Branding - Archief  

 

Nummer 4 Februari/Maart 2002

DIGITAAL VERKIEZINGSDEBAT
DE GROENE GRAADMETER
Op 6 maart vinden de gemeenteraads- ...meer

HOE SCHEVENINGEN IN HET BEZIT KWAM - EN BLEEF - VAN EEN WINDMOLEN
Een verhaal over duurzame energie in Den Haag ...meer

NIEUW CONCEPT VERKEERSPLAN
Er is weer een nieuw concept ...meer

HAAGS VERKEERSBELEID: te traag om op twee wielen door de bocht te gaan
Bezuinigingen in het verleden zijn ...meer

DEN HAAG EN HET DUURZAME BOUWEN
Als een gemeente duurzaamheid serieus neemt ...meer

DUURZAAM BOUWEN OP WATERINGSE VELD
Wateringse Veld is een van de Vinexlocaties ...meer

"MILIEU: EEN VERPLICHT VAK OP DE BASISSCHOOL"
Op een typisch grijze, regenachtige ...meer

GROEN forum
WIE HET EERST ONDERHANDELT, ONDERHANDELT HET BEST? +
REACTIE VAN WETHOUDER VERKERK +
BESTE REDACTIE ...meer

 

 

 

 

 

 

DIGITAAL VERKIEZINGSDEBAT
DE GROENE GRAADMETER

Op 6 maart vinden de gemeenteraads-verkiezingen plaats. De verkiezingskoorts is weer uitgebroken. Overal in de stad wordt gedebatteerd; op straat, in het Stadhuis en ook op Internet. Op de website van het Haags Milieucentrum kunt u vanuit de eigen bureaustoel de discussie aangaan met de wethouder van Milieu, de wethouder van Verkeer en de milieuwoordvoerders van alle fracties. Surf dus naar www.haagsmilieucentrum.nl, klik op De Groene Graadmeter en doe mee aan het debat. Natuurlijk kunt u ook alleen meelezen en op die manier bewust een groene stem uitbrengen op woensdag 6 maart. Maar dat niet alleen. Door mee te doen aan dit groene digibat kunt u invloed uitoefenen op de visievorming binnen de verschillende politieke partijen en zo uiteindelijk ook op de besluiten die zij nemen. Zo helpt u uw eigen stad stap voor stap op weg naar een duurzamere stad.

Bij deze nodigen wij u ook van harte uit om deel te nemen aan het afsluitende live-debat van de Groene Graadmeter waarvoor alle lijsttrekkers zijn uitgenodigd. Dit vindt plaats op 19 februari, 20.00 uur op het Haags Milieucentrum, Paviljoensgracht 1.

Voor het debat is het nodig om de beschikbare verkiezingsprogramma's met elkaar te vergelijken. Wij hebben er begrip voor dat niet iedereen tijd en zin heeft om alle programma's op te vragen en uit te pluizen. Daarom heeft het Haags Milieucentrum deze voor u langs haar Groene Graadmeter gelegd. Dat kan natuurlijk niet heel uitgebreid, maar wel voldoende om een globale indruk te krijgen en brandstof voor uw vragen te leveren. (Helaas waren nog niet alle programma's beschikbaar bij het ter perse gaan van deze editie.)

Alvorens de verkiezingsprogramma's per partij te bekijken, valt in het algemeen de zeer geringe aandacht in alle verkiezingsprogramma's op voor de ruimtelijke ordening in en om onze stad. Dit terwijl ontwikkelingen op dit gebied van groot belang zijn voor een duurzamere ontwikkeling. Wat zijn de kansen en bedreigingen van de grove lijnen zoals uitgezet in de 5e Nota Ruimtelijke Ordening? Hoe wordt gedacht over de gewenste ontwikkeling in bijvoorbeeld de Westlandse Zoom en de Zuidrand (zie eerdere artikelen in Branding)? Hoe wil men de waterberging gaan regelen nu de boel bij flinke stortbuien letterlijk overloopt? Hoe wil men de noodzakelijke groene corridors en verbindingszones tot stand brengen vanuit de stad richting Hoek van Holland, Delft, Zoetermeer en Leiden? Hoe wil men een evenwichtige integrale ontwikkeling van werken, bouwen, natuur, waterbeheer en recreatie tot stand brengen? Hoe wil men ervoor zorgen dat individuele belangen, met de daarmee gepaard gaande particuliere geldstromen, niet per definitie voorrang krijgen op algemene belangen van leefbaarheid, het behoud van de open groene ruimte en van een vitaal milieu? Hoe wil men het overleg over dit soort aangelegenheden met de buurgemeenten vormgeven? Op dit gebied moet dus nog een visieontwikkeling plaatsvinden bij alle partijen. Datzelfde geldt voor de ontwikkeling, en het behoeden voor aantasting, van de grote groengebieden en parken in onze Groene Stad aan Zee. Is het nu wel genoeg geweest met de aanleg van bijvoorbeeld de Skidôme? Naar uitspraken over dergelijke zaken moet men met een lampje zoeken. D66 komt wat dit betreft nog het beste uit de bus.

VVD
Het nieuwe verkiezingsprogramma is 'groener' dan voorheen en dat is wat ons betreft winst. Zo kiest de VVD voor het parkeren van auto's onder de grond of inpandig. Op deze manier wil men aan de ene kant het moeten zoeken naar een parkeerplek verminderen en aan de andere kant meer ruimte op straat creëren. Ook wil de VVD de mogelijkheid onderzoeken om particulieren parkeerplekken te laten kopen in publieke parkeergarages in hun woonwijk. Minder geparkeerde auto's op straat is natuurlijk mooi, maar dergelijke voorstellen leiden niet tot een vermindering van het autogebruik. Toch ziet de VVD in dat het verlagen van de CO2-uitstoot alleen mogelijk is door een positieve impuls voor het openbaar- en fietsvervoer. Ze kiest nadrukkelijk voor meer fietspaden en rode fietsstroken. De VVD is voorstander van wijkmobiliteitscentra; dit zijn parkeergarages en fietsenstallingen in woonwijken nabij aansluitingen op openbaar vervoer (bus, tram en taxi).
Voor 'autootje pesten' is er letterlijk geen plaats binnen de VVD. Zij zien de ontwikkeling van de Noordwestelijke Hoofdroute en het Trekvliettracé als onontkoombaar. Milieubeleid betekent voor de VVD vooral praktische verbetering van de leefomgeving. Voorwaarden op het vlak van groen- en bomenvoorziening moeten integraal onderdeel uitmaken van de vergunningverlening aan nieuwbouwplannen. Het behoud, en waar mogelijk de versterking, van de grote groengebieden moeten worden gewaarborgd in een nieuw Groenbeleidsplan. Daarnaast acht de VVD de kwaliteit van het water, alsmede de aanleg van natuurvriendelijke oevers van groot belang. De VVD is op zichzelf voorstander van het nastreven van ecologische doelen, op voorwaarde dat niet de indruk wordt gewekt dat het groen verslonst.

PVDA
De PvdA legt in haar programma qua mobiliteit de bestuurlijke en financiële nadruk op de realisatie van een hoogwaardiger openbaar vervoernet. Verbetering van de infrastructuur voor het autoverkeer binnen de stad wordt alleen overwogen als deze een hoog en meervoudig rendement heeft: autoluw maken van woonwijken, verbetering van doorstroming van openbaar vervoer en fiets, versterking van ecologische structuur, beter bereikbaarheid en toegankelijkheid van Den Haag, ook voor de voetganger. Openbaar vervoer moet volgens de PvdA een vervoerssoort blijven c.q. worden waar iedereen gebruik van maakt en niet alleen personen die zich (nog) geen auto kunnen permitteren.
Ook de PvdA pleit voor een fijnmazig fietsroutenetwerk en voor investeringen in fietsstallingsplaatsen en bewonersstallingen. Voor wat betreft het Trekvliettracé ziet de PvdA graag eerst een onderzoek naar de wenselijkheid en effectiviteit in samenhang met de realisatie van Hoog Hage.
In het ruimtelijk beleid van PvdA staat compactheid voorop. Verder zien ze de milieueisen die gesteld worden aan bouwprocessen en de milieuprestaties van nieuwbouw graag stapsgewijs verder opgevoerd worden. De PvdA spreekt de wens uit voor een gemeentelijk CO2-reductieplan (zonder overigens een reductiepercentage te noemen), waaraan gemeente, energiebedrijven en bedrijfsleven een bijdrage leveren.
De PvdA spreekt in haar programma de wens uit voor het instellen van een of meer autovrije dagen in combinatie met een 'Binnenstadsfestival'.

CDA
Het CDA kiest, naar haar eigen zeggen, voor een duurzaam en eerlijk vervoersbeleid gecombineerd met een goede ontsluiting. Een fijnmazig openbaar vervoersnetwerk, waarbij het motto 'meer vervoer op maat' centraal staat is volgens het CDA van groot belang. Het belang van de automobilist mag echter niet uit het oog worden verloren. Het CDA staat voor een consistent verkeers- en vervoersbeleid, waarbij naast een beleid dat gericht is op een autoluwe binnenstad, alternatieven voor autoverkeer worden aangedragen zoals de aanleg van grote parkeervoorzieningen aan de rand van de stad, gekoppeld aan shuttle-systemen.
Het CDA is van mening dat de fiets moet worden gestimuleerd en gepromoot als goed, veilig, schoon en snel vervoersmiddel in de stad. Ze willen dan ook uitbreiding van het aantal duidelijk onderscheiden fietsroutes en adequate parkeer- en stallingsvoorzieningen in binnenstad, Scheveningen en Kijkduin.
Het CDA houdt een pleidooi voor investering in meer groen, juist ook in de achterstands- en probleemwijken en wil Den Haag graag als Groene Stad aan Zee behouden.
Zij geven dan als voorbeeld dat er moet worden gestreefd naar het in ere herstellen van de oude grachten in Den Haag.

GROENLINKS
In het nieuwe verkiezingsprogramma heeft GroenLinks de nodige aandacht voor betere voorzieningen voor de fietser; GroenLinks houdt een pleidooi voor vrijliggende fietspaden, een veilige fietsroute van en naar het centrum en de verbetering van stallingsmogelijkheden. GroenLinks is geen tegenstander van auto-gebruik, maar wel voor doelmatig gebruik. Autoverkeerprojecten als het Trekvliettracé en de Noordwestelijke hoofdroute dienen beperkt te worden tot maatregelen die wel de verkeersafwikkeling bevorderen, maar niet de groei van het autoverkeer stimuleren.
Het autogebruik moet worden tegengegaan vanwege de gevolgen voor het milieu. Inwoners van de stad moeten weer meer ruimte krijgen om in de stad te lopen, spelen en recreëren. Dat kan alleen door het forse ruimtebeslag van de auto in de openbare ruimte tegen te gaan.
GroenLinks kiest voor het instellen van een duurzaamheidcommissie, die nieuwbouw en renovatie toetst op een aantal duurzaamheidscriteria. Ook ziet ze graag een toename van gevelbegroeiing, vegetatiedaken en daktuinen.
GroenLinks is van mening dat de overheid voorop dient te lopen in milieubewust energiegedrag. Dit kan door een intensiever eigen beleid rond energiebesparing. De gemeente moet daarboven actief naar de bevolking uitdragen welke bijdragen particulieren zelf kunnen leveren. Dat geldt ook voor waterbeheer. Zo kan volgens GroenLinks veel van het regenwater, dat nu nog via riolen wegvloeit, opgevangen worden voor de besproeiing van tuinen, plantsoenen of voor het doorspoelen van toiletten. De gemeente zal zulke systemen moeten stimuleren.

D66
D66 heeft geen uitgebreide mobiliteits-paragraaf opgenomen in hun verkiezingsprogramma. Wel geeft ze de prioriteit aan de Noordwestelijke Hoofdroute boven het Trekvliettracé en pleit ze voor een OV-transferium bij het Leyenburgziekenhuis. De mogelijkheden voor transferia op ander punten in de stad moeten worden onderzocht. Ook D66 ziet graag meer auto's onder de grond geparkeerd in woonwijken en wenst ze een Lange Voorhout zonder geparkeerde auto's. Een parkeergarage onder de Hofvijver is echter ongewenst.
D66 ziet graag een uitbreiding van het geslaagde experiment van de fietstrommels in Laak, pleit voor uitbreiding van het aantal bewaakte fietsenstallingen en wil de openingstijden van fietsenstallingen verlengen tot 24 uur op werkdagen en tot 2 uur in het weekend. Tevens wil D66 investeren in doorgaande fietsroutes, door deze met behulp van korte doorsteken met elkaar te verbinden.
D66 wil in de komende raadsperiode een ecoduct over de Utrechtse Baan gerealiseerd zien. Zodoende worden het Haagse Bos en het Malieveld weer met elkaar verenigd. Ook in het Scheveningse groen wordt, als het aan D66 ligt, naar mogelijkheden gezocht om duin en bossen met elkaar te verbinden. Bij wegreconstructies en stedelijke vernieuwingsplannen moet aan dit aspect prioriteit worden gegeven.
Een initiatief valt te verwachten voor de Binckhorst; D66 vindt dit gebied heel geschikt voor vestiging van bedrijven die zich toeleggen op het ontwikkelen en toepassen van nieuwe milieutechnologie. D66 wil deze vorm van bedrijvigheid stimuleren door bruikbare nieuwe technologie binnen de gemeente toe te passen.


HAAGSE STADSPARTIJ
De Haagse Stadspartij pleit allereerst voor een beheerste economische ontwikkeling, waarin grote zorgvuldigheid ten aanzien van het milieu voorop staat. Daarnaast zien zij het terugdringen van het autoverkeer graag met kracht worden aangepakt.
De Haagse Stadspartij wil de politie dwingen haar sociale functie te versterken door veel selectiever met haar wagenpark om te gaan en meer gebruik te maken van de fiets of rollerskates; dit Stadspartij-mes snijdt prettig aan twee kanten.
De fietser moet in het Haagse verkeer vaak op z'n hoede zijn. Met name in het centrum ontbreken goede fietsverbindingen. De Haagse Stadspartij kiest voor meer investeringen voor de fietser en de skater (vrijliggende en comfortabele fietspaden). Ook moeten er meer gratis stallingsmogelijkheden voor de fiets komen in zowel het centrum, bij de stations, als in woonwijken. Vooral in en rond het centrum moet voor het autoverkeer eenrichtingsverkeer worden ingesteld en parkeerruimte worden ingeleverd om de fietser de noodzakelijke ruimte te geven. Behalve de fiets moet ook collectief vervoer meer worden gestimuleerd.
Bijzonder, en wellicht technisch wat achterhaald, is dat de Haagse Stadspartij een onderzoek wil naar de invoering van trolleybussen op enkele tramtrajecten.
Naast het reguliere verkeersveiligheidsbeleid moet wat de Haagse Stadspartij betreft extra aandacht besteed worden aan de verkeersveiligheid rondom scholen, de stroom vrachtwagens van en naar de Norfolkline en de (brand)veiligheid in de tramtunnel.

POLITIEK VUURWERK
Welke discussies kunnen we op basis van de programma's verwachten in de komende collegeperiode? Wij denken dat met name de uitvoering van het verkeersplan de nodige discussie zal oproepen omdat de daarin aangekondigde maatregelen zeer ingrijpend zijn voor de stad. Ook zal de politieke agenda voor een deel bepaald worden door de verdere uitwerking van het regionaal structuurplan Haaglanden dat de grote lijnen schetst van de ruimtelijke ontwikkeling rond de stad en de toebedeling van de schaarse ruimte aan de verschillende functies.
Politiek vuurwerk kunnen we wellicht gaan zien omtrent het handhaven van Norfolkline in Scheveningen; de Haagse gemeenteraad is verdeeld op dit punt. Zo was en is D66 bijvoorbeeld pertinent tegenstander van het verlengen van hun contract, de Norfolkline veroorzaakt immers een levensgevaarlijke verkeerssituatie voor met name de fietser en de voetganger. De Politieke Partij Scheveningen is nog voorstander voor behoud van Norfolkline.

De reductie van CO2-uitstoot ziet de VVD met name gebeuren door het stimuleren van het fiets- en openbaarvervoergebruik; dit is een trendbreuk in het VVD-denken. Het CDA concentreert zich juist meer op de huishoudens en hun afval om een CO2-reductie te bereiken. Dat kan een interessant debat gaan opleveren.

Ook het parkeerbeleid van zowel de fiets als de auto is punt van discussie. Gaat de VVD zich werkelijk hard maken voor minder geparkeerde auto's op straat? Wordt het Lange Voorhout dadelijk mooier zonder geparkeerde auto's? Komen er artistiek vormgegeven fietsenstallingen, zoals de VVD dit onder andere graag zou zien of gaat de SP deze discussie winnen en krijgen we een soort fietsbunkers in de stad?

Wij kijken uit naar een nieuw college, met hopelijk een uitgesproken milieu-beleid. Uiteraard speelt uw stem daar een grote rol in. Een beter milieu begint bij een zorgzame en solidaire overheid en ook de burger zelf kan het nodige doen, zeker als deze het daarbij wat gemakkelijker gemaakt wordt. Kies daarom bewust, kies groen!

meer artikelen over algemeen milieubeleid

 

HOE SCHEVENINGEN IN HET BEZIT KWAM - EN BLEEF - VAN EEN WINDMOLEN

Een verhaal over duurzame energie in Den Haag was het verzoek van de redactie van Branding. Dit artikel is dat nog niet. Waarom niet?

In hoofdzaak omdat duurzame energie in Den Haag, maar ook in Nederland nog weinig voorstelt. Eind 2000 kwam niet meer dan 1,4% van het totale energiegebruik in Nederland uit duurzame bronnen en daarvan komt nog het overgrote deel uit afval en biomassa. Alle windturbines in Nederland dragen daar nog niet meer dan circa 0,4 % aan bij. En toch is duurzame energie van groot belang en zal het aandeel duurzaam fors moeten groeien. Het Nederlandse energiebeleid richt zich nu op 10 % in 2020, met een tussenstap van 5% in 2010.

Het belang van duurzame energie ligt dus in de toekomst. Om beter zicht op die toekomst te krijgen, is het verleden een bron om van te leren. Eind vorig jaar verscheen het boek "Een kwestie van lange adem, de geschiedenis van de duurzame energie in Nederland" (uitgeverij Aeneas). Den Haag speelt in dat boek geen rol. Toch kent Den Haag ook zijn eigen leerzame geschiedenis, met name het verhaal van de windmolen in Scheveningen. Dit verhaal gaat over politiek en de veranderingen bij het energiebedrijf. Dat is van belang om te begrijpen in wat voor context duurzame energie zich verder moet ontwikkelen.

Begin jaren negentig liep de zoveelste poging van de Haagse Windmolenvereniging en anderen om in Den Haag een windmolen van de grond te krijgen op niets uit. Toch had windenergie in Den Haag, op papier, over steun niet te klagen. De gemeenteraad had vanaf begin jaren tachtig al verschillende moties aangenomen waarin steun en een hogere terugleververgoeding was vastgelegd. De lokale PvdA had de vereniging zelfs de Jan Tomey milieuprijs toegekend. Desondanks ging het in 1992, door problemen rond de Blansjaar-locatie in het havengebied, toch weer mis.

En van de voorvechters voor windmolens in Den Haag stapte toen naar de Haagse wethouder van energie met de boodschap dat als de gemeente niet zelf actie onderneemt, het nooit wat wordt met windenergie. De wethouder ging vervolgens praten met de directeur van het verzelfstandigde Haagse GEB en zij maakten een afspraak. De gemeente zou voor een geschikte locatie zorgen, het GEB zou gaan investeren en het onrendabele deel van de investeringen kon uit het MAP gedekt worden.

De gemeente vond een geschikte locatie bij het zuidelijk havenhoofd van de Scheveningse Haven. Het GEB werd enthousiast en er kwam een investeringsvoorstel dat door de Raad van Commissarissen, met de wethouder energie als voorzitter, werd aangenomen. De procedure met zijn vele hobbels kon beginnen. De vragen van het wijkcomit‚, Duindorp en de omliggende bedrijven, de vrees van de dienst Haven- en Marktwezen voor storing op de radar, en bezwaren van Scheveningen Radio vanwege de vermeende storing van de turbine op het berichtenverkeer. Deze werden allemaal beantwoord en weerlegd. Vervolgens kon het voorstel, een grote molen van 60 meter met twee wieken, naar de Welstandscommissie.
Tot verrassing van het GEB kwam die alleen met de dankbaar overgenomen suggestie om de paal van de turbine niet in wit maar in grijs uit te voeren.

Toen werd het 1994, en trad er een nieuwe wethouder energie aan met wie de directeur van het GEB kwam kennismaken. Aan het eind van het gesprek, bij de deur, zei de wethouder: "Oh ja, nog ,,n ding, die lelijke windmolen bij Scheveningen, is daar nog wat aan te doen?"
"Ach," zei de directeur, "het is en blijft een politieke molen, ik zal eens kijken".
Het antwoord kwam per omgaande. Annuleren van de bestelling, een Windmaster van 750 kW, kon nog wel, maar dat zou de gemeente een fors bedrag gaan kosten.

En zo geschiedde het dat op een mooie zonnige dag in 1995, de wethouder van milieu de windturbine van inmiddels Eneco (het nieuwe fusiebedrijf van GEB Den Haag, Rotterdam en Dordrecht) feestelijk in bedrijf stelde. Volgens de voorzitter van de Haagse windmolenvereniging was dit het begin van een glorieuze windtoekomst. Een tweede molen, een kleine Lagerweij, aan de Oorberlaan kwam nu ook in zicht en is er later ook gekomen.

Bijna iedereen toch nog blij?
Nou niet helemaal. Op de receptie na afloop deelde een Eneco directeur (voorheen GEB Rotterdam) mij mee: "Die molen had er nooit moeten komen."
Wat kregen we nou? Rotterdam met zijn enorme havengebied waar al veel Eneco-molens draaiden en waar ruimte genoeg was voor nog veel meer turbines zag blijkbaar niets meer in windenergie. En volgens de Haagse gemeenteraad was schaalvergroting ‚‚n van de voordelen van de fusie. Die maakte het immers mogelijk om de plaatsing van windmolens in een veel ruimer gebied te beoordelen. En was dan het Rotterdamse havengebied niet veel geschikter voor de plaatsing van windmolens en het halen van de duurzame MAP-doelstellingen dan het dichtbebouwde Den Haag?

Terug naar de molen in Scheveningen.
Een mooie molen vonden velen, en een symbool voor een duurzame toekomst.
Helaas. In februari 1999 sloeg de bliksem in en enige weken later, na het verlies van een rotorblad, hield de molen op met draaien. Voor het leven van de molen moest gevreesd worden. De fabrikant was inmiddels failliet en tweewiekers werden nauwelijks meer gemaakt.
Ook de stemming bij het buurtcomit‚, was inmiddels omgeslagen en de raadscommissie toonde zich bezorgd over de veiligheid. Een onafhankelijk onderzoek bevestigde echter dat op deze locatie een turbine geen enkel risico voor de omwonenden oplevert.

Voor de Haagse wethouder van energie en tevens commissaris bij Eneco was er nog een andere reden om de windmolen bij Eneco aan te kaarten: "Die molen is een onsierlijk element dat soms ook badgasten afschrikt."

Eneco moest ook nog nadenken over een andere brief van de wethouder over verdere samenwerking tussen Eneco en grootaandeelhouder Den Haag.
KEMA had daarvoor een mooi rapport geschreven, met als meest aansprekende suggestie om ver voor de kust van Den Haag een groot windpark op zee te bouwen. De Scheveningse molen kon dan een toeristische attractie worden met klimmuur en uitkijkplatform en vanuit de haven konden de toeristen een boottochtje naar het windpark op zee maken. Wat vond Eneco daarvan?

Het antwoord liet, door een nieuwe fusie van het energiebedrijf, even op zich wachten.
Eneco meldde de gemeente dat de Scheveningse molen weer zo snel mogelijk moest gaan draaien, stilstand kostte het bedrijf geld en had een negatieve uitstraling. Wel toonde Eneco zich bereid 'omstreeks 2004' de locatie op te geven, als de gemeente een alternatieve locatie beschikbaar kon stellen. En zo ging vlak voor de grote Klimaatconferentie in Den Haag, de windmolen toch weer draaien.

Want de windmolen is geen politieke molen meer. Windenergie is in ons land, dankzij een royale vrijstelling van de energiebelasting, een rendabel product geworden. En de molen in Scheveningen is nodig om de waarde van Eneco in de vrije markt voor groene stroom overeind te houden. Dat is in het belang van de onderneming en haar aandeelhouders en daar dient een commissaris naar te handelen, of windmolens nu badgasten afschrikken of niet.

Louis Kanneworff
Lid van de Denktank Duurzaam Den Haag, zelfstandig energieadviseur en verbonden aan de Haagse Hogeschool.

meer artikelen over duurzame energie en energiebesparing

 

NIEUW CONCEPT VERKEERSPLAN

Er is weer een nieuw concept verkeersplan. En het moet gezegd, het ziet er weer schitterend uit en deze keer leest het nog prettig ook. We hebben niet eens durven vragen wat de drukkosten waren van de twee concepten samen. We wilden het niet weten. Gelukkig dragen eindredactie, vormgeving, fotografie en drukwerk bij aan de economie van respectievelijk Haarlem, Eindhoven, Leiderdorp en Leiden. Belangrijker is natuurlijk de inhoud. Het gaat tenslotte om het meest ingrijpende plan dat Den Haag kent. Het zal een grote wissel trekken op de gemeentebegroting de komende 10 jaar, want het gaat om miljardeninvesteringen. Bovendien zal de uitvoering diep ingrijpen op het leven in de stad, zowel als gevolg van de bouwwerkzaamheden als het verleggen en concentreren van verkeersstromen.

En die inhoud is er zeker op vooruit gegaan sinds het vorige concept. Met name de fiets komt er, in ieder geval op papier, nu beter van af. Dat zou ondermeer het gevolg kunnen zijn van de inspanningen van de Fietsersbond, van ons centrum en van voortschrijdend inzicht bij politiek en bestuur. Maar misschien is de belangrijkste geestelijke vader van het Verkeersplan bij de gemeente, Louis Eggen, dat nu aan zijn nieuwe stand verplicht. Hij is prominent Haags lid van het onlangs door minister Netelenbos ingestelde 'Fietsberaad'. Dit beraad van verkeerskundigen op persoonlijke titel is een kritisch en onafhankelijk adviesorgaan voor lokale en regionale overheden. Het brengt kansen en bedreigingen voor het fietsgebruik in beeld en verzamelt en verspreidt kennis, ervaringen en statistische gegevens. Het Fietsberaad helpt ondermeer de bij de verkeersveiligheid betrokkenen, waaronder gemeenteambtenaren, om goede voorzieningen voor fietsverkeer te realiseren en te onderhouden. Dat klinkt veelbelovend. Bij deze dan ook een welgemeende felicitatie.

Maar de fundamentele vraag blijft natuurlijk de bijdrage van dit plan aan de noodzakelijk beperking van het autoverkeer. Voor alle zekerheid zeggen we daar steeds bij dat wij niet tegen de auto zijn, maar tegen de gevolgen van het ongebreidelde, onnuttige en onnodige gebruik daarvan. Dit plan gaat er van uit dat er steeds meer auto's bijkomen, maar of dat gebeurt hangt op de eerste plaats van het beleid af en minder van de automarkt. Om die niet geringe gevolgen van de toenemende automobiliteit in te dammen en onze mobiliteit toch op een hoog peil te houden, zijn goede alternatieven en beperkende maatregelen nodig. Daarom zal Branding in een serie van drie artikelen dieper ingaan op dit nieuwe concept Verkeersplan. We starten met een bijdrage van de Fietsersbond, vervolgens komt het Openbaar Vervoer aan bod en we besluiten met de auto en de voetganger.

meer artikelen over mobiliteit

 

HAAGS VERKEERSBELEID:
te traag om op twee wielen door de bocht te gaan

Bezuinigingen in het verleden zijn de voornaamste oorzaak van de lage kwaliteit van de huidige Haagse fietsvoorzieningen. In 2001 toonde de Fietsersbond dit met de Fietsbalans op wetenschappelijke wijze aan, maar elke geoefende fietser herkent dit beeld onmiddellijk: het Haagse fietsroutenetwerk bestaat uit onregelmatig knip- en plakwerk. Honderd meter fietsen in Den Haag gaat over vrijliggende tegelfietspaden, een kerngezonde klinkerfietsstrook en eindigt tussen het overige verkeer op een asfaltweg. Ook de Haagse fietsenstalling wisselt sterk in kwaliteit. Overal waar je kijkt staan grijze fietsbeugels en de Biesieklette-stallingen worden zelfs in kostbare, kunstzinnige jasjes gestoken.

Maar wie de fiets simpel onbewaakt bij CS of HS wil stallen, moet daarvoor vroeg opstaan: de vrije stallingplaatsen zijn beperkt in aantal en nog beperkter in kwaliteit. Deze onbetrouwbare afwisseling in de kwaliteit van de Haagse fietsvoorzieningen is de voornaamste oorzaak van het huidige, relatief lage Haagse fietsgebruik. Maar er is troost: het Verkeersplan 2010 is de Haagse fietsers zeer goed gezind! Het Verkeersplan 2010 pleit voor een inhaalslag in de uitvoering van fietsvoorzieningen, wil barrières voor fietsers doorbreken door tunnels of bruggen aan te leggen over snel- en waterwegen en tram- en spoorbanen, besteedt aandacht aan de veilige oversteekbaarheid voor fietsers en voetgangers van gelijkvloerse kruisingen en zal meer buurtstallingen in woonwijken laten bouwen. Ook worden de plannen voor fietsroutes en fietsenstallingen gekoppeld aan de nog te bouwen Stadstransferpunten: opstappunten van het regionale openbaar vervoer. Hierbij zal de gemeente rekening houden met de statistische gegevens die worden verzameld over de rijdende en gestalde fietsen. Terwijl de informatie over de wensen en behoeften van fietsers geleverd wordt door intensief contact te houden met de Fietsersbond. Dat zal dus wel goed komen, vooral omdat gelijktijdig het budget voor fietsvoorzieningen (met enige steun van het kaderwetgebied Haaglanden) aanmerkelijk is verhoogd! Toch levert al dat mooie beleid van het Verkeersplan de fietsers voorlopig nog niets concreets op: er wordt alleen een studie naar de betere ontsluiting van de nieuwe Haagse Vinex-wijken gemaakt. Ook wordt er geen korte-rittenbeleid ontwikkeld, waarmee een bijdrage kan worden geleverd aan het terugdringen van de CO2-productie door het verkeer in Den Haag. Eveneens mist de Fietsersbond een koppeling met de gemeentelijke nota over verkeersveiligheid: aandacht voor de verkeersveilige inrichting van vlotte fiets- en looproutes naar de scholen ontbreekt geheel. Zo blijft er tussen de rijdende en geparkeerde auto's in de openbare ruimte te weinig speelruimte voor kinderen over. Kortom: het Verkeersplan 2010 kiest in woord al wel voor de fiets als meest geschikte vervoerswijze, maar doet dat nog niet in daad. De vertaling van beleid naar uitvoering kan blijkbaar alleen in een laag tempo. Zo zal het nog wel tien jaar duren voordat het Haagse verkeer echt op twee wielen door de bocht gaat!

Marc Beek Voorzitter Fietsersbond, afdeling Den Haag e.o.

meer artikelen over mobiliteit

 

DEN HAAG EN HET DUURZAME BOUWEN

Als een gemeente duurzaamheid serieus neemt, en daar is alle reden toe, bieden nieuwbouwprojecten een uitgelezen mogelijkheid om echt wat te doen. Dit natuurlijk naast het voor de hand liggende beleid de levensduur van bestaande gebouwen te verlengen. Vanaf het begin van het planproces kan bij nieuwbouw dan rekening worden gehouden met maatregelen die van belang zijn voor het in stand houden van de bestaansgrond van onze mensensoort, zoals schoon water, schone lucht, een voor de mens geschikt klimaat en voldoende ruimte voor een vitale biodiverse natuur. Duurzaam Bouwen betekent dan niet alleen het nemen van allerlei technische, fysieke maatregelen en aandacht voor bouwmaterialen. Het gaat ook om de aantrekkelijkheid van de woningen, de leefomgeving en om flexibiliteit als aanpassing nodig is doordat oorspronkelijke functies veranderen. Bovendien hebben de slaapsteden uit de zestiger en zeventiger jaren ons geleerd dat voorzieningen op loopafstand en het minimaliseren van verkeersstromen tussen wonen-werken-recreeëren leveren op termijn een belangrijke bijdrage aan de levensduur van een wijk. Juist deze laatste zaken bepalen of de duurzaam gebouwde woningen ook voor lange tijd gebruikt zullen worden. Dan hebben we het over een pakket van maatregelen dat de volgende zaken bevordert:

compact bouwen en (mede daardoor) een behoorlijk voorzieningenniveau in de buurt
een lange levensduur
CO2-reductie met name door energiebesparing en duurzame energie
een goede waterhuishouding en zuinig watergebruik
het gebruik van duurzame bouwmaterialen
het terugdringen van de automobiliteit
een aaneengesloten, niet al te smal groengebied
toezicht tijdens het bouwen en beheer na het bouwen
het betrekken van de bewoners bij de visie achter hun wijk/buurt
de kwaliteit van vormgeving van de woningen en de openbare ruimte
een aantrekkelijke sociale omgeving opnieuw kunnen gebruiken van de infrastructuur als de bebouwing zijn functie verliest.

Uit deze opsomming wordt direct duidelijk dat het bij duurzaam bouwen om een complex en integraal proces gaat, waarbij zeer veel aspecten aan bod komen. Ook mag duidelijk zijn dat een aantal maatregelen aanzienlijke kosten met zich mee zal brengen. Dat behoeft, zoals we willen laten zien, geen onoverkomelijk probleem te zijn. Tenminste als we bereid zijn over woningontwerpen, bouwprocessen en afschrijvingstermijnen anders te gaan denken. En de bouwwereld is bijna in zijn aard een conservatief wereldje. Wenkbrauwen worden al snel opgetrokken als men wat anders wil. Wat de boer niet kent, dat lust hij niet. En dat niet alleen. De bouwwereld hangt aan elkaar van contracten en contacten met vertrouwde leveranciers en bedongen kortingen. Planning is al moeilijk ondermeer door levertijden en de inzet van schaarse vakmensen, maar als je dan met onbekenden in zee moet... Laten we ons bovendien in de architecten niet vergissen. Veel ontwerpen zien er modern en innovatief uit, maar dat is vaak niet meer dan "gevelbekleding". Architectuur, maar ook de vorm van de woonomgeving in het geheel, is een trendgevoelige business en ook in deze wereld is te weinig bereidheid om een aantal axioma´s rond ondermeer woningindeling en de 'architectonische expressie' ter discussie te stellen. Als een huis langer meegaat, dan moet het er ook langer fraai uit blijven zien. Ook is men om den brode gevoelig voor de geringe veranderingsgezindheid en verlangens van de bouwers. Opdrachtgevers die best gevoelig zijn voor duurzaamheidseisen, laten zich door de dwingend gebrachte praktische bezwaren met bijkomend kostenplaatje, vaak van hun eerdere mooie voornemens afbrengen.

Maar de opdrachtgever is uiteindelijk degene die bepaalt en als de bereidheid bij opdrachtgevers er is om ernst te maken met duurzaam bouwen dan zal dit, zoals eerder gezegd, zeer veel opleveren. Het is namelijk vele malen goedkoper om veel van bovengenoemde zaken te realiseren door ze direct in het ontwerp mee te nemen. Als dat niet gebeurt, zijn vaak voor tientallen jaren de mogelijkheden om duurzaamheid te realiseren om zeep geholpen. Bovendien dragen maatregelen die de duurzaamheid bevorderen vaak bij aan de leefbaarheid. Elk nieuwbouwproject zou dan ook standaard moeten voldoen aan een aantal duurzaamheidseisen. Den Haag heeft mede door de inzet van voormalig wethouder Noordanus een Checklist Ruimtelijke Ordening en Milieu opgesteld die iedere beleidsambtenaar die te maken heeft met de realisatie van nieuwbouwprojecten in zijn of haar bezit heeft. Maar ligt die checklist in een la of staat deze voor het grijpen? Wat wordt er gedaan als de gemeente geen opdrachtgever is? En met goede controlelijsten alleen bouw je natuurlijk nog geen ecologisch verantwoorde woningen. Dat is pas een eerste begin van een lang proces van vallen en opstaan. Maar het is wel een spannend en uitdagend proces dat resultaten kan opleveren waar iedereen trots op kan zijn.

Branding gaat in een artikelenserie van drie afleveringen dieper in op duurzaam bouwen in Den Haag. In de laatste aflevering zullen we het hebben over de vraag waarom de voorbeelden van duurzaam bouwen in Den Haag bepaald niet voor het oprapen liggen, ondanks de checklist en tal van nieuwbouwprojecten. Daarover wordt een verantwoordelijke beleidsambtenaar aan de tand gevoeld. Ook zullen we een of twee nieuwbouwprojecten onder de loep nemen die nog op de tekentafel liggen. In de hierna volgende bijdrage wordt aandacht besteed aan het voorbeeld van duurzaam bouwen dat direct genoemd wordt: Wateringse Veld. Dit nieuwbouwproject plaatsen binnen het bredere kader van duurzaam bouwen, dat vergt wat meer woorden dan naar journalistieke maatstaven verantwoord wordt geacht. U kunt zelf beoordelen of het, ondanks de lengte, boeiend genoeg is.

meer artikelen over ruimtelijke ordening & duurzaam bouwen

 

Duurzaam Bouwen op Wateringse Veld

Wateringse Veld is een van de Vinexlocaties waar van het Rijk in het open gebied gebouwd mocht worden om tegemoet te komen aan de groeiende vraag naar woonruimte. Doordat Den Haag geen ruimte had om grootschalige nieuwbouw te realiseren is er een strijd met de buurgemeenten losgebrand om uitbreiding van het Haagse grondgebied. In 1994 kwam er een zogeheten 'grenscorrectie' waardoor Wateringse Veld (328 hectare waarvan 260 wordt bebouwd) binnen Haagse grenzen werd getrokken. Vervolgens zijn door de ontwikkelingscombinatie van de Gemeente met het Bouwfonds de tuinders uitgekocht. De eerste paal werd in september 1996 geslagen en in 2006 wordt volgens schema de laatste woning opgeleverd. Er worden in totaal 7500 huizen gebouwd in 8 buurten met ieder een eigen karakter waar in totaal zo'n 20.000 Hagenaars zullen worden gehuisvest. De wijk moet door herkenbare architectuur, lommerrijke lanen, waterpartijen en plantsoenen een echte Haagse uitstraling krijgen. Van de woningen bestaat 80% uit eengezinswoningen. Er komen twee winkelcentra, vier scholen, 10 hectare sportvelden, 12.000 parkeerplaatsen en een aaneengesloten recreatief groengebied.

Wat bij een eerste verkenning, naar wat het duurzame bouwen op Wateringse Veld inhoudt, direct opviel is het schitterende, goed geschreven boek voor de bewoners over hun wijk en de ruime aandacht daarin voor duurzaamheid en leefbaarheid. De productie van dat boek heeft samen met het bewonersfeestje een slordige miljoen gulden gekost. Dat is veel geld. De vraag echter is of een dergelijk boek het beoogde effect van betrokkenheid van de nieuwe bewoners bij de wijk en het duurzame idee daarachter werkelijk bevordert. Een nadeel van een boekwerk lijkt de veelheid aan informatie. Nemen mensen het dan wel echt ter hand, doen ze er wat mee? Zijn er geen betere en minder kostbare manieren om bewoners te betrekken? Wat betreft het persoonlijk betrekken van de bewoners bij de duurzaamheidaspecten van hun wijk zijn geen andere acties ondernomen. Uit een kleine steekproef van ons onder 20 bewoners bleek in het algemeen een behoorlijke tevredenheid over het wonen, 4 mensen hadden stukken van het boek goed gelezen, 6 wel ingekeken en stukjes gelezen, 4 niet gelezen en 6 niet opgehaald. Ook was een aantal mensen van de ondervraagden echt geïnteresseerd in het duurzame concept achter de wijk. Een aantal bevindingen komt verderop nog aan de orde.

Wat ook opvalt, is het enthousiasme van het projectteam voor hun eigen project. Men is er trots op dat vrijwel alles rond duurzaamheid, dat in het begin van het planproces is opgenomen, uiteindelijk ook gerealiseerd is. Dit is bijzonder omdat de weerbarstige praktijk leert dat heel wat zaken als puntje bij paaltje komt onderweg onder andere door de meerkosten sneuvelen. Bij alles wat we hier verder over het project schrijven, willen we benadrukken dat wat betreft duurzaam bouwen Wateringse veld aanmerkelijk beter scoort dan veel andere nieuwbouwprojecten, ook in de buurgemeenten. Er is flink wat meer bereikt dan de landelijke standaard van 1996, zoals vastgelegd in het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen. Een pakket overigens met een niet al te hoog ambitieniveau. De vraag is echter of beter wel goed genoeg is, vergeleken bij wat kan en wat nodig is. En er kan veel als de wil bij de opdrachtgever er is en men een andere financiële bril durft op te zetten. En uiteraard moet met rechte rug onderhandeld worden met bouwers en de aannemers altijd op de vingers gekeken worden.

WOONDICHTHEID
Laten we daarom een aantal van de eerder genoemde criteria voor Duurzaam Bouwen eens op dit woningbouwproject loslaten. Allereerst de woondichtheid en de voorzieningen binnen loop en fietsafstand. Deze twee zaken hangen direct met elkaar samen want hoe meer mensen in een buurt wonen hoe minder grond er aan de open groene ruimte hoeft te worden onttrokken en het behoud van de open groene ruimte is van groot belang voor natuur en milieu. Bovendien betekent veel mensen ook een hoger niveau van voorzieningen als winkels, scholen, recreatie en medische zorg. En dat is goed voor zowel de leefbaarheid als voor het terugdringen van met name de automobiliteit. En al dat blik van de straat is op zich weer goed voor de leefbaarheid.

Er is wel een probleem bij het beoordelen van de woondichtheid. Het is de gangbare opvatting onder beleidsambtenaren dat, om te voorkomen dat de koopkrachtige Hagenaar zijn heil buiten Den Haag zoekt (met alle gevolgen voor de inkomsten en dus voorzieningen van de stad), het nodig is om een ruim aanbod te hebben van liefst vrijstaande eengezinswoningen met tuin en twee auto's voor de deur. De markt zou dit eenvoudigweg voorschrijven. Daarom zijn er nogal wat ruime kavels in het Wateringse Veld. Wij hebben zo onze twijfels over deze aannames. Prettig wonen betekent voor heel veel mensen bijvoorbeeld voorzieningen in de buurt bij voorkeur op loopafstand en het gebrek daaraan is dan ook precies waar de bewoners in Wateringse Veld voortdurend over klagen. Die hebben, lijkt het, weinig prioriteit want hoe kan het anders dat de financiering van een aantal medische posten bijvoorbeeld nog steeds niet rond is, wat tot grote problemen leidt.

Het autobezit is er dan ook onevenredig hoog en je moet concluderen dat, net als in Ypenburg, het dagelijkse leven zonder auto een stuk minder comfortabel is: dat geldt voor de reis naar je werk, een station maar ook langs de dokter, de basisschool of de winkel. Er komen weliswaar nog twee supermarkten, maar een hoog voorzieningenniveau is niet mogelijk bij de huidige woondichtheid. Ook worden voorzieningen onvoldoende ingepland en daarin geïnvesteerd. Men heeft nadat alles al ontworpen en ingetekend was nog wel een poging gedaan om het aantal woningen te verhogen van 7000 naar 8000. Uiteindelijk zijn het er 500 meer geworden. Een gemiste kans dus, want als vanaf het begin op een vernuftige manier compacter was ontworpen dan zou het dubbele aantal woningen gerealiseerd kunnen worden.

Slim en creatief ontwerpen is buiten de geijkte kaders en plattegronden durven te denken en de nieuwe eisen wat betreft duurzaamheid zien als een uitdaging voor vernieuwing. Dat alles zonder uit het oog te verliezen wat mensen als prettig wonen ervaren. Dat betekent voor architecten de verleiding weerstaan mee te doen aan trends die zo tijdsgebonden zijn dat deze over 10 jaar alweer uit zijn. Dat betekent kort gezegd een voor de beleving ruime woning realiseren, met veel licht, goede inrichtingsmogelijkheden, een aardig uitzicht, met de auto onder de grond en voor de liefhebbers een groot balkon om buiten tussen de planten te kunnen vertoeven. Deze woningen vervolgens zo ontwerpen en stapelen dat architectonische kwaliteit gecombineerd wordt met een hoge woondichtheid. Dat betekent tevens dat de prijs per woning aanmerkelijk kan dalen. Dat is goed voor iedereen en daar kunnen dan bijvoorbeeld weer de parkeergarages uit bekostigd worden. Vanuit duurzaamheid gezien had die grotere dichtheid ons landschap en de natuur een hele Vinexlocatie gescheeld en een dubbel zo hoog voorzieningenniveau voor de bewoners opgeleverd.

LEVENSDUUR
Het volgende punt is de levensduur van de woning. Er staan in de oude binnensteden tal van huizen van honderden jaren oud. Een dergelijke levensduur scheelt onnoemelijk veel energie en bouwmaterialen. Het gebruik van duurzame materialen en een stevige constructie levert bij goed onderhoud een veel langere levensduur op. Vreemd genoeg worden alleen populistische en aan de buitenkant zichtbare maatregelen (gebrekkig) doorgevoerd: zo moet je de buitengevel rondom een raam slopen wanneer je een kozijn wilt vervangen dat rot is; 'montagekozijnen' waarin je dat eenvoudig kunt verwisselen worden niet toegepast. Een hardboard binnendeur wordt duurzaam genoemd, maar veel 19e en 20e eeuwse woningen laten zien dat de sterkere paneeldeuren na 100 jaar er nog geweldig uit kunnen zien. Een eikenhouten of teakhouten voordeur is niet alleen mooier maar gaat zonder problemen 100 jaar mee en is maar drie keer zo duur als een deur die nog geen twintig jaar mee gaat. En daaraan zit wellicht een nog belangrijker voordeel. Het geeft de mogelijkheid tot een veel langere afschrijftermijn en dat betekent dat de huizen per levensjaar veel goedkoper worden. Investeringsplaatjes gaan er vanzelfsprekend heel anders uitzien als zonder probleem op deze manier het dubbele budget beschikbaar is. Alle extra kosten kunnen gefinancierd worden door een eenvoudige paragraaf in het belastingstelsel en hypotheekvoorwaarden. De afschrijftermijn in Nederland is nu nog 50 jaar. Dat kan zo naar 75 of 100 jaar wanneer er technisch en esthetisch aan bepaalde eisen wordt voldaan: flexibiliteit, detaillering en materiaalgebruik, onderhoud en reparatiemogelijkheden. In het Wateringse Veld is van die 50 jaar evenwel niet afgeweken. Ook wat dit betreft had men boven de bestaande normen moeten gaan zitten. Voor een deel van de woningen is het daar overigens nog niet te laat. Wanneer we daarbij constateren dat een nieuwbouwwoning voor viereneenhalve ton wordt opgeleverd en binnen een jaar voor drie ton méér wordt doorverkocht, dan is het wrang te constateren dat die winst in de zak verdwijnt van de eerste koper en niet is aangewend om een betere en duurzamere woning te bouwen.

BROEIKASEFFECT
Nu dan de CO2-reductie. Per woning zijn tal van maatregelen genomen zoals zonneboilers, zonnepanelen, bouwen op de zuidkant voor goede lichtinval, een warmtenet met een centraal ketelhuis waarop 2000 woningen worden aangesloten en de gebruikelijke maatregelen als hoog isolerend glas, dakbedekking en spouwmuren. Daardoor is men ruim onder de nationale Energie Prestatie Norm (EPN) uitgedrukt in een coëfficiënt (EPC) van 1,1 gaan zitten. Het Wereld Natuurfonds heeft overigens al huizen gerealiseerd met een norm van 0,6. Dit betekent een verbruik van 400 m3 aardgas ten opzichte van 1200 m3 bij een norm van 1. Dat scheelt dus nogal wat. Wateringse Veld zit op een EPC van 0,85 en de bouwwereld is bereid een EPC van 0,8 tot standaard verheffen, maar die moet dan wel landelijk verplicht gesteld worden. Staatssecretaris Remkes (VVD) wil dit echter niet "dirigistisch" opleggen. Komen de bouwers zelf eens met een goed initiatief, wordt dit zo de grond in geboord. Laten we toch afstappen van dit soort schemadenken. Soms is het beter een norm vast te stellen of te privatiseren en soms niet.

Een bewoner vertelde ons dat het een gemiste kans was dat niet op grote schaal zonnecollectoren zijn aangebracht. Waarom niet hele daken daarmee bekleed? In een deel van Wateringse Veld, de Bouwlusthof, wilde men zelfs een energieneutrale buurt doen verrijzen. Dat betekent net zoveel energie opwekken als verbruiken. Daar zijn voorbeelden van zoals in Heerhugowaard. Hier wil men drie windmolens plaatsen en via een allesbrandertje per huis ook nog wat bij kunnen stoken. Ook leuk voor de mensen. Een EPC van 0 bleek echter moeilijk haalbaar omdat men bijvoorbeeld grote ramen wilde, niet alles op de zon wilde bouwen en ruimere woningen wenste met een bredere gevel en een hoger plafond. Daar zijn goede argumenten voor te geven, want niet alles wat goed voor het milieu is, is ook goed als het gaat om prettig en comfortabel wonen. Een EPC van 0,25 bleek dan wel haalbaar. Of dit project uiteindelijk gerealiseerd wordt, hangt met name ervan af of men het geld ervoor over heeft en of de geluidhinder van de windmolens geen roet in het eten gooit. Ons advies zou zijn om een deel van de extra investeringen te betalen door de afschrijftijd te verlengen. Bovendien mag voor een aansprekend voorbeeld van een wooncomplex binnen de Haagse grenzen met een zeer lage EPC wel dieper in de buidel getast worden.

WATERHUISHOUDING
Nu dan het water. Aan een goede waterhuishouding is met inzet en inventiviteit gewerkt, waarbij watervoorzieningen herkenbare dragers zijn van het totale stedenbouwkundige plan. Zo doet het Wateringse Veld zijn naam ook eer aan. De oude waterlopen, zoals de oude getijdenkreek de Gantel, zijn zo veel mogelijk in takt gelaten en er is slim gebruik gemaakt van de natuurlijke scheiding tussen het hoger en lager gelegen deel. Door het creëren van grote waterpartijen die karakteristiek zijn binnen het project was het mogelijk om een geheel gesloten waterhuishoudingssysteem te scheppen. Dit is dus afgesloten van het boezemwater. Dit betekent dat geen vuil water wordt binnengelaten maar ook dat de waterbergingscapaciteit voldoende moet zijn. Die waterbergingscapaciteit werd gewaarborgd doordat 10% van de wijk uit water bestaat en door het openbaar gebied zo min mogelijk te verharden zodat het water in de grond kan zakken. Door het gescheiden riool wordt het hemelwater niet op het riool geloosd, maar blijft dit binnen de wijk. Dit scheelt kosten aan waterzuivering en energie en door het veel schonere oppervlaktewater ontstaat als vanzelf een gevarieerde oevervegetatie. Wel stelt het behoorlijk hoge eisen aan het voorkomen van vervuiling van het oppervlakte water door afspoeling van vuil op drukbereden wegen, hondenpoep, het wassen van de auto of het sleutelen daaraan op straat, zwerfvuil en, om maar iets te noemen, het gebruik van bouwmaterialen die door uitspoeling zware metalen in het milieu brengen zoals de huidige trend om gevels te bekleden met zink. Dit betekent betere technieken als afvoer van eerste afspoeling van wegen, bakken die voor filtering zorgen en de helofytenfiltering door riet en biezen. Het betekent ook meer aandacht voor controle en beheer.

In het ontwerp en in de uitvoering daarvan is deze waterkwaliteit ook zichtbaar gemaakt om zo een aantrekkelijke woonomgeving en openbare ruimte te scheppen. Dat is gedaan in samenwerking met de stichting Stroom voor toegepaste kunst. Dit heeft ondermeer een basalten kademuur opgeleverd. Samen met de oude Bovendijk als natuurlijke scheiding tussen het hoger en lager gelegen deel is deze muur een functioneel en aantrekkelijk landschappelijk element. Het water dat via open straatgoten in het midden van het wegdek in de zogeheten waterstraten wordt afgevoerd stroomt, uit de kademuur op een spannende manier over ontworpen stenen tafels in de Waterlandsingel. Via een circulatiepompsysteem wordt het water in het hele gebied in beweging gehouden zodat het leeft en zuurstof opneemt. En natuurlijk werken deze pompen op zonne- of windenergie. Tenslotte is voor een betere ontwatering van de klei- en veenbodem gebruik gemaakt van drainagebuizen die zowel voor de afvoer van grondwater als van regenwater zorgen. Het zit dus wel goed met deze integrale aanpak van het waterbeheer.

MOBILITEIT EN ONTSLUITING
De ligging van Wateringse Veld en ook van andere Vinexwijken is gezien vanuit mobiliteit en flexibiliteit niet erg gunstig. Het is een soort eindhalte/satellietwijk waar je slechts op een manier in kunt en op dezelfde manier weer uitkomt. Je komt er nooit zomaar langs als je van het ene deel van de stad naar het andere gaat. Dat betekent niet alleen meer (auto)kilometers, maar ook dat het moeilijk zal zijn om, met gebruikmaking van de totale infrastructuur, een andere functie aan het gebied te geven als de huidige woonfunctie, met name gericht op gezinnen met opgroeiende kinderen, niet meer zou voldoen. Dan moet alles gesloopt. Weg investeringen en kapitaal en jammer voor het milieu.

Maar binnen dit gegeven is door de ontwerpers vanaf het begin van het planproces uitgegaan van een goede ontsluiting van de wijk en het scheppen van alternatieven voor de auto. Men stelt onomwonden dat het autoverkeer dient te worden afgeremd en dat meer asfalt het probleem niet zal oplossen. Wel spreekt men over de centrale ligging van Wateringse Veld. Daar snappen wij niets van, al sluit de wijk zeker beter aan bij Den Haag dan andere Vinexlocaties. Daardoor was het relatief gemakkelijk om "al" in 1999 te zorgen voor aansluiting op het openbaar vervoer door tramlijn 17 door te trekken. Dat is snel vergeleken bij veel andere Vinexwijken. Binnenkort komt lijn 9 daar nog bij. Daarna volgen nog en aantal buslijnen. Dat vanaf het begin de wijk door openbaar vervoer ontsloten is, is van groot belang omdat dit van invloed is op de keuze van bewoners en toekomstige bewoners wat betreft hun vervoerswijze; neem bijvoorbeeld de aanschaf van een eerste of tweede auto. Wel klaagde iemand over de kosten omdat vier zones nodig zijn om in de stad te komen.

De inrichting van de wijk is zo dat auto's niet van de ene buurt naar de andere kunnen, maar altijd via de twee centrale ontsluitingswegen gedirigeerd worden: het Oosteinde en de Laan van Wateringse Veld. Deze wegen sluiten goed aan op het rijkswegennet. In de meest compacte wijk zijn zes autovrije hoven waardoor er meer ruimte is voor groen en speelplekken. En ook de fiets is niet vergeten: vrijliggende fietspaden die aansluiten op recreatieve routes en een fijnmazig netwerk van fietspaden in de buurten. Ook de snelheidsbeperking van 30 km is goed voor het veilig kunnen fietsen. Voor het direct kunnen doorsteken voor fietsers van de ene buurt naar de andere komen er ook speciale fietsbruggen.

Helaas wordt, ondanks deze inzet, toch erg veel ruimte ingenomen door de 12000 parkeerplaatsen. De twee centrale pleinen die sterk hadden kunnen bijdragen aan een groene beleving en aan een leefbare omgeving worden volkomen door het autoblik gedomineerd. De opvatting is dat er zelfs een tekort aan parkeerruimte is. Maar al dit blik had gewoon onder de grond gestopt kunnen worden en door de parkeernorm te verlagen dwing je de bewoners gebruik te maken van de alternatieven. Als je kiest voor Wateringse Veld, met alle voordelen die beperking van de automobiliteit voor de leefbaarheid betekent, is het duidelijk dat meer dan een auto, liefst onder de buurt, er niet in zit. Bovendien zouden meer voorzieningen in de wijk, zoals reeds besproken, structureel voor een forse beperking van de mobiliteitsbehoefte zorgen.

Wat ronduit een gemiste kans is, is dat niet direct het autodelen via bijvoorbeeld GreenWheels sterk gepromoot is. Bij autodelen heeft men persoonlijk niet de lasten van de auto, maar wel de lusten, want er staat met de chipkaart vlak bij huis altijd een auto met boordcomputer klaar. En ook de wijk heeft dan de last niet. Bovendien is het veel goedkoper. Weliswaar wordt in het bewonersboek hier een kleine passage aan gewijd, maar dat zorgt natuurlijk niet voor deelauto's in de wijk.

DE NATUUR ALS NAASTE BUUR
In Wateringse Veld komt naast het water ook veel groen. Al dat groen zorgt door zijn herkenbare variatie voor rust en beslotenheid en draagt aldus sterk bij aan de leefbaarheid. Belangrijk is dat men ervoor gezorgd heeft dat al dat groen op elkaar aansluit. Daardoor heeft het behalve een belangrijke recreatieve waarde vlak voor de deur, ook een belangrijke ecologische functie zeker daar waar speciale ecologische zones zijn aangelegd die niet in de eerste plaats een recreatieve functie hebben. In de grote brede ecologische zones zoals langs de Rijner Watering, heeft de natuur vrij spel. De aaneengesloten ecologische verbindingszone is van groot belang voor het behoud van de verscheidenheid in de natuur. Deze loopt dwars door de wijk en legt zo een verbinding tussen het bedreigde natuurgebied de Uithof en de Voordes in het Noorden en de waterloop de Zweth en het veenweidegebied Midden-Delfland. Een knelpunt is de flessenhals bij de toekomstige stadsboerderij.

In de buurten worden maar liefst 300 verschillende boomsoorten geplant die binnen de condities van Wateringse Veld lijken te kunnen floreren. Hierdoor wordt het bomenspectrum veel gevarieerder dan gebruikelijk in stadswijken. Aardig is dat de "boomkunstenaar" die de selectie heeft gemaakt ook een bomengids heeft samengesteld en granieten tegels heeft gemaakt die aan het begin van de straat in de trottoirs geplaatst zijn. Op deze stenen staan de naam en bladvorm van de bomen.

MATERIAALGEBRUIK
In Wateringse Veld zijn behoorlijk hoge eisen gesteld aan het gebruik van duurzame materialen. Dan gaat het om lange lijsten met beschrijvingen en eisen waar bouwers en aannemers zich aan dienen te houden. Of dat ook gebeurd is, valt alleen met een technisch onderzoek te achterhalen. Daar zijn wij niet aan begonnen en daar hebben we ook het geld en dus de deskundigheid niet voor. Er mocht in ieder geval geen tropisch hardhout gebruikt worden of het moest het FSC-keur hebben. Materialen als lood en zink zijn zo min mogelijk verwerkt doordat de winning vaak desastreus is voor het milieu en deze door uitspoeling en verwering zware, giftige metalen in het milieu brengen. Opvallend is dat beton als duurzaam wordt gekenmerkt, terwijl de productie van beton zeer hoog energetisch is en de delving van de benodigde grondstoffen vaak met forse milieuschade gepaard gaat. Natuurlijk zijn er wel verbeteringen zoals het verwerken van puingranulaat in plaats van grind en eisen aan de winning van zand en mergel in Nederland. Maar het blijft een niet erg duurzaam bouwmateriaal. Ook hergebruik is beperkt mogelijk.

SCHOONHEID IS DUURZAAM
Bij de opzet van de wijk zou een poging worden gedaan aan te sluiten bij het 'Haags repertoire' aan wijken: de groene lanen van Zuid-west, huizen met kappen als in Benoordenhout en Marlot, de moderne witte architectuur in het Bos van Zanen. De wijk moest daarmee niet alleen 'Haags' worden, maar ook op lange termijn ontsnappen aan de waan van de dag waar veel nieuwbouw onder lijdt. Wanneer je sommige stukken in het Lage Veld bekijkt, lijkt dat daar maar matig gelukt. Onder de stedenbouwers en architecten wordt nauwelijks in deze zin gedebatteerd over duurzaam bouwen. Terwijl de kwaliteit van de vormgeving van woningen en de openbare ruimte van groot belang is, als het er om gaat voor tientallen jaren een aantrekkelijke woonomgeving te hebben en te houden.

Er zou nog veel meer te vertellen zijn over Wateringse Veld zoals de problemen die het gevolg zijn van het overplanten van hele straten uit Zuid-West naar de buurt Lage Veld waarmee de sociale problematiek ook overgeplant wordt. Over het belang van het intensief betrekken van bewoners bij hun buurt door een combinatie van aansprekende informatie, positieve waardering, goed beheer en controle met sancties om de hondenpoep en het zwerfvuil zoveel mogelijk te voorkomen. Uit onze gesprekken met bewoners bleek veel mis te zijn met het beheer: veel mensen die hun auto toch op straat wassen, hondenpoep, verkeerd aangeboden huisvuil, vernielingen, illegale puinstort, veel zwerfvuil etc. Ook werd gewag gemaakt van schadelijk bouwafval met piepschuim, lege kithulzen en blikken, het gebruik van purschuim en vragen over het onderhoud van de zonnepanelen.

In het bestek van dit artikel is het niet mogelijk daar verder op in te gaan. De beoordeling van Wateringse Veld voor wat betreft duurzaam bouwen is niet makkelijk. Je zou kunnen zeggen dat in het land der blinden eenoog koning is. Dat zou het projectteam geen recht doen. Als je ook beoordeelt vanuit inzet en wat binnen de vastgelegde kaders mogelijk was scoort dit project binnen de Haagse context gewoon erg goed. Indien we uitgaan van wat vanuit een brede en integrale benadering kan en mogelijk en nodig is, scoort het project zeker voldoende. En de beoordeling van Den Haag als geheel houdt u nog van ons tegoed.

Frans van der Steen

meer artikelen over ruimtelijke ordening & duurzaam bouwen

 

 

"MILIEU: EEN VERPLICHT VAK OP DE BASISSCHOOL"

Op een typisch grijze, regenachtige januaridag bezoeken we Dirk van Rijn en z'n vrouw in zijn huis. Dirk is geboren in 1923 als zoon van een molenaar en een boerendochter. Enthousiast steekt hij van wal. De belangstelling voor de natuur heeft hij met de paplepel ingegoten gekregen. Dat begint al in z'n vroege jeugd, 1937, wanneer hij een actieve padvinder blijkt. Met verrekijker, pukkel en kompas trekt hij er als jong knaapje regelmatig op uit. Zo ook op 11 mei 1940, wanneer de Tweede wereldoorlog uitbreekt. Bevlogen vertelt hij over wat hij heeft meegemaakt en hoe hij de oorlog door zijn ogen heeft vastgelegd op papier. Naast een gepassioneerd verteller, een man met vreselijk veel kennis van de natuur, blijkt Dirk ook nog te beschikken over een groot tekentalent. Menig aangrijpend oorlogstafereel en oogstrelend landschap trekken aan ons voorbij wanneer hij zijn verzameling tekeningen voor ons uitstalt. Vol trots kondigt hij dan ook de publicatie aan van zijn boek, begin mei, met daarin uitsluitend zijn tekeningen en schilderijen over de oorlog.

Na de oorlog gaat Dirk, inmiddels veteraan, werken als groepsleider in het jongerenwelzijnswerk. Hij blijft dit de rest van z'n leven doen en trekt er, hoe kan het ook anders, met de 'jongens' vaak op uit. "Natuurlijk gingen we niet in het pikkiedonker naar buiten, maar wachtten we op het juiste maanlicht." Ook het gezin van Rijn, met vier dochters en twee zonen, ging als het maar even kon 'naar buiten'; met z'n allen in het VW-busje de natuur in.

Met zijn ruime ervaring en ideeën over hoe kinderen betrokken kunnen worden bij de natuur en het milieu besluit hij mee te dingen naar de Haagse Milieuprijs met zijn idee dat liefde voor de natuur via het onderwijs in de kinderziel gegrift moet worden.

"Bewustwording van wat milieu is moet voorop staan. Milieu moet voor kinderen een ontdekking worden. Mijns inziens moet het vak milieu, naast bijvoorbeeld het schoolzwemmen, een verplicht vak zijn vanaf groep 3. Kinderen weten nu nog net wat een brandnetel is, maar bij herderstasje denken ze eerder aan Mond- en Klauwzeer."

Voor Dirk van Rijn, getekend door de oorlog, is de natuur hét symbool voor vrijheid. "Wat het leven is? Het leven is vrijheid! En God? De zon is mijn god! De enige plek waar de ware wijsheid van het leven te vinden is, is in de natuur."

Dirk van Rijn ontvangt voor deze inzending een van de vier aanmoedigingsprijzen. Het Haags Milieucentrum gaat, samen met andere organisaties, in de nieuwe Collegeperiode bekijken welke politieke partijen ervoor voelen om hier in Den Haag wat meer mee te doen.

Monique Vermin

 

GROEN forum

WIE HET EERST ONDERHANDELT, ONDERHANDELT HET BEST?

De Zwarte Madonna is een woongebouw op een steenworp afstand van het Centraal Station in Den Haag. De gemeente wil de Zwarte Madonna en twee aangrenzende ministeriegebouwen slopen om zo ruimte te maken voor het "Wijnhavenplan", een plan met kolossale nieuwbouw voor de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken. Hoewel het plan van de gemeente ook een bescheiden aantal woningen, diverse voorzieningen en talrijke winkelruimtes bevat, is het overduidelijk dat het Rijk de drijfveer is achter het plan.
September jl. schreef Frans van der Steen een aansprekend artikel over de Zwarte Madonna ("De kwestie Zwarte Madonna: een zwarte bladzijde?", Branding nr.2). Dat de sloop van drie technisch zeer goede gebouwen, die nog lang niet zijn afgeschreven, vanuit milieuoogpunt een slechte zaak is, behoeft geen discussie. Daarover was Van der Steen dan ook kort. In het artikel lag de nadruk veel meer op het besluitvormingsproces dat tot het Wijnhavenplan heeft geleid. De kritiek van Van der Steen was dat hierin o.a. milieubezwaren geen rol hebben gespeeld. Hij stelde dat kwaliteit van het besluitvormingsproces cruciaal is als het om duurzaamheid gaat.
In Branding nr.3 reageerde wethouder Hilhorst op de kritiek. Met een verhaal over hergebruik probeerde hij de milieubezwaren te bagatelliseren om vervolgens in het geheel voorbij te gaan aan de kritiek op het besluitvormingsproces. Namens de bewoners zet ik mij nu alweer 1.5 jaar in voor behoud van de Zwarte Madonna. De kritiek van de bewoners is net als die van Van der Steen voor een groot deel gericht op het besluitvormingsproces. Wij vinden de besluitvorming onzorgvuldig, o.a. omdat er onvoldoende aandacht is geweest voor de vele alternatieve plannen.
Uit ervaring weet ik dat bezwaren van bewoners (en andere Hagenaars) hetzelfde lot is beschoren als milieubezwaren. Zij worden weggepoetst met mooie, maar inhoudsloze woorden. Op die manier wordt voorbijgegaan aan de kern van de bezwaren. Hoe komt het toch dat dergelijke maatschappelijke belangen zomaar worden weggehoond? De oorzaak ligt in het besluitvormingsproces.
Een besluitvormingsproces over zo'n groot project begint meestal met geheime onderhandelingen tussen de driehoek, gemeente, projectontwikkelaars en afnemer (in dit geval het Rijk). De belangen zijn vooral van financiële en economische aard. De gemeente wil werkgelegenheid en economische groei. De projectontwikkelaars willen investeringen met weinig risico en een hoog rendement. De afnemer wil voor weinig mooie nieuwe gebouwen. De belangen lopen dus ver uiteen en de onderhandelingen verlopen moeizaam. Geen van de partijen heeft er belang bij om andere dan technische of financiële bezwaren bij de besluitvorming te betrekken. Zeker als het Rijk zelf de afnemer is, zullen milieubezwaren het moeten afleggen tegen een zeer sterke drang om tot besluitvorming te komen.
Pas als genoemde driehoek het eens is, komen de plannen in de openbaarheid en krijgen bewoners en ander belanghebbenden (bijvoorbeeld milieuorganisaties) de kans hun zienswijze naar voren te brengen. De driehoek heeft er dan echter geen enkel belang meer bij om af te wijken van de in de achterkamertjes moeizaam overeengekomen afspraken. Zij stellen dus alles in het werk om bezwaren en alternatieven van welke aard dan ook te bagatelliseren of zelfs helemaal terzijde te schuiven. In de gemeenteraad worden zij daarin ondersteund door de collegepartijen die niet het risico willen lopen op electorale schade en dus hun eigen wethouder niet zullen afvallen.
Zolang de besluitvorming bij dit soort processen niet wordt omgedraaid (eerst inspraak en pas daarna onderhandelen) zullen milieuoverwegingen en bewonersbelangen, tenzij wettelijk vastgelegd, geen rol spelen. Het is de arrogantie van de macht dat zij, zonder naar haar burgers te luisteren, denkt te weten hoe de stad bestuurd moet worden en welke waarden voor haar burgers belangrijk zijn. Het milieu en de huurder delven in dit machtsspelletje vooralsnog vaak het onderspit. Toch heb ik goede hoop dat Fort Madonna onneembaar zal blijken, en wie het laatst lacht...

Oscar Dijkhoff,
voorzitter van de Stichting Vrienden van de Zwarte Madonna

meer artikelen over ruimtelijke ordening & duurzaam bouwen

 

REACTIE VAN WETHOUDER VERKERK

In Branding nr. 3 van november/december 2001 staat de redactie uitvoerig stil bij het gemeentelijke concept-milieubeleidsplan en de CO2-reductie.
Als wethouder van de gemeente Den Haag ben ik ondermeer verantwoordelijk voor de portefeuille Economie en ook voor het gemeentelijk energiebeleid. Vanuit dit laatste beleidsterrein ben ik nauw betrokken bij het energiebesparingsbeleid en zeer geïnteresseerd in de opvattingen over dit beleid. Ik maak dan ook graag gebruik van de geboden gelegenheid te reageren op Branding.

In het artikel bepleit de redactie voor de opstelling van een gemeentelijk energiebeleidsplan. Ik ben het geheel en al eens met dit voorstel.
Het college van Burgemeester en Wethouders heeft daartoe ook al besloten.
Dat plan is dan ook in de maak en komt dit jaar in bestuurlijke behandeling. Dit plan volgt op het milieubeleidsplan dat het college in november 2001 heeft vastgesteld. Het is dus niet zo, dat de gemeente zou hebben gedacht dat een milieubeleidsplan voldoende soelaas zou geven voor energiebesparing. Het milieubeleidsplan bevat al wel een hoofdstuk over het te voeren gemeentelijk klimaatbeleid.
Het te ontwerpen nieuwe energiebeleidsplan zal hier verder op ingaan en zal mede worden gebaseerd op de (klimaat)overeenkomst die de ministeries van VROM en EZ omstreeks maart gaan sluiten met VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) en provincies. Die overeenkomst omvat ook geldelijke steunmogelijkheden voor onze gemeente. De gemeente zal daar uiteraard op inhaken..

Naast dit energiebeleidsplan gaat de gemeente over enkele weken met Eneco een samenwerkingsovereenkomst aan voor meerdere jaren. Het doel van die overeenkomst is om samen projecten op te zetten die gericht zijn op het verder doorvoeren van duurzame energie en reguliere energiebesparing. Die aanpak zal leiden tot een substantiële CO2-reductie.
De Ontwikkelingsmaatschappij Den Haag, kortweg de 'Om Den Haag', zal daarbij een belangrijke rol gaan vervullen. Huishoudens en overheidsinstellingen zullen opnieuw merken dat het de gemeente op dit gebied ernst is. Eneco wendt daarbij middelen aan die nog uit de MAP-periode (MilieuActiePlan) stammen. Inmiddels is op werkniveau de samenwerking al aan de gang.
Naast deze binnenkort af te sluiten overeenkomst met Eneco heeft de gemeente nu al concrete afspraken lopen over de afzet van zonneboilers en zonnestroom met Eneco en de gemeente Rotterdam. In internationaal verband (The Hague Solar City) toetst de gemeente haar 'zon-beleid' aan de nieuwste inzichten die bij andere steden, wereldwijd, rijpen.

Tegen deze achtergrond moet echter beseft worden, dat duurzaamheid een kwestie van lange adem is. De gemeente kan niet direct met een druk op de knop het (energie)gedrag van onze 460.000 inwoners wijzigen. Daarvoor moet gedragsverandering worden gestimuleerd.
De gemeente is bijvoorbeeld ook niet bij machte om markt/prijsontwikkelingen op de energiemarkt te forceren. Dat zien we bijvoorbeeld bij het idee om het stadsverwarmingsnet uit te breiden. Uitbreiding van dit net is een zaak van NV E-ON en van NV ENECO Energie. De beperkte rentabiliteitsmogelijkheden van dit net gevoegd bij het gegeven dat de marktomstandigheden voor deze bedrijven - zij opereren in een vrije energiemarkt - nu anders zijn dan voorheen, impliceren dat deze bedrijven meer dan ooit ook op hun winstpositie moeten letten.

De gemeente zit - zie ook boven - echter niet stil.
Vele punten die genoemde redactie aanstipt worden nu al aangepakt. Ik noem als enkel voorbeeld de Haagse Groene Energietrein waarbij in samenwerking met onder meer woningcorporaties, het E-team en de Universiteit van Leiden gewerkt wordt aan gedragsverandering. Bedoelde verandering behoeft niet ten koste te gaan van het comfort en kan daarbij ook de portemonnaie ten goede komen.
Ook stimuleert de gemeente samen met de NV Woningbeheer per wijk de zogenaamde EPA's (energieprestatieadviezen) in de huishoudens. Daarmede is al vooruitgelopen op de publiciteitscampagne die VROM en EZ op dit moment voeren.
De gemeente blijft daarbij nauwlettend oog houden op collectieve mogelijkheden van levering van warmte voor ruimteverwarming alsmede voor warmwatervoorziening. Gaslevering blijft dan achterwege. Bedoelde systemen geven een aanzienlijke energiebesparing en beperking van CO2-emissies, zelfs in orde van enkele tientallen procenten, vergeleken met het traditionele gas.
Deze ambitieuze aanpak wordt nu gerealiseerd in de nieuwe Spoorwijk (samen met REMU) en in delen van het Wateringse Veld (samen met Eneco).

Ik meen, gezien het bovenstaande, dat de gemeente nu al veel doet en voor de nabije toekomst een aantal veelbelovende initiatieven op de rol heeft staan.

Bas Verkerk
Wethouder Economie en Personeel van de gemeente Den Haag


meer artikelen over duurzame energie en energiebesparing

 

BESTE REDACTIE

In Branding nr 3. staat een oproep van Chris Heryet over de ongewenste reclamefolders die de postbode bij hem in de brievenbus stopt. Ik heb dezelfde ervaring en heb gemerkt dat het helpt als je de folders (zonder postzegel natuurlijk) terugstuurt naar het bedrijf waar ze van zijn. Zij sturen de klacht namelijk door naar PTT post. Aangezien die bedrijven namelijk betalen voor de verspreiding moet PTT post daar wel op reageren. Als je dit vaak genoeg doet helpt het echt. Ik heb zelfs een keer de postbode aan de deur gehad die van zijn chef excuses aan mij moest aanbieden!!!
Persoonlijk lucht het altijd enorm op als de brief aan de adverteerder behoorlijk cynisch is. Ik heb hier nog wel voorbeelden van als dat nodig is.

Groeten,
Raymond Swinkels
r.a.j.swinkels@iquip.nl

 

 

 


Agenda

Zin in een dagje uit?

Hier ziet u wat er de komende weken in Den Haag en omstreken op natuur- en milieugebied te doen is

 
  Branding

 

Neem een gratis abonnement op Branding, hét Haagse tijdschrift voor natuur en milieu, of klik hier voor de elektronische versie.