhandelen) zullen milieuoverwegingen
en bewonersbelangen, tenzij wettelijk vastgelegd, geen rol spelen.
Het is de arrogantie van de macht dat zij, zonder naar haar burgers
te luisteren, denkt te weten hoe de stad bestuurd moet worden en
welke waarden voor haar burgers belangrijk zijn. Het milieu en de
huurder delven in dit machtsspelletje vooralsnog vaak het onderspit.
Toch heb ik goede hoop dat Fort Madonna onneembaar zal blijken,
en wie het laatst lacht...
Oscar Dijkhoff,
voorzitter van de Stichting Vrienden van de Zwarte Madonna
meer artikelen
over ruimtelijke ordening & duurzaam bouwen
REACTIE VAN WETHOUDER VERKERK
In Branding nr. 3 van november/december
2001 staat de redactie uitvoerig stil bij het gemeentelijke concept-milieubeleidsplan
en de CO2-reductie.
Als wethouder van de gemeente Den Haag ben ik ondermeer verantwoordelijk
voor de portefeuille Economie en ook voor het gemeentelijk energiebeleid.
Vanuit dit laatste beleidsterrein ben ik nauw betrokken bij het
energiebesparingsbeleid en zeer geïnteresseerd in de opvattingen
over dit beleid. Ik maak dan ook graag gebruik van de geboden gelegenheid
te reageren op Branding.
In het artikel bepleit de redactie voor de
opstelling van een gemeentelijk energiebeleidsplan. Ik ben het geheel
en al eens met dit voorstel.
Het college van Burgemeester en Wethouders heeft daartoe ook al
besloten.
Dat plan is dan ook in de maak en komt dit jaar in bestuurlijke
behandeling. Dit plan volgt op het milieubeleidsplan dat het college
in november 2001 heeft vastgesteld. Het is dus niet zo, dat de gemeente
zou hebben gedacht dat een milieubeleidsplan voldoende soelaas zou
geven voor energiebesparing. Het milieubeleidsplan bevat al wel
een hoofdstuk over het te voeren gemeentelijk klimaatbeleid.
Het te ontwerpen nieuwe energiebeleidsplan zal hier verder op ingaan
en zal mede worden gebaseerd op de (klimaat)overeenkomst die de
ministeries van VROM en EZ omstreeks maart gaan sluiten met VNG
(Vereniging van Nederlandse Gemeenten) en provincies. Die overeenkomst
omvat ook geldelijke steunmogelijkheden voor onze gemeente. De gemeente
zal daar uiteraard op inhaken..
Naast dit energiebeleidsplan gaat de gemeente
over enkele weken met Eneco een samenwerkingsovereenkomst aan voor
meerdere jaren. Het doel van die overeenkomst is om samen projecten
op te zetten die gericht zijn op het verder doorvoeren van duurzame
energie en reguliere energiebesparing. Die aanpak zal leiden tot
een substantiële CO2-reductie.
De Ontwikkelingsmaatschappij Den Haag, kortweg de 'Om Den Haag',
zal daarbij een belangrijke rol gaan vervullen. Huishoudens en overheidsinstellingen
zullen opnieuw merken dat het de gemeente op dit gebied ernst is.
Eneco wendt daarbij middelen aan die nog uit de MAP-periode (MilieuActiePlan)
stammen. Inmiddels is op werkniveau de samenwerking al aan de gang.
Naast deze binnenkort af te sluiten overeenkomst met Eneco heeft
de gemeente nu al concrete afspraken lopen over de afzet van zonneboilers
en zonnestroom met Eneco en de gemeente Rotterdam. In internationaal
verband (The Hague Solar City) toetst de gemeente haar 'zon-beleid'
aan de nieuwste inzichten die bij andere steden, wereldwijd, rijpen.
Tegen deze achtergrond moet echter beseft
worden, dat duurzaamheid een kwestie van lange adem is. De gemeente
kan niet direct met een druk op de knop het (energie)gedrag van
onze 460.000 inwoners wijzigen. Daarvoor moet gedragsverandering
worden gestimuleerd.
De gemeente is bijvoorbeeld ook niet bij machte om markt/prijsontwikkelingen
op de energiemarkt te forceren. Dat zien we bijvoorbeeld bij het
idee om het stadsverwarmingsnet uit te breiden. Uitbreiding van
dit net is een zaak van NV E-ON en van NV ENECO Energie. De beperkte
rentabiliteitsmogelijkheden van dit net gevoegd bij het gegeven
dat de marktomstandigheden voor deze bedrijven - zij opereren in
een vrije energiemarkt - nu anders zijn dan voorheen, impliceren
dat deze bedrijven meer dan ooit ook op hun winstpositie moeten
letten.
De gemeente zit - zie ook boven - echter niet
stil.
Vele punten die genoemde redactie aanstipt worden nu al aangepakt.
Ik noem als enkel voorbeeld de Haagse Groene Energietrein waarbij
in samenwerking met onder meer woningcorporaties, het E-team en
de Universiteit van Leiden gewerkt wordt aan gedragsverandering.
Bedoelde verandering behoeft niet ten koste te gaan van het comfort
en kan daarbij ook de portemonnaie ten goede komen.
Ook stimuleert de gemeente samen met de NV Woningbeheer per wijk
de zogenaamde EPA's (energieprestatieadviezen) in de huishoudens.
Daarmede is al vooruitgelopen op de publiciteitscampagne die VROM
en EZ op dit moment voeren.
De gemeente blijft daarbij nauwlettend oog houden op collectieve
mogelijkheden van levering van warmte voor ruimteverwarming alsmede
voor warmwatervoorziening. Gaslevering blijft dan achterwege. Bedoelde
systemen geven een aanzienlijke energiebesparing en beperking van
CO2-emissies, zelfs in orde van enkele tientallen procenten, vergeleken
met het traditionele gas.
Deze ambitieuze aanpak wordt nu gerealiseerd in de nieuwe Spoorwijk
(samen met REMU) en in delen van het Wateringse Veld (samen met
Eneco).
Ik meen, gezien het bovenstaande, dat de gemeente
nu al veel doet en voor de nabije toekomst een aantal veelbelovende
initiatieven op de rol heeft staan.
Bas Verkerk
Wethouder Economie en Personeel van de gemeente Den Haag
meer
artikelen over duurzame energie en energiebesparing
BESTE REDACTIE
In
Branding nr 3. staat een oproep van Chris Heryet over de ongewenste
reclamefolders die de postbode bij hem in de brievenbus stopt. Ik
heb dezelfde ervaring en heb gemerkt dat het helpt als je de folders
(zonder postzegel natuurlijk) terugstuurt naar het bedrijf waar
ze van zijn. Zij sturen de klacht namelijk door naar PTT post. Aangezien
die bedrijven namelijk betalen voor de verspreiding moet PTT post
daar wel op reageren. Als je dit vaak genoeg doet helpt het echt.
Ik heb zelfs een keer de postbode aan de deur gehad die van zijn
chef excuses aan mij moest aanbieden!!!
Persoonlijk lucht het altijd enorm op als de brief aan de adverteerder
behoorlijk cynisch is. Ik heb hier nog wel voorbeelden van als dat
nodig is.
Groeten,
Raymond Swinkels
r.a.j.swinkels@iquip.nl
|