Branding - Archief  

 

COLUMNS BONTEBAL

 

DECEMBER (Branding nr. 18 januari-maart 2005) ...meer

PALEISTUIN (Branding nr. 16 september/oktober 2004) ...meer

SLOOP (Branding nr. 15 juni/juli 2004) ...meer

BACKYARD (Branding nr. 14 april/mei 2004) ...meer

HET BLOEDEND HART (Branding nr. 13 februari/maart 2004) ...meer

RARE MAN (Branding nr. 12 november/december 2003) ...meer

MINEUR (Branding nr. 11 september/oktober 2003) ...meer

DRUK DRUK DRUK (Branding nr. 10 juni/juli 2003) ...meer

CULTUUR EN NATUUR (Branding nr. 8 oktober/november 2002) ...meer

NORMEN EN WAARDEN (Branding nr. 7 oktober/november 2002) ...meer

GROEN (Branding nr. 6 september/oktober 2002) ...meer

VERVOER (Branding nr. 5 mei/juni/juli 2002) ...meer

HET HALVE WERK (Branding nr. 3 november/december 2001) ...meer

 

 

 

 

 

 

BONTEBALDECEMBER

December is een sombere maand, vooral voor een alleenstaande als ik. Het wordt vroeger donker, het weer is guur en om me heen worden allerlei feestjes gevierd: verjaardagen, sinterklaas, sint Jezus (Kerstmis). Ik heb de rare gewoonte om als ik me somber voel, sombere dingen te gaan lezen of beluisteren. Dat verdiept het gevoel en ik wentel me erin. Zo draai ik de Mattheus Passion vaker in december dan in de week voor Pasen. En in deze tijd van het jaar lees ik ook steevast enkele malen het beroemde verhaal over de kalkoen die zich had verstopt onder een blauwspar om zo aan de kerstslachting te ontkomen. Het verhaal is algemeen bekend, ik hoef het hier niet te herhalen. Toch bemerk ik enige vooruitgang bij mezelf: ik hoef niet meer te huilen als ik het verhaaltje lees.

Nu ik het toch over kerst heb en de bekende verhalen: het is ook algemeen bekend hoe ganzenboeren er voor zorgen dat hun vogels een lekkere vette lever krijgen, de exquise foie gras. Je neemt een emmer graan en een trechter en... enfin, je kent het. Dierenmishandeling van de bovenste plank, je verbaast je erover dat het is toegestaan, dat mensen het überhaupt willen vreten. Stichting Wakker Dier heeft
theatergigant Joop van den Ende op de vingers getikt, omdat de foie gras in het restaurant van het Circustheater gewoon op de kaart staat. Joop heeft nu beterschap beloofd: direct ná de kerst zal het spul van het menu verdwijnen. Ná de kerst: het blijft gewoon een zakenman.

December is ook de maand van het vooruit blikken en terugkijken. Dat is dubbelop: vooruit blikken ìs terugkijken. Een tijd geleden schreef ik in deze hoek over een nieuwe ziekte bij kastanjes, een parasiet: de paardekastanjemineermot. Ook dit jaar heeft het beestje weer toegeslagen, waardoor al vroeg in het jaar de kastanjes herfstkleuren begonnen te vertonen. Dodelijk is het niet, maar er is een nieuwe kastanjeziekte bijgekomen. Een ernstige. Is de mineermot alleen maar vervelend, deze nieuwe ziekte is fataal. Er wordt koortsachtig gezocht naar een medicijn, maar op het moment dat ik dit schrijf is dat nog niet gevonden.
De nog onbekende kastanjeziekte manifesteert zich zowel bij jonge als bij oude kastanjes. Verspreid op de stam verschijnen kleine roestbruine vlekken die zich snel uitbreiden over de rest van de stam en gesteltakken. Uit de vlekken druipt puntsgewijs een donkerrode, stroperige vloeistof. In de nazomer drogen de vlekken in tot ruwe zwarte korsten. In het daarop volgende voorjaar en zelfs al in de loop van hetzelfde jaar verdroogt de bast tussen de vlekken en sterft af. Zodra de bast volledig rondom de stam afsterft, sterft ook de boom. Bij jonge bomen zal dit eerder gebeuren dan bij oudere, dikke exemplaren.
De stad kent veel monumentale kastanjes, bijvoorbeeld aan de Lange Vijverberg en de Sophiastraat. Als die alle het loodje leggen is dat een klap die we moeilijk te boven zullen komen.

De gemeente Den Haag heeft aangekondigd de komende tijd extra nieuwe bomen te planten. Twee van mijn favoriete soorten zullen daarbij in de meerderheid zijn: de Ginkgo biloba en de Robinia pseudo-acacia Twee prachtige, zeer helder groene bomen. De stad zal ervan opknappen. Maar Den Haag zonder kastanjes? Dat kan echt niet hoor.

 

 

 

 

 

BONTEBALPALEISTUIN

Dit speelt een week voordat de Olympische Spelen begonnen.
Een van mijn favoriete Haagse parken is de Paleistuin, ik heb het eerder verteld, vooral ook omdat die voor mij het dichtst bij is. De Paleistuin is openbaar groen, hij dankt zijn naam aan het feit dat hij grenst aan de achterkant van paleis Noordeinde, het paleis waarin Beatrix bij tijd en wijle wat vage werkzaamheden uitvoert. Ik zit er vaak te lezen, te mijmeren of te genieten van het aangeplant c.q. langslopend schoon.

We zouden hem ook de Leeuwentuin kunnen noemen, of Laura’s hof, want hij grenst ook aan de achterkant van het huis van de familie Van Leeuwen. Je weet wel: van Laura, onze Haagse olympische turnster. Het leek mij gisteren een aardig idee in de tuin te gaan zitten, ter hoogte van huize Van Leeuwen, om een sfeerimpressie te schrijven voor het olympisch dagboek dat ik samen met collega Harry Zevenbergen ga bijhouden. Bovendien was het bloed verziekend heet, boven de dertig graden. In de schaduw van de bomen hoopte ik verfrissing vinden.

Ik zou schrijven over de rode beuk (Fagus sylvatica ‘Atropurpurea’) die in de achtertuin van de familie Van Leeuwen staat. Het is de dikste boom van Den Haag. Diktes worden op 1.30 meter hoogte gemeten en die reus meet daar 568 cm. Als je de beuk kan omarmen, heb je een probleem. Vader van Leeuwen is antiquair. Couperus was bevriend met de antiquair Van Leeuwen, gevestigd op hetzelfde adres. Laura’s overgrootvader? Er bestaat een foto, uit 1928, waarop je Couperus op een bank naast de beuk ziet zitten. Hij heeft een hond half op schoot. Groot, formaatje Deense dog, maar dat is het niet. Geen idee welk merk het wel is.

Maar goed, ik naar die Paleistuin. Kom ik ter plekke, zijn de hekken dicht! Wat krijgen we nou? Achter de hekken staan drie politiemannetjes, in uniform, pet op, dertig graden. Niet meteen vragen, eerst kijken. Zou er iets koninklijks plaatsvinden waarbij het publiek op afstand dient te blijven? Ik tuur tussen de bomen door en zie Trix’ banier niet wapperen: zé is er niet, dus dát is het niet. Dit was ooit ook de achteringang naar het huis van Willem de Waterdrager, maar die woont sinds zijn huwelijk in Wassenaar. En tenslotte: Bernhard leeft nog; tijdens een opbaring mag je ook de tuin niet in, tenzij je afscheid komt nemen. Wat was er dan aan de hand?

Toch maar gevraagd aan zo’n pet achter het hek. Korte zinnen, duidelijke dictie, want ik weet: ik sta tegenover iemand wiens enige verdienste het is dat hij een dicht hek dicht kan houden. Dan is eenvoud het motto. Dus: ‘Waarom mogen we de tuin niet in?’ ‘Verhoogde terroristische dreiging.’ Mijn bek viel open, enkele functies vielen uit. ‘In de tuin?!?’

Ik bèn thuisgekomen, maar vraag me niet hoe. Ik heb afwezig de katten en de planten begroet: ‘Laat me maar even, ik vertel het straks wel.’ Na een nachtje slapen, een douche en een licht ontbijt, zag ik de dingen weer helder. Wat heet helder: ik schreef dit stukje. Ik heb het de katten laten lezen, ze begrepen mijn verwarring.

De vraag blijft: zo er al een dreiging is, kan dat paleis dan niet dicht? Trix heeft op Huis ten Bosch toch nog wel een kamertje vrij om haar ‘werk’ te doen? (O god, ik krijg ineens bange vermoedens. Huis ten Bosch staat in het Haagse Bos. Straks toch even kijken of het bos nog vrij toegankelijk is.)

 

 

 

 

BONTEBAL SLOOP

'Each man kills the thing he loves' schreef Oscar Wilde in zijn Ballad of Reading Gaol. De Duitsers zeggen: 'Was sich liebt, das neckt sich.' Dat klinkt meteen al een stuk grimmiger. De Fransen zullen een soortgelijke uitdrukking hebben, maar die ken ik niet en bovendien is dit geen taalcursus.

Dat de mens om zeep helpt waar hij van houdt is bekend. Lopen zo niet veel liefdesrelaties op de klippen? Het is allemaal erg genoeg, de mens is soms een macaber wezen, maar hoe gaat hij om met de dingen waarvan hij niet houdt?
Op dinsdag 4 mei was het dodenherdenking. We herdachten de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, zij die vielen in het westen en in het oosten. In de nacht van 4 op 5 mei is een onverlaat met een zaag de Japanse Tuin binnengedrongen. Er zal geen lezer van dit blad zijn die de Tuin niet kent, maar ten overvloede vermeld ik nog maar even dat hij ligt in een hoekje van Clingendael. Dus het is een onderdeel van het groengebied dat ik vorig maal in mijn column aanhaalde.

Van alle parken in Den Haag is de Japanse Tuin wel de allermooiste. Hij stamt uit 1900. Zes weken per jaar is hij geopend, van eind april tot half juni. Je geduld wordt dan ook wel beloond: tegen de vijftig soorten bladmossen, een Chinese jeneverbes, Japanse esdoorns en vooral veel bloeiende azalea's. Wat een kleuren, buurvrouw, wat een pracht.
De tuin is gebaseerd op de Japanse theetuin. Een bruggetje is versierd met heilige lotusbloemen, het water symboliseert het leven en de stenen erin de hindernissen in het leven. Een eilandje verbeeldt de schildpad, symbool van de onsterfelijkheid. Het zijn weetjes die ik ooit in een folder heb gelezen, ik ben te weinig zweverig om er zelf op te komen.

De sloper heeft aardig huisgehouden in de Tuin. Onder andere de jeneverbes die over het water hing is omgezaagd. De vraag rijst dan bij mij: heeft het een met het ander te maken. Is de Japanse Tuin onder handen genomen, omdat de Japanners de zeer foute partij waren tijdens de oorlog in het oosten? Het zou niet ondenkbaar zijn, hoewel ik niemand die zelf in het Jappenkamp heeft gezeten nog in staat acht het vonnis te voltrekken. Die mensen zijn inmiddels te oud of dood.
Misschien is de dader inmiddels gepakt op het moment dat deze Branding uitkomt. Ik geloof er niet echt in. De hooligan die enkele jaren geleden nogal wat bomen in de Scheveningse Bosjes heeft verrinneweerd is immers ook nooit gepakt?

Mensen gaan slordig met elkaar en met de natuur om. Wat ze elkaar onderling aandoen is mijn zaak niet, maar de natuur gaat me aan het hart. Incidenten bij mij in de buurt de laatste tijd? De bomen in de tuin van de Blauwe Aanslag, prachtige robinia's die ik zelf nog had gekocht, zijn meteen bij de ontruiming tegen de vlakte gegaan. Zonder vergunning, maar die werd enkele dagen later alsnog verleend. Bij mij in de straat wordt gebouwd. Bij de aanvoer van bouwketen, porto-cabins, zijn de bomen in de straat ernstig beschadigd: ook weer robinia's.

En dan nog de kleine en grotere kinderen in de buurt. Ik zie ze, zonder dat ze erbij lijken na te denken, in het voorbijgaan hele plukken uit mijn sneeuwbes en mijn kornoelje rukken. Geen moedwillige vernieling, maar een gedachteloos gebaar. Ik heb me aangeleerd me daar maar niet druk meer om te maken.

Adriaan Bontebal

 

 

 

 

BONTEBAL BACKYARD

Het Engels kent veel acroniemen, letterwoorden. Denk aan Nato, Yup (young urban professional) en Wasp (white Anglo-Saxon protestant). Een andere veel gebruikte is Nimby: not in my backyard. Een Nimby zegt: een gebruikersruimte voor verslaafden (een kerncentrale, een asielzoekerscentrum) is oké, maar niet bij mij in de buurt - de backyard moet je ruim zien.

Yup of Wasp ben ik niet, maar ik ben er achter gekomen dat ik soms wel een Nimby ben. Zeker momenteel. De betreffende achtertuin heet Reigersbergen en men wil er het Nationaal Automobielmuseum neerpoten.

Ik heb op deze plek al vaker geklaagd over het schenden van afspraken over het behoud van groen. Laatst nog, over de betonrot in het Groene Hart. Ook plaatselijk, hier in Den Haag, worden die afspraken geschonden. Clingendael, Oosterbeek, het Haagse Bos, Reigersbergen en Marlot vormen een aaneengesloten groengebied (dat helaas wordt doorsneden door een rijksweg.) Ooit is afgesproken dat dit groen groen zou blijven, maar al snel werd een hele hap uit Clingendael gehaald; daar staat nu het hoofdkantoor van de ANWB. Laatst is er weer een stuk bijgebouwd. Ook het veldje dat grenst aan Oosterbeek is verkwanseld, om er kapitale huizen neer te zetten. En nu is Reigersbergen aan de beurt, samen met de ernaast gelegen kwekerij, Black Acres - je kent het wel: met die olifanten op het zwarte plastic.
Het eerste stukje dat ik ooit voor het Haags Straatnieuws heb geschreven ging over Reigersbergen. Ik was geïntrigeerd door de beeldengroep, gedomineerd door vrouw Justitia, die bij de ingang ligt te verweren. Na onderzoek bleek het een kopie van de groep die het oude stadhuis siert, aan de kant van de Grote Kerk. Ooit stond ook deze wegrottende groep op het stadhuis, aan de kant van de huidige Snoepdoos. Maar wat mij het meest intrigeerde was de oude rode beuk in het parkje. Was, want hij is enkele jaren terug in een storm ten onder gegaan.

Op Reigersbergen heeft ooit een grote villa gestaan, in de oorlog logeerden er Duitsers. De villa is verdwenen, maar resten zijn nog te vinden. Bijvoorbeeld een allerliefst betonnen vijvertje, maar ook muren van de warmoezerij, een groentetuin waarin gewassen werden gekweekt die niet tegen de kou bestand zijn. De muren beschermden ze tegen de kille westenwind. Je vindt er nog enkele olijfbomen en aan een slootkant steunt een moerbei op een stok.
De beuk zat vol knoesten, gaten en zwammen. 'Als er kabouters bestaan,' schreef ik in het Straatnieuws stukje, 'dan wonen ze in deze boom.' De beuk is wijlen, maar nog steeds is Reigersbergen mijn favoriete parkje. Ik zit er vaak, als het weer het toelaat, op een bankje te mijmeren. Of ik maak aantekeningen voor een stukje. Of ik lees. Of ik geniet van de ooievaars die in het aangrenzende weiland foerageren. Dan kom ik tot rust.

Het autokerkhof is eigendom van de familie Louwman. De familie bezit enkele kilometers verderop, aan de rijksweg, zelf een behoorlijke lap grond. Daarop stond ooit Dierenpark Wassenaar. Er lopen, geloof ik, nog wat fokprogramma's met dieren, maar voor de rest ligt het terrein braak. Kan dat museum niet daar worden neergezet? Nee, zegt de familie, want dan moet een aantal mooie bomen worden gekapt. Wat krijgen we nou? Toch eerbied voor alles dat groeit en bloeit? Welnee, ze willen die zooi gewoon niet op eigen grond.
Met de familie Louwman zeg ik: Automobielmuseum: not in my backyard!

Adriaan Bontebal

 

 

 

HET BLOEDEND HART

Ze maken het ons wel moeilijk. Met 'ze' bedoel ik overheden en bedrijfsleven, waarbij de eersten weinig vat lijken te hebben op de tweeden. En ons? Dat zijn wij, de milieubewuste reizigers. Het is nu al veel eenvoudiger een vliegticket voor een bestemming binnen Europa aan te schaffen dan een treinkaartje. Vliegen is ook veel goedkoper; voor milieu en schatkist wordt het onderhand tijd dat er een fikse accijns op kerosine komt. Stel dat maar eens voor als politicus. Meteen valt alles en iedereen (=weer dat bedrijfsleven) over je heen en voor je het weet heb je weer liters water bij de wijn gedaan.

De Nederlandse Spoorwegen willen alle internationale loketten gaan sluiten. Straks is het alleen nog mogelijk via internet een kaartje naar, pak hem beet, Madrid te kopen. Ik weet niet of je dat weleens hebt gedaan, maar dan is het handig dat je rechtstreeks met een mens praat. Iemand waar tegen je bijvoorbeeld kan zeggen: die overstap, gaat er niet een trein een uurtje later, zodat ik nog even de stad in kan? Gewoon de gebruikelijke dingen: een treintje eerder hier, een treintje later daar. Maar nee, het wordt te duur, de NS kan de concurrentie met vliegmaatschappijen niet meer aan, wat ons terug brengt naar de eerste alinea.

Spreek ik over de trein, kom ik automatisch op het Groene Hart. Wanneer je van Den Haag naar Utrecht rijdt, kruis je op een gegeven moment de HSL in aanbouw. Wat een vreselijk gezicht. Dwars door weilanden en akkers wordt een betonnen spoor getrokken op vier, vijf meter boven het maaiveld. Het geeft je te denken. De eis, of laat ik zeggen: het verzoek was toentertijd het spoor van die flitstrein door een tunnel onder het Groene Hart te leiden. Dat bleek, zo vertelden overheden ons, een onhaalbare kaart, het zou allemaal te duur worden. Maar speelde het aanbesteden van een eventuele tunnel niet in de tijd dat bouwbedrijven nog dachten boven de wet te staan? Toen het nog gebruikelijk was met prijsafspraken de prijzen op te drijven? (Zou er intussen erg veel veranderd zijn?)

Er rijdt tegenwoordig een gratis bus tussen de Bollenstreek en Den Haag Centraal. Dat is een goede zaak, er wordt ook flink gebruik van gemaakt. Maar dit is ook het enige compliment dat ik onze provinciale bestuurders kan geven. Want aan de andere kant wordt het Groene Hart steeds verder verkwanseld. Die walgelijke betonconstructie voor de HSL is één ding, het bouwen van woonwijken is een ander. Knibbel knabbel knartje, wie knabbelt daar aan mijn Hartje? Steeds meer land, waarvan ooit plechtig is beloofd dat het groen zou blijven, wordt volgebouwd. De laatste stunt is het bebouwen van een grote driehoek tussen Leiden en Alphen. Zo krijgen alle beloften achteraf het predikaat 'loos'.

Terwijl ik dit zit te schrijven, merk ik dat ik, uit een gevoel van onmacht, vreselijk agressief begin te worden. Ik denk dat ik mijn katten maar eens ga slaan, want het is niet goed je agressie op te kroppen.

Adriaan Bontebal
http://users.bart.nl/~bontebal

 

 

 

 

RARE MAN

Ben ik nou zo'n rare man? De vraag is retorisch, natuurlijk ben ik een rare man, ik weet het. Dus ga niet massaal bevestigende ingezonden brieven sturen aan de Branding, het feit is bekend. Toch kom ik niet zomaar met die vraag. Ik ben goed op de hoogte van mijn rariteit, maar soms loop ik toch tegen dingen aan waarvan ik denk: hé, wat raar. Voorbeeld.

Zo ik iets ben, ben ik fietser. Geen loper; ik ben gehandicapt en lopen vereist oefening en ik heb wel iets beters te doen. Ik ijsbeer soms wat in mijn huiskamer, maar het maximale, rechte parcours dat ik kan afleggen is nog geen vier meter, dus het mag eigenlijk geen naam hebben. Van voetgangers heb ik als fietser over het algemeen weinig last, en zij niet van mij. Ik weet dat doorgaand verkeer voorrang heeft op afslaand verkeer, iets dat de meeste automobilisten niet schijnen te weten, dus als ik een hoek wil omgaan en een voetganger steekt recht over, dan wacht ik even.

Maar toch kunnen die wandelaars me af en toe mateloos irriteren. Bijvoorbeeld op het heel brede pad dat van het Spuiplein naar het centraal station loopt. Het is een van de weinige paden in Den Haag waarvan zowel voetgangers als fietsers gebruik mogen maken. Groepen van drie, vier, vijf lopende mensen presteren het wel om het hele pad te blokkeren. In een rij naast elkaar, zodat je er met geen mogelijkheid langs kan. Als ik dan tweemaal met mijn fietsbel bel, zijn de reacties over het algemeen zeer verontwaardigd. 'Joh, ga toch fietsen', zeg ik dan.

Je moet weten dat ik wel licht op mijn fiets heb, maar in de stad gebruik ik dat nooit: ik heb het idee dat ik dan veel te hard moet trappen. Bovendien staan er door de hele stad lantaarns, dus je moet als automobilist wel erg blind zijn wil je me niet zien rijden. En bij mijn weten mogen blinden geen auto rijden. Blinden kunnen ook mijn licht niet zien als ik de dynamo wel tegen mijn wiel zou zetten, dus... Ik begin een beetje af te dwalen geloof ik. Nu komt het:

Het gebeurt wel, als het echt niet anders kan, dat ik met iemand meerijd in een auto. Wat er dan met me gebeurt vind ik heel raar; hier ben ik eindelijk waar ik wezen wil. Als ik in een auto zit heb ik de neiging op fietsers te schelden. Kan je dat licht niet aandoen? Kan je je klauw niet uitsteken? (Nee, ik hou, als ik een bocht moet nemen voor de veiligheid altijd twee handen aan het stuur.) Waarom nou met zijn tweeën naast elkaar? Kan je niet wat dichter bij de stoeprand fietsen?
Het brengt mij tot de conclusie dat ik nog raarder ben dan ik al dacht.

Toen ik laatst weer eens een fietstochtje door de Vlietlanden maakte, ontdekte ik mijn grootste ergernis: skeelers, rolschaatsers of hoe dat volk tegenwoordig ook mag heten. Het schaatst wel lekker op geasfalteerde fietspaden en met mooi weer gebeurt dat ook massaal. Zie met tegenliggers maar eens langs zo'n schaatser te komen, die zijn/haar benen telkens een meter naar links en vervolgens een meter naar rechts uitstrekt.

Het verkeer is een jungle, ik ben een rare man en alle brommers moeten in de metaalpers.

ADRIAAN BONTEBAL
www.bart.nl/~bontebal

 

 

 

MINEUR

De berichten in de krant waren verontrustend. Eerst zo'n kleine van vier bij vier centimeter, een fait divers, waar je meestal overheen leest. Later dan toch een wat groter stuk in de zaterdagkrant: de mot zit in de kastanje. Ik heb de fiets gepakt en ben naar de Sophialaan ge-reden, één van onze prachtigste lanen, aan weerszijden van Plein 1813. Er staan zo'n 30 paardekastanjes, die allen rond 1900 zijn geboren.
En ja hoor: alle bomen zijn aangetast, evenals de bomen om de hoek, op de Nassaulaan. Heb jij daar verstand van, Bontebal? Heb jij daarvoor gestudeerd? Nee, maar bij het artikel stond een foto van een aangetast blad en hetzelfde zag ik hier. Snel ben ik doorgefietst: ik heb een houten been en je weet niet of het besmettelijk is.
Met angst en beven begaf ik me naar onze beroemdste kastanje, die op de Koekamp, bij de poffertjeskraam. Deze boom uit 1870 had moeten wijken voor de bouw van de Koningstunnel, maar daar is een stokje voor gestoken. In 1997 is hij met behulp van een gigantische lier 80 meter verschoven. Met succes; er gebeuren ook wel goede dingen in de stad. Op de Koekamp aangekomen haalde ik opgelucht adem: hij stond er gezond bij (eind juli).
De mot heet officieel Paardekastanjemineermot en is afkomstig van de Balkan. Het is niet zeker dat hij daar zijn oorsprong vindt. Inmiddels heeft hij de boot van de Hoek naar Harwich genomen: ook in Londen heeft men last. Een deskundige: 'Ik heb nog nooit eerder gezien dat een soort zich zo snel uitbreidt over Europa.' Men studeert op het probleem, er is vooralsnog weinig aan te doen.
Al die ziektes de laatste jaren. Zijn het er meer of vallen ze me meer op? Vooral in de bio-industrie is het raak: gekke koeien, varkenspest, pluimvee met pest. Ze slaan dus ook in de gewone natuur toe, als je bomen langs een laan gewone natuur kan noemen.
Zeer onlangs las ik een kop in de krant over 'Amerikaans vuilbroed'. Spannend, waar zou dat over gaan? Spionnen, undercover agenten van de drugsopsporing, vestigingen van McDonalds? Maar nee: vuilbroed is een ziekte die bijenlarven treft. Het werd ontdekt bij vier van de elf bijenvolken van een Brabantse imker. Meteen zijn de bekende maatregelen getroffen: vervoersverbod (straal van drie kilometer), besmette volken vergast. De honing vernietigd.
Is er dan geen medicijn tegen de bacterie, vroeg ik me af. Maar al snel begreep ik dat àls er al een remedie bestaat, het ondoenlijk is om al je bijen stuk voor stuk een injectie te geven. Of een pilletje te voeren.
Al die ziektes verontrusten me, misschien is er een deskundige die me gerust kan stellen: ach nee joh, gekkie, de ziektes zijn van alle tijden.
Ik begin zelf te klinken als een mineurmot. Laat ik mijn stukje eindigen met iets vrolijks. Ik heb hier al eerder geschreven over de Ginkgo biloba, de Japanse notenboom. Er staan verspreid over Den Haag enkele prachtige oude exemplaren, maar hij wordt steeds meer als straatboom gebruikt: Piet Heinstraat, Helenastraat, Vaillantplein enz. En over enige tijd in de Paulus Potterstraat: ik heb van een goede vriendin een zaailing van 20 centimeter hoog gekregen. Lief hè?

PS Bron: onder andere Als de bomen van Den Haag konden spreken. Verkrijgbaar aan de informatiebalie in het IJspaleis.

Adriaan Bontebal
http://www.bart.nl/~bontebal

 

 

 

DRUK DRUK DRUK

Van 30 april tot 9 juni is ieder jaar de Japanse Tuin in Clingendael geopend, een van de mooiste stukjes Den Haag. Onder de rook van Instituut Clingendael, waar men zich het hoofd breekt over oorlog en vrede. De vele ganzen die er rond lopen trekken zich niets van het vraagstuk aan en ruziën er steeds flink op los.

Op een, niet eens zo mooie vooravond begin mei heb ik mijn eerste bezoekje van dit jaar aan de tuin gebracht, ik ga ieder jaar vele malen. Het viel tegen. Niet de tuin op zich, die was prachtig als vanouds, maar mijn medebezoekers vielen niet in goede aarde: een groep van zo'n twintig bezwete mannen en vrouwen in korte broeken. Een stel joggers (of trimmers, of hoe heet dat volk tegenwoordig?) die tamelijk luidruchtig even in de tuin kwamen uitblazen. Ik heb een half rondje gemaakt en ben, met pijn in het hart, maar weer op de fiets gestapt.

'Je mag in Clingendael helemaal niet fietsen, er zijn alleen voet- en ruiterpaden, maar ik ben slecht ter been en voor mij maak ik een uitzondering.' Ik citeer uit een van mijn verhaaltjes. Verderdoor, op een grasveld, liep een groep van zeker vijftig mensen onnutte dingen met ballen te doen. Ze trainden voor het een of ander, want verspreid tussen de meute liepen enkele lieden op- en aanmerkingen te schreeuwen. Mijn rust vond ik uiteindelijk tegenover Clingendael, op het landgoed Oosterbeek. De enige andere bezoekers daar was een stelletje verliefden, een stel zeer verliefden, dus ik heb discreet de andere kant op gekeken. Daar zag ik toevallig een bonte specht, ook mooi.

Je zult mij niet horen zeggen (zien schrijven) dat Nederland vol is, maar het is wel heel erg druk. Een treffend voorbeeld stond begin mei in de zaterdagkrant, een foto-reportage met de titel: Natuurspits. 'De zon hoeft maar even te schijnen en half Nederland trekt naar bos, strand en water. Fijn: rust zoeken. Hoewel, rust?' Er volgden allemaal foto's van overbevolkte stukjes natuur: het Twiske, Kraantje Lek, de Loosdrechtse Plassen, De Biesbosch, de Ooijpolder en de Duivelsberg.

De zon hoeft maar even te schijnen en de halve Randstad trekt naar de kust. Ik heb er niet zo'n behoefte aan naar het strand te gaan. Het is niet de aanblik van het schaars geklede en slecht onderhouden vlees dat er ligt, maar het is vooral de grote hoeveelheid. Een groot deel van dat volk komt met de auto. Files op de Utrechtsebaan, Maanweg en Van Alkemadelaan, als ik langsfiets zie ik ze staan. Je kan er over de autodaken lopen, dat zou ik ook het liefst doen (ik heb ijzer onder mijn schoenen), maar het enige dat ik doe is een meewarige blik werpen op elke chauffeur die me aankijkt en grinniken als ik op een achterbank een roedel kinderen zie klieren.

In Meijendel is het op een zonnige dag ook koopavond, tot mijn schrik zag ik laatst dat er zelfs een nieuwe parkeerplaats is bijgekomen aan het eind van de Meijendelseweg. Ach, ik ken de rustige plekjes wel, zoals het landgoed Oosterbeek uit het begin van deze column. Maar ik doe het niet meer, ik ga op zonnige dagen geen fietstochtjes meer maken. Op dat soort dagen sleep ik mijn tuinstoel uit de meterkast en ga voor de deur zitten, tussen stokroos en hibiscus, met een boek op schoot. Heerlijk rustig.

Adriaan Bontebal
www.bart.nl/~bontebal

 

 

 

 

CULTUUR EN NATUUR

Soms zit het mee: nieuwjaarsdag liep LPF-voorman Mat Herben op Scheveningen de branding in. Soms zit het tegen: twee tellen later liep hij ook weer terug.
Voor de slechte verstaander: dit is humor, het is in elk geval bedoeld als humor. Dat je niet denkt dat ik echt van mening ben dat Herben, of enig andere politicus, jammerlijk in zee moet verdrinken, of overlijden aan onderkoeling. Ik zou niet graag zien dat er naar aanleiding van dit stukje een of andere malloot naar België afreist om een revolver te kopen en terug in eigen land die Herben naar de andere wereld helpt.
Juist een paar dagen eerder had ik het verhaal 'De Laagtijvierder' van Gust Gils gelezen (uit de bundel 'Schotbalken en Doorlaatkleppen'). Het gaat over een man die verliefd is op een zeemeermin, maar het zilte wicht heeft hem laten zitten. Dat is het, dacht ik. Herben lijkt op een man die een blauwtje heeft gelopen bij een zeemeermin, ondanks dat hij zijn zeehondensnor heeft afgeschoren. Let maar eens op. Ik ken het probleem: ik ben verliefd op een zevenslaapster, maar ze ziet mij niet staan.
Ik schreef het vorige keer al: de deadline van de Branding ligt ruim voor het verschijnen. Als het blad in de bus valt zijn de verkiezingen al achter de rug, met alle rampzalige gevolgen van dien. Deze column schrijf ik op 12 januari. Zojuist is het grote lijsttrekkersdebat geweest. Twee uur lang, gelijktijdig in Buitenhof op tv en op Radio I. Weer viel het me op hoe beperkt het aantal onderwerpen is waarover men wenst te discussiëren: onveiligheid, wachtlijsten, bezuinigingen. En vooral ook: wie wil met wie (Mat: 'Met mijn kleine zeemeermin!') Als schrijver en liefhebber van de schone kunsten zou ik graag eens horen hoe men over cultuur denkt, en wat men er voor over heeft. Maar je hoort ze er niet over, cultuur scoort niet.
En dan natuur en milieu. Helemaal aan het eind van het debat ging het nog even over openbaar vervoer en automobiliteit. Wat bleek: ook in het volgend kabinet hoeft er van de meeste lijsttrekkers geen minister voor milieu te komen. Een staatssecretaris is goed genoeg en die mag zich in het buitenland minister noemen. Terwijl je natuurlijk met het aanstellen van een minister toont, hoe serieus je het milieu neemt. Uiteraard moeten er wel meer en vooral bredere wegen komen.
Zelfs de gekende groene partij(en?) nemen het woord 'milieu' mondjesmaat in de mond. Ook die zijn vol van de onveiligheid, wat mijns inziens een schijnonveiligheid is, een gevoelsonveiligheid. Je verwacht bij links en groen toch andere thema's. Het andere uiterste kan ook. Laatst zag ik een interview met een plaatselijk hoofd van de Ku Klux Klan, de Grote Afdelings Wizard of zoiets van een stadje op het zuidelijk Amerikaanse platteland. Hij was voor een raszuiver, blank Amerika én voor een schoon milieu. Hoe schizofreen moet je zijn om die combinatie te maken?
Wereldwijd zit de economie in een dip, zegt men. En wat gebeurt? We halen de elzenbroekriem aan, het milieu is het eerste waarop wordt beknibbeld. De mens is het enige wezen dat kan denken: je zou het niet zeggen.

Adriaan Bontebal
http://www.bart.nl/~bontebal

 

 

 

Normen en waarden

Het heeft de nieuwe leiders van ons land niet behaagd een minister voor milieuzaken aan te stellen. Sterker nog: ik vermoed dat zij natuur (dat slechts een onderdeel van het milieu is) beschouwen als iets hinderlijks. Al dat groen neemt maar onnodig ruimte in, ruimte waarop je villa's kan bouwen, ruimte waarop je asfalt kan leggen. Het meest duidelijk komt dat tot uiting in het beleid en de plannen van de minister van verkeer en waterstaat. De strippenkaarten worden duurder, het asfalt wordt op veel plekken in Nederland verbreed. We mogen hem, zo heeft hij gezegd, over vier jaar erop afrekenen als auto's nog steeds stilstaan op de snelwegen. Over vier jaar?!? Beste Roelf: je bent toch niet echt van plan zo lang te blijven zitten? (De deadline voor de Branding ligt ruim vóór de verschijningsdatum; misschien zijn er, als je dit leest, al nieuwe verkiezingen uitgeschreven. Laten we het hopen.)

Ik hou het voorlopig maar op louter rancune. Volkert van der G. was immers milieu-activist én Melkertier. Bezuinigingen op het groen, de afbraak van het groen en het inkrimpen van het aantal Melkertbanen kan ik niet anders verklaren dan: we zullen die groene eikels eens een lesje leren. De wraak zal zoet zijn. Het wachten is op wegenbelasting voor fietsers. Of reed Volkert toevallig auto?

Politieke moorden horen niet tot onze cultuur en ik ben dan ook een felle tegenstander. Ik ben meer te porren voor het ludieke. Zoals de actie van die jongen van Greenpeace, die zich bij de presentatie van Grijs I aan de poort van Huis ten Bosch meldde met de mededeling: ik ben de nieuwe minister van milieuzaken. En hij mocht naar binnen! Later, tijdens de algemene beschouwingen in de tweede kamer, verscheen hij weer ten tonele. Net als de vorige keer keurig in het pak. Op het moment dat Gerrit Zalm met zijn betoog wilde beginnen, liep de greenpeacer naar het spreekgestoelte: laat mij dat maar even doen, ik heb verstandiger zaken te melden. Helaas werd hij voortijdig afgevoerd. (Verwacht dat soort acties niet van mij: ik heb geen pak.)

Verkrachting van de democratie? Ach kom. De echte geweldplegers, met het milieu als slachtoffer, zitten op het pluche. Voor hen is milieu iets waar je vandaan komt. 'Ons soort mensen', het volk dat je iedere zaterdagmiddag tegenkomt bij de delicatessenboer op het dorpsplein van Laren. Het beeld dat dit soort lieden op het groen heeft is ernstig vertekend: groen is dat wat zich tussen de villa en het tuinhek bevindt en dat zo aardig wordt bijgehouden door 'mijn mannetje' van twee dorpen verderop. En die tuin ligt er prachtig bij, er is dus niets mis met het groen in Nederland.

Het zijn trieste tijden voor water, lucht en bodem. De minister die het hardst roept om het herstel van normen en waarden, ziet er zelf geen been in om te snel over Neerlands wegen te zoeven in zijn Bentley. Ook de minister van verkeer en waterstaat ziet geen bezwaar (De Boer; nomen is ditmaal geen omen) als mensen de maximum snelheid met 10% overschrijden. Want er is 's nachts op grote delen van het snelwegennet nauwelijks verkeer. Ik dacht dat die maximum snelheid ook was ingevoerd om de uitstoot van uitlaatgassen terug te dringen.

De normen en waarden worden langzaam duidelijk en ik zal mijn voordeel ermee doen. Als ik bood ga schappen zal ik maximaal 10% meer aan artikelen meenemen dan ik afreken. En aan het eind van het jaar sjoemel ik 10% met mijn inkomsten (hetgeen helaas peanuts is).

Adriaan Bontebal
www.bart.nl/~bontebal


GROEN

Grijs I, de eerste regering Balkellende, is aangetreden en daar wordt een mens niet vrolijk van. Het is, vooral aan LPF-zijde, een bijeengeraapt zootje, dat meer verstand heeft van geld verdienen, dan van iets anders. De rijken zullen weer rijker worden, de grote groep armen zal nog groter worden. Grote woorden vooraf over veiligheid, zorg en onderwijs, maar nu het puntje bij paaltje komt, blijkt er toch niet echt extra geld te worden uitgetrokken.

Eén van de speerpunten van het nieuwe kabinet is te komen tot in drastische inkrimping van het aantal gesubsidieerde banen. Melkerts en WIW-ers. Dat is, zacht gezegd, niet bijster slim. Een aantal sectoren van de maatschappij draait op deze krachten, en zij doen zeer nuttig werk.

Neem mij, bijvoorbeeld. Ik ben WIW-er (vroeger heette dat: banenpooler) bij een stichting die zich inzet voor de cultuur, met name de literatuur, in de marge. We organiseren workshops, literaire avonden waarop beginnende en gevestigde schrijvers uit eigen werk kunnen voordragen, we onderhouden een website waarop verschillende mensen publiceren, we geven een blad uit enz. enz. Ook deze column wordt mede mogelijk gemaakt door mijn werkgever.

Als het aan Grijs I ligt beland ik straks weer in de Bijstand. Of er dan nog een column van mijn hand in dit onvolprezen blad zal verschijnen is nog maar de vraag: de regels voor vrijwilligerswerk zijn er ook niet soepeler op geworden. Na jaren van grote inzet zal ik weer terugvallen op de positie van steuntrekker.

Maar ach, dit zijn kleine, persoonlijke problemen. Erger is dat na jaren van strijd, bijvoorbeeld voor het behoud van het Groene Hart, de knuppels zichzelf in het hoenderhok gooien. Gemeentes zullen in de toekomst meer vrijheid hebben om de buitengebieden vol te plempen met huizen en bedrijfsterreinen. Huizen moeten er komen, natuurlijk, maar mensen moeten ook kunnen recreëren, adem kunnen halen.

Eén van de ergste plannen van dit nieuwe kabinet is het afschaffen van de voordelen bij het groen investeren. Het financiële rendement zal in de toekomst nog miniem zijn, zodat investeren in het milieu voor de gemiddelde geldschieter niet meer interessant zal zijn. Alleen de diehards, de idealisten zullen over blijven.

Investeringen blijven nodig in de groene hoek, vooral waar het gaat om energie. Zonne-energie, waterkracht, windenergie, het zijn allemaal schone manieren om elektriciteit op te wekken. (Oké, zo'n rijtje windturbines aan de horizon is niet bepaald een esthetisch beeld, het is regelrechte horizonvervuiling. Maar we zijn ooit ook gaan wennen aan onze gewone windmolens, men komt met busladingen uit het buitenland om die wonderen te aanschouwen. Misschien kunnen die windturbines een wat vrolijker uiterlijk krijgen.)

Maar Grijs I ziet dat anders. Uiteraard zitten er in LPF- en VVD-hoek veel lieden die meer zien in kernenergie. De kerncentrale van Borssele zal dan ook langer openblijven dan was afgesproken. En men zal het oude materialistische stokpaardje berijden: boren in de Waddenzee.

Je kan bij je energiebedrijf aangeven dat je prijs stelt op de levering van groene energie. Natuurlijk is het dan niet zo dat bij jou groene elektriciteit uit het stopcontact komt en bij je buurman, ik noem maar wat, energie uit Borssele. Nee, hoe meer mensen aangeven dat zij groene energie willen, hoe meer groene energie het energiebedrijf zal inslaan.

Eens te meer moeten we het zelf doen. Van Grijs I is weinig goeds te verwachten. Ik wens jullie en mij veel sterkte de komende tijd.

Adriaan Bontebal
www.bart.nl/~bontebal

 

VERVOER

Op zoab bloeien geen bloemen.

Nederland is vol... met auto's. Precieze aantallen weet ik niet, interesseert me ook niet, ik zie het om me heen. Je kan in de stad je kont niet keren of je brandt je billen aan een bumper. Het aloude balspel stoeprandje kan in geen straat meer worden gespeeld. Ook heb ik geen flauw idee hoeveel kilometer file er dagelijks in ons land staat, vaak tot diep in de nacht, maar ik zie ze staan, als ik langs de 'snel'weg fiets, als ik over het Bernhardviaduct ga.

Nederland is vol... met auto's en dagelijks komen er hordes nieuwe auto's ons land binnen. De opvangplaatsen, de terreinen van de importeurs zijn overvol. De dealers weten van gekkigheid niet welke aanbiedingen te doen om stand te houden in een moordende concurrentie. Het wordt tijd dat daar paal en perk aan wordt gesteld. Binnen Europa zal dat waarschijnlijk niet kunnen wegens allerhande EU-regeltjes: het vrije verkeer van verkeer over de binnengrenzen, maar het moet toch mogelijk zijn de auto's van buiten de gemeenschap te weren.

En een uitzettingsbeleid, er moet een stringent uitzettingsbeleid worden gevoerd. Auto's van buiten de Europese gemeenschap die betrapt worden op zware overtredingen moeten zonder pardon worden teruggestuurd naar het land van herkomst. Over illegaal in ons land aanwezige auto's hoeven we het niet te hebben: wegwezen, oprotten!

Netelenbos (ach, Netelenbos) en Jorritsma zijn de afgelopen acht jaar bijna maandelijks met nieuwe plannetjes gekomen om het fileprobleem aan te pakken. Plannetjes die werden weggehoond, plannetjes die in de ijskast van het onderzoek werden gezet, plannetjes die op het laatste nippertje werden afgeblazen. Aan het eind van acht jaar paars blijkt er uiteindelijk geen reet veranderd. Ja, één ding: het is nog drukker geworden.

Dé oplossing voor de problemen is een goed openbaar vervoer (jeetje, hoe kom ik erop?). Maar áls daar al over wordt gesproken, blijft het bij spreken, plannetjes maken die in het laatje 'daar moeten we later nog maar eens naar kijken' verdwijnen. Buslijnen worden opgeheven, de spoorwegen zijn hard op weg terug te vallen naar het niveau van voor 1800.

In het Belgische Hasselt is sinds een jaar of drie, vier het openbaar vervoer gratis. Er zijn geen lijnen opgeheven, er zijn zelfs vele haltes bijgekomen en het loopt als een tierelier: het gebruik is verachtvoudigd. Geen oponthoud meer door mensen die een kaartje moeten kopen, geen gezeik meer met zwartrijders. Het scheelt in tijd, het scheelt controleurs.

Tegenstanders gniffelen: het is een sigaar uit eigen doos. Het openbaar vervoer wordt nu volledig uit belastinggelden bekostigd en dat geld moeten we zelf opbrengen. Ja, nou, en? Wegen worden ook aangelegd met belastinggeld, uit hetzelfde potje wordt het leger gefinancierd. Anderen zeggen: maak het gratis voor de minima, laat de rijken gewoon betalen. Er zit wat in, maar toch weer niet: dan krijg je weer het oponthoud van kaartjeskopers en moet je weer een controle-apparaat onderhouden.

Wat doen we met de auto's die er nu toch al zijn? Proberen het gebruik een heel eind terug te dringen en dan niet via ontmoediging. Geen negatieve benadering, want dan gooit de Nederlander zijn kont tegen de krib en zet zijn hakken in het zand. Dus, weer, zorgen voor goed openbaar vervoer, maar misschien kunnen we de mensen die voorgoed de auto de deur uit doen daar een premie voor geven (rijbewijs inleveren). Ontmoediging door lastenverzwaring is een asociale weg, ik heb het al eerder gezegd. Daarmee wordt Jan-met-de-pet in een hoek gezet, terwijl Floris-Jan-met-de-hoge-zijden-hoed er geen hap kaviaar minder om vreet.

Pluis voor aanstaande 15 mei de verkiezingsprogramma's door op werkelijke oplossingen voor de problemen. En bedenk: een voortzetting van de asfaltering van ons land is een heilloze weg, want: op zoab broeden geen vogels.

Adriaan Bontebal
www.bart.nl/~bontebal


HET HALVE WERK

Ooit schreef ik: ik gleed op mijn reet over een kleed van dode bladeren die zich depressief naar beneden hadden gestort: men zou ze aan de hoogste boom moeten hangen.

Het is herfst, de natuur trekt zich terug. Even houdt zij een winterstop, zodat zij er volgend voorjaar weer hard tegenaan kan gaan. Heb je je weleens afgevraagd hoe het komt dat de blaadjes loslaten? De reden is even simpel als geniaal: daar waar het steeltje van het blad aan de boom vast zit, vormt zich in de herfst een heel dun kurklaagje. Daardoor verliest het blad zijn grip en dwarrelt naar beneden. Slim hè, je moet er maar opkomen.

Een van de weinige planten in mijn tuin die zich niet terugtrekt maar nu juist begint uit te lopen is de jasmijn, de Jasminum nudiflorum. Dit is een winterbloeiende plant. In december, uiterlijk januari, verschijnen haar gele bloemetjes, dus nog voor de Hamamelis (de toverhazelaar) en de Forsythia. Ik kan eigenlijk niet wachten, wat niet wil zeggen dat ik momenteel niet geniet. In het Haagse Bos schitteren de herfstkleuren en je breekt je nek over de paddestoelen.

Zo kom ik aan mijn zeer. Waarom heb ik in Den Haag toch altijd het idee dat de dingen maar half worden gedaan? Steeds lijken er mooie dingen te gaan gebeuren en steeds blijkt de finishing touch buiten het budget te vallen. Zo is, om de automobilist te plezieren en de bereikbaarheid te vergroten, naast het centraal station de Koningstunnel aangelegd. Weet je nog: met veel tamtam is tegenover het poffertjeshuis een oude kastanje verplaatst.

Er kwam een park dat zich uitstrekte van de Prinsessegracht tot de Koekamp. Dat is maar deels uitgekomen. Halverwege de Bezuidenhoutseweg en het Korte Voorhout ziet de automobilist alweer daglicht. Het park wordt dus voor de helft doorsneden door een open tunnelbak. Waarom de tunnel niet doorgetrokken tot het Malieveld, met een ondergrondse afslag naar het Korte Voorhout en naar de parkeergarage onder het veld?

Rond die open tunnelbak ziet het er momenteel prachtig uit, eerlijk is eerlijk. Er is een wild bloemenmengsel gestrooid. Ga eens kijken, met een flora in de aanslag, je vindt er de prachtigste bloemen. En dan begin ik weer te zeiken: deze bloemenpracht is slechts tijdelijk. Straks wordt er een geciviliseerd plantsoen aangelegd, met ongetwijfeld aan de randen een brede Berberishaag (je kent hem wel: met van die rottige stekels) om het publiek op de paden te houden. Den Haag: zelfs gewoon is vaak al veel te gek.

Aan de andere kant van Malieveld en Koekamp begint het Haagse Bos, met weer, voor fietsers en wandelaars, een onoverkomelijke hindernis: de uitloop van de Utrechtse Baan. Er is een smalle doorsteek aan de achterkant van de VNO-toren. Doorsteken is niet van gevaar gespeend: de toren staat al vanaf de oplevering in de renovatiesteigers, waardoor je het uitzicht wordt benomen. Als fietser moet je helemaal stil gaan staan en je over het stuur buigen om te zien of er wellicht een auto aankomt. Verkeerstechnisch klopt er dus geen hout van, je vraagt je af hoe het is gelukt een bouwvergunning te krijgen.

En weer dezelfde vraag: waarom die open Utrechtse tunnelbak? Waarom geen ondergrondse afslagen bij de Zuid-Hollandlaan? Zoals ik zei: alles in Den Haag wordt maar half gedaan.
Tot slot. Dichters, niet ik, spreken over het Voorhout als het mooiste plein van Europa. Er gaan steeds meer stemmen op, ook binnen de gemeenteraad, om het eindelijk eens autovrij te maken. Zou het dan echt zo ver komen? Ik moet het nog zien, maar als het werkelijk gebeurt, zal ik de eerste zijn die er poëtisch de loftrompet over steekt. Dat is bij deze beloofd: hou me eraan!

ADRIAAN BONTEBAL
zie ook: www.bart.nl/~bontebal

 

Agenda

Zin in een dagje uit?

Hier ziet u wat er de komende weken in Den Haag en omstreken op natuur- en milieugebied te doen is

 
  Branding

 

Neem een gratis abonnement op Branding, hét Haagse tijdschrift voor natuur en milieu, of klik hier voor de elektronische versie.