Branding - Archief  

 

ALGEMEEN MILIEUBELEID

 

Om Den Haag gaat verder met een nieuwe directeur (Branding nr.18 januari-maart 2005) ...meer

De peer review is misschien wel té collegiaal (Branding nr.15 juni/juli 2004) ...meer

Stadsboerderijen: minder en beter (Branding nr.14 april/mei 2004) ...meer

GFT is óók Gordijnen, Fietsbroeken en T-shirts (Branding nr.14 april/mei 2004) ...meer

Exit stadsecoloog (Branding nr.14 april/mei 2004) ...meer

Van milieu- naar duurzaamheidsadviezen (Branding nr.13 februari/maart 2004) ...meer

Vuilophalers maken potje van GFT-inzameling (Branding nr.13 februari/maart 2004) ...meer

De chemokar in de grote steden (Branding nr.12 november/december 2003) ...meer

Lever lege batterijen in (Branding nr.12 november/december 2003) ...meer

Salon der initiatieven in Madurodam (Branding nr.12 november/december 2003)...meer

Allochtonen betrekken bij natuur en milieu gaat niet vanzelf (Branding nr.12 november/december 2003) ...meer

 

KLIK HIER VOOR OUDERE ARTIKELEN OVER ALGEMEEN MILIEUBELEID

 

 

 

Om Den Haag gaat verder met een nieuwe directeur


Van Poekelboek naar milieumarketing: het lokale duurzaamheidsbeleid heeft een lange weg afgelegd. Vijf jaar lang was Kitty van der Voorn de stuwende kracht achter de Ontwikkelingsmaatschappij Den Haag. De Stichting Om Den Haag is opgericht om bij te dragen aan de duurzame ontwikkeling van Den Haag en om het (Haagse) bedrijfsleven tot duurzaam ondernemen aan te zetten. Om te zorgen voor een balans tussen de fameuze 3 P’s van People, Planet en Profit. Per 1 januari jl. nam Van der Voorn afscheid als directeur. Branding blikte terug met haar en vooruit met haar opvolger: D66-fractievoorzitter Robert van Lente.


Van der Voorn: “Ik ben nu bijna vijf jaar bij Om Den Haag betrokken, eerst bij het opzetten en daarna in de 31⁄2 jaar dat de stichting functioneert. Al met al een geweldige tijd, met interessante projecten en vol uitdagingen. Ik heb ontzettend veel geleerd in die tijd. Op voorhand wist ik dat ik het niet veel langer dan 5 jaar zou gaan doen. Ik ben iemand die graag pioniert en opbouwt; een kwartiermaker. Ik weet dat er nu een goede organisatie staat met veel kansen waarop mijn opvolger verder kan bouwen.
Persoonlijk heb ik nu behoefte aan zelfstandigheid. Ik ga als zelfstandige werken in project- en interim-management. Ik wil graag weer deskundigheden aanspreken die ik de laatste tijd weinig benut. Meer werk doen in de sociale en culturele sfeer.”


Om Den Haag wordt door Van der Voorn getypeerd als ‘een wat hybride organisatie’. “We hebben een ideëel doel dat we bereiken door op marktconforme wijze diensten aan te bieden. We werken daarbij op het snijvlak van bedrijfsleven en overheid. Hoewel Om Den Haag economisch zelfstandig is - en móet zijn - is geld verdienen geen doel op zich.
Twaalf organisaties die de stad en duurzame ontwikkeling in hun hart dragen en willen bevorderen, hebben zitting in onze Raad van Toezicht. Dat zijn HTM, Eneco, Rabobank, Woningbeheer - samen met de gemeente, toen nog in de persoon van wethouder Stolte, de ‘founding fathers’ van Om Den Haag - en verder de Haagse Hogeschool, Mondriaangroep, Kamer van Koophandel, MKB, Shell, Siemens en de Rijksgebouwendienst. In die Raad zitten voornamelijk de directeuren van de vertegenwoordigde bedrijven, dus degenen die beslissingen kunnen nemen.

Het commitment vanuit de Raad van Toezicht is voor Om Den Haag van zeer grote waarde. Afgelopen voorjaar is de Raad flink uitgebreid. Dat is goed voor het draagvlak voor duurzame ontwikkeling van de stad. Binnen de Raad wordt niet altijd op dezelfde manier gedacht. Bijvoorbeeld over de vraag hoe en in hoeverre de ideële doelstelling moet, en kan, worden vertaald in geld. Er is natuurlijk wel eens verschil van inzicht, ik ben het ook niet altijd met iedereen eens. Maar dat maakt het werk wel veelzijdig en dynamisch.”


Opvolger Robert van Lente erkent dat het maatschappelijk draagvlak van groot belang is. Verdere uitbreiding van de Raad van Toezicht sluit hij niet uit: “Een bedrijf als TPG, met zijn expertise op het gebied van logistiek, zou ik er wel graag bij willen hebben. Maar de Raad moet geen waterhoofd krijgen.”

Op de kaart
Daar Om Den Haag in opdracht werkt, is acquisitie altijd een belangrijke activiteit. Om opdrachten te werven kiest de stichting voor een sneeuwbaleffect. De voormalige directeur: “We vragen ondernemers het voortouw te nemen richting collega-ondernemers. Onze opdrachtgevers vragen we om namen van mogelijk geïnteresseerden te noemen. Maar het is een probleem dat we nog onvoldoende op de kaart staan. We moeten zichtbaarder worden. Het zou leuk zijn als we wat vaker de krant zouden halen. Je moet kunnen laten zien waarvoor mensen bij je kunnen aankloppen.”


Dat duurzaamheid een zaak van lange adem is, is genoegzaam bekend. Kortetermijnsuccessen zijn hier dan ook niet te behalen. Van der Voorn weet dat projecten een lange aanlooptermijn kunnen hebben, waarin er alleen maar geld bijmoet. Daarover horen we haar dan ook niet. Maar wat haar tijdens haar directeurschap wel dwarsgezeten heeft, is de moeite die je moet doen om erkend te worden: “Je krijgt niet gemakkelijk de credits voor wat je doet. Het is soms frustrerend als iemand anders de eer krijgt voor projecten waartoe wij, een kleine, kwetsbare organisatie, de aanzet hebben gegeven. Waarvoor wij de partijen en belangen bij elkaar hebben gebracht.
Een voorbeeld is stadsdistributie. Binnen de gemeente werd nog wel eens gezegd dat ondernemers niets wilden doen aan een betere distributie van goederen in de binnenstad. Alweer jaren geleden zijn wij met een aantal ondernemers uit de binnenstad en de Kamer van Koophandel om de tafel gaan zitten. Op eigen kosten hebben we met toonaangevende ondernemers uit het Hofkwartier gesprekken gevoerd. Die bleken bijvoorbeeld bereid om opslagpunten te creëren in de buitenste schil van de stad, om daar met hun eigen auto’s spullen te gaan ophalen. Toch wordt ons dan niet de opdracht gegund om van daaruit een project Stedelijke Distributie op te zetten. Om Den Haag moet zich dus nog veel sterker profileren en moet voortdurend positie verwerven.”


Een van de projecten die Kitty van der Voorn overdraagt is het stimuleren van duurzaam ondernemen bij het midden- en Kleinbedrijf door middel van een concrete, gestructureerde aanpak. Ze licht toe: “Ondernemers kunnen hiermee hun bedrijfsvoering doorlichten op duurzaamheid. Is het bijvoorbeeld mogelijk energie te besparen, het materiaalgebruik te verduurzamen… Novem, ABN/AMRO en de Provincie Zuid-Holland zijn partners in dit project. De Kamer van Koophandel werkt actief mee door het organiseren van seminars en door op te treden als ambassadeur.
Het is een groot project, dat een wat trage start kende maar nu erg goed loopt... Onze aanpak is heel praktisch gericht op het MKB, gebaseerd op wat multinationals en andere grote bedrijven al doen. We redeneren vanuit de ondernemers: What’s in it for me? Zo worden hun investeringen in de stad niet een soort liefdadigheid, maar krijgen ze een economische waarde. Omdat het een vernieuwende en concrete aanpak is, heeft het project ook landelijke aandacht.”


Een ander lopend project van Om Den Haag is het ‘Stadsdebat duurzame vastgoedontwikkeling’. “In een stadsdebat proberen we met zoveel mogelijk partijen in de stad van gedachten te wisselen over een bepaald onderwerp”, licht Van der Voorn toe. “We willen op termijn een stadsdebat organiseren waarin betrokken partijen praten over hun belangen bij grootschalige duurzame vastgoedontwikkeling. Daarin kunnen vragen aan de orde komen als: Welke partij is verantwoordelijk voor de duurzaamheid van het vastgoed? En voor de omgeving? Voor de leefbaarheid van het gebied en het beheer? Wie is verantwoordelijk voor de publieke ruimte?’ Dat zijn onderwerpen waarmee Om Den Haag zich ook bezighoudt. Want duurzaamheid is meer dan alleen milieu. We houden ons ook bezig met de publieke ruimte, leefbaarheid, veiligheid, sociale cohesie.”

Energieke aanjager
Daarnaast is Om Den Haag van het begin af aan actief in projecten om gebruik en opwekking van duurzame energie te stimuleren. Van duurzaam energiegebruik door sportverenigingen tot bijvoorbeeld zonnepanelen op scholen. Van energiescans tot financieringsconstructies voor zonnepanelen.Vaak als aanjager en voortrekker en vaak als projectmanager.
Van der Voorn: ”Het project om windmolens langs de rijkswegen te plaatsen hebben we, samen met Eneco, weer op de agenda gezet. Dat begint nu voorzichtig aan handen en voeten te krijgen. Ook was Om Den Haag aanjager van de plaatsing van gebouwgebonden windturbines. De Haagse Hogeschool is nu verantwoordelijk voor het project en voor het bijbehorende rendementsonderzoek. Om Den Haag heeft in dit project nu alleen nog een begeleidende rol.”
Duurzame energie is een onderwerp dat de nieuwe directeur Robert van Lente aan het hart gaat. “Ik heb me vreselijk geërgerd aan de recente negatieve publiciteit tegen windenergie”, zegt de D66’er, verwijzend naar een uitzending van Zembla op 4 november en een artikel in Elsevier. “Het zou me niets verbazen als de kernenergielobby erachter zit. Het lijkt me wel iets voor Om Den Haag en het Haags Milieucentrum om hierover samen een debat te organiseren. Beïnvloeding van de meningsvorming zie ik wel als een taak van Om Den Haag, zelfs als dat uit eigen middelen moet.”

Hoewel de benoeming van Van Lente voor velen als een verrassing kwam, lijkt de econoom de aangewezen persoon om OM Den Haag op te stuwen in de vaart der volkeren. Niet zonder trots vertelt hij dat een motie van zijn partij het beslissende duwtje heeft gegeven om de stichting vijf jaar geleden op te richten, toen de Lokale Agenda 21 ter ziele was gegaan. Het cirkeltje is in zekere zin dan ook rond. Maar hoe gaat hij zijn nieuwe functie combineren met zijn raadslidmaatschap?
Van Lente: ik zit nu voor mijn derde termijn in de gemeenteraad en ik heb geen behoefte aan een vierde. Formeel is het raadswerk wel met het directeurschap van Om Den Haag te verenigen, maar het betekent wel dat ik me als raadslid over bepaalde zaken niet meer kan uitlaten. Ik neem in januari, uiterlijk februari een beslissing of ik deze termijn nog uitzit.”

Marketinginstrument
De eerste maanden zal Van Lente zich vooral bezighouden met het consolideren van Om Den Haag. Daarna kan gedacht worden aan het uitbreiden van het aantal medewerkers. Er zijn nu drie mensen in vaste dienst, voor het overige worden freelancers ingezet. En ook een naamswijziging sluit Van Lente niet uit: “Mensen denken soms aan een bouwbedrijf bij de naam Om Den Haag. Het is wel ingeburgerd, maar ik vind het eigenlijk helemaal niks. Als iemand een goede naam heeft houd ik me aanbevolen. Maar dat heeft geen prioriteit. Wat nu belangrijk is, is om Om Den Haag, dat een periode van zwaar weer achter de rug heeft, op de kaart te zetten als een renderend bedrijf. Met als belangrijke aandachtspunten energie, maatschappelijk verantwoord ondernemen, duurzaam vastgoed en duurzame bedrijventerreinen.
Van essentieel belang is dat het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties weten dat ze wat aan ons hebben. Dat we weten over te dragen dat duurzaam ondernemen ook profijt kan opleveren. Ondernemers denken niet op lange termijn, ze moeten kunnen zien dat ze er iets aan kunnen verdienen. En daarvoor zie ik goede mogelijkheden. Het kwartje is bij het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties gevallen. Maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt commercieel, bedrijven zien in dat duurzaamheid als marketinginstrument gebruikt kan worden. Ik hoop dat een onderneming over vijf jaar geen product meer kan verkopen als niet aangetoond kan worden dat het niet gemaakt is door een kind in India.
Daarbij komt dat duidelijk is dat er iets moet gebeuren. Fossiele bronnen raken uitgeput, olieprijzen stijgen torenhoog, de zeespiegel stijgt…Het begint gewoon te dúúr te worden om niets te doen.

En verder denk ik dat Om Den Haag een kenniscentrum zou kunnen worden op het gebied van Europese regelgeving waar het duurzaamheid betreft. Tegenwoordig geldt: milieu is Europa. De regelgeving komt daar vandaan. Dat moeten we vertalen naar het lokale en regionale niveau. Gelukkig beschik ik over goede contacten in Brussel en dankzij mijn raadslidmaatschap ook in Den Haag.”

Bob Molenaar
Tom Pitstra

 

 

 

 

 

De peer review is misschien wel té collegiaal

Den Haag doet mee aan een EU-programma waarin negen Europese gemeenten hun milieubeleid onderling vergelijken. De andere deelnemers zijn Nottingham, Birmingham, Newcastle, Wenen, Tampere, Malmö, Venetië en Leipzig. Vertegenwoordigers van de deelnemende gemeenten bezoeken elkaar op gezette tijden om het milieubeleid van de ander door te lichten: de peer review. Ze vragen onder andere plaatselijke organisaties naar hun mening over het beleid en de uitvoering. Onlangs werd Den Haag aangedaan, om te checken wat deze gemeente met de vorig jaar gedane aanbevelingen gedaan heeft. Ook het Haags Milieucentrum heeft zijn mening hierover gegeven.

Op zich zou zo'n collegiale toets van grote betekenis en waarde kunnen zijn. Want het kan heel inspirerend zijn om milieuprestaties van gemeenten, zowel nationaal als internationaal, te vergelijken en te leren van elkaars beste praktijken. Maar de peer review waar we het hier over hebben, is daarvoor naar onze mening te beperkt van opzet. Er worden bijvoorbeeld geen staatjes geproduceerd waarin de deelnemers op hun milieuprestaties worden vergeleken. Dat wilden de meesten niet. Dat zou wel eens pijnlijke informatie kunnen opleveren, terwijl het nu juist leerzaam zou kunnen zijn. Gewoon in staatjes weergeven hoeveel kilo GFT wordt opgehaald, hoeveel zonneboilers of -panelen zijn geplaatst, hoeveel kilometer geasfalteerde fietspaden zijn aangelegd of hoeveel kilo gif voor onkruidbestrijding wordt aangewend (àls daarvoor al gif wordt gebruikt). Misschien zit er wel een interessante gifvrije gemeente bij. Van de best presterende gemeenten zou dan per milieu-item nagegaan kunnen worden hoe ze dat bereiken, wat andere dan weer kan inspireren.

Gecontroleerd
Ook is het de vraag hoe de informatie die gemeenten verstrekken gecontroleerd wordt. In de review van de gemeente Den Haag staan bijvoorbeeld beweringen die pertinent onjuist zijn. De luchtkwaliteit in Den Haag zou goed zijn, terwijl de normen op 22 plaatsen overschreden worden. Ander voorbeeld: de aparte wethouder voor duurzaamheid zou door de bevolking positief ontvangen zijn. Ries Smits rolde bij een onderzoek dat de gemeente vorig jaar november onder ruim tweeduizend Hagenaars liet uitvoeren, nu juist als minst bekende wethouder uit de bus. "He has to fight", luidde dan ook onze aanbeveling aan de reviewers.
Opvallend is verder dat de gemeente Den Haag 26 van de 52 aanbevelingen niet heeft overgenomen. Is het ons ontgaan dat hier een fel raadsdebat over is geweest?

Hoewel het peer review-project vooral tot stand is gekomen omdat de EU het subsidieerde, heeft het toch wel enige betekenis. Zo bleken uitspraken in de peer review ambtenaren een handvat te bieden om wethouders aan te spreken op beleidsvoornemens.
Maar dat de betekenis van zo'n rapport beperkt is, leert het voorbeeld van het afvalbeleid in deze gemeente. Den Haag zamelde in 2002 slechts 16 kilo GFT per huishouden in. Met de verschillende voorstellen voor verbetering in het review-rapport is totaal niets gebeurd en inmiddels is de opbrengst gedaald tot 14 kilo. Wij hebben de indruk dat de verantwoordelijke wethouder - Wilbert Stolte - wacht op afschaffing van de landelijke verplichting en er dan mee wil kappen.

Leiderschap gewenst
In onze gesprekken met de reviewers en de wetenschapper die voor de EU een rapport hierover opstelt, hebben we een hoop aan de orde kunnen stellen. Bijvoorbeeld het gebrek aan leiderschap vanuit de politieke top om ambitieuze doelstellingen te realiseren. De wethouder van duurzaamheid heeft onvoldoende positie in het college verworven om een krachtig coördinerend beleid door te zetten. Hij zou door de burgemeester steviger gesteund moeten worden; de voormalige milieuministers Ed Nijpels en Pieter Winsemius waren nu juist zo succesvol omdat de premier hen steunde. En de Stuurgroep en Projectgroep Duurzaamheid, bij uitstek coördinerende instrumenten, lijken weinig resultaten af te werpen.

In het duurzaamheidsbeleid is in het algemeen onvoldoende sprake van controleerbare kengetallen en kwantificeerbare doelstellingen. En waar zo'n kwantificeerbare doelstelling bestaat - het inspirerende eindbeeld in het Milieubeleidsplan van Den Haag als CO2-neutrale stad - hebben we niet te indruk dat er hard gewerkt wordt om deze in praktijk te brengen.
Een belangrijk deel van de noodzakelijke CO2-reductie valt te halen in het verkeersbeleid. Het Plan van Aanpak luchtkwaliteit zou hierin een belangrijke rol moeten spelen. Hoe het eruit gaat zien is helaas nog niet bekend, want staatssecretaris Van Geel heeft uitstel verleend tot 1 juni. In elk geval wil het gemeentebestuur dit plan zonder al te veel inspraak in de raad behandelen, waartegen bewoners van de Veerkades niet zonder reden te hoop gelopen zijn.
Meer in het algemeen slaagt de gemeente er niet om een sturend verkeersbeleid te maken waarin echt voorrang (ook financieel) wordt gegeven aan de fiets, de wandelaar en het OV. Voor een krachtig fietspadenplan is onvoldoende geld. Het opheffen van parkeerplaatsen ten behoeve van goede fietspaden lijkt hier onmogelijk, zodat levensgevaarlijke situaties (bijvoorbeeld de Elandstraat) jarenlang blijven voortbestaan. Er is nog steeds geen goede fietsroute naar de stalling bij het Centraal Station - zoals bepleit door raadslid Titia Lont (CDA) - en op het prachtige Voorhout mag nog steeds geparkeerd worden, terwijl er een uitstekende parkeergarage onder het Malieveld ligt (die om 22.00 uur dichtgaat…).

Kloof
Valt er op het beleid al het een en ander aan te merken, het moet ook nog eens uitgevoerd worden. Er bestaat in Den Haag een enorme kloof tussen het beleid en de praktijk, zoals het Waterplan aantoont. Zelfs de meest bescheiden ambitie, Water dat siert, wordt niet gehaald (je ziet nog overal drijfvuil), laat staan de meest ambitieuze van Water dat leeft. In de Haagse Beek is het doorzicht van het water onvoldoende.

Het is de vraag wat de peer review dit jaar voor Den Haag oplevert. Laten we hopen dat we de positieve beleidsdaden niet alleen maar kunnen lezen in jubelende persberichten, maar dat we de gevolgen om ons heen kunnen zien: bijvoorbeeld goede fietspaden en ruimte trottoirs, een autoluwe binnenstad en de durf om te kiezen voor een congestieheffing. Het college hoeft niet eens naar Londen om een aansprekend voorbeeld te zien: het succes van de autoluwe binnenstad in Groningen en trouwens ook de toenemende omzet bij winkels is dermate groot, dat sommigen het nu te druk vinden in die leuke binnenstad….

Tom Pitstra
Haags Milieucentrum

 

 

 

 

Stadsboerderijen: minder en beter

Vooral dankzij de actiegroep Zorg voor Dieren staat het fokbeleid van de Haagse stadsboerderijen nadrukkelijk op de agenda. 'Overtollige' dieren worden naar de slachtbank geleid.

In een vergadering met de raadscommissie Welzijn, Duurzaamheid en Leidschenveen-Ypenburg (WDLY), op 10 maart, probeerde verantwoordelijk wethouder Smits zich op een makkelijke manier van dit 'vuiltje' te ontdoen: hij liet een extern bureau een rapport schrijven met een zeer beperkte opdracht (zonder aandacht voor het dierenwelzijn), dierenorganisaties kregen zogenaamd inspraak (maar wel achteraf) en met veel omhaal van woorden werd de gemeenteraadsleden uitgelegd dat er niets wezenlijks verandert. Het beleid wordt een beetje bijgestuurd en er worden twee stadsboerderijen met hetzelfde dieronvriendelijke beleid bijgebouwd.

Gelukkig konden de leden van de gemeenteraad zich ook niet vinden in het beleid van wethouder Smits. Ook zij vinden dat dierenwelzijn een prominente rol moet krijgen in het gemeentebeleid betreffende de stadsboerderijen.

Maar als een stadsboerderij echt een functie wil vervullen in de relatie tussen mens en dier, moet er veel meer gebeuren. De Haagse Dierenbescherming bepleit een fundamentele koerswijziging, waarbij de stadsboerderijen worden vervangen door minder, maar veel ruimer opgezette diervriendelijke educatieve stadsboerderijen. De dieren worden daar gehuisvest conform hun natuurlijke behoeftes en leefomgeving. Bijvoorbeeld konijnen: dit zijn sociale dieren en dus worden deze in groepsverband gehuisvest in een nabootsing van een konijnenheuvel. Overigens wel met de nodige maatregelen qua geboortebeperking. Dan hoeft er ook niet gefokt te worden. Aanvoer van dieren zou kunnen plaatsvinden door middel van dieren uit bijvoorbeeld 'Het Knagertje', dierenambulances of andere dierenwelzijnsorganisaties die gevonden/afgestane dieren willen plaatsen. Men kan zelfs denken aan afdankertjes uit de bio-industrie. Bijvoorbeeld: stadsboerderij redt 'uitgelegde' legbatterijkippen, of zeugen die niet meer werpen kunnen, van de slacht.

Oude of wrakke dieren worden op een aparte bejaardenwei geplaatst waar ze, gescheiden van het publiek maar wel zichtbaar, rustig hun oude dag kunnen doorbrengen. Ongeneeslijk zieke dieren worden door een dierenarts geëuthanaseerd. Er worden geen dieren meer afgevoerd naar de veiling of met de handelaar meegegeven.

Zo'n boerderij brengt mensen echt respect bij voor dieren. Aan kinderen kan men dan een realistisch beeld geven van de verschillen tussen de intensieve, de scharrel- en de biologische veehouderij door middel van foto's en videobeelden. Door de ruime opzet en bezetting kan deze stadsboerderij meerdere schoolklassen tegelijk ontvangen. Het publiek heeft alleen direct toegang tot de dieren binnen de openingstijden en onder toezicht van het personeel. Ook kan kinderen worden geleerd hoe ze met huisdieren moeten omgaan. Onder begeleiding mag een beperkt aantal kinderen dan bij de dieren en het personeel leert de kinderen hoe ze de dieren op een diervriendelijke manier kunnen benaderen. Dit heeft als dubbele functie dat ze thuis ook weten hoe om te gaan met hun konijn of cavia.

Dit is onze visie voor een ideale stadsboerderij. Vanuit deze ideaalschets zal de Haagse Dierenbescherming het beleid van de wethouder beoordelen en voorstellen doen voor verbeteringen. Want dat het anders moet, dat staat buiten kijf.

Diana van der Lely,
Dierenbescherming

 

 

 

GFT is óók Gordijnen, Fietsbroeken en T-shirts

Het Haags Milieucentrum heeft zich de laatste tijd nogal ingezet voor een beter inzamelbeleid van afval. Zeker voor GFT is daar alle reden toe, want van alle grote steden haalt Den Haag veruit het minste op. De raadscommissie duurzaamheid stelde dit onlangs aan de orde en was in haar geheel van mening dat dit beter moest. Wethouder Stolte werd zelfs bij de commissie ontboden om zijn beleid maar eens te bespreken.

Binnenkort zal dat ook wel gebeuren. De wethouder wil eerst het advies van het Afval Overleg Orgaan (AAO) afwachten. Dit komt pas op 9 september, aangezien een eerste bespreking van het voorstel tot uiteenlopende reacties leidde. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) consulteren nu hun achterbannen. De verwachting is dat het AAO de minister van VROM zal adviseren om GFT-inzameling niet meer landelijk verplicht te stellen.
Het HMC zal ervoor waken dat dit voor Den Haag niet betekent dat het hele GFT-beleid in 'de groene stinkbak' gekieperd wordt. De gemeente zou de voordelen van compost beter moeten belichten en een campagne ontwikkelen tegen het praatje (dat ook verspreid wordt door de medewerkers van de Haagse Milieu Services) dat bij de vuilverwerking op de Binckhorst alles toch weer bij elkaar gegooid wordt. Daarvan is totaal geen sprake, tenzij een lading GFT te veel vervuild is doordat de groene bak met van alles en nog wat is gevuld.

Opmerkelijk genoeg stelt de gemeente zich wel heel actief op als burgers hun afval te vroeg aan de straat zetten. Het leidde zelfs tot een conflict met de gemeentelijke ombudsvrouw, die vond dat de gemeente in deze situatie heel onzorgvuldig optrad. Maar haar kritiek stuitte op een muur van onbegrip. De gemeente zal sterk blijven controleren of afval niet te vroeg wordt aangeboden.
Het HMC vraagt zich af of dit wel een goede prioriteitstelling is. Naar onze mening zou er juist meer gecontroleerd moeten worden of mensen hun afval wel scheiden. Als het organisch afval netjes in de groene bak verdwijnt is er geen enkel probleem met zwerfvuil, want katten en vogels kunnen de groene bak niet openkrijgen. Als het goed is, zit er in de grijze zak dan helemaal geen organisch afval, maar voor het merendeel plastic waarin geen dier geïnteresseerd is! Dan maakt het toch niet zoveel uit of een zak of biobak een uurtje te vroeg aan de stoeprand staat? Je kunt het geen prettig beeld vinden, maar een milieuprobleem is het niet.

Textiel
Een geheel anderssoortige afvalcomponent is textiel. Deze wordt ingezameld door diverse organisaties, zowel ideële als commerciële. De in Den Haag actieve ideële organisaties - het Leger des Heils, HUMANA en KICI - halen gedrieën zo'n 60 miljoen kilo per jaar op. KICI, dat ook zijn hoofdkantoor in Den Haag heeft, laat het merendeel van zijn opbrengsten structureel ten goede komen aan Amnesty International, HIVOS en Gered Gereedschap. Ook andere goede doelen kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage uit de kledingopbrengsten, bijvoorbeeld als noodhulp moet worden geboden aan slachtoffers in rampgebieden.
In tegenstelling tot een aantal andere organisaties stelt KICI de ingezamelde kleding niet direct ter beschikking aan kansarmen in binnen- of buitenland. De kleding wordt in Nederland verkocht.

Anders dan vaak gedacht wordt, wordt niet alle ingezamelde kleding hergebruikt. Er worden ook andere producten van gemaakt, variërend van poetslappen tot isolatiemateriaal. Sorteerbedrijven verwerken de ingezamelde textiel in tientallen deelstromen. KICI accepteert dus ook kleding die niet mooi genoeg meer is om gedragen te worden. Gooi zulke kleding dus in de container en niet in de grijze zak, want anders wordt het slechts verbrand en dat is wel een heel laagwaardige vorm van hergebruik.

Gezien de begunstigden van KICI, die vooral in de hoek van milieu, mensenrechten en ontwikkelingshulp te vinden zijn, gaat onze sympathie vooral naar deze inzamelaar uit. De KICI-containers zijn echter niet makkelijk te vinden. Die staan uitsluitend op privéterrein, niet op de openbare weg (een overzicht van plekken is te vinden via de homepage van www.kici.nl).

Vergunning
Om inzamelcontainers op de openbare weg te mogen zetten, is een vergunning nodig. En daar zit hem nu net het probleem. Want de afvalinzameling in Den Haag is geprivatiseerd. De gemeente heeft een contract met de AVR, die de inzameling heeft uitbesteed aan de Haagse Milieu Services (HMS).
De AVR wil de drie organisaties niet zomaar toestemming geven om in Den Haag tot een sluitend systeem van kledinginzameling te komen. Ze wil daar geld voor hebben. Niet dat de AVR er op dit moment zelf aan verdient, maar misschien later nog wel een keertje. De inzamelorganisaties hebben dat geld niet. Vooral vanwege de lage dollar en en de dalende afzetprijzen is kledinginzameling op dit moment geen vetpot. Maar principieel hebben ze het bezwaar dat ze de opbrengsten aan goede doelen willen besteden. Na aftrek van de kosten ging het in het verleden om vele miljoenen per jaar.

De gemeente Den Haag zou zich niet langer moeten verschuilen achter het contract met de AVR. Wij staan zelfs op het standpunt dat de AVR op dit moment contractbreuk pleegt, omdat er is afgesproken dat alle afval - natuurlijk op een goede wijze, met zoveel mogelijk hergebruik - moet worden ingezameld.
Ook het landelijk beleid van VROM gaat uit van maximaal hergebruik. Weliswaar zijn gemeenten op dit gebied autonoom, maar het ministerie heeft zich ten doel gesteld dat een fors gedeelte van het oude textiel wordt hergebruikt (al dan niet verwerkt tot een ander product).

We roepen het college en de gemeenteraad op om, net als in Rotterdam, met de AVR tot afspraken te komen, zodat ook dit deel van de afvalstroom in Den Haag maximaal wordt ingezameld. Wat ons betreft met voorrang voor mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking!
De Haagse raad heeft onlangs besloten dat de opbrengst van ingezamelde printercartridges ten goede moet komen aan zinvolle maatschappelijke projecten (AAP of zeehondenopvang), dus we zijn positief gestemd. Het geeft toch ook een lekker gevoel als met je oude kleren mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking worden betaald?

Tom Pitstra
Haags Milieucentrum

 

 

 

Exit stadsecoloog

Wat vindt de stadsecoloog eigenlijk van de plannen voor een automobielmuseum in Reigersbergen, wilde het Haags Milieucentrum op de inspraakavond weten. Daar kon de dienstdoende ambtenaar kort over zijn: die functie bestaat niet meer, dus van advisering kon geen sprake zijn. De aanwezigen in het wijkcentrum in Mariahoeve waren onaangenaam verrast.
Navraag leerde ons dat de functie twee jaar geleden al is gesneuveld bij een interne reorganisatie. Het Haags Milieucentrum vraagt zich af of de gemeenteraad wel op de hoogte is gesteld van dit besluit. De leden die wij hierover benaderden wisten in elk geval van niks. En dat terwijl de functie van stadsecoloog op verzoek van de gemeenteraad in het leven was geroepen om tot een meer natuur- en milieugerichte inrichting en beheer van de stad te komen.

Het HMC betreurt het opheffen van deze functie. Volgens ons is een stadsecoloog die het college en de raad zelfstandig kan adviseren over groen en ruimtelijke plannen belangrijk voor de besluitvorming, bijvoorbeeld over locatiealternatieven. Adviezen kunnen dan niet in de ambtelijk molen of hiërarchie verdwijnen en de gemeenteraad kan zelf beslissen wat hij met de informatie en adviezen doet. De functie van de stadsecoloog was vergelijkbaar met die van de nog bestaande stadsstedenbouwer, die buiten de hiërarchische lijnen om direct het college adviseert. In het belang van een ecologisch duurzame stad vinden wij een onafhankelijk deskundig persoon zoals de stadsecoloog was, van groot belang.

We horen graag van de leden van de Haagse gemeenteraad of zij er net zo over denken. En ook of ze ervan op de hoogte zijn dat de functie opgeheven is. De vraag of het college hun van dit feit op de hoogte had moeten stellen, vloeit hieruit logischerwijze voort. Wordt vervolgd.

 

 

 

Van milieu- naar duurzaamheidsadviezen
De naam van de Milieu-adviescommissie is gewijzigd in Adviescommissie Duurzaamheid en Milieu (ADM). Hierin zitten bewoners, mensen uit het bedrijfsleven en vertegenwoordigers van natuur- en milieuorganisaties. Van de laatste categorie maken deel uit mevrouw T. van Gijn-Bruggink (AVN), mevrouw C. Vinkesteijn (KMTP), de heer R. Bijl Reijsmeijer (Kerk en Milieu Den Haag) en de heer J. van Male (ROVER afdeling Den Haag). Er zijn momenteel twee vacatures in de categorie natuur- en milieuorganisaties.
Zoals de naam al aangeeft, adviseert de commissie het Haagse College van B&W over het duurzaamheidsbeleid. Ze vergadert maandelijks en richt zich dit jaar primair op integraal waterbeheer, stedelijke vernieuwing, energie, economische ontwikkeling, mobiliteit, ecologie en groen, duurzaamheid in de eigen omgeving en educatie op duurzaamheids- en milieugebied. De Milieu-adviescommissie werd opgericht in 1991.

 

 

Vuilophalers maken potje van GFT-inzameling

Niemand zamelt zijn groenafval gescheiden in omdat hij een GFT-emmer zo lekker vindt ruiken. Wel omdat het niet verbranden van groente- en tuinafval leidt tot efficiënter gebruik van de verbrandingsinstallatie. En ook omdat deze component hergebruikt kan worden in de vorm van compost. Het is dan ook frusterend als je ziet dat de vuilnisman de zorgvuldig opgespaarde inhoud van je GFT-bak bij het restafval kiepert. Wat nogal eens voorkomt, gelet op de hoeveelheid klachten die het Haags Milieucentrum daarover ontvangt.

Het Haags Milieucentrum (HMC) wordt regelmatig gebeld of gemaild door mensen die hebben geconstateerd dat hun GFT in dezelfde vuilophaalwagen bij het gewone huisvuil wordt gekieperd. Velen van hen betwijfelen bovendien of het gescheiden opgehaalde huisvuil ook naderhand wel gescheiden wordt behandeld door de afvalverwerker - in het geval van Den Haag de AVR. Als zij hun vuilnisophalers daarop aanspreken krijgen zij vaak hetzelfde verhaal te horen: dat het achteraf toch allemaal bij elkaar gegooid wordt. Klagen bij de gemeente leidt doorgaans tot niets, is de ervaring. Mensen voelen zich afgescheept.
Het is de hoogste tijd dat het gemeentebestuur deze aanhoudende reeks van klachten serieus gaat nemen. Klagers krijgen nu te horen dat zij mogelijk niet in de gaten hebben dat in de ophaalwagens twee compartimenten zitten. Of dat GFT-bakken soms zoveel ander huisvuil bevatten dat de ophalers ze daarom bij het gewone huisvuil leeggooien. Als al wordt toegegeven dat het wel eens fout gaat, zou het om incidenten gaan.

Maar het gaat niet om incidenten. Mensen die zelf op een vuilnisophaalwagen hebben gereden bevestigden tegenover ons dat veel vuilnisophalers de hand lichten met de regels, als het gaat om één-compartimentwagens. Van de 32 wagens die in Den Haag hun rondes doen zijn er twaalf die geen gescheiden compartimenten hebben. Deze moeten hun route twee keer afleggen. De eerste keer om de zakken op te halen, de tweede keer om het GFT op te halen. Als alles in één keer bij elkaar gekieperd wordt, scheelt dat een hele rit. Dan kunnen de vuilnisophalers in de aldus gewonnen tijd bijvoorbeeld gaan klaverjassen.

Geen zoden
Klachten sijpelen wel degelijk door naar de werkvloer, maar zetten structureel geen zoden aan de dijk. In wijken waar veel geklaagd wordt doen de vuilnisophalers inderdaad een tijdje beter hun best, of worden er tweecompartimentwagens ingezet. Een klager ondervond recentelijk
dat zijn GFT-bak netjes apart werd opgehaald door dezelfde wagen die een kwartier eerder de afvalzakken had ingeladen. De biobak werd in het daartoe bestemde compartiment geleegd. Maar de klager kwam er achter dat dit alleen gebeurde in het stukje straat waar hij woonde; verderop werd alles weer gewoon bij elkaar gegooid.

Maar het komt ook voor dat zelfs de klager geen baat heeft bij de moeite die hij doet. Zoals blijkt uit deze e-mail: "Het komt met zeer grote regelmaat voor dat, gedurende een jaar of twee, het GFT-afval bij het restafval wordt gegooid door de gemeentereiniging. Wij (ikzelf, de buren) hebben hier regelmatig melding van gemaakt bij de gemeentereiniging. Zij zeggen elke keer dat hiervan melding zal worden gemaakt, maar er verandert niets. Ook hebben we het wel tegen de vuilophalers zelf gezegd, en die vertellen een verhaal dat het sowieso bij het restafval wordt gestort om de ovens te koelen. Is dit probleem bij jullie bekend? Ikzelf heb geen zin meer om het apart aan te bieden".
Het is dan ook niet verwonderlijk dat Den Haag steeds slechter scoort wat betreft het aanbod van GFT, en ook landelijk achterblijft. De hoeveelheid in Den Haag aangeboden GFT liep tussen 1998 en 2001 terug van 24 naar 13 kilo per inwoner. In een stad als Utrecht wordt drie keer zo veel opgehaald, landelijk bijna zeven keer zo veel.

Leidse Jantje
Het Haags Milieucentrum is ervan overtuigd dat die verhalen over het naderhand bij elkaar voegen en verbranden indianenverhalen zijn. Wij hebben daarvoor in elk geval geen bewijs kunnen vinden. Het probleem ligt bij de vuilophalers die dit soort verhalen aangrijpen om zich er met een jantje van leiden vanaf te maken en die blijkbaar door hun eigen bedrijf en door de opdrachtgever, de gemeente, niet goed gecontroleerd worden. Men heeft het personeel wat dit betreft gewoon niet in de hand.

Wat te doen. Het HMC stelt voor dat er zo snel mogelijk méér tweecompartimentenwagens komen. De vuilnismannen en vuilnisvrouwen moeten worden gemotiveerd hun werk accuraat te doen, door hun te wijzen op het belang van gescheiden inzameling. Er moeten heldere instructies zijn - zoals naleving van de regel dat de inhoud van groenbakken altijd bij het GFT moet worden gevoegd, ook al is de bak verontreinigd met gewoon huisvuil. Dat wordt in de vuiloverslag van elkaar gescheiden. Er moet stevig gecontroleerd worden of de vuilophalers de regels naleven, en als dit niet gebeurt moeten er effectieve sancties worden opgelegd.
Als de ophaler constateert dat de groenbak als gewone afvalbak gebruikt wordt, zou hij deze gewoon moeten laten staan. Er zouden stickers moeten worden gemaakt die verklaren waarom een bepaalde bak niet geleegd is. En mensen die hun GFT-bak bij herhaling onjuist gebruiken zouden een boete moeten krijgen.

Maar van niet minder groot belang is de communicatie tussen de gemeente en de burgers. De neerwaartse spiraal moet worden doorbroken door een motivatiecampagne te starten. Burgers moeten worden gemotiveerd om hun GFT (weer) te scheiden, onder meer door de verhalen als zou het afval naderhand worden samengevoegd, te ontkrachten.
De gemeente zou de vuilophaalkalender bijvoorbeeld vergezeld kunnen laten gaan van een aansprekende folder, met hieraan vastgeniet een klein zakje compost. Mensen die hun GFT apart houden zouden dat vervolgens kunnen inwisselen voor een grotere zak.
En last but not least: uiteraard moet er met vragen, verzoeken en klachten van burgers serieus en alert worden omgegaan. Zodat burgers die het goed met het milieu voorhebben, gestimuleerd worden om daaraan hun steentje te blijven bijdragen.

Frans van der Steen
Haags Milieucentrum

I Y compost
Compost staat over het algemeen in een kwade reuk. Mensen associëren de substantie veelal met onwelriekende vloeistoffen, met vliegen, pissebedden, regenwormen en ander ongedierte, en ga zo maar door. Een slecht imago, dus.
En dat is jammer. Want uit onderzoek van de Katholieke Universiteit Leuven is gebleken dat compost over ziektewerende eigenschappen beschikt. De lucht/waterhuishouding van planten heeft baat bij een bodem die met compost is verbeterd.
Zelfs de mens is gebaat bij compost. De bovenste bodemlaag speelt een belangrijke rol in het vasthouden van CO2 - het gas dat zoveel bijdraagt aan het broeikaseffect. Die toplaag slijt steeds verder af, wat door het toevoegen van compost kan worden tegengegaan. In Piemonte (Italië) bestaat hiervoor zelfs een subsidieregeling (bron: de Volkskrant, 17 januari 2004).

Bye bye biobak?
Gescheiden inzameling is eigenlijk al vanaf de introductie (de wettelijke verplichting voor gemeenten om gft apart in te zamelen dateert van 1994) controversieel. En sinds die tijd heeft de techniek niet stilgestaan: de methoden om gft naderhand te scheiden uit het huishoudelijk afval worden steeds geavanceerder, hoewel ze nog lang niet volmaakt zijn.
Volgens de Wageningse hoogleraar milieukunde Arthur Mol is dit echter niet de juiste weg. In een interview met Intermediair zegt hij: "Zelfs als de milieubalans tussen scheiden en niet-scheiden gelijk is, zeg ik toch: doorgaan met gescheiden gft-inzameling. Vanwege de betrokkenheid van mensen bij milieuvraagstukken." En Bert Hamelers, gft-deskundige aan de Wageningen Universiteit, drukt het zo uit: "Het houdt de burger milieubewust. Als groenafval in de grijze bak mag, denken we: flikker die batterijen er nou ook maar bij."

 

 

 

 

De chemokar in de grote steden

De chemokar verdwijnt uit het Haagse straatbeeld. Er wordt langs deze weg te weinig gevaarlijk afval ingezameld en er blijft te veel aan de straat staan. Maar denken de andere grote steden er ook zo over? Een Branding-benchmark.

Van boven tot onder versierd met bloemenslingers baant de chemokar zich een weg door de nauwe straat. Hij rijdt stapvoets om te voorkomen dat er iemand uit het massaal toegestroomde publiek onder de wielen komt. Uit de luidspreker, die in een grijs verleden zijn lang tegemoetgeziene komst aankondigde, galmt de kraker 'Huilen is voor jou te laat, ik kom niet meer'. Maar de berustende toonzetting van dit lied vindt geen navolging. De mensenmassa weent luid en smeekt de met kussen overdekte chemoman: "Ga niet weg, laat ons niet in de steek, we kunnen je niet missen."

Het roerende afscheid dat de Blauwe Tram in 1961 ten deel viel, zal eind november voor de chemokar waarschijnlijk niet zijn weggelegd. Zijn gebrek aan populariteit is nu juist de hoofdreden dat de wethouder van Leefbaarheid besloten heeft dit hoofdstuk van Haagse vuilophaalgeschiedenis af te sluiten. De chemokar was de laatste tijd slechts goed voor 8 procent van de totale hoeveelheid ingezameld klein chemisch afval (KCA), wat hem tot een erg onrendabele voorziening maakte. En omdat de chemokar zich haast nooit liet zien, werd er nogal eens chemisch afval onbeheerd bij de haltepalen achtergelaten.

Schrijnender dan het uit de roulatie halen van de chemokar is echter, dat er nauwelijks nog een alternatief gevonden is. Voor het kleine KCA zoals batterijen en medicijnen zijn de inlevermogelijkheden legio. Batterijen kan men bijvoorbeeld kwijt in tal van supermarkten en warenhuizen, zoals op www.stibat.nl goed te zien is. Voor overtollige medicijnen zijn apotheken het aangewezen adres, en die zijn evenmin dungezaaid. Maar waar laten we bijvoorbeeld verfresten? Het zou prettig zijn als we de die konden terugbrengen waar we ze vandaan hebben gehaald: de verfwinkel of de bouwmarkt.

Rotterdamse Retourshops
Dit is een van de mogelijkheden waar de gemeente Rotterdam momenteel op studeert. Ook Rotterdam stopt met de chemokar. En dat niet alleen, ook het voortbestaan van de twee Retourshops, ruimtes bij supermarkten waar het winkelend publiek tal van afvalcomponenten kwijt kan, staat ter discussie. Hans Krämer, clustercoördinator afval en hergebruik bij de Roteb, legt de beweegredenen uit: "Bij elk van die Retourshops werkt iemand die bevoegd is om met chemisch afval om te gaan. Die is duur. Daarnaast werkt er iemand op een gesubsidieerde baan die hem assisteert. Die subsidies verdwijnen. We bekijken nu of we scholen en supermarkten meer bij de inzameling kunnen betrekken." De bedoeling is dat er in Rotterdam 1000 à 1500 zogenoemde DIS-punten komen, waarbij 'DIS' staat voor detailhandel-inzamelingssysteem. Hieronder vallen ook bouwmarkten.

Of die bouwmarkten veel animo hebben, kan echter betwijfeld worden. In de eerste plaats moeten ze natuurlijk kostbare winkel- of magazijnruimte vrijmaken, die niet langer commercieel kan worden benut. De gederfde inkomsten zullen natuurlijk vergoed moeten worden. Dat hoeft niet zo'n probleem te zijn, maar vervelender is waarschijnlijk het volgende: volgens de Raad Nederlandse Detailhandel mogen zaken die verf verkopen maar een bepaalde hoeveelheid in voorraad hebben. Blikken met verfresten worden bij de handelshoeveelheid opgeteld, terwijl ze niets opleveren en alleen maar in de weg staan.

Als we onze aandacht richten op de andere kant van de Deltametropool, raken we in Amsterdam in de vijftien stadsdelen verzeild. Die stadsdelen mogen hun eigen beleid voeren wat betreft afvalinzameling. Maar er is er slechts één waar de chemokar niet meer rijdt: Amsterdam Zuid-oost (voorheen De Bijlmer). Judith Boerma van de Gemeentelijke Dienst Afvalverwerking heeft nog nooit gehoord dat er plannen zijn om ergens anders met de chemokar te stoppen.

Hernieuwd elan
De kleinste van de vier grote steden, Utrecht, is zelfs met hernieuwd elan met de chemokar van start gegaan. "In het verleden ging het niet goed met de afvalinzameling", aldus een woordvoerder van de Reinigings- en Havendienst RHD. "De medewerkers raceten door de wijk heen en haalden nauwelijks iets op. Nu doen ze er uren over en zamelen vele honderden kilo's per avond in."

Per avond, want Utrecht heeft er vorig jaar voor gekozen om de chemokar 's avonds op pad te sturen. Twee keer per jaar tussen 17.30 en 20.30 uur doe hij iedere straat aan, waarbij hij zijn aanwezigheid kenbaar maakt door middel van geluidssignalen en zwaailichten. De RHD beschikt nog niet over exacte cijfers, maar is enthousiast over het bereik. Per avond zijn er soms wel 90 aanbieders van KCA, variërend van batterijen tot groter spul. Artikelen die anders misschien in de vuilniszak terecht gekomen waren. Want, evenals in Den Haag, Amsterdam en Rotterdam, liggen de milieu-inzamelstations in de Domstad erg decentraal. Hoeveel mensen zullen een tocht door de halve stad ondernemen om op een milieuvriendelijke wijze van hun verfresten, potten kwastreiniger, TL-buizen en accu's af te komen?

Bob Molenaar

In Den Haag zijn de milieudepots gevestigd aan de Plutostraat 1 (de Binckhorst), de Vissershavenstraat 2 (Scheveningen) en De Werf 36 (Den Haag Zuidwest).

 

 

 

Lever lege batterijen in

Volgens de Stichting Batterijen (de Stibat) in Zoetermeer beschikt een gemiddeld huishouden over 16 lege batterijen. Uitgaande van 6,5 miljoen huishoudens betekent dit dat er ruim 100 miljoen lege batterijen in huis rondzwerven. Waarvan een aanzienlijk deel uiteindelijk in de vuilniszak belandt, ook al zegt 91 procent van de Nederlanders lege batterijen te bewaren om ze later in te leveren. In de praktijk blijkt het ingezamelde percentage circa 71 procent te zijn. Jaarlijks worden er in totaal ruim 200 miljoen batterijen verkocht

Nadat Stibat vijf jaar geleden is begonnen om basisschoolleerlingen ertoe te brengen hun lege batterijen op school in te leveren, is onlangs een vergelijkbare proef gestart op 25 scholen voor vmbo en havo/vwo. Elke deelnemende school ontvangt gratis lesmateriaal, een batterijenton en de garantie dat de batterijen gratis worden opgehaald. Elke kilo ingezamelde batterijen levert één spaarpunt op. Die punten kunnen worden ingewisseld voor bijvoorbeeld spelmateriaal, apparatuur, een schoolfeest of een goed doel.

De proef wordt gehouden in Amsterdam omdat die gemeente het initiatief nam om op dit gebied met Stibat samen te werken. Als de scholen per juni volgend jaar gemiddeld minimaal 500 kilo lege batterijen hebben ingezameld, wordt de actie landelijk voortgezet. Stibat is zeer tevreden over de resultaten tot dusverre en verwacht het systeem volgend jaar inderdaad landelijk te gaan invoeren.

Meer informatie over de actie Lege batterijen? Lever ze op school in! en over batterijen in het algemeen vindt u op www.stibat.nl.

 

 

 

Salon der initiatieven in Madurodam

Op 10 oktober bood Madurodam onderdak aan de Salon der Initiatieven. Dit was het sluitstuk van een door de provincie Zuid-Holland ondersteunde campagne van het IVN en het Instituut voor Publiek en Politiek (IPP) om burgers te stimuleren initiatieven te nemen op duurzaamheidsgebied. Dit vanuit de overtuiging dat een duurzame samenleving alleen gerealiseerd kan worden als burgers zelf met initiatieven komen, die vervolgens door de politiek worden gesteund.
Er werden vele leuke en nuttige initiatieven gepresenteerd, van natuurspeeltuinen tot zonne-energie voor huurwoningen, van vlindervriendelijk bermbeheer tot integratie via afvalprojecten. U kunt ze vinden op www.initiatievenvoorduurzaamheid.nl.
De deelnemers mochten zelf kiezen welk initiatief ze het leukste en/of het beste vonden. De burgemeester van Madurodam reikte de prijs uit aan het winnende idee: de sociale riksja uit Dordrecht. De initiatiefneemster was inmiddels nogal ontmoedigd geraakt, aangezien de lokale Kamer van Koophandel een politiek succesvolle lobby tegen een autoluwe binnenstad had opgezet. Dat ze nu in het zonnetje werd gezet, was voor haar een leuke stimulans om door te zetten. Bij de selectie van dit project heeft waarschijnlijk meegespeeld dat het milieuaspect was gecombineerd met het sociale aspect. Mensen van wie de gesubsidieerde baan wegbezuinigd wordt, krijgen zo een kans om een bijdrage te leveren aan een schone Dordtse binnenstad. In Nederland heeft eerder Amsterdam al met een vergelijkbare fietstaxi kennisgemaakt. Ook voor de gemeente Den Haag een goed idee, lijkt ons.

Lang niet alle initiatieven bleken succesvol te worden afgerond. Te vaak is er sprake van politieke of ambtelijke tegenwerking en geven mensen de moed op.
Interessant was de discussie over burgerinitiatieven. In Zoetermeer was de voltallige gemeenteraad enthousiast over een initiatief voor een natuurspeeltuin. Vervolgens brak er een hele bureaucratische discussie uit hoe het nu verder moest in het kader van de dualisering en het burgerinitiatief. Het was natuurlijk simpel op te lossen: het college of een wethouder neemt het initiatief over en geeft zijn ambtenaren opdracht om het uit te voeren. Maar zo niet in Zoetermeer, waar het project verzandde.
In Den Haag doen we dat heel anders, liet het aanwezige PvdA-raadslid Tineke van Nimwegen weten. Dat geeft goede moed en we zullen haar eraan houden als het zover is. Misschien dat we het winnende idee voor de Haagse milieuprijs ook in een burgerinitiatief kunnen opzetten.

 

 

 

 

Allochtonen betrekken bij natuur en milieu gaat niet vanzelf

De deelname van allochtonen aan natuur- en milieuactiviteiten is beperkt en de actieve leden in de natuur- en milieuorganisaties zijn bijna allemaal autochtone Nederlanders. De bereidheid om dit te veranderen is er. Maar hoe? IVN Consulentschap Zuid-Holland organiseerde op 17 september in Theater Concordia in Den Haag een werkconferentie rond dit thema met de titel 'Interculturalisatie natuur- en milieu in Zuid-Holland'.

Zo'n 40 vertegenwoordigers van allochtonenorganisaties, natuur- en milieuorganisaties, adviesbureaus en de gemeente waren aanwezig op de conferentie. IVN-directeur Jurr van Dalen gaf het begrip interculturalisatie handen en voeten. "Het is de wereld anders bezien", stelde hij. "Allochtonen hebben hun eigen opvatting over de natuur. Is bijvoorbeeld picknicken in het stadspark natuurbeleving? Jazeker! De betrokkenheid van allochtonen bij natuur en milieu is van groot belang voor een duurzame samenleving. Maar die bereik je niet vanuit eenzijdige zendingsdrang. Vraaggerichte werkmethodes zijn nodig. IVN gaat ermee aan de slag en heeft als doelstelling dat in 2010 minimaal 5% van alle activiteiten gericht is op allochtonen en het beleid intercultureel samengesteld is."

Houden allochtonen wel van de natuur en geven ze om het milieu? Ja, zeiden de allochtonenorganisaties die Marlon van der Waal, projectmedewerker van het IVN Consulentschap Zuid-Holland, interviewde voor een onderzoek naar interculturalisatie in natuur en milieu. Alleen is het geen vanzelfsprekend gespreksonderwerp. De natuur in eigen omgeving blijkt het meest geliefd. Ook zijn ze bereid om samen te werken. De geïnterviewde natuur- en milieuorganisaties stonden positief tegenover interculturalisatie. Binnen IVN zelf heeft al een aantal afdelingen positieve ervaringen opgedaan met interculturele projecten. Kansrijke acties die werden genoemd door de geïnterviewden waren het gebruik van vrijwilligerspools van allochtonen, allochtonenorganisaties als intermediair inschakelen en een regiegroep van allochtonen instellen.

Een Forumpanel met vertegenwoordigers van Stimulans, Natuurmonumenten, Meander, COS Rijnmond & Midden-Holland en Bureau Aarde-Werk, besprak succesvolle projecten die een brug slaan tussen allochtonen en natuur- en milieuorganisaties en de rol van vrijwilligerswerk. Bijvoorbeeld een klankbordgroep en een onderzoek naar natuurbeelden van allochtonen van Natuurmonumenten, het werven van coaches uit de gelederen van allochtonenorganisaties van Bureau Aarde-Werk en het ontwikkelen van een tuin van de vier windstreken waarin verschillende culturen vertegenwoordigd zijn, van COS. "Iets aparts ontwikkelen voor allochtonen is niet nodig, je moet juist wat je nu doet, interessant maken voor meer mensen", vond de heer Pervin van Meander. "Zorg dat je allochtonen in je organisatie hebt, maak bijvoorbeeld gebruik van de bestaande vrijwilligerspools", voegde Abdelkader Salhi van de Stichting Stimulans aan de discussie toe.

Draagvlak
Vervolgens verplaatste het gesprek zich naar kleine groepen in de zaal. Daar kwam onder andere naar voren dat er eerst draagvlak in een organisatie moet zijn om te interculturaliseren, dat het belangrijk is om allochtone organisaties als volwaardige partners te zien en dat je vooral moet zoeken naar overeenkomsten. Madelon Awater van Milieucommunicatie van de Dienst Stadsbeheer: "Onze ervaring is dat vooral persoonlijk contact en kleinschalige projecten in de wijk succes hebben. Wij werken met partners als BOOG, wijkbeheer, en het Ontmoetingscentrum Buitenlandse Vrouwen. Folders voor deze doelgroep hebben weinig zin." Met de conclusie: "Interculturaliseren gaat niet vanzelf, maar de eerste stap is gezet. En wij gaan er mee verder" besloot Ella Bartowska, directeur IVN Consulentschap Zuid Holland. de werkconferentie.

Lieneke Venhuis

 

KLIK HIER VOOR OUDERE ARTIKELEN OVER ALGEMEEN MILIEUBELEID

 

Agenda

Zin in een dagje uit?

Hier ziet u wat er de komende weken in Den Haag en omstreken op natuur- en milieugebied te doen is

 
  Branding

 

Neem een gratis abonnement op Branding, hét Haagse tijdschrift voor natuur en milieu, of klik hier voor de elektronische versie.