|
ALGEMEEN MILIEUBELEID
Om Den Haag gaat verder met een nieuwe directeur
(Branding nr.18
januari-maart 2005) ...meer
De peer review is misschien wel
té collegiaal (Branding
nr.15
juni/juli 2004) ...meer
Stadsboerderijen: minder en beter (Branding
nr.14
april/mei 2004) ...meer
GFT is óók Gordijnen, Fietsbroeken
en T-shirts (Branding nr.14
april/mei 2004) ...meer
Exit stadsecoloog (Branding
nr.14
april/mei 2004) ...meer
Van milieu- naar duurzaamheidsadviezen
(Branding nr.13
februari/maart 2004) ...meer
Vuilophalers maken potje van GFT-inzameling (Branding
nr.13
februari/maart 2004) ...meer
De chemokar in de grote steden (Branding
nr.12 november/december
2003) ...meer
Lever lege batterijen in
(Branding nr.12
november/december 2003) ...meer
Salon der initiatieven in Madurodam (Branding
nr.12 november/december
2003)...meer
Allochtonen betrekken bij natuur en milieu gaat niet
vanzelf (Branding nr.12
november/december 2003) ...meer
KLIK HIER VOOR
OUDERE ARTIKELEN OVER ALGEMEEN MILIEUBELEID
Om Den Haag gaat verder met een
nieuwe directeur
Van Poekelboek naar milieumarketing: het lokale duurzaamheidsbeleid
heeft een lange weg afgelegd. Vijf jaar lang was Kitty van der Voorn
de stuwende kracht achter de Ontwikkelingsmaatschappij Den Haag.
De Stichting Om Den Haag is opgericht om bij te dragen aan de duurzame
ontwikkeling van Den Haag en om het (Haagse) bedrijfsleven tot duurzaam
ondernemen aan te zetten. Om te zorgen voor een balans tussen de
fameuze 3 P’s van People, Planet en Profit. Per 1 januari
jl. nam Van der Voorn afscheid als directeur. Branding blikte terug
met haar en vooruit met haar opvolger: D66-fractievoorzitter Robert
van Lente.
Van der Voorn: “Ik ben nu bijna vijf jaar bij Om Den Haag
betrokken, eerst bij het opzetten en daarna in de 31⁄2 jaar
dat de stichting functioneert. Al met al een geweldige tijd, met
interessante projecten en vol uitdagingen. Ik heb ontzettend veel
geleerd in die tijd. Op voorhand wist ik dat ik het niet veel langer
dan 5 jaar zou gaan doen. Ik ben iemand die graag pioniert en opbouwt;
een kwartiermaker. Ik weet dat er nu een goede organisatie staat
met veel kansen waarop mijn opvolger verder kan bouwen.
Persoonlijk heb ik nu behoefte aan zelfstandigheid. Ik ga als zelfstandige
werken in project- en interim-management. Ik wil graag weer deskundigheden
aanspreken die ik de laatste tijd weinig benut. Meer werk doen in
de sociale en culturele sfeer.”
Om Den Haag wordt door Van der Voorn getypeerd als ‘een wat
hybride organisatie’. “We hebben een ideëel doel
dat we bereiken door op marktconforme wijze diensten aan te bieden.
We werken daarbij op het snijvlak van bedrijfsleven en overheid.
Hoewel Om Den Haag economisch zelfstandig is - en móet zijn
- is geld verdienen geen doel op zich.
Twaalf organisaties die de stad en duurzame ontwikkeling in hun
hart dragen en willen bevorderen, hebben zitting in onze Raad van
Toezicht. Dat zijn HTM, Eneco, Rabobank, Woningbeheer - samen met
de gemeente, toen nog in de persoon van wethouder Stolte, de ‘founding
fathers’ van Om Den Haag - en verder de Haagse Hogeschool,
Mondriaangroep, Kamer van Koophandel, MKB, Shell, Siemens en de
Rijksgebouwendienst. In die Raad zitten voornamelijk de directeuren
van de vertegenwoordigde bedrijven, dus degenen die beslissingen
kunnen nemen.
Het commitment vanuit de Raad van Toezicht is voor Om Den Haag van
zeer grote waarde. Afgelopen voorjaar is de Raad flink uitgebreid.
Dat is goed voor het draagvlak voor duurzame ontwikkeling van de
stad. Binnen de Raad wordt niet altijd op dezelfde manier gedacht.
Bijvoorbeeld over de vraag hoe en in hoeverre de ideële doelstelling
moet, en kan, worden vertaald in geld. Er is natuurlijk wel eens
verschil van inzicht, ik ben het ook niet altijd met iedereen eens.
Maar dat maakt het werk wel veelzijdig en dynamisch.”
Opvolger Robert van Lente erkent dat het maatschappelijk draagvlak
van groot belang is. Verdere uitbreiding van de Raad van Toezicht
sluit hij niet uit: “Een bedrijf als TPG, met zijn expertise
op het gebied van logistiek, zou ik er wel graag bij willen hebben.
Maar de Raad moet geen waterhoofd krijgen.”
Op de kaart
Daar Om Den Haag in opdracht werkt, is acquisitie altijd een belangrijke
activiteit. Om opdrachten te werven kiest de stichting voor een
sneeuwbaleffect. De voormalige directeur: “We vragen ondernemers
het voortouw te nemen richting collega-ondernemers. Onze opdrachtgevers
vragen we om namen van mogelijk geïnteresseerden te noemen.
Maar het is een probleem dat we nog onvoldoende op de kaart staan.
We moeten zichtbaarder worden. Het zou leuk zijn als we wat vaker
de krant zouden halen. Je moet kunnen laten zien waarvoor mensen
bij je kunnen aankloppen.”
Dat duurzaamheid een zaak van lange adem is, is genoegzaam bekend.
Kortetermijnsuccessen zijn hier dan ook niet te behalen. Van der
Voorn weet dat projecten een lange aanlooptermijn kunnen hebben,
waarin er alleen maar geld bijmoet. Daarover horen we haar dan ook
niet. Maar wat haar tijdens haar directeurschap wel dwarsgezeten
heeft, is de moeite die je moet doen om erkend te worden: “Je
krijgt niet gemakkelijk de credits voor wat je doet. Het is soms
frustrerend als iemand anders de eer krijgt voor projecten waartoe
wij, een kleine, kwetsbare organisatie, de aanzet hebben gegeven.
Waarvoor wij de partijen en belangen bij elkaar hebben gebracht.
Een voorbeeld is stadsdistributie. Binnen de gemeente werd nog wel
eens gezegd dat ondernemers niets wilden doen aan een betere distributie
van goederen in de binnenstad. Alweer jaren geleden zijn wij met
een aantal ondernemers uit de binnenstad en de Kamer van Koophandel
om de tafel gaan zitten. Op eigen kosten hebben we met toonaangevende
ondernemers uit het Hofkwartier gesprekken gevoerd. Die bleken bijvoorbeeld
bereid om opslagpunten te creëren in de buitenste schil van
de stad, om daar met hun eigen auto’s spullen te gaan ophalen.
Toch wordt ons dan niet de opdracht gegund om van daaruit een project
Stedelijke Distributie op te zetten. Om Den Haag moet zich dus nog
veel sterker profileren en moet voortdurend positie verwerven.”
Een van de projecten die Kitty van der Voorn overdraagt is het stimuleren
van duurzaam ondernemen bij het midden- en Kleinbedrijf door middel
van een concrete, gestructureerde aanpak. Ze licht toe: “Ondernemers
kunnen hiermee hun bedrijfsvoering doorlichten op duurzaamheid.
Is het bijvoorbeeld mogelijk energie te besparen, het materiaalgebruik
te verduurzamen… Novem, ABN/AMRO en de Provincie Zuid-Holland
zijn partners in dit project. De Kamer van Koophandel werkt actief
mee door het organiseren van seminars en door op te treden als ambassadeur.
Het is een groot project, dat een wat trage start kende maar nu
erg goed loopt... Onze aanpak is heel praktisch gericht op het MKB,
gebaseerd op wat multinationals en andere grote bedrijven al doen.
We redeneren vanuit de ondernemers: What’s in it for me? Zo
worden hun investeringen in de stad niet een soort liefdadigheid,
maar krijgen ze een economische waarde. Omdat het een vernieuwende
en concrete aanpak is, heeft het project ook landelijke aandacht.”
Een ander lopend project van Om Den Haag is het ‘Stadsdebat
duurzame vastgoedontwikkeling’. “In een stadsdebat proberen
we met zoveel mogelijk partijen in de stad van gedachten te wisselen
over een bepaald onderwerp”, licht Van der Voorn toe. “We
willen op termijn een stadsdebat organiseren waarin betrokken partijen
praten over hun belangen bij grootschalige duurzame vastgoedontwikkeling.
Daarin kunnen vragen aan de orde komen als: Welke partij is verantwoordelijk
voor de duurzaamheid van het vastgoed? En voor de omgeving? Voor
de leefbaarheid van het gebied en het beheer? Wie is verantwoordelijk
voor de publieke ruimte?’ Dat zijn onderwerpen waarmee Om
Den Haag zich ook bezighoudt. Want duurzaamheid is meer dan alleen
milieu. We houden ons ook bezig met de publieke ruimte, leefbaarheid,
veiligheid, sociale cohesie.”
Energieke aanjager
Daarnaast is Om Den Haag van het begin af aan actief in projecten
om gebruik en opwekking van duurzame energie te stimuleren. Van
duurzaam energiegebruik door sportverenigingen tot bijvoorbeeld
zonnepanelen op scholen. Van energiescans tot financieringsconstructies
voor zonnepanelen.Vaak als aanjager en voortrekker en vaak als projectmanager.
Van der Voorn: ”Het project om windmolens langs de rijkswegen
te plaatsen hebben we, samen met Eneco, weer op de agenda gezet.
Dat begint nu voorzichtig aan handen en voeten te krijgen. Ook was
Om Den Haag aanjager van de plaatsing van gebouwgebonden windturbines.
De Haagse Hogeschool is nu verantwoordelijk voor het project en
voor het bijbehorende rendementsonderzoek. Om Den Haag heeft in
dit project nu alleen nog een begeleidende rol.”
Duurzame energie is een onderwerp dat de nieuwe directeur Robert
van Lente aan het hart gaat. “Ik heb me vreselijk geërgerd
aan de recente negatieve publiciteit tegen windenergie”, zegt
de D66’er, verwijzend naar een uitzending van Zembla op 4
november en een artikel in Elsevier. “Het zou me niets verbazen
als de kernenergielobby erachter zit. Het lijkt me wel iets voor
Om Den Haag en het Haags Milieucentrum om hierover samen een debat
te organiseren. Beïnvloeding van de meningsvorming zie ik wel
als een taak van Om Den Haag, zelfs als dat uit eigen middelen moet.”
Hoewel de benoeming van Van Lente voor velen als een verrassing
kwam, lijkt de econoom de aangewezen persoon om OM Den Haag op te
stuwen in de vaart der volkeren. Niet zonder trots vertelt hij dat
een motie van zijn partij het beslissende duwtje heeft gegeven om
de stichting vijf jaar geleden op te richten, toen de Lokale Agenda
21 ter ziele was gegaan. Het cirkeltje is in zekere zin dan ook
rond. Maar hoe gaat hij zijn nieuwe functie combineren met zijn
raadslidmaatschap?
Van Lente: ik zit nu voor mijn derde termijn in de gemeenteraad
en ik heb geen behoefte aan een vierde. Formeel is het raadswerk
wel met het directeurschap van Om Den Haag te verenigen, maar het
betekent wel dat ik me als raadslid over bepaalde zaken niet meer
kan uitlaten. Ik neem in januari, uiterlijk februari een beslissing
of ik deze termijn nog uitzit.”
Marketinginstrument
De eerste maanden zal Van Lente zich vooral bezighouden met het
consolideren van Om Den Haag. Daarna kan gedacht worden aan het
uitbreiden van het aantal medewerkers. Er zijn nu drie mensen in
vaste dienst, voor het overige worden freelancers ingezet. En ook
een naamswijziging sluit Van Lente niet uit: “Mensen denken
soms aan een bouwbedrijf bij de naam Om Den Haag. Het is wel ingeburgerd,
maar ik vind het eigenlijk helemaal niks. Als iemand een goede naam
heeft houd ik me aanbevolen. Maar dat heeft geen prioriteit. Wat
nu belangrijk is, is om Om Den Haag, dat een periode van zwaar weer
achter de rug heeft, op de kaart te zetten als een renderend bedrijf.
Met als belangrijke aandachtspunten energie, maatschappelijk verantwoord
ondernemen, duurzaam vastgoed en duurzame bedrijventerreinen.
Van essentieel belang is dat het bedrijfsleven en maatschappelijke
organisaties weten dat ze wat aan ons hebben. Dat we weten over
te dragen dat duurzaam ondernemen ook profijt kan opleveren. Ondernemers
denken niet op lange termijn, ze moeten kunnen zien dat ze er iets
aan kunnen verdienen. En daarvoor zie ik goede mogelijkheden. Het
kwartje is bij het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties
gevallen. Maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt commercieel,
bedrijven zien in dat duurzaamheid als marketinginstrument gebruikt
kan worden. Ik hoop dat een onderneming over vijf jaar geen product
meer kan verkopen als niet aangetoond kan worden dat het niet gemaakt
is door een kind in India.
Daarbij komt dat duidelijk is dat er iets moet gebeuren. Fossiele
bronnen raken uitgeput, olieprijzen stijgen torenhoog, de zeespiegel
stijgt…Het begint gewoon te dúúr te worden om
niets te doen.
En verder denk ik dat Om Den Haag een kenniscentrum zou kunnen
worden op het gebied van Europese regelgeving waar het duurzaamheid
betreft. Tegenwoordig geldt: milieu is Europa. De regelgeving komt
daar vandaan. Dat moeten we vertalen naar het lokale en regionale
niveau. Gelukkig beschik ik over goede contacten in Brussel en dankzij
mijn raadslidmaatschap ook in Den Haag.”
Bob Molenaar
Tom Pitstra
De peer review is misschien
wel té collegiaal
Den Haag doet mee aan een EU-programma waarin negen Europese
gemeenten hun milieubeleid onderling vergelijken. De andere deelnemers
zijn Nottingham, Birmingham, Newcastle, Wenen, Tampere, Malmö,
Venetië en Leipzig. Vertegenwoordigers van de deelnemende gemeenten
bezoeken elkaar op gezette tijden om het milieubeleid van de ander
door te lichten: de peer review. Ze vragen onder andere plaatselijke
organisaties naar hun mening over het beleid en de uitvoering. Onlangs
werd Den Haag aangedaan, om te checken wat deze gemeente met de
vorig jaar gedane aanbevelingen gedaan heeft. Ook het Haags Milieucentrum
heeft zijn mening hierover gegeven.
Op zich zou zo'n collegiale toets van grote betekenis en waarde
kunnen zijn. Want het kan heel inspirerend zijn om milieuprestaties
van gemeenten, zowel nationaal als internationaal, te vergelijken
en te leren van elkaars beste praktijken. Maar de peer review waar
we het hier over hebben, is daarvoor naar onze mening te beperkt
van opzet. Er worden bijvoorbeeld geen staatjes geproduceerd waarin
de deelnemers op hun milieuprestaties worden vergeleken. Dat wilden
de meesten niet. Dat zou wel eens pijnlijke informatie kunnen opleveren,
terwijl het nu juist leerzaam zou kunnen zijn. Gewoon in staatjes
weergeven hoeveel kilo GFT wordt opgehaald, hoeveel zonneboilers
of -panelen zijn geplaatst, hoeveel kilometer geasfalteerde fietspaden
zijn aangelegd of hoeveel kilo gif voor onkruidbestrijding wordt
aangewend (àls daarvoor al gif wordt gebruikt). Misschien
zit er wel een interessante gifvrije gemeente bij. Van de best presterende
gemeenten zou dan per milieu-item nagegaan kunnen worden hoe ze
dat bereiken, wat andere dan weer kan inspireren.
Gecontroleerd
Ook is het de vraag hoe de informatie die gemeenten verstrekken
gecontroleerd wordt. In de review van de gemeente Den Haag staan
bijvoorbeeld beweringen die pertinent onjuist zijn. De luchtkwaliteit
in Den Haag zou goed zijn, terwijl de normen op 22 plaatsen overschreden
worden. Ander voorbeeld: de aparte wethouder voor duurzaamheid zou
door de bevolking positief ontvangen zijn. Ries Smits rolde bij
een onderzoek dat de gemeente vorig jaar november onder ruim tweeduizend
Hagenaars liet uitvoeren, nu juist als minst bekende wethouder uit
de bus. "He has to fight", luidde dan ook onze aanbeveling
aan de reviewers.
Opvallend is verder dat de gemeente Den Haag 26 van de 52 aanbevelingen
niet heeft overgenomen. Is het ons ontgaan dat hier een fel raadsdebat
over is geweest?
Hoewel het peer review-project vooral tot stand is gekomen omdat
de EU het subsidieerde, heeft het toch wel enige betekenis. Zo bleken
uitspraken in de peer review ambtenaren een handvat te bieden om
wethouders aan te spreken op beleidsvoornemens.
Maar dat de betekenis van zo'n rapport beperkt is, leert het voorbeeld
van het afvalbeleid in deze gemeente. Den Haag zamelde in 2002 slechts
16 kilo GFT per huishouden in. Met de verschillende voorstellen
voor verbetering in het review-rapport is totaal niets gebeurd en
inmiddels is de opbrengst gedaald tot 14 kilo. Wij hebben de indruk
dat de verantwoordelijke wethouder - Wilbert Stolte - wacht op afschaffing
van de landelijke verplichting en er dan mee wil kappen.
Leiderschap gewenst
In onze gesprekken met de reviewers en de wetenschapper die voor
de EU een rapport hierover opstelt, hebben we een hoop aan de orde
kunnen stellen. Bijvoorbeeld het gebrek aan leiderschap vanuit de
politieke top om ambitieuze doelstellingen te realiseren. De wethouder
van duurzaamheid heeft onvoldoende positie in het college verworven
om een krachtig coördinerend beleid door te zetten. Hij zou
door de burgemeester steviger gesteund moeten worden; de voormalige
milieuministers Ed Nijpels en Pieter Winsemius waren nu juist zo
succesvol omdat de premier hen steunde. En de Stuurgroep en Projectgroep
Duurzaamheid, bij uitstek coördinerende instrumenten, lijken
weinig resultaten af te werpen.
In het duurzaamheidsbeleid is in het algemeen onvoldoende sprake
van controleerbare kengetallen en kwantificeerbare doelstellingen.
En waar zo'n kwantificeerbare doelstelling bestaat - het inspirerende
eindbeeld in het Milieubeleidsplan van Den Haag als CO2-neutrale
stad - hebben we niet te indruk dat er hard gewerkt wordt om deze
in praktijk te brengen.
Een belangrijk deel van de noodzakelijke CO2-reductie valt te halen
in het verkeersbeleid. Het Plan van Aanpak luchtkwaliteit zou hierin
een belangrijke rol moeten spelen. Hoe het eruit gaat zien is helaas
nog niet bekend, want staatssecretaris Van Geel heeft uitstel verleend
tot 1 juni. In elk geval wil het gemeentebestuur dit plan zonder
al te veel inspraak in de raad behandelen, waartegen bewoners van
de Veerkades niet zonder reden te hoop gelopen zijn.
Meer in het algemeen slaagt de gemeente er niet om een sturend verkeersbeleid
te maken waarin echt voorrang (ook financieel) wordt gegeven aan
de fiets, de wandelaar en het OV. Voor een krachtig fietspadenplan
is onvoldoende geld. Het opheffen van parkeerplaatsen ten behoeve
van goede fietspaden lijkt hier onmogelijk, zodat levensgevaarlijke
situaties (bijvoorbeeld de Elandstraat) jarenlang blijven voortbestaan.
Er is nog steeds geen goede fietsroute naar de stalling bij het
Centraal Station - zoals bepleit door raadslid Titia Lont (CDA)
- en op het prachtige Voorhout mag nog steeds geparkeerd worden,
terwijl er een uitstekende parkeergarage onder het Malieveld ligt
(die om 22.00 uur dichtgaat
).
Kloof
Valt er op het beleid al het een en ander aan te merken, het moet
ook nog eens uitgevoerd worden. Er bestaat in Den Haag een enorme
kloof tussen het beleid en de praktijk, zoals het Waterplan aantoont.
Zelfs de meest bescheiden ambitie, Water dat siert, wordt niet gehaald
(je ziet nog overal drijfvuil), laat staan de meest ambitieuze van
Water dat leeft. In de Haagse Beek is het doorzicht van het water
onvoldoende.
Het is de vraag wat de peer review dit jaar voor Den Haag oplevert.
Laten we hopen dat we de positieve beleidsdaden niet alleen maar
kunnen lezen in jubelende persberichten, maar dat we de gevolgen
om ons heen kunnen zien: bijvoorbeeld goede fietspaden en ruimte
trottoirs, een autoluwe binnenstad en de durf om te kiezen voor
een congestieheffing. Het college hoeft niet eens naar Londen om
een aansprekend voorbeeld te zien: het succes van de autoluwe binnenstad
in Groningen en trouwens ook de toenemende omzet bij winkels is
dermate groot, dat sommigen het nu te druk vinden in die leuke binnenstad
.
Tom Pitstra
Haags Milieucentrum
Stadsboerderijen: minder en beter
Vooral dankzij de actiegroep Zorg voor Dieren staat het fokbeleid
van de Haagse stadsboerderijen nadrukkelijk op de agenda. 'Overtollige'
dieren worden naar de slachtbank geleid.
In een vergadering met de raadscommissie Welzijn, Duurzaamheid
en Leidschenveen-Ypenburg (WDLY), op 10 maart, probeerde verantwoordelijk
wethouder Smits zich op een makkelijke manier van dit 'vuiltje'
te ontdoen: hij liet een extern bureau een rapport schrijven met
een zeer beperkte opdracht (zonder aandacht voor het dierenwelzijn),
dierenorganisaties kregen zogenaamd inspraak (maar wel achteraf)
en met veel omhaal van woorden werd de gemeenteraadsleden uitgelegd
dat er niets wezenlijks verandert. Het beleid wordt een beetje bijgestuurd
en er worden twee stadsboerderijen met hetzelfde dieronvriendelijke
beleid bijgebouwd.
Gelukkig konden de leden van de gemeenteraad zich ook niet vinden
in het beleid van wethouder Smits. Ook zij vinden dat dierenwelzijn
een prominente rol moet krijgen in het gemeentebeleid betreffende
de stadsboerderijen.
Maar als een stadsboerderij echt een functie wil vervullen in de
relatie tussen mens en dier, moet er veel meer gebeuren. De Haagse
Dierenbescherming bepleit een fundamentele koerswijziging, waarbij
de stadsboerderijen worden vervangen door minder, maar veel ruimer
opgezette diervriendelijke educatieve stadsboerderijen. De dieren
worden daar gehuisvest conform hun natuurlijke behoeftes en leefomgeving.
Bijvoorbeeld konijnen: dit zijn sociale dieren en dus worden deze
in groepsverband gehuisvest in een nabootsing van een konijnenheuvel.
Overigens wel met de nodige maatregelen qua geboortebeperking. Dan
hoeft er ook niet gefokt te worden. Aanvoer van dieren zou kunnen
plaatsvinden door middel van dieren uit bijvoorbeeld 'Het Knagertje',
dierenambulances of andere dierenwelzijnsorganisaties die gevonden/afgestane
dieren willen plaatsen. Men kan zelfs denken aan afdankertjes uit
de bio-industrie. Bijvoorbeeld: stadsboerderij redt 'uitgelegde'
legbatterijkippen, of zeugen die niet meer werpen kunnen, van de
slacht.
Oude of wrakke dieren worden op een aparte bejaardenwei geplaatst
waar ze, gescheiden van het publiek maar wel zichtbaar, rustig hun
oude dag kunnen doorbrengen. Ongeneeslijk zieke dieren worden door
een dierenarts geëuthanaseerd. Er worden geen dieren meer afgevoerd
naar de veiling of met de handelaar meegegeven.
Zo'n boerderij brengt mensen echt respect bij voor dieren. Aan
kinderen kan men dan een realistisch beeld geven van de verschillen
tussen de intensieve, de scharrel- en de biologische veehouderij
door middel van foto's en videobeelden. Door de ruime opzet en bezetting
kan deze stadsboerderij meerdere schoolklassen tegelijk ontvangen.
Het publiek heeft alleen direct toegang tot de dieren binnen de
openingstijden en onder toezicht van het personeel. Ook kan kinderen
worden geleerd hoe ze met huisdieren moeten omgaan. Onder begeleiding
mag een beperkt aantal kinderen dan bij de dieren en het personeel
leert de kinderen hoe ze de dieren op een diervriendelijke manier
kunnen benaderen. Dit heeft als dubbele functie dat ze thuis ook
weten hoe om te gaan met hun konijn of cavia.
Dit is onze visie voor een ideale stadsboerderij. Vanuit deze ideaalschets
zal de Haagse Dierenbescherming het beleid van de wethouder beoordelen
en voorstellen doen voor verbeteringen. Want dat het anders moet,
dat staat buiten kijf.
Diana van der Lely,
Dierenbescherming
GFT is óók Gordijnen,
Fietsbroeken en T-shirts
Het Haags Milieucentrum heeft zich de laatste tijd nogal ingezet
voor een beter inzamelbeleid van afval. Zeker voor GFT is daar alle
reden toe, want van alle grote steden haalt Den Haag veruit het
minste op. De raadscommissie duurzaamheid stelde dit onlangs aan
de orde en was in haar geheel van mening dat dit beter moest. Wethouder
Stolte werd zelfs bij de commissie ontboden om zijn beleid maar
eens te bespreken.
Binnenkort zal dat ook wel gebeuren. De wethouder wil eerst het
advies van het Afval Overleg Orgaan (AAO) afwachten. Dit komt pas
op 9 september, aangezien een eerste bespreking van het voorstel
tot uiteenlopende reacties leidde. De Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) consulteren
nu hun achterbannen. De verwachting is dat het AAO de minister van
VROM zal adviseren om GFT-inzameling niet meer landelijk verplicht
te stellen.
Het HMC zal ervoor waken dat dit voor Den Haag niet betekent dat
het hele GFT-beleid in 'de groene stinkbak' gekieperd wordt. De
gemeente zou de voordelen van compost beter moeten belichten en
een campagne ontwikkelen tegen het praatje (dat ook verspreid wordt
door de medewerkers van de Haagse Milieu Services) dat bij de vuilverwerking
op de Binckhorst alles toch weer bij elkaar gegooid wordt. Daarvan
is totaal geen sprake, tenzij een lading GFT te veel vervuild is
doordat de groene bak met van alles en nog wat is gevuld.
Opmerkelijk genoeg stelt de gemeente zich wel heel actief op als
burgers hun afval te vroeg aan de straat zetten. Het leidde zelfs
tot een conflict met de gemeentelijke ombudsvrouw, die vond dat
de gemeente in deze situatie heel onzorgvuldig optrad. Maar haar
kritiek stuitte op een muur van onbegrip. De gemeente zal sterk
blijven controleren of afval niet te vroeg wordt aangeboden.
Het HMC vraagt zich af of dit wel een goede prioriteitstelling is.
Naar onze mening zou er juist meer gecontroleerd moeten worden of
mensen hun afval wel scheiden. Als het organisch afval netjes in
de groene bak verdwijnt is er geen enkel probleem met zwerfvuil,
want katten en vogels kunnen de groene bak niet openkrijgen. Als
het goed is, zit er in de grijze zak dan helemaal geen organisch
afval, maar voor het merendeel plastic waarin geen dier geïnteresseerd
is! Dan maakt het toch niet zoveel uit of een zak of biobak een
uurtje te vroeg aan de stoeprand staat? Je kunt het geen prettig
beeld vinden, maar een milieuprobleem is het niet.
Textiel
Een geheel anderssoortige afvalcomponent is textiel. Deze wordt
ingezameld door diverse organisaties, zowel ideële als commerciële.
De in Den Haag actieve ideële organisaties - het Leger des
Heils, HUMANA en KICI - halen gedrieën zo'n 60 miljoen kilo
per jaar op. KICI, dat ook zijn hoofdkantoor in Den Haag heeft,
laat het merendeel van zijn opbrengsten structureel ten goede komen
aan Amnesty International, HIVOS en Gered Gereedschap. Ook andere
goede doelen kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage uit de
kledingopbrengsten, bijvoorbeeld als noodhulp moet worden geboden
aan slachtoffers in rampgebieden.
In tegenstelling tot een aantal andere organisaties stelt KICI de
ingezamelde kleding niet direct ter beschikking aan kansarmen in
binnen- of buitenland. De kleding wordt in Nederland verkocht.
Anders dan vaak gedacht wordt, wordt niet alle ingezamelde kleding
hergebruikt. Er worden ook andere producten van gemaakt, variërend
van poetslappen tot isolatiemateriaal. Sorteerbedrijven verwerken
de ingezamelde textiel in tientallen deelstromen. KICI accepteert
dus ook kleding die niet mooi genoeg meer is om gedragen te worden.
Gooi zulke kleding dus in de container en niet in de grijze zak,
want anders wordt het slechts verbrand en dat is wel een heel laagwaardige
vorm van hergebruik.
Gezien de begunstigden van KICI, die vooral in de hoek van milieu,
mensenrechten en ontwikkelingshulp te vinden zijn, gaat onze sympathie
vooral naar deze inzamelaar uit. De KICI-containers zijn echter
niet makkelijk te vinden. Die staan uitsluitend op privéterrein,
niet op de openbare weg (een overzicht van plekken is te vinden
via de homepage van www.kici.nl).
Vergunning
Om inzamelcontainers op de openbare weg te mogen zetten, is een
vergunning nodig. En daar zit hem nu net het probleem. Want de afvalinzameling
in Den Haag is geprivatiseerd. De gemeente heeft een contract met
de AVR, die de inzameling heeft uitbesteed aan de Haagse Milieu
Services (HMS).
De AVR wil de drie organisaties niet zomaar toestemming geven om
in Den Haag tot een sluitend systeem van kledinginzameling te komen.
Ze wil daar geld voor hebben. Niet dat de AVR er op dit moment zelf
aan verdient, maar misschien later nog wel een keertje. De inzamelorganisaties
hebben dat geld niet. Vooral vanwege de lage dollar en en de dalende
afzetprijzen is kledinginzameling op dit moment geen vetpot. Maar
principieel hebben ze het bezwaar dat ze de opbrengsten aan goede
doelen willen besteden. Na aftrek van de kosten ging het in het
verleden om vele miljoenen per jaar.
De gemeente Den Haag zou zich niet langer moeten verschuilen achter
het contract met de AVR. Wij staan zelfs op het standpunt dat de
AVR op dit moment contractbreuk pleegt, omdat er is afgesproken
dat alle afval - natuurlijk op een goede wijze, met zoveel mogelijk
hergebruik - moet worden ingezameld.
Ook het landelijk beleid van VROM gaat uit van maximaal hergebruik.
Weliswaar zijn gemeenten op dit gebied autonoom, maar het ministerie
heeft zich ten doel gesteld dat een fors gedeelte van het oude textiel
wordt hergebruikt (al dan niet verwerkt tot een ander product).
We roepen het college en de gemeenteraad op om, net als in Rotterdam,
met de AVR tot afspraken te komen, zodat ook dit deel van de afvalstroom
in Den Haag maximaal wordt ingezameld. Wat ons betreft met voorrang
voor mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking!
De Haagse raad heeft onlangs besloten dat de opbrengst van ingezamelde
printercartridges ten goede moet komen aan zinvolle maatschappelijke
projecten (AAP of zeehondenopvang), dus we zijn positief gestemd.
Het geeft toch ook een lekker gevoel als met je oude kleren mensenrechten
en ontwikkelingssamenwerking worden betaald?
Tom Pitstra
Haags Milieucentrum
Exit stadsecoloog
Wat vindt de stadsecoloog eigenlijk van de plannen voor een automobielmuseum
in Reigersbergen, wilde het Haags Milieucentrum op de inspraakavond
weten. Daar kon de dienstdoende ambtenaar kort over zijn: die functie
bestaat niet meer, dus van advisering kon geen sprake zijn. De aanwezigen
in het wijkcentrum in Mariahoeve waren onaangenaam verrast.
Navraag leerde ons dat de functie twee jaar geleden al is gesneuveld
bij een interne reorganisatie. Het Haags Milieucentrum vraagt zich
af of de gemeenteraad wel op de hoogte is gesteld van dit besluit.
De leden die wij hierover benaderden wisten in elk geval van niks.
En dat terwijl de functie van stadsecoloog op verzoek van de gemeenteraad
in het leven was geroepen om tot een meer natuur- en milieugerichte
inrichting en beheer van de stad te komen.
Het HMC betreurt het opheffen van deze functie. Volgens ons is
een stadsecoloog die het college en de raad zelfstandig kan adviseren
over groen en ruimtelijke plannen belangrijk voor de besluitvorming,
bijvoorbeeld over locatiealternatieven. Adviezen kunnen dan niet
in de ambtelijk molen of hiërarchie verdwijnen en de gemeenteraad
kan zelf beslissen wat hij met de informatie en adviezen doet. De
functie van de stadsecoloog was vergelijkbaar met die van de nog
bestaande stadsstedenbouwer, die buiten de hiërarchische lijnen
om direct het college adviseert. In het belang van een ecologisch
duurzame stad vinden wij een onafhankelijk deskundig persoon zoals
de stadsecoloog was, van groot belang.
We horen graag van de leden van de Haagse gemeenteraad of zij er
net zo over denken. En ook of ze ervan op de hoogte zijn dat de
functie opgeheven is. De vraag of het college hun van dit feit op
de hoogte had moeten stellen, vloeit hieruit logischerwijze voort.
Wordt vervolgd.
Van milieu- naar duurzaamheidsadviezen
De naam van de Milieu-adviescommissie is gewijzigd in Adviescommissie
Duurzaamheid en Milieu (ADM). Hierin zitten bewoners, mensen uit
het bedrijfsleven en vertegenwoordigers van natuur- en milieuorganisaties.
Van de laatste categorie maken deel uit mevrouw T. van Gijn-Bruggink
(AVN), mevrouw C. Vinkesteijn (KMTP), de heer R. Bijl Reijsmeijer
(Kerk en Milieu Den Haag) en de heer J. van Male (ROVER afdeling
Den Haag). Er zijn momenteel twee vacatures in de categorie natuur-
en milieuorganisaties.
Zoals de naam al aangeeft, adviseert de commissie het Haagse College
van B&W over het duurzaamheidsbeleid. Ze vergadert maandelijks
en richt zich dit jaar primair op integraal waterbeheer, stedelijke
vernieuwing, energie, economische ontwikkeling, mobiliteit, ecologie
en groen, duurzaamheid in de eigen omgeving en educatie op duurzaamheids-
en milieugebied. De Milieu-adviescommissie werd opgericht in 1991.
Vuilophalers maken
potje van GFT-inzameling
Niemand zamelt zijn groenafval gescheiden in omdat hij een GFT-emmer
zo lekker vindt ruiken. Wel omdat het niet verbranden van groente-
en tuinafval leidt tot efficiënter gebruik van de verbrandingsinstallatie.
En ook omdat deze component hergebruikt kan worden in de vorm van
compost. Het is dan ook frusterend als je ziet dat de vuilnisman
de zorgvuldig opgespaarde inhoud van je GFT-bak bij het restafval
kiepert. Wat nogal eens voorkomt, gelet op de hoeveelheid klachten
die het Haags Milieucentrum daarover ontvangt.
Het Haags Milieucentrum (HMC) wordt regelmatig gebeld of gemaild
door mensen die hebben geconstateerd dat hun GFT in dezelfde vuilophaalwagen
bij het gewone huisvuil wordt gekieperd. Velen van hen betwijfelen
bovendien of het gescheiden opgehaalde huisvuil ook naderhand wel
gescheiden wordt behandeld door de afvalverwerker - in het geval
van Den Haag de AVR. Als zij hun vuilnisophalers daarop aanspreken
krijgen zij vaak hetzelfde verhaal te horen: dat het achteraf toch
allemaal bij elkaar gegooid wordt. Klagen bij de gemeente leidt
doorgaans tot niets, is de ervaring. Mensen voelen zich afgescheept.
Het is de hoogste tijd dat het gemeentebestuur deze aanhoudende
reeks van klachten serieus gaat nemen. Klagers krijgen nu te horen
dat zij mogelijk niet in de gaten hebben dat in de ophaalwagens
twee compartimenten zitten. Of dat GFT-bakken soms zoveel ander
huisvuil bevatten dat de ophalers ze daarom bij het gewone huisvuil
leeggooien. Als al wordt toegegeven dat het wel eens fout gaat,
zou het om incidenten gaan.
Maar het gaat niet om incidenten. Mensen die zelf op een vuilnisophaalwagen
hebben gereden bevestigden tegenover ons dat veel vuilnisophalers
de hand lichten met de regels, als het gaat om één-compartimentwagens.
Van de 32 wagens die in Den Haag hun rondes doen zijn er twaalf
die geen gescheiden compartimenten hebben. Deze moeten hun route
twee keer afleggen. De eerste keer om de zakken op te halen, de
tweede keer om het GFT op te halen. Als alles in één
keer bij elkaar gekieperd wordt, scheelt dat een hele rit. Dan kunnen
de vuilnisophalers in de aldus gewonnen tijd bijvoorbeeld gaan klaverjassen.
Geen zoden
Klachten sijpelen wel degelijk door naar de werkvloer, maar zetten
structureel geen zoden aan de dijk. In wijken waar veel geklaagd
wordt doen de vuilnisophalers inderdaad een tijdje beter hun best,
of worden er tweecompartimentwagens ingezet. Een klager ondervond
recentelijk
dat zijn GFT-bak netjes apart werd opgehaald door dezelfde wagen
die een kwartier eerder de afvalzakken had ingeladen. De biobak
werd in het daartoe bestemde compartiment geleegd. Maar de klager
kwam er achter dat dit alleen gebeurde in het stukje straat waar
hij woonde; verderop werd alles weer gewoon bij elkaar gegooid.
Maar het komt ook voor dat zelfs de klager geen baat heeft bij
de moeite die hij doet. Zoals blijkt uit deze e-mail: "Het
komt met zeer grote regelmaat voor dat, gedurende een jaar of twee,
het GFT-afval bij het restafval wordt gegooid door de gemeentereiniging.
Wij (ikzelf, de buren) hebben hier regelmatig melding van gemaakt
bij de gemeentereiniging. Zij zeggen elke keer dat hiervan melding
zal worden gemaakt, maar er verandert niets. Ook hebben we het wel
tegen de vuilophalers zelf gezegd, en die vertellen een verhaal
dat het sowieso bij het restafval wordt gestort om de ovens te koelen.
Is dit probleem bij jullie bekend? Ikzelf heb geen zin meer om het
apart aan te bieden".
Het is dan ook niet verwonderlijk dat Den Haag steeds slechter scoort
wat betreft het aanbod van GFT, en ook landelijk achterblijft. De
hoeveelheid in Den Haag aangeboden GFT liep tussen 1998 en 2001
terug van 24 naar 13 kilo per inwoner. In een stad als Utrecht wordt
drie keer zo veel opgehaald, landelijk bijna zeven keer zo veel.
Leidse Jantje
Het Haags Milieucentrum is ervan overtuigd dat die verhalen over
het naderhand bij elkaar voegen en verbranden indianenverhalen zijn.
Wij hebben daarvoor in elk geval geen bewijs kunnen vinden. Het
probleem ligt bij de vuilophalers die dit soort verhalen aangrijpen
om zich er met een jantje van leiden vanaf te maken en die blijkbaar
door hun eigen bedrijf en door de opdrachtgever, de gemeente, niet
goed gecontroleerd worden. Men heeft het personeel wat dit betreft
gewoon niet in de hand.
Wat te doen. Het HMC stelt voor dat er zo snel mogelijk méér
tweecompartimentenwagens komen. De vuilnismannen en vuilnisvrouwen
moeten worden gemotiveerd hun werk accuraat te doen, door hun te
wijzen op het belang van gescheiden inzameling. Er moeten heldere
instructies zijn - zoals naleving van de regel dat de inhoud van
groenbakken altijd bij het GFT moet worden gevoegd, ook al is de
bak verontreinigd met gewoon huisvuil. Dat wordt in de vuiloverslag
van elkaar gescheiden. Er moet stevig gecontroleerd worden of de
vuilophalers de regels naleven, en als dit niet gebeurt moeten er
effectieve sancties worden opgelegd.
Als de ophaler constateert dat de groenbak als gewone afvalbak gebruikt
wordt, zou hij deze gewoon moeten laten staan. Er zouden stickers
moeten worden gemaakt die verklaren waarom een bepaalde bak niet
geleegd is. En mensen die hun GFT-bak bij herhaling onjuist gebruiken
zouden een boete moeten krijgen.
Maar van niet minder groot belang is de communicatie tussen de
gemeente en de burgers. De neerwaartse spiraal moet worden doorbroken
door een motivatiecampagne te starten. Burgers moeten worden gemotiveerd
om hun GFT (weer) te scheiden, onder meer door de verhalen als zou
het afval naderhand worden samengevoegd, te ontkrachten.
De gemeente zou de vuilophaalkalender bijvoorbeeld vergezeld kunnen
laten gaan van een aansprekende folder, met hieraan vastgeniet een
klein zakje compost. Mensen die hun GFT apart houden zouden dat
vervolgens kunnen inwisselen voor een grotere zak.
En last but not least: uiteraard moet er met vragen, verzoeken en
klachten van burgers serieus en alert worden omgegaan. Zodat burgers
die het goed met het milieu voorhebben, gestimuleerd worden om daaraan
hun steentje te blijven bijdragen.
Frans van der Steen
Haags Milieucentrum
I Y
compost
Compost staat over het algemeen in een kwade reuk. Mensen associëren
de substantie veelal met onwelriekende vloeistoffen, met vliegen,
pissebedden, regenwormen en ander ongedierte, en ga zo maar door.
Een slecht imago, dus.
En dat is jammer. Want uit onderzoek van de Katholieke Universiteit
Leuven is gebleken dat compost over ziektewerende eigenschappen
beschikt. De lucht/waterhuishouding van planten heeft baat bij een
bodem die met compost is verbeterd.
Zelfs de mens is gebaat bij compost. De bovenste bodemlaag speelt
een belangrijke rol in het vasthouden van CO2 - het gas dat zoveel
bijdraagt aan het broeikaseffect. Die toplaag slijt steeds verder
af, wat door het toevoegen van compost kan worden tegengegaan. In
Piemonte (Italië) bestaat hiervoor zelfs een subsidieregeling
(bron: de Volkskrant, 17 januari 2004).
Bye bye biobak?
Gescheiden inzameling is eigenlijk al vanaf de introductie (de wettelijke
verplichting voor gemeenten om gft apart in te zamelen dateert van
1994) controversieel. En sinds die tijd heeft de techniek niet stilgestaan:
de methoden om gft naderhand te scheiden uit het huishoudelijk afval
worden steeds geavanceerder, hoewel ze nog lang niet volmaakt zijn.
Volgens de Wageningse hoogleraar milieukunde Arthur Mol is dit echter
niet de juiste weg. In een interview met Intermediair zegt hij:
"Zelfs als de milieubalans tussen scheiden en niet-scheiden
gelijk is, zeg ik toch: doorgaan met gescheiden gft-inzameling.
Vanwege de betrokkenheid van mensen bij milieuvraagstukken."
En Bert Hamelers, gft-deskundige aan de Wageningen Universiteit,
drukt het zo uit: "Het houdt de burger milieubewust. Als groenafval
in de grijze bak mag, denken we: flikker die batterijen er nou ook
maar bij."
De chemokar in de grote steden
De chemokar verdwijnt uit het Haagse straatbeeld. Er wordt langs
deze weg te weinig gevaarlijk afval ingezameld en er blijft te veel
aan de straat staan. Maar denken de andere grote steden er ook zo
over? Een Branding-benchmark.
Van boven tot onder versierd met bloemenslingers baant de chemokar
zich een weg door de nauwe straat. Hij rijdt stapvoets om te voorkomen
dat er iemand uit het massaal toegestroomde publiek onder de wielen
komt. Uit de luidspreker, die in een grijs verleden zijn lang tegemoetgeziene
komst aankondigde, galmt de kraker 'Huilen is voor jou te laat,
ik kom niet meer'. Maar de berustende toonzetting van dit lied vindt
geen navolging. De mensenmassa weent luid en smeekt de met kussen
overdekte chemoman: "Ga niet weg, laat ons niet in de steek,
we kunnen je niet missen."
Het roerende afscheid dat de Blauwe Tram in 1961 ten deel viel,
zal eind november voor de chemokar waarschijnlijk niet zijn weggelegd.
Zijn gebrek aan populariteit is nu juist de hoofdreden dat de wethouder
van Leefbaarheid besloten heeft dit hoofdstuk van Haagse vuilophaalgeschiedenis
af te sluiten. De chemokar was de laatste tijd slechts goed voor
8 procent van de totale hoeveelheid ingezameld klein chemisch afval
(KCA), wat hem tot een erg onrendabele voorziening maakte. En omdat
de chemokar zich haast nooit liet zien, werd er nogal eens chemisch
afval onbeheerd bij de haltepalen achtergelaten.
Schrijnender dan het uit de roulatie halen van de chemokar is echter,
dat er nauwelijks nog een alternatief gevonden is. Voor het kleine
KCA zoals batterijen en medicijnen zijn de inlevermogelijkheden
legio. Batterijen kan men bijvoorbeeld kwijt in tal van supermarkten
en warenhuizen, zoals op www.stibat.nl
goed te zien is. Voor overtollige medicijnen zijn apotheken het
aangewezen adres, en die zijn evenmin dungezaaid. Maar waar laten
we bijvoorbeeld verfresten? Het zou prettig zijn als we de die konden
terugbrengen waar we ze vandaan hebben gehaald: de verfwinkel of
de bouwmarkt.
Rotterdamse Retourshops
Dit is een van de mogelijkheden waar de gemeente Rotterdam momenteel
op studeert. Ook Rotterdam stopt met de chemokar. En dat niet alleen,
ook het voortbestaan van de twee Retourshops, ruimtes bij supermarkten
waar het winkelend publiek tal van afvalcomponenten kwijt kan, staat
ter discussie. Hans Krämer, clustercoördinator afval en
hergebruik bij de Roteb,
legt de beweegredenen uit: "Bij elk van die Retourshops werkt
iemand die bevoegd is om met chemisch afval om te gaan. Die is duur.
Daarnaast werkt er iemand op een gesubsidieerde baan die hem assisteert.
Die subsidies verdwijnen. We bekijken nu of we scholen en supermarkten
meer bij de inzameling kunnen betrekken." De bedoeling is dat
er in Rotterdam 1000 à 1500 zogenoemde DIS-punten komen,
waarbij 'DIS' staat voor detailhandel-inzamelingssysteem. Hieronder
vallen ook bouwmarkten.
Of die bouwmarkten veel animo hebben, kan echter betwijfeld worden.
In de eerste plaats moeten ze natuurlijk kostbare winkel- of magazijnruimte
vrijmaken, die niet langer commercieel kan worden benut. De gederfde
inkomsten zullen natuurlijk vergoed moeten worden. Dat hoeft niet
zo'n probleem te zijn, maar vervelender is waarschijnlijk het volgende:
volgens de Raad Nederlandse Detailhandel mogen zaken die verf verkopen
maar een bepaalde hoeveelheid in voorraad hebben. Blikken met verfresten
worden bij de handelshoeveelheid opgeteld, terwijl ze niets opleveren
en alleen maar in de weg staan.
Als we onze aandacht richten op de andere kant van de Deltametropool,
raken we in Amsterdam in de vijftien stadsdelen verzeild. Die stadsdelen
mogen hun eigen beleid voeren wat betreft afvalinzameling. Maar
er is er slechts één waar de chemokar niet meer rijdt:
Amsterdam Zuid-oost (voorheen De Bijlmer). Judith Boerma van de
Gemeentelijke Dienst Afvalverwerking heeft nog nooit gehoord dat
er plannen zijn om ergens anders met de chemokar te stoppen.
Hernieuwd elan
De kleinste van de vier grote steden, Utrecht, is zelfs met hernieuwd
elan met de chemokar van start gegaan. "In het verleden ging
het niet goed met de afvalinzameling", aldus een woordvoerder
van de Reinigings-
en Havendienst RHD. "De medewerkers raceten door de wijk
heen en haalden nauwelijks iets op. Nu doen ze er uren over en zamelen
vele honderden kilo's per avond in."
Per avond, want Utrecht heeft er vorig jaar voor gekozen om de
chemokar 's avonds op pad te sturen. Twee keer per jaar tussen 17.30
en 20.30 uur doe hij iedere straat aan, waarbij hij zijn aanwezigheid
kenbaar maakt door middel van geluidssignalen en zwaailichten. De
RHD beschikt nog niet over exacte cijfers, maar is enthousiast over
het bereik. Per avond zijn er soms wel 90 aanbieders van KCA, variërend
van batterijen tot groter spul. Artikelen die anders misschien in
de vuilniszak terecht gekomen waren. Want, evenals in Den Haag,
Amsterdam en Rotterdam, liggen de milieu-inzamelstations in de Domstad
erg decentraal. Hoeveel mensen zullen een tocht door de halve stad
ondernemen om op een milieuvriendelijke wijze van hun verfresten,
potten kwastreiniger, TL-buizen en accu's af te komen?
Bob Molenaar
In Den Haag zijn de milieudepots gevestigd aan de Plutostraat
1 (de Binckhorst), de Vissershavenstraat 2 (Scheveningen) en De
Werf 36 (Den Haag Zuidwest).
Lever lege batterijen in
Volgens de Stichting Batterijen (de Stibat) in Zoetermeer
beschikt een gemiddeld huishouden over 16 lege batterijen. Uitgaande
van 6,5 miljoen huishoudens betekent dit dat er ruim 100 miljoen
lege batterijen in huis rondzwerven. Waarvan een aanzienlijk deel
uiteindelijk in de vuilniszak belandt, ook al zegt 91 procent van
de Nederlanders lege batterijen te bewaren om ze later in te leveren.
In de praktijk blijkt het ingezamelde percentage circa 71 procent
te zijn. Jaarlijks worden er in totaal ruim 200 miljoen batterijen
verkocht
Nadat Stibat vijf jaar geleden is begonnen om basisschoolleerlingen
ertoe te brengen hun lege batterijen op school in te leveren, is
onlangs een vergelijkbare proef gestart op 25 scholen voor vmbo
en havo/vwo. Elke deelnemende school ontvangt gratis lesmateriaal,
een batterijenton en de garantie dat de batterijen gratis worden
opgehaald. Elke kilo ingezamelde batterijen levert één
spaarpunt op. Die punten kunnen worden ingewisseld voor bijvoorbeeld
spelmateriaal, apparatuur, een schoolfeest of een goed doel.
De proef wordt gehouden in Amsterdam omdat die gemeente het initiatief
nam om op dit gebied met Stibat samen te werken. Als de scholen
per juni volgend jaar gemiddeld minimaal 500 kilo lege batterijen
hebben ingezameld, wordt de actie landelijk voortgezet. Stibat is
zeer tevreden over de resultaten tot dusverre en verwacht het systeem
volgend jaar inderdaad landelijk te gaan invoeren.
Meer informatie over de actie Lege batterijen? Lever ze op school
in! en over batterijen in het algemeen vindt u op www.stibat.nl.
Salon der initiatieven in Madurodam
Op 10 oktober bood Madurodam onderdak aan de Salon der Initiatieven.
Dit was het sluitstuk van een door de provincie Zuid-Holland ondersteunde
campagne van het IVN en het Instituut voor Publiek en Politiek (IPP)
om burgers te stimuleren initiatieven te nemen op duurzaamheidsgebied.
Dit vanuit de overtuiging dat een duurzame samenleving alleen gerealiseerd
kan worden als burgers zelf met initiatieven komen, die vervolgens
door de politiek worden gesteund.
Er werden vele leuke en nuttige initiatieven gepresenteerd, van
natuurspeeltuinen tot zonne-energie voor huurwoningen, van vlindervriendelijk
bermbeheer tot integratie via afvalprojecten. U kunt ze vinden op
www.initiatievenvoorduurzaamheid.nl.
De deelnemers mochten zelf kiezen welk initiatief ze het leukste
en/of het beste vonden. De burgemeester van Madurodam reikte de
prijs uit aan het winnende idee: de sociale riksja uit Dordrecht.
De initiatiefneemster was inmiddels nogal ontmoedigd geraakt, aangezien
de lokale Kamer van Koophandel een politiek succesvolle lobby tegen
een autoluwe binnenstad had opgezet. Dat ze nu in het zonnetje werd
gezet, was voor haar een leuke stimulans om door te zetten. Bij
de selectie van dit project heeft waarschijnlijk meegespeeld dat
het milieuaspect was gecombineerd met het sociale aspect. Mensen
van wie de gesubsidieerde baan wegbezuinigd wordt, krijgen zo een
kans om een bijdrage te leveren aan een schone Dordtse binnenstad.
In Nederland heeft eerder Amsterdam al met een vergelijkbare fietstaxi
kennisgemaakt. Ook voor de gemeente Den Haag een goed idee, lijkt
ons.
Lang niet alle initiatieven bleken succesvol te worden afgerond.
Te vaak is er sprake van politieke of ambtelijke tegenwerking en
geven mensen de moed op.
Interessant was de discussie over burgerinitiatieven. In Zoetermeer
was de voltallige gemeenteraad enthousiast over een initiatief voor
een natuurspeeltuin. Vervolgens brak er een hele bureaucratische
discussie uit hoe het nu verder moest in het kader van de dualisering
en het burgerinitiatief. Het was natuurlijk simpel op te lossen:
het college of een wethouder neemt het initiatief over en geeft
zijn ambtenaren opdracht om het uit te voeren. Maar zo niet in Zoetermeer,
waar het project verzandde.
In Den Haag doen we dat heel anders, liet het aanwezige PvdA-raadslid
Tineke van Nimwegen weten. Dat geeft goede moed en we zullen haar
eraan houden als het zover is. Misschien dat we het winnende idee
voor de Haagse milieuprijs ook in een burgerinitiatief kunnen opzetten.
Allochtonen betrekken bij natuur
en milieu gaat niet vanzelf
De deelname van allochtonen aan natuur- en milieuactiviteiten
is beperkt en de actieve leden in de natuur- en milieuorganisaties
zijn bijna allemaal autochtone Nederlanders. De bereidheid om dit
te veranderen is er. Maar hoe? IVN
Consulentschap Zuid-Holland organiseerde op 17 september in
Theater Concordia in Den Haag een werkconferentie rond dit thema
met de titel 'Interculturalisatie natuur- en milieu in Zuid-Holland'.
Zo'n 40 vertegenwoordigers van allochtonenorganisaties, natuur-
en milieuorganisaties, adviesbureaus en de gemeente waren aanwezig
op de conferentie. IVN-directeur Jurr van Dalen gaf het begrip interculturalisatie
handen en voeten. "Het is de wereld anders bezien", stelde
hij. "Allochtonen hebben hun eigen opvatting over de natuur.
Is bijvoorbeeld picknicken in het stadspark natuurbeleving? Jazeker!
De betrokkenheid van allochtonen bij natuur en milieu is van groot
belang voor een duurzame samenleving. Maar die bereik je niet vanuit
eenzijdige zendingsdrang. Vraaggerichte werkmethodes zijn nodig.
IVN gaat ermee aan de slag en heeft als doelstelling dat in 2010
minimaal 5% van alle activiteiten gericht is op allochtonen en het
beleid intercultureel samengesteld is."
Houden allochtonen wel van de natuur en geven ze om het milieu?
Ja, zeiden de allochtonenorganisaties die Marlon van der Waal, projectmedewerker
van het IVN Consulentschap Zuid-Holland, interviewde voor een onderzoek
naar interculturalisatie in natuur en milieu. Alleen is het geen
vanzelfsprekend gespreksonderwerp. De natuur in eigen omgeving blijkt
het meest geliefd. Ook zijn ze bereid om samen te werken. De geïnterviewde
natuur- en milieuorganisaties stonden positief tegenover interculturalisatie.
Binnen IVN zelf heeft al een aantal afdelingen positieve ervaringen
opgedaan met interculturele projecten. Kansrijke acties die werden
genoemd door de geïnterviewden waren het gebruik van vrijwilligerspools
van allochtonen, allochtonenorganisaties als intermediair inschakelen
en een regiegroep van allochtonen instellen.
Een Forumpanel met vertegenwoordigers van Stimulans, Natuurmonumenten,
Meander, COS Rijnmond & Midden-Holland en Bureau Aarde-Werk,
besprak succesvolle projecten die een brug slaan tussen allochtonen
en natuur- en milieuorganisaties en de rol van vrijwilligerswerk.
Bijvoorbeeld een klankbordgroep en een onderzoek naar natuurbeelden
van allochtonen van Natuurmonumenten, het werven van coaches uit
de gelederen van allochtonenorganisaties van Bureau Aarde-Werk en
het ontwikkelen van een tuin van de vier windstreken waarin verschillende
culturen vertegenwoordigd zijn, van COS. "Iets aparts ontwikkelen
voor allochtonen is niet nodig, je moet juist wat je nu doet, interessant
maken voor meer mensen", vond de heer Pervin van Meander. "Zorg
dat je allochtonen in je organisatie hebt, maak bijvoorbeeld gebruik
van de bestaande vrijwilligerspools", voegde Abdelkader Salhi
van de Stichting Stimulans aan de discussie toe.
Draagvlak
Vervolgens verplaatste het gesprek zich naar kleine groepen in de
zaal. Daar kwam onder andere naar voren dat er eerst draagvlak in
een organisatie moet zijn om te interculturaliseren, dat het belangrijk
is om allochtone organisaties als volwaardige partners te zien en
dat je vooral moet zoeken naar overeenkomsten. Madelon Awater van
Milieucommunicatie van de Dienst Stadsbeheer: "Onze ervaring
is dat vooral persoonlijk contact en kleinschalige projecten in
de wijk succes hebben. Wij werken met partners als BOOG, wijkbeheer,
en het Ontmoetingscentrum Buitenlandse Vrouwen. Folders voor deze
doelgroep hebben weinig zin." Met de conclusie: "Interculturaliseren
gaat niet vanzelf, maar de eerste stap is gezet. En wij gaan er
mee verder" besloot Ella Bartowska, directeur IVN Consulentschap
Zuid Holland. de werkconferentie.
Lieneke Venhuis
KLIK
HIER VOOR OUDERE ARTIKELEN OVER ALGEMEEN MILIEUBELEID
|