|
RUIMTELIJKE ORDENING, DUURZAAM BOUWEN EN WONEN
Met duurzaam scoort Den Haag zeker
Much ado about soccer (Branding
nr.10 juni/juli 2003) ...meer
Ypenburgse cultuurhistorie in de verdrukking (Branding
nr.10 juni/juli 2003) ...meer
Denk mee over de Vlietzone (Branding
nr.10 juni/juli 2003) ...meer
Op weg naar een duurzaam stadsdeelkantoor (Branding
nr.10 juni/juli 2003) ...meer
Over het Prins Clausplein en
het voetbalstadion (Branding
nr. 9 april/mei 2003)
...meer
Rood voor Groen als
successtrategie (Branding
nr. 8 februari/maart
2003) ...meer
Glastuinbouw is keihard economisch gegeven (Branding
nr. 6 september/oktober
2002) ...meer
DE WESTLANDWISSELTRUC VAN DEETMAN (Branding
nr. 5 mei/juni/juli
2002) ...meer
ROMBO, een naam om te onthouden (Branding
nr. 5 mei/juni/juli
2002) ...meer
DEN HAAG EN HET DUURZAME BOUWEN
(Branding nr.
4 februari/maart 2002) ...meer
Duurzaam Bouwen op Wateringse Veld (Branding
nr. 4 februari/maart
2002) ...meer
WIE HET EERST ONDERHANDELT, ONDERHANDELT HET BEST?
(Branding nr.
4 februari/maart 2002) ...meer
REGIONAAL STRUCTUURPLAN HAAGLANDEN
(Branding
nr 3 november/december2001)
...meer
MADESTEIN (Branding
nr 3 november/december2001)
...meer
Vernieuwing van het centrum (Branding
nr 3 november/december2001)
...meer
Met duurzaam scoort Den Haag zeker
Much ado about soccer
Profvoetballers bij ADO verdienen niet onaardig. Toch moet hun
salaris misschien worden aangevuld met een post gevarengeld. Want
als ze in het nieuwe stadion nabij het Prins Clausplein gaan spelen
lopen ze aanzienlijke gezondheidsrisico's. De goede bereikbaarheid
per auto zou het stadion wel eens fataal kunnen worden. En er kleven
méér bezwaren aan.
De gemeenteraad heeft gesproken: er zal 33,5 miljoen euro van de
Haagse begroting worden gespendeerd aan een nieuw stadion voor de
lokale trots ADO. Het zal worden gebouwd in de oksel van het Prins
Claus-plein, waar het verkeer op de snelwegen A4 en A12 zijn pirouettes
draait.
Als de meerderheid van de raad ervoor kiest om zoveel geld in deze
jongensdroom te steken, zorg er dan wel voor dat je op duurzaamheid
scoort! Niet voor niets stelt het Haagse Milieubeleidsplan een CO2-neutrale
stad in het vooruitzicht. En dat er tal van mogelijkheden zijn,
is gebleken in Sydney. Voor de Olympische Spelen aldaar heeft Greenpeace
een totaalpakket ontworpen, dat ook grotendeels is gerealiseerd.
Uit de woorden van wethouder Wilbert Stolte in de gecombineerde
commissievergadering van eind april klonk niet al teveel ambitie
door als het om duurzaamheid gaat. De wethouder sportzaken noemde
de mogelijkheid van een EnergiePrestatieNorm en van gerecyclede
stoeltjes. Eerder kwam al de mogelijkheid van grijswater ter sprake.
Toch blijft het marginaal. Stolte gaf aan dat de gemeente zelf geen
opdrachtgever voor de bouw van het stadion is, en dat zijn mogelijkheden
dus beperkt zijn. Dat is formeel waar, maar materieel verstrekt
de gemeente een hoop geld voor de bouw. En als ze dat wil kan ze
daarmee natuurlijk haar duur-zaamheidsambities als randvoorwaarde
in de uitwerking van het bouwplan stellen.
Eisenpakket
En die ambities zijn - of althans wáren - er wel degelijk.
Vanuit de gemeente was er een heel pakket aan duurzaamheideisen
gesteld, waarmee de architecten en bouwers nauwelijks wat gedaan
hebben. Iets dat het college heeft geaccepteerd omdat het erg gecharmeerd
was van het winnende ontwerp. De bijzaken (zo wordt het milieu kennelijk
ervaren nu het puntje bij het paaltje komt) zijn daaraan ondergeschikt
gemaakt. Het Haags Milieucentrum (HMC) vindt dat de gemeenteraad
dit niet mag accepteren.
We noemden al even de gezondheidsrisi-co's voor de balartiesten
die in het nieuwe stadion gaan optreden. Deze worden veroorzaakt
door de slechte luchtkwaliteit als gevolg van de ligging vlakbij
twee snelwegen. De Europese normen worden overschreden. Amateursporters
kunnen vanwege die slechte luchtkwaliteit niet in het stadion terecht.
Maar voor profvoetballers gelden andere regels, want zij zijn werknemers
De bereikbaarheid van het stadion per openbaar vervoer en fiets
is voor het HMC een centraal punt. Op zich zou deze locatie in de
oksel van verkeersriolen acceptabel zijn als er een enorme sprong
voorwaarts geboekt zou kunnen worden in de bereikbaar per openbaar
vervoer. Maar de afstanden tot het nieuwe NS-station en de nieuwe
tramhalte (als die tram er komt) zijn veel te groot: één
kilometer, dat is 10 minuten stevig doorlopen. Los van het veiligheidsaspect
- de politie zal dit ook wel als een recept voor ellende beschouwen
- zijn deze afstanden onaanvaardbaar.
De openbaarvervoerhaltes en het stadion moeten dus op de een of
andere manier dichter bij elkaar worden gesitueerd. Anders moet
de conclusie luiden dat op dit centrale punt de locatie niet geschikt
is en kan ADO beter blijven spelen waar ze nu doet - in een opgeknapt
stadion.
De parkeermogelijkheden voor het privévervoer zijn prima
geregeld. Voor auto's is er een ruime parkeerplaats. Maar waarom
is deze gelijkvloers, wat een enorme ruimteverspilling met zich
meebrengt? Voor de fiets wordt er een forse inpandige fietsenstalling
gebouwd.
Fietsende supporters
Maar over hoe fietsers het stadion moeten bereiken, maken we ons
zorgen. Zoals bekend heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg bezwaren
tegen de fietsroute door de winkelstraat. Het normale fietsverkeer
richting Oud-Voorburg op het huidige fietspad zal hinder ondervinden
van de supportersbussen die over het verdiepte fietspad moeten.
Zowel het gemeentelijke Meerjarenprogramma Fiets als het regionale
fietspadenplan van Haaglanden voorziet in een nieuwe route onder
het Prins Clausplein door en in een nieuwe fietsbrug over de Vliet
bij Hofwijk. Gezien de voorgeschiedenis vrezen we echter dat met
name die laatste er nog niet zal zijn tegen de tijd dat het stadion
er ligt. Mede gezien de overlast die gemeente Leidschendam-Voorburg
vreest zou een bijdrage van deze gemeente redelijk zijn.
Het is te hopen dat de KNVB of het bevoegd gezag nooit zullen besluiten
om niet op zaterdag of zondag te spelen. Anders gaat het hele verhaal
over de goede bereikbaarheid per auto niet meer op, en zou de bereikbaarheid
per openbaar vervoer en fiets wel eens een reddingsplan kunnen zijn
voor de verkeersellende die we dan kunnen verwachten.
Tom Pitstra,
Haags Milieucentrum
Het HMC heeft bij de gemeenteraad gelobbyd om het ADO-stadion
duurzamer te laten maken. Op 15 mei debatteerde de raad over het
nieuwe stadion. Van de tientallen moties over allerlei hoofd- en
bijzaken ging er opvallend genoeg geen enkele over de duurzaamheid,
terwijl uit het debat bleek dat een meerderheid er waarschijnlijk
wel vóór zou stemmen. Wel stelden diverse fracties
het thema aan de orde en op het laatste moment had wethouder Stolte
in een brief aan de raad geschreven, dat er extra aandacht aan de
duurzaamheid van het stadion zou worden besteed. Met deze kleine
en wat vage stapjes vooruit nam de raad genoegen.
Merkwaardig was dat enkele partijen die principieel tegen de
nieuwe locatie zijn, om die reden geen motie wilden indienen om
de duurzaamheid te bevorderen. Alsof ze dan opeens vóór
het voorstel moesten stemmen als de motie zou worden aangenomen.
Zo zet je jezelf aardig buitenspel. Ook al ben je in hoofdlijnen
tegen een voorstel, je kunt altijd proberen zo'n voorstel waar je
tegen stemt te verbeteren.
Er is nu afgesproken dat de gemeente serieus bekijkt of gelden
die de Haagse bevolking via de energierekening heeft opgebracht
en die nog steeds in de portemonnee van ENECO zitten, voor een energiezuiniger
stadion kunnen worden aangewend.
Door onze inzet zijn stapjes vooruit gezet en is de discussie over
de luchtkwaliteit indringend gevoerd. Wij wachten nu even af wat
dit oplevert, want er bestaan nog tal van kansen om duurzame maatregelen
te nemen. Niettemin: dat duurzaamheideisen niet vanaf het begin
een belangrijke rol hebben gespeeld is op zijn minst een gemiste
kans.
Ypenburgse cultuurhistorie in
de verdrukking
Ypenburg, 10 mei, 13.00 uur. Een menigte van ruim 200 oud-strijders
en andere belangstellenden verzamelt zich bij het herdenkingsmonument
voor het voormalige stationsgebouw van Vliegveld Ypenburg. Ze herdenken
een bijzonder stukje geschiedenis.
Op 10 mei 1940 vochten het Nederlandse en het Duitse leger hier
namelijk de slag om Ypenburg uit. Met een snelle inname van Ypenburg
wilden de Duitsers voorkomen dat Koningin Wilhelmina met haar familie
via deze luchthaven het land zou verlaten. De slag bij Ypenburg
is een historisch zeer belangrijke uitzondering op de reeks Nederlandse
nederlagen in het eerste oorlogsjaar. Doordat de Duitsers daar verslagen
werden en hun opmars werd opgehouden, kregen de Oranjes de gelegenheid
om per boot naar Engeland te vluchten. Bij de slag sneuvelden 95
Nederlandse militairen.
Deze plek is ook nog doordrongen van een ander stukje geschiedenis,
namelijk die van de Nederlandse luchtvaart. Het stationsgebouw met
zijn prachtige verkeerstorentje is een kleinood van architectuur.
Het gebouw, in 1936 in gebruik genomen, werd ontworpen door Brinkman
en van der Vlugt, de architecten van de beroemde Van Nelle-fabriek
en het Feyenoordstadion. Het was bedoeld voor de kleine sportluchtvaart
en werd midden jaren vijftig overgenomen door de Koninklijke Luchtmacht.
Voor en na de oorlog stroomden duizenden mensen naar het vliegveld
om vanaf een tien meter brede dijk eromheen te genieten van vliegfeesten
en te zwaaien naar de piloten. Of men toog naar het vliegveld voor
een rondvlucht boven Den Haag en Scheveningen.
Tweehonderdduizend bezoekers bezochten in 1957 de Gouden Internationale
Luchtvaart-show Ypenburg (ILSY). Dit vliegfeest werd bijgewoond
door de voltallige Koninklijke familie en als nationaal gebeuren
rechtstreeks op de televisie uitgezonden. Ook stonden er duizenden
toeschouwers in de omliggende straten en weilanden en op de Hoornbrug
van deze show te genieten.
Maar dit alles kon niet verhinderen dat vliegveld Ypenburg in 1991
gesloten werd.
Eigen karakter
De bijzondere combinatie van een monument met een historisch gebouw
biedt natuurlijk een uitgelezen kans om een nieuwbouwwijk als Ypenburg
een eigen karakter te geven. Zo'n eigen karakter is van groot belang
voor de leefbaarheid van een nieuwe wijk. Dan gaat het om het uitbuiten
van alles wat in het gebied al (van nature) aanwezig is. Beeldbepalende
gebouwen, maar ook bijzonderheden van het landschap en de natuur,
zoals meertjes, dijken, waterlopen enzovoort. Deze elementen geven
speelsheid aan een wijk en doorbreken de eenvormigheid en massieve
uitstraling van nieuwbouw. Zij bieden ook coördinatiepunten
voor de bewoners en geven een wijk en zijn bewoners identiteit.
Deze manier van ontwerpen bevordert de hechting van bewoners aan
hun wijk, en daarmee hun betrokkenheid bij hun directe omgeving.
Het maakt een wijk leefbaarder en duurzamer en kan ervoor zorgen
dat die voor de generaties die nog komen aantrekkelijk blijft.
Het oude stationsgebouw, laag en langgerekt, ligt aan de rand van
Ypenburg. In de ontwerpopgave had het prachtige uitzicht op dit
gebouw met goede zichtlijnen vanuit de woningen vrijgelaten moeten
worden en de woningbouw had er direct op aan moeten sluiten. Dat
kon bijvoorbeeld met een ruim grasveld voor het gebouw, waarop de
bewoners ook hadden kunnen recreëren. Die kans is echter niet
ge-grepen bij het ontwerp van deze Vinexlocatie en dat is een enorme
misser.
Marginaal bestaan
Maar het kan nog erger. Sinds vorig jaar wordt het stationsgebouw
grotendeels aan het zicht vanuit de wijk onttrokken door een bedrijfsgebouw
dat er schuin voor staat. De bewoners werden (en worden) niet op
de hoogte gehouden van de plannen op dit bedrijventerrein, en waren
dus onaangenaam verrast toen de bouw begon. Nadat dit eerste bedrijfsgebouw
oprees, is er contact opgenomen met de gemeente Den Haag over verdere
bouwplannen, maar daar is nooit iets op teruggehoord. Een paar maanden
geleden werd gestart met de voorbereidingen voor een nieuw bedrijfsgebouw,
dat het zicht op historisch Ypenburg vrijwel geheel zal wegnemen.
Hierdoor wordt het mooie historische gebouw veroordeeld tot de vergetelheid
en een marginaal bestaan in een afgezonderd stukje van een groot
bedrijventerrein.
De vraag is dus gerechtvaardigd waarom de gemeente Rijswijk en
later Den Haag niet hebben ingegrepen toen het nog kon. We weten
bovendien dat de kantorenmarkt al geruime tijd aan het instorten
is. Overal in de buurt van Ypenburg staan duizenden vierkante meters
bedrijfsgebouw al lange tijd te huur. Men kan ze aan de straatstenen
niet kwijt. Ook het kantoor dat nu het zicht belemmert staat al
meer dan een jaar grotendeels leeg en dat steekt des te meer.
Dat is niet het enige. Ongeveer het meest schaarse goed dat we
in Nederland hebben is ruimte. De open, groene ruimte wordt in snel
tempo aangetast. Daarmee verdwijnen het landschappelijke karakter
van Nederland, de natuur en de soortenrijkdom, de mogelijkheden
voor waterberging, voor recreatie, en voor het genieten van rust
en ruimte. We zijn onszelf aan het inrijgen in een korset van asfalt
en beton, onder meer door de bouwdwang van grote ondernemingen die
alleen eurotekens in de ogen lijken te hebben.
Compacter bouwen
Ook op Ypenburg wordt dit schaarse goed op grove wijze verspild.
De kantoren en bedrijfspanden, zoals die van Van Gend en Loos, zijn
er bijzonder laag met veel ruimte eromheen. En dat in een tijd waarin
tientallen nota's verschijnen en congressen worden gehouden over
manieren om ruimte te sparen en open te laten. Van dubbel ruimtegebruik,
het verweven van functies, compacter bouwen met verdichting in woongebieden
en tegelijkertijd een kwaliteitsimpuls voor de stad lijken de bouwers
op Ypenburg nog nooit gehoord te hebben.
Hetzelfde geldt voor de situering van het bedrijventerrein langs
de A4. Inmiddels is het gemeengoed om direct langs een snelweg juist
hoge bedrijfspanden op te trekken die tevens dienst doen als geluidsscherm
voor de woningen. Zo niet op Ypenburg. Wordt het niet eens tijd
voor een goed gesprek tussen de gemeente Den Haag en het industrieschap
Plaspoelpolder (waar de gemeente Den Haag overigens zelf in zit),
dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein?
Dit om te voorkomen dat op de rest van het nu nog open terrein voor
de leegstand gebouwd wordt en het zicht en de leefbaarheid van bewoond
Ypenburg nog verder worden aangetast.
Wat er, om maar iets te noemen, nog mogelijk is, is een mooie route
vanuit het woongedeelte naar het oude stationsgebouw, uitmondend
in een parkje met groot grasveld rond het gebouw. Met bijvoorbeeld
van die prachtige snelgroeiende Italiaanse populieren langs de weg.
Breng er ook wat water in, een plek om te skeeleren en wat speelwerktuigen.
Zo kan er recreatief leven vanuit de wijk naar deze plek getrokken
worden. Een plek die dit meer dan verdient. Een gemiste kans zal
het echter altijd blijven, want terugdraaien en opnieuw beginnen
kan niet meer.
Frans van der Steen
Met dank aan de heren Van Mil en Doorduin van de Stichting Historisch
Ypenburg en de bewonersorganisatie voor hun informatie.
Denk mee over de Vlietzone
Tussen de Vliet en de snelweg A4 en tussen Rijswijk en Leidschendam
ligt een ietwat diffuus gebied. Zoals verreweg de meeste stadsranden
combineert het een groot aantal functies. Er liggen volkstuinen,
graslanden, sportvelden, golfterreinen, bedrijvencomplexen en zelfs
een vogelreservaat. Als we u vertellen dat pretpark Drie-vliet in
dit gebied ligt, zult u onmiddellijk weten waar we het over hebben.
Gemaks-halve zullen we het gebied aanduiden als de Vlietzone.
De overwegende indruk die het gebied maakt is een groene, maar
de vraag is of dat zo blijft. Het Haagse gemeentebestuur ontwikkelt
plannen om er een soort nieuwe, grootschalige stadspoort van te
maken, in een brede kring rond het Prins Clausplein.
Daar is niet iedereen het mee eens. Zoals het Stadsgewest Haaglanden,
dat van mening is dat het gebied zich zou moeten ontwikkelen tot
een groene stepping stone halverwege Vlietlanden en de Zwethzone.
Ook kritische omwonenden roeren zich inmiddels. De gemeente Den
Haag heeft het Haags Milieucentrum subsidie verstrekt om voor dit
gebied een alternatieve, groene visie te ontwikkelen.
Uiteraard vinden wij het van groot belang dat de organisaties die
bij ons aangesloten zijn, daarover meepraten. En dat geldt niet
alleen voor hen: wij roepen iedereen die dit gebied een warm en
groen hart toedraagt op om contact op te nemen met Bob Molenaar
(ma. t/m do.) bob.molenaar@haagsmilieucentrum.nl
of projectmedewerker Tom Pitstra tom.pitstra@haagsmilieucentrum.nl,
zodat we samen kunnen werken aan deze groene visie. Tom Pitstra
is maandag de hele dag en donderdag 's middags bereikbaar.
Op weg naar een duurzaam stadsdeelkantoor
Den Haag wil in 2006 CO2-neutraal zijn. Het op duurzame wijze
bouwen van gemeentelijke kantoren is een belangrijke stap bij het
realiseren van deze ambitie. Maar ligt de FSC-gekeurde lat voor
het nieuwe stadsdeelkantoor-annex-hulpdienstenpost in Leidschenveen/Ypenburg
wel hoog genoeg?
Het combigebouw voor Den Haags nieuwe woonwijk moet verrijzen ter
hoogte van het Forepark, aan de andere (de westelijke) kant van
de A12 en de spoorlijn naar Utrecht. Het komt als 'kop' van een
heel nieuw gebouwencomplex in de bocht van de noordelijke kruising.
In ieder geval worden het stadsdeelkantoor en een politiepost voor
de nieuwe wijk erin gevestigd, evenals de jeugdhulpverlening.
Deze prominente locatie vraagt om een opvallend gebouw. De gemeente
Den Haag kan scoren als hier het duurzaamste gemeentelijke kantoor
van Nederland wordt gerealiseerd dat ook uiterlijk tot de verbeelding
spreekt. Een gebouw dat visueel de aandacht trekt, waarvan de voorbijganger
verbaasd zal denken: hé, dat is leuk, dat is andere koek
dan die dertien-in-een-dozijn kantoorgebouwen langs de snelweg.
Een gebouw dat zich kan meten met dat van de Gasunie in Groningen
en van ING in Amsterdam - beide voorbeelden van organische architectuur.
Maar uit de stukken tot nu toe komt een 'normaal' gebouw naar voren,
dat zich alleen onderscheidt door een keuze voor duurzaam gekweekt
hardhout en 20% lagere energiedoelstellingen. De relatie tot de
macro-doelstelling van de gemeente om op de langere termijn een
CO2-neutrale stad na te streven zal dan zwak zijn. Vandaar dat wij
ons afvragen: vinden alle betrokkenen het leuk om een zoektocht
naar optimale duurzaamheid te beginnen of wordt duurzaamheid als
een last of als een routinehandeling ervaren? Het Haags Milieucentrum
vindt dit zo belangrijk dat het er een project van heeft gemaakt.
Onze ideeën mochten wij tijdens een ROMBO-sessie (wat
is ROMBO?) presenteren. Ook gaan we een excursie naar CO2- neutrale
kantorengebouwen organiseren.
Openbaar vervoer
Op zich lijkt de locatie vanuit openbaar vervoer (OV) en fiets prima
ontsloten. Ze ligt vlakbij het nieuwe NS-station, er zijn goede
fietspaden en er komt een tramhalte in de buurt. Voor het Haags
Milieucentrum is het van groot belang dat de loopafstanden van en
naar de tramhaltes, bussen en NS-station nauwkeurig bepaald worden
en zo kort mogelijk zijn.
De plannenmakers gaan ervan uit dat veel gebruikers van het gebouw
niet met het openbaar vervoer zullen reizen omdat de kantoren 24-uursdiensten
draaien. Maar dit uitgangspunt draagt het gevaar in zich dat het
een alibi gaat worden om bij gewone diensten ook met het particuliere
gaspedaal te komen.
Dankzij die goede ontsluiting voor het OV zou de parkeernorm juist
verlaagd kunnen worden, zeker als er gekozen wordt voor het stimuleren
van autodelen en voor dienstauto's - en niet te vergeten dienstfietsen,
bijvoorbeeld voor de politie. Het stellen van kwantitatieve doelstellingen
beschouwen wij hierbij als cruciaal. De doelstelling van de gemeente
Den Haag om het fietsverkeer de komende jaren met 10% te laten toenemen
kan prima op dit gebouw worden toegepast.
Wij vinden voor zo'n verzamelgebouw een vervoersmanager noodzakelijk.
Hierdoor kan een synergie-effect optreden. Die manager zou met meetbare
doelstellingen moeten gaan werken en kan een voorbeeldfunctie vervullen
voor de hele stad. Natuurlijk kan niet elke jeugdhulpverlener met
een politieauto door de stad rijden, maar enig gezamenlijk gebruik
van een wagenpark moet toch mogelijk zijn.
De Plas van Reef
Het meest opvallende aspect van de locatie is de ligging nabij de
Plas van Reef, ontstaan door afgraving van zand voor de bouw van
het Prins Clausplein. Duurzame (steden)bouw is gebaseerd op locatiespecifieke
eigenschappen. De Plas van Reef en de watergang langs de autoweg
zouden dan ook een rol kunnen spelen in de waterhuishouding van
het nieuwe gebouw en andere, toekomstige gebouwen. Er zou een gesloten
watersysteem kunnen worden geïnstalleerd, zonodig met een helofytenfilter.
Ook kan er een leuke wandelroute naar de plas ontwikkeld worden,
zodat de boterham niet alleen in de kantine maar bij de waterkant
genuttigd kan worden.
Het energieconcept
De ambitie om het combigebouw 20% energiezuiniger te bouwen dan
wat gangbaar is, vinden wij een vrij pover energieconcept in het
licht van de CO2-neutrale stad. We hebben daarom voorgesteld om
een CO2-neutraal gebouw te realiseren en dat uitgangspunt heeft
de gemeente nu in de eerste fase overgenomen. Hopelijk blijft het
overeind als puntje bij paaltje komt.
Willen we van het nieuwe stadsdeelkantoor annex hulpdienstenpost
een hoogtepunt van duurzaam bouwen maken, dan zijn grasdaken en
een groene inrichting rondom het gebouw een aardige eye-opener.
Maar nogmaals: de vraag is of de gemeente dit echt wil.
Ries Smits, wethouder van zowel nieuwe wijken als van duurzaamheid,
is met beide petten op bij het nieuwe stadsdeelkantoor betrokken.
Toch is het zelfs dan niet vanzelfsprekend dat een wethouder zich
op een ROMBO-bijeenkomst vertoont. Dat Smits hier wel aanwezig was,
en deze naderhand als inspirerend betitelde, geeft ons goede hoop
dat het college van B&W zich er hard voor maakt dat dit idee
in de vervolgfases van ROMBO overeind blijft.
Tom Pitstra,
Haags Milieucentrum
ROMBO
ROMBO betekent Ruimtelijke Ordening en Milieu Beleids Ontwerpstrategie.
Dit is het hulpmiddel dat de gemeente Den Haag gebruikt om duurzaam
te ontwerpen. Het proces bestaat uit drie verschillende fasen: een
onderzoek naar de technische haalbaarheid, naar de economische haalbaarheid
en naar de maatschappelijke haalbaarheid.
Over
het Prins Clausplein en het voetbalstadion
Wat een ervaring als je voor de eerste keer over
het Prins Clausplein rijdt! Het lijkt wel Los Angeles; een stukje
Amerika in Nederland. Het is mooi en lelijk tegelijk. Amerika is
echter wel een land waar de steden zijn verwoest door uitdijende
verkeersriolen. Op het Prins Clausplein - eigenlijk geen eer voor
onze progressieve en non-conformistische prins, dat dit verkeersknooppunt
waar de auto heer en meester naar hem is vernoemd - komt het verkeer
uit Amsterdam via de A4 en uit Utrecht via de A12 samen en stormt
het op de Residentie af. Wat is de visie van het Haags Milieu Centrum
HMC op dit knooppunt? Moet hier een voetbalstadion komen?
Het regionale Structuurplan
In het regionale structuurplan (RSP) van het stadsgewest Haaglanden
wordt het Prins Clausplein (PCP) aangemerkt als een plek met grote
ontwikkelingsmogelijkheden die ook benut zouden moeten worden. Het
wordt gezien als een randstedelijk knooppunt, dat zelfs internationale
betekenis kan krijgen als de verbindingen beter worden. In de oksels
van de snelwegen is plaats voor internationaal georiënteerde
instituten. Zou burgemeester Deetman het al aan de Amerikanen hebben
aangeboden voor de te verplaatsen ambassade?
Het idee is, om dit viaduct te transformeren
tot een nieuwe stadspoort voor de regio Den Haag. Omdat het Clausplein
ook een onderdeel is van de zgn. Trekvlietzone, dat in hetzelfde
RSP als een groene schakel wordt gezien, zit in dit gebied een behoorlijke
spanning ingebakken. Het is dan ook geen toeval, dat het Haags Milieu
Centrum deze Vlietzone als project heeft gekozen. Het is goed dat
deze nu onherbergzame plek in de oksels van de snelwegen nuttig
wordt gebruikt. Zo is deze locatie in het RSP ook een mogelijke
plek voor windmolens en dat kan het HMC natuurlijk slechts toejuichen.
En ook zijn er tegen een nieuw ADO-stadion op deze plek - waarover
zo meteen meer - niet bij voorbaat bezwaren. Maar de vraag is of
de vlucht naar voren van de stad Den Haag, buiten de huidige begrenzing,
planologisch wel zo'n winst oplevert.
Het Haags Milieucentrum zet in op de compacte
stad en het trekken van grenzen. Steden moeten niet te gemakkelijk
uitdijen. Als er meer gebouwd moet worden, moet in de eerste plaats
binnenstedelijk worden gezocht. Iets dat Den Haag ook doet met de
keuze voor het CS-kwadrant en Hoog Hage. Met de keuze om de Binckhorst
te herstructureren, en naar we hopen te intensiveren. Ook de plannen
voor Laakhaven en De Resident passen in de compacte-stad-gedachte.
Spectaculairder nog is het dubbele ruimtegebruik waar kantoren boven
de Utrechtse baan zijn gebouwd. En de vakpers is lyrisch over de
plannen in Voorburg voor Sijtwende, waar woningen en kantoren worden
gerealiseerd boven op de Noordelijke Randweg. Ruimte die anders
maar verspild wordt, kan zo efficiënt worden gebruikt.
Er is veel geschreven over Den Haag als meest
beknelde stad. De verkeersafwikkeling is inderdaad een probleem,
omdat een rondweg door de zee niet tot de mogelijkheden behoort.
Maar voor het compacter bouwen in Den Haag was deze beknelling eigenlijk
een zegen. Het leverde de prikkel op om niet te gemakkelijk uit
de stad te vluchten, maar de bouw van kantoren binnenstedelijk te
realiseren. Wij zijn er voorstander van deze prikkel tot creativiteit
te behouden en niet te gemakkelijk de grenzen van de stad te verruimen?
Voor het draagvlak van allerlei voorzieningen in de stad, van tram
tot winkels, is het beter om functies zoveel mogelijk in de stad
te houden. Dat vraagt natuurlijk wel om soms ingewikkelde inpassingen
en om creativiteit. Bij De Resident heeft Den Haag laten zien over
deze capaciteit te beschikken! En hoe staat het eigenlijk met de
kantorenmarkt in Den Haag? Zou het niet beter zijn om - zeker gezien
de economische neergang - eerst alle bestaande kantorenlocaties
te herverkavelen, te intensiveren en zo leegstand te voorkomen?
Het voetbalstadion
Het is natuurlijk een politieke keuze van de gemeenteraad of je
zoveel miljoenen gemeentelijk geld moet investeren in een voetbalstadion.
80% van de exploitatiegelden van voetbalclubs gaat naar de (hoge)
salarissen van de voetballers gaat. Tevens is het vraag of een meer
regionale oriëntatie van ADO Den Haag tot stand komt door een
andere locatie te kiezen. Zouden er echt veel meer supporters komen
op de nieuwe plek dan de huidige vier- à vijfduizend? Maar
goed, die keuze lijkt een gepaseerd station, dat nieuwe ADO-stadion
komt er wel ondanks de bezwaren van de ondernemers uit het Forepark.
Voor het Haags Milieucentrum is een belangrijke
voorwaarde natuurlijk de ontsluiting via het openbaar vervoer en
de fiets. Wij zijn hier niet gerust op. Weliswaar komt er een nieuw
NS-station (is dat een waterdichte garantie?) en zal er een tramhalte
in de buurt komen. Maar de afstanden tot de NS-halte en de tramhalte
van maar liefst 800 meter zijn veel te groot. Veel mensen zullen
daardoor kiezen om met de auto te komen want de parkeerterreinen
liggen aanmerkelijk dichter bij de ingang van het stadion. Eigenlijk
zou er, zoals bij het Feijenoordstadion een directe verbinding moeten
komen tussen het NS-station en de ingang van het stadion. Op dit
punt zouden de plannen nog eens serieus tegen het licht gehouden
moeten worden. Een goede aansluiting op het openbaar vervoer mag
geen restvraag zijn, maar moet een keiharde randvoorwaarde zijn
voor de plannen. Natuurlijk kan er nog wat gedaan om een aantrekkelijke
looproute naar de ingang van het stadion te maken, maar dit is in
wezen nog het beste maken van een principieel verkeerde oplossing.
Ook de fietsverbinding moet picobello worden.
Op de fiets naar het stadion kan zo ook nog wat actieve recreatie
worden! Het ADO-stadion kan een breekijzer wordenom eindelijkde
plannen die er op fietsgebied al zijn snal te realiseren De huidige
route dwars door het centrum van Voorburg lijkt geen goed alternatief.
Er kan worden gekozen voor een niet te ruime parkeernorm als de
alternatieven optimaal zijn. In de plaatjes van de presentatie wordt
er kwistig met parkeerplaatsen gestrooid, die niet gestapeld uitgestrooid
worden. Dat kan toch echt anders!
En natuurlijk: als er toch een stadion komt
met allerlei voorzieningen erbij, dan kan ervoor gekozen worden
om dit optimaal duurzaam te realiseren! Greenpeace heeft voor de
Olympische Spelen in Australië een volledig eisenpakket ontwikkeld
voor deze accommodaties. Dat is in hoge mate ook uitgevoerd. Dit
eisenpakket zou opgevraagd en in het bestek opgenomen kunnen worden,
zodat de stad Den Haag en ADO Den Haag zich als groene investeerders
kunnen profileren!
We kunnen het niet vaak genoeg herhalen: als
Den Haag haar ambitieuze doelstelling in het Milieubeleidsplan om
op termijn een CO2-vrije stad te worden echt wil realiseren, dan
zal ze op elke concrete locatie haar stinkende best moeten doen
om hieraan een bijdrage te leveren.
Tom Pitstra,
Projectmedewerker RO HMC
Rood voor Groen
als successtrategie
In Branding Nr. 5 is een pleidooi gehouden
voor een grondige sanering van de glastuinbouw in het Westland en
voor een economisch rendabele en groene ontwikkeling van het kassengebied.
Hoe kan een dergelijke toekomst eruit zien en hoe moet de sanering
van al dat glas betaald worden? Een project in de Duivenvoorde-corridor
(de noordrand van de Haagse regio) kan misschien dienen als een
goed voorbeeld.
Er kan
geen misverstand over bestaan: als het om landschapsontwikkeling
gaat, is glastuinbouw zo beetje de minst gewenste bedrijvigheid
als het er om gaat een groen en aantrekkelijk landschapsbeeld te
krijgen. Door economische en technologische ontwikkelingen zijn
tuinbouwbedrijven hoog gespecialiseerde, "stedelijke"
bedrijven. Hun product is dan wel groen, maar voor de rest zijn
hetzelfde als het gewone stedelijke bedrijven met grote bedrijfsopstallen,
computergestuurde teeltprocessen, geautomatiseerde beregeningsinstallaties,
al dan niet gesloten waterkringlopen en bedrijfsgebouwen gericht
op de massaproductie van een product of gewas.
Dergelijke bedrijven
zijn landschappelijk niet of slecht in te passen, zeker als het
om zulke hoeveelheden gaat als in het Westland. Maar de tuinbouw
in de Zuidvleugel van de Randstad is economisch op dit moment wel
van belang. Al is dit voor natuur- of landschapsliefhebbers moeilijk
verteerbaar, kassen zullen in de toekomst net zo tot ons landschapsbeeld
behoren als de kantoren in het Nieuwe Centrum van Den Haag of de
bedrijventerreinen langs snelwegen. Zijn er binnen de bestaande
plannen voor de regio Haaglanden geen mogelijkheden voor een landschapsontwikkeling
waarmee de ecologische infrastructuur en de mogelijkheden voor landschapsbeleving
kunnen worden verbeterd en problemen als de regelmatige wateroverlast
in de regio kunnen worden aangepakt?
Sanering verouderd
glas
Een eerste stap in de richting van een groene ontwikkeling is de
sanering van verouderde bedrijfsopstallen of van bedrijven die geen
bedrijfsopvolger kennen. Dit geldt zowel voor verspreid liggende
kassencomplexen als voor niet duurzaam glas in de concentratiegebieden
van de tuinbouw in het Westland of de omgeving van Pijnacker. Juist
in de concentratiegebieden is de behoefte aan sanering van kassen
bijzonder groot, omdat ecologisch waardevolle verbindingen hier
vaak letterlijk tussen de bedrijven klem (komen te) zitten.
De sanering van een
verouderd bedrijf gecombineerd met de herstructurering van voort
te zetten bedrijven biedt in het Westland goede mogelijkheden voor
natuur- en landschapsontwikkeling. De oude historische linten en
weteringen (met name de voormalige veenkreken) lijken hiervoor de
meest aangewezen gebieden. Als een flink deel van de bedrijven gesaneerd
worden, is het mogelijk in het Westland groengebieden en watergebieden
te scheppen die van net zo goor belang zijn en die net zo aantrekkelijk
kunnen worden als de landgoederenzone van Rijswijk of Leidschendam-Voorburg.
De oude kreken bieden daarbij tevens goede kansen voor een betere
en veilige waterhuishouding.
Voorbeeld Duivenvoorde
Een goed voorbeeld voor een vernieuwend beleid op het gebied van
de landschapsontwikkeling geven thans de gemeenten Leidschendam-Voorburg
en de gemeente Voorschoten. Al twee jaar geleden hebben zij samen
met de provincie het initiatief genomen voor een herstructurering
van de Duivenvoorde-corridor. Deze is gelegen tussen Leidschendam
en Voorschoten en heeft een oppervlak van circa 400 ha. Daarmee
is dit gebied ongeveer net zo groot als een VINEX-nieuwbouwwijk.
De corridor kent zeer
aantrekkelijke plekken als het landgoed Duivenvoorde of de oude
buitens Haagwijk en Rozenburgh maar bevat ook circa 80 ha aan tuinbouw-
en detailhandelsbedrijven. Met name de kassen zijn in de afgelopen
jaren langzaam maar gestaag uitgebreid. Het schrikbeeld van het
Westland doemt op sommige plekken dus reeds op. Al met al genoeg
redenen voor de betrokken overheden om de handen in een te slaan
en samen aan een nieuw toekomstperspectief te werken.
Afgelopen zomer verscheen
een ontwerp-structuurvisie met als hoofddoelen:
behoud en versterking van het karakteristieke landschapsbeeld met
forse bosschages, houtwallen, landgoederen, oprijlanen etc.
bevordering van extensieve recreatiemogelijkheden en natuurontwikkeling
langs waterlopen
verbreding van open landschap in combinatie met een goed zicht op
landgoed Duivenvoorde
herstel van cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen in
oud Haagwijk en het oude buiten Noordhey
Om dit te bereiken,
voorziet de structuurvisie in een stapsgewijze vermindering van
niet-agrarische bedrijven (bijvoorbeeld bouwmarkten of caravanstallingen)
cq. tuinbouwbedrijven. Met de sanering van de bedrijven (ca. 80
ha) is naar verwachting zeker 65 miljoen euro gemoeid. Hiervoor
zijn op dit moment onvoldoende middelen beschikbaar en de slechtere
conjunctuur en bezuinigingen bij de Rijksoverheid stemmen ook niet
hoopvol. Kan een andere manier om geld te genereren bij de herstructurering
van de corridor hier uitkomst bieden?
Een nieuwe buitenplaats
Het antwoord hierop is ja. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om op
geschikte locaties nieuwe buitenplaatsen te ontwikkelen, waarvan
de opbrengsten in groen- en landschapsontwikkeling worden gestoken.
Een ander blijkt uit verkenningen voor een proeflocatie in de Duivenvoorde-corridor.
Hier hebben verschillende studies uitgewezen dat op de plek van
een oude buiten een meer eigentijdse versie van een nieuwe buitenplaats
zou kunnen worden ontwikkeld. Gelijktijdig zouden circa 8 hectare
aan glas en een grootschalig detailhandelsbedrijf gesaneerd kunnen
worden. Het bebouwde oppervlak zou met meer dan 80% afnemen, de
buitenplaats voor 80-90% openbaar toegankelijk zijn en er zouden
mogelijkheden ontstaan voor nieuwe fiets- en wandelroutes op loopafstand
van de bebouwde kom. En, last but not least, kunnen met een dergelijke
buitenplaats ook cultuurhistorische waarden als een oud barok park
met bosschages en waterpartijen een nieuw leven worden ingeblazen.
Keerzijde van het verhaal
is, dat in de nieuwe buitenplaats misschien 80 woningen gebouwd
zullen worden. Deze zouden over een hoofdgebouw en Oranjerie-achtige
bijgebouwen gespreid kunnen worden, zodat het landschapsbeeld als
geheel niet verstoord hoeft te worden. Aansluitend op reeds bestaande
lintbebouwing is dan echter nog de bouw van circa 70 woningen noodzakelijk
om de exploitatie van de sanering sluitend te maken.
Middel niet erger
dan de kwaal
Gezien dit bouwvolume is de vraag natuurlijk of het middel hier
niet erger is dan de kwaal. Ofwel: wordt de ene "rode"
functie, te weten glastuinbouw, hier niet gewoon vervangen door
een andere "rode" functie, de woonfunctie. Het antwoord
is hierop, naar verwachting, nee. De hele operatie is namelijk zo
omvangrijk, dat hier duidelijk sprake is van een landschappelijke
winst. Deze wordt nog versterkt door een eigentijdse groenfunctie
(een nieuwe buitenplaats) met een bebouwing passend bij het toekomstige
karakter van het omringende landschap.
De gemeentelijke verkenning
heeft door haar landschappelijke winst in ambtelijke kringen en
bij bestuurders veel waardering gekregen. Spelbreker is tot nut
toe echter nog de Rijksregeling voor Rijksbufferzones, die in de
corridor in principe geen nieuwe bebouwing toelaat. Hierdoor worden
bij voorbaat vormen van landschapsvernieuwing gefrustreerd, die
aantoonbaar tot landschappelijke winst zouden leiden. De gemeenten
kijken met verlangen uit naar de vorming van een nieuw kabinet en
het uitbrengen van een nieuwe Rijksnota over de ruimtelijke ordening
in ons land. Willen zij verdere verstedelijking van de corridor
een halt toe kunnen roepen, dan moet redelijk snel duidelijkheid
worden of aan een deze vorm van landschapsontwikkeling wordt toegestaan.
Conclusie
Ook voor het Westland moet het mogelijk zijn om - binnen de bestaande
beleidskaders - op noemenswaardige schaal groen- en landschapsontwikkeling
te realiseren. Een globale verkettering van de glastuinbouw als
onrendabele industrietak en "verpester" van het landschap
biedt hiervoor geen goed uitgangspunt. Meer resultaat valt te verwachten
van:
aanwijzing van gebieden in het Westland, waarin natuur- en landschapsontwikkeling
prioriteit moet krijgen (e.e.a. bijvoorbeeld in een nieuw groen-casco
voor het Westland)
waterhuishoudkundig onderzoek, waarmee de aanvullende behoefte aan
buffercapaciteiten wordt verkend, die nodig is om de waterproblemen
van de afgelopen jaren op te lossen
voor zo ver deze behoefte bekend is, ruimtelijke verkenningen waarmee
bepaald wordt hoe en waar deze buffers het beste in het Westland
geïntegreerd kunnen worden
een verkenning van cultuurhistorisch waardevolle plekken, die als
aanknopingspunten voor verdere landschapsontwikkeling kunnen worden
gebruikt.
De ervaringen met Duivenvoorde
maken duidelijk dat het succes van de landschapsontwikkeling met
name afhangt van het gemeentelijke ambitieniveau. Het streven naar
een maximale sanering van verspreid liggende bedrijven en de terughoudendheid
waarmee de gemeenten kostendragers hebben bepleit, heeft veel aan
hun geloofwaardigheid bijgedragen. Verder hebben zij door een pro-actieve
houding tijdens de planvorming voorkomen tot speelbal van marktpartijen
te worden. Eigen concepten zijn planeconomisch doorgerekend en hebben
ertoe bijgedragen dat het kind (de landschappelijke en groene winst)
niet met het badwater (lees nieuwbouw) werd weggegooid.
De ervaringen met Duivenvoorde
hebben tot slot ook de vraag opgeroepen of natuur- en milieuorganisaties
niet ook zelf een (mede-) ontwikkelende rol op het gebied van de
landschapsontwikkeling zouden kunnen vervullen. Kennis van zaken
lijkt in de milieubeweging in ieder geval in voldoende mate aanwezig.
Freerk
Kiesow-Botyanovska
Glastuinbouw is keihard
economisch gegeven
In de vorige editie van Branding toont Frans van
der Steen zich, gezien zijn stevige uithaal naar de glastuinbouw,
bepaald geen supporter van de sector. Zijn goed recht uiteraard
Maar het gaat mij te ver dat Van der Steen in het artikel dat gaat
over het Convenant Westlandse Zoom onomwonden vaststelt dat de Provincie
Zuid-Holland zich heeft "vastgeklonken aan de glasbelangen".
Dat "de Provincie een uitgesproken tegenstander (is) van een
echte sanering van de sector en zich heeft ingegraven op het standpunt
dat de glastuinbouw alleen toekomst heeft als er niet op het bestaande
areaal binnen de provinciegrenzen beknibbeld wordt". Hoezo?
Het convenant over de Westlandse Zoom is wat mij betreft
een succes ondanks de bezwaren en bedenkingen van Van der Steen
tegen de glastuinbouw. Niet alleen als resultaat van ingewikkelde
bestuurlijke onderhandelingen, maar ook omdat alle betrokken partijen
profiteren. Er is een balans is gevonden tussen groen, recreatie
en woningen, en ook met de belangen van de glastuinbouw rekening
is gehouden. Dat is iets anders dan dat de glastuinbouwbelangen
doorslaggevend zijn geweest, zoals Van der Steen op veel plaatsen
in zijn artikel suggereert. Een convenant met meerdere partijen
sluiten kan alleen in een onderhandelingsproces waarin ieders belang
zo goed mogelijk wordt geoptimaliseerd. Doe je dat niet dan krijg
je niks voor elkaar.
Er komen in de Westlandse Zoom groene recreatiemogelijkheden
en 4000 luxe woningen, waar nu nog glas staat. Dat glas is een keihard
economisch gegeven, of Van der Steen dat nou leuk vindt of niet.
De zogeheten glas-as van Zuid-Holland heeft met de kassen én
de bedrijvigheid in de keten een omvang die de naam Greenport rechtvaardigt.
Waar meer dan 11.000 mensen hun brood verdienen waar iedere arbeidsplaats
goed is voor ongeveer twee arbeidsplaatsen in de aan de glastuinbouw
gebonden bedrijven.
Ik vind het aspect van werkgelegenheid dan ook te belangrijk om
al te gemakkelijk over heen te stappen. Het is voor Gedeputeerde
Staten de reden om behoedzaam met het glas over de kaart te schuiven
in plaats van een cold turkey sanering waar Van der Steen kennelijk
voorstander van is.
Ik ben blij met de steun van de regionale natuur-
en milieuorganisaties aan de beoogde economische ontwikkeling van
Den Haag en daarmee van de hele regio.
Den Haag is de juridische hoofdstad van de wereld en is terecht
trots op dat imago. De druk op de Haagse woningmarkt in de dure
sector is enorm, dat is precies het soort woningen waar bij de internationale
instellingen grote behoefte aan is. In die behoefte wordt met het
convenant Westlandse Zoom voorzien. Dat is winst voor Den Haag.
De winst voor het algemeen belang is echter nog groter. De woningen
dragen ook de kosten van de landschappelijke transformatie in de
Westlandse Zoom. Sloop van de kassen, eventuele sanering van grond,
herinrichting van het gebied, het vergraven van water, aanleg van
recreatieve paden en de aanplant van bomen worden bekostigd uit
de opbrengst van de woningen. In de onderhandelingen zijn we bij
het convenant tot het uiterste gegaan.
De redenering dat er veel meer glastuinbouw had moeten
verdwijnen is een andere discussie. Een discussie die ik overigens
best wil voeren.
Binnen het kader van het convenant Westlandse Zoom was nog meer
sanering van glas volstrekt uitgesloten. Dan zou er geen convenant
zijn gekomen. Ik verzet mij dan ook tegen de suggestie dat iedereen,
de provincie Zuid-Holland voorop, aan de leiband van de glastuinbouw
loopt.
Terecht schrijft Van der Steen dat de waterberging
in het convenant ontbreekt. Dit klopt, omdat voor het gebied zelf
voldoende waterberging aanwezig is. De waterberging voor het hele
Westland is een investering die verder reikt dan de Zoom zelf. Deze
berging wordt daarom in het Regionaal Structuurplan van het stadsgewest
Haaglanden en in het nieuwe streekplan Zuid-Holland-West gerealiseerd.
En last but not least: het Hoogheemraadschap Delfland heeft alle
middelen in handen om het initiatief te nemen dat leidt tot een
oplossing voor specifiek deze waterberging. Dat is tenslotte de
verantwoordelijkheid van de functionele (water-) overheid.
Inderdaad kun je je afvragen of het groen niet een
onsje meer kan. Redenerend vanuit de gewenste ruimtelijke kwaliteit
en vanuit de recreatiebehoefte van de omringende woongebieden is
daar best iets voor te zeggen. Maar wat voor het glas geldt gaat
ook op voor het groen. In het convenant zijn alleen zaken opgenomen
die ook realiseerbaar zijn binnen de huidige bouwplannen. Als we
het aantal woningen nog meer afgeroomd hadden voor meer groen, dan
was het plan gesneuveld en dan hadden we in het geheel geen groene
verbinding tussen de kust en Midden Delfland gehad.
Als we nu toch meer groen willen, dan hoort daar ook een idee bij
over de manier waarop je dat wilt betalen. Goede ideeën en
suggesties zijn altijd welkom.
Marnix Norder
Lid van Gedeputeerde Staten (PvdA)
Naschrift Frans van der Steen
Natuurlijk heeft gedeputeerde Norder gelijk als hij
stelt dat het eens worden over een convenant met verschillende gemeenten
waarvan de belangen lang niet altijd sporen geen gemakkelijk proces
is. Daar dient met alle belangen rekening moet worden gehouden,
dus ook met dat van de glastuinbouw. Waar het echter om gaat is
dat in dat onderhandelingsproces het economisch belang van deze
sector zwaar overtrokken wordt en dat van natuur en milieu te weinig
aan bod komt. Bovendien maakt het verdwijnen van glas niet alleen
ruimte voor natuur en recreatie, maar ook voor andere minder kwetsbare
vormen van bedrijvigheid die de belastingbetaler geld zouden kunnen
opleveren in plaats van kosten. Wij zijn voor een gezond milieu
en een gezonde economie en die kunnen heel goed samengaan.
En wat betreft het geld. Als de veiligheid rond en
in huis en het aantal handen aan het bed in gevaar komen, wordt
daar simpelweg meer geld voor "vrijgemaakt". Waarom zou
dat voor natuur en milieu anders zijn. Het gaat, met name in de
politiek, om keuzes maken. Gedeputeerde Norder heeft een andere
gemaakt. Dat is zijn goed recht, maar wij vinden het meer dan jammer
dat de belangen van natuur en milieu niet zwaarder hebben gewogen.
Waarom? Laten wij ons eens aan een voorspelling wagen. In de geschiedenisboeken
van 2052 zal over de glastuinbouw geschreven worden zoals nu over
de textielindustrie en de scheepsbouw vijftig jaar geleden. Wel
zal in die boekjes een zwaar oordeel geveld worden over hoe onze
generatie met haar eigen bestaansgrond is omgesprongen. Dat vraagstuk
zal dan nog urgenter zijn dan het nu al is.
DE WESTLANDWISSELTRUC
VAN DEETMAN
Je ziet het helemaal voor je: een
glunderende burgemeester Deetman die begin 2001 in het college en
van enkele topambtenaren de felicitaties incasseert voor zijn succesvolle
lobby bij de Provincie. Den Haag kreeg van de Provincie toch het
groene licht voor de bouw van in het groen gelegen villa's aan de
rand van de stad. Dit in ruil voor het loslaten van de eis tot verdergaande
sanering van het glas in het Westland en de uitplaatsing van de
200 hectare glastuinbouw in de Westlandse Zoom naar 400 hectare
omringend groen in de Zuidplaspolder. Nu Pronk nog om en de vurig
gewenste bouwlocatie Nieuw Madestein is binnen. Bij Pronk lag op
dat moment nog een niet onaanzienlijk probleem. In het concept van
zijn Vijfde Nota stond namelijk dat de Westlandse Zoom geen bouwbestemming
zou krijgen. Bovendien moest volgens de nota de glastuinbouw in
het Westland geconcentreerd blijven.
Deetman maakte zich echter geen al
te grote zorgen over een verkeerde afloop. Hij had zo zijn eigen
uitgebreide netwerk in de landelijke politiek. Tel daarbij nog de
druk op vanuit de Provincie richting Pronk. En niet het minst belangrijk:
hij kon ook nog steunen op de lobby van de eigen PvdA-wethouder
ROSV richting de minister-partijgenoot. Pronk ging dan ook om en
toen kon het feestje echt gevierd worden. Weer uitbreiding van het
Haagse grondgebied en een belangrijke stap in de verdere vormgeving
van het met zorg opgebouwde imago van Stad van Recht en Vrede.
Met dat imago is niets mis en met de
bijdrage die dat levert aan de stadseconomie nog minder. Maar Deetmans
wisseltruc staat wel haaks op andere belangen die minstens zo groot
zijn. Dan hebben we het natuurlijk over de natuur in de omgeving
van Den Haag en de open groene ruimte die een stad van internationale
allure ook nodig heeft om aantrekkelijk te blijven. Den Haag moet
het economisch gezien hebben van chique kantoren en andere met name
hoogwaardige dienstverlening. Dat soort bedrijven en hun personeel
hechten grote waarde aan de aantrekkelijkheid van de omgeving.
Maar die directe omgeving van de stad
wordt toch alleen maar aantrekkelijker? Zeker, Den Haag krijgt in
Madestein, door de transformatie van een kassengebied in een groene
woonomgeving, meer woningen en meer groen. Die wisseltruc van Deetman
staat echter, door het niet vasthouden aan een grondige glassanering,
een duurzame, economisch gezonde en groene ontwikkeling van het
Westland als geheel in de weg. Met meer durf en visie had Den Haag
alles kunnen hebben: en dure woningen met het nodige privégroen
en een hoge groene omgevingskwaliteit met bijvoorbeeld de waterberging
om de voortdurende wateroverlast ook in de stad te voorkomen. Wat
daarvoor nodig is, is het ontwikkelen van een integrale visie op
de totale glastuinbouw, voordat je weer een stukje open groene ruimte
in de het Groene Hart opoffert voor een, alle kosten opgeteld, onrendabele
bedrijfstak die met zijn forse beslag op de schaarse ruimte eigenlijk
niet thuishoort in de Deltametropool.
Als het om glasbelangen gaat, lijkt het er namelijk op dat niemand
durft te zeggen waar het op staat. Wij wel. De glastuinbouw is een
industrietak die het landschap verpest, die door bebouwing van de
kwelpolders in het Westland, elders voor grote wateroverlast en
waterschade zorgt en de gemeenschap met de kosten daarvoor opzadelt,
die ons water ernstig vervuilt en de hoge waterzuiveringskosten
afwentelt op de belastingbetaler. Een industrietak die verboden
op pesticiden vaak aan de laars lapt, die voor elke milieumaatregel
en modernisering via subsidies dubbel en dwars gecompenseerd wordt,
die gesubsidieerd via een veel te lage gasprijs een grote bijdrage
levert aan het broeikaseffect. Die met zijn bulkproductie op dure
grond geen economische toekomst heeft, die andere ruimtelijke ontwikkelingen
frustreert, die illegalen die overgeleverd zijn aan de willekeur
van koppelbazen uitbuit. Een industrie die bij grote schades, waar
de sector door hun kwetsbaarheid zelf verantwoordelijk voor is,
telkens weer de hand bij de belastingbetaler ophoudt en dan honderden
miljoenen incasseert ter compensatie van risico dat behoort tot
het vrije ondernemerschap en bovendien een sector waarvan de kosten
van uitplaatsing gigantisch zijn. De glastuinbouw levert naast dit
alles een negatieve bijdrage aan het vestigingsklimaat in Den Haag
van internationale instellingen en andere hoogwaardige werkgelegenheid.
We weten dus wiens gesubsidieerde belang het is: enkel en alleen
het belang van de sector zelf en van de politici die door hen gekozen
worden. De sector verdient goed geld, niet aan hun producten, maar
aan de belastingbetaler. Ja, de tomaat, de paprika en de bloemen
worden duur betaald! Het is ongelofelijk dat deze onrendabele, ruimteverslindende
en milieuverpestende bedrijfstak niet veel eerder en grondig is
gesaneerd. Waarom is er nog geen goede studie gedaan naar de totale
kosten en baten van de glastuinbouw?
Den Haag had dus moeten vasthouden
aan die noodzakelijke sanering van de glastuinbouw. Toch valt de
gemeente die uitruil van belangen niet al te hard aan te rekenen.
Dat komt door de status van het overlegplatform waarin dat had moeten
gebeuren. Dat is het overleg in het kader van het IOPW: het Integraal
OntwikkelingsPlan Westland; een overleg tussen alle Westlandse gemeenten,
Den Haag en de Provincie. Dit is namelijk te zeer een overleg van
belangenpartijen en dus ook van die sterke glasbelangen. Daarvan
valt dus weinig te verwachten. Nu komen we bij de belangrijke rol
van de Provincie. Deze draagt namelijk, meer dan de verschillende
gemeenten, de verantwoordelijkheid om een duurzame en een gezonde
economische ontwikkeling in gang te zetten door de glastuinbouw
aan te pakken en om de verrommeling van het landschap te voorkomen.
De Provincie heeft daartoe ook de bevoegdheden. Dan ligt het voor
de hand om als Provincie erop in te zetten verouderd glas geheel
te saneren en glas te hergroeperen. Dit schept ruimte voor de ontwikkeling
van woningbouwlocaties, bedrijventerreinen, water en waterberging,
voor recreatie en voor het realiseren van ecologische verbindingszones
en het verbeteren van de natuurwaarde van de duinrand en de kwaliteit
van de groene ruimte.
Van de Provincie mag je bovendien verwachten
dat deze boven de al jaren strijdende partijen staat. Maar helaas,
de Provincie blijkt niet die strenge doch rechtvaardige partij die
boven de strijdende partijen uit, weliswaar vanuit goed overleg,
de bakens in de goede richting weet te verzetten. Als ergens eens
de bakens verzet dienen te worden, dan is dat wel bij de Provincie
zelf. Deze belangrijke bestuurslaag heeft zich vastgeklonken aan
de glasbelangen. De Provincie is dan ook een uitgesproken tegenstander
van een echte sanering van de sector en heeft zich ingegraven op
het standpunt dat de glastuinbouw alleen toekomst heeft als er niet
op het bestaande areaal binnen de provinciegrenzen beknibbeld wordt.
De Provincie gaat in haar glasliefde zelfs zo ver om nota bene op
Valentijnsdag de manifestatie 'Hart voor het Glas' te vieren!
Het was dus geen goede zet van Pronk
om de Provincie aan te stellen als opdrachtgever van een belangrijke
studie, die naar de toekomst van de glastuinbouw in de Randstad.
Die studie zag in juni 2001 het licht: de 'Glasverkenning'. Daarin
wordt gesteld dat, gezien vanuit de toekomst van de glastuinbouw,
de claim van de sector op het bestaande areaal grond juist is. Men
kiest voor glas in de Deltametropool, lekker dicht bij de arbeiders.
De sector moet wel meer vernieuwen. En natuurlijk worden er mooie
woorden gewijd aan een duurzamere ontwikkeling . Het rapport stelt
ook dat het noodzakelijk is dat deze een kwaliteitsslag maakt richting
specialisatie en veredeling, maar ook dat daar bulkproductie voor
nodig is. Zo kan ook de veiling behouden blijven. Geen verrassende
conclusies dus gezien de vooringenomenheid van de opdrachtgever.
Als men gegevens over wat glastuinbouw
kost bij die toekomst betrekt en deze naast de gewenste duurzame
ruimtelijke ontwikkeling zet, dan kom je op heel andere blauwdrukken
uit. Voor de hand ligt in dat geval het economisch benutten van
de opgebouwde kennis. Dit betekent een koplopersfunctie en de verdere
ontwikkeling van moderne vormen van glastuinbouw. Behalve de enorme
reductie van het areaal glas, kan een innovatieve vorm van kennisintensieve
en niet grondgebonden productie vrijwel geheel op bedrijventerreinen
plaatsvinden. Daar kan ook ruimte worden gemaakt voor laboratoria
en kantoren. Bestemmingsplannen zitten deze ontwikkeling nu juist
in de weg. Bovendien heeft de vrij kunstmatige productie van gewassen
zoals in de glastuinbouw een meer steriele omgeving nodig dan zoals
nu, midden op het land met alle lastige insecten en schimmels die
daar de kasplantjes bedreigen. Vanuit deze optiek zouden vraagtekens
gezet moeten worden bij het nieuwe glasbeleid om elke hectare nieuw
glas in een hectare groen in te bedden. Door dit inbedden verdwijnt
weliswaar het massieve karakter van de aaneengesloten glasbarrières
enigszins en is er ook meer ruimte voor doorgangen tussen de kassen,
maar het betekent ook dat nieuw glas in feite twee keer zoveel ruimte
inneemt.
Een ander probleem als gevolg van
de wisseltruc en het saldo-nul-beleid van de Provincie (geen glas
erbij, maar ook niet eraf) is dat het glasvirus door de uitplaatsing
van glas zich steeds verder over de provincie verspreidt. Niet alleen
in de Zuidplaspolder, maar ook naar de zoheten B-driehoek, het gebied
tussen Berkel en Rodenrijs, Bleiswijk en Bergschenhoek. Dat weer
grenst aan het glastuinbouwgebied het Oostland; het gebied rond
Pijnacker dat nu een stevige barriere vormt voor het realiseren
van een belangrijke Groenblauwe Slinger. Aldus ontstaat in de omgeving
van Den Haag, in de Zuidvleugel van Zuid Holland, een geheel nieuwe
glas-as die een prettig verblijfs- en vestigingsklimaat behoorlijk
frustreert en belangrijke ecologische verbindingszones afkapt.
De huidige ontwikkeling in de glastuinbouw
gericht op bulkproductie op dure grond, waar veel belangrijkere
andere claims op liggen, is dus irrationeel. Deze is het gevolg
van een sterke lobby en positie van de glasbelangen, die de Provincie
aan zich hebben weten te binden en waar Den Haag geen of veel te
weinig tegenwicht aan biedt. Aldus zal er weinig terechtkomen van
de kwaliteitsslag waar iedereen de mond vol van heeft. Als men die
kwaliteitsslag echt wil, zal alles op de onontkoombare
sanering van het glas ingezet moeten worden, tenzij we zo gek zijn
om deze sector kunstmatig in leven te blijven houden en andere claims
op de ruimte die deze sector inneemt te laten varen. Om in de Randstad
uit de voortdurende lokale belangenstrijd te geraken zou de landelijke
overheid veel meer dan nu de regie gaat voeren en de kaders gaat
stellen. Het zijn tenslotte ook de subsidiegelden vanuit de landelijke
overheid die het glas overeind houden als het niet hagelt. Dat alles
natuurlijk in goed overleg met de lagere overheden en belangenpartijen,
zoals dat in ons poldermodel hoort. Het is verleidelijk hier door
te filosoferen op hoe bestuurslagen beter en effectiever te organiseren.
Dat dit, door de zwakke regie vanuit de Provincie Zuid Holland,
binnen de Randstad anders moet is duidelijk. Het valt goed te verdedigen
dat een economisch gezonde en tevens duurzame ontwikkeling van de
Randstad van nationaal belang is. De bestuurlijke provinciegrenzen
houden geen rekening met het geheel dat de Randstad van nature is.
Het zou bijvoorbeeld mogelijk zijn meer bevoegdheden en legitimatie
toebedelen aan de stadsgewesten. Nu zijn de grote steden en samenwerkingsverbanden
van de kleinere blijkbaar machtiger dan de landelijke overheid en
spelen, als het zo uitkomt, een-tweetjes met de Provincie om hun
eigen belangen veilig te stellen.
Dit is binnen sommige kringen geen
populair geluid, maar wie andere mogelijkheden ziet, draag ze aan
zouden wij zeggen. Onze opiniepagina staat daarvoor open. In ieder
geval zou een grote stad als Den Haag en zijn burgemeester Deetman,
in plaats van alle lobbykracht in te zetten voor het wijzigen van
een juist te koesteren deel van de Vijfde Nota, zijn kracht moeten
aanwenden om het bredere belang te dienen van een leefbare en groene
omgeving van de stad. Dus van een omgeving die aantrekkelijk is
voor bedrijven en met bijvoorbeeld voldoende waterberging. Nu kijkt
men alleen naar stadsuitbreiding vanuit het (woning)bouwbelang.
Dit zonder harde inzet om de ruimte die binnen de stadsgrenzen ook
nog aanwezig is beter te benutten. Kortom, het zou het Haagse bestuur
sieren, en het zou ook in het economisch belang van de stad zijn,
op te komen voor een duurzame ontwikkeling van de stad tot in de
wijde omtrek.
Nu hebben niet alleen natuur en milieu
en alle Hagenaars die willen genieten van de open groene ruimte
weer het onderspit gedolven, maar ook het belang van een gezonde
economische ontwikkeling van de regio. Een herbezinning is nodig
met als één van de belangrijkste uitgangspunten een gedegen visie
op de toekomst van de glastuinbouw. Daarbij spelen de centen om
die glastuinbouw uit te kunnen kopen vanzelfsprekend een grote rol.
Denk dan ondermeer aan een goed gevuld groenfonds met daarin ondermeer
een groot deel van de opbrengst van de woningbouw. Zonder helder
aan te geven hoe de groene kwaliteitsimpuls in de Westlandse Zoom
betaald gaat worden, zullen alle op schrift gestelde goede voornemens
daarover dode letters blijken te zijn. En, hoewel wij tegen uitplaatsing
van glas zijn, omdat dit niet nodig is en het de belastingbetaler
veel geld kost, als dat dan toch gaat gebeuren, plaats het dan uit
naar een gebied waar het veel minder schade oplevert, zoals de omgeving
van Schiphol. Kasplantjes hebben namelijk geen last van lawaai of
zouden die daar ook gestresst van raken?
Frans van der Steen
ROMBO,
een naam om te onthouden
Steeds breder wordt onderkend dat duurzaam bouwen
veel meer is dan het gebruik van duurzaam geproduceerde bouwmaterialen
die bij normaal onderhoud lang meegaan. Het proces van duurzaam
bouwen strekt zich ook uit tot de compactheid waarmee wordt gebouwd,
de ontsluiting van bouwlocaties door goed openbaar vervoer, de bereikbaarheid
van scholen, winkels, medische en recreatieve voorzieningen en bijvoorbeeld
de kwaliteit van de openbare ruimte. Dit betekent dat tijdens de
ontwerpfase van bouwprojecten de inbreng van duurzaamheid een vereiste
is. Om te bereiken dat duurzaamheid wat betreft energie, materiaalgebruik,
afval- en waterkringlopen en een gezonde, veilige en comfortabele
omgeving steeds vaker een vast ijkpunt wordt bij bouwprojecten,
heeft de afdeling Bouwfysica en Bouwecologie van de gemeente een
belangrijk instrument ontwikkeld: de ROMBO-strategie. Dat staat
voor Ruimtelijke Ordening en MilieuBeleidsOntwerp-strategie. Wat
houdt dat precies in?
ROMBO is bedoeld als hulpmiddel voor mensen die bij
de verschillende fasen van het ontwerpproces betrokken zijn. Het
wijst op het belang en de mogelijkheid van duurzame technieken.
Het streeft er naar dat duurzaam bouwen zo veel mogelijk wordt geïntegreerd
in de ontwikkeling van de stad en is in het bijzonder gericht op
de stedelijke vernieuwingsopgave van Den Haag.
Om duurzaam bouwen handen en voeten te geven is het
dynamische ROMBO-proces in drie opeenvolgende fasen verdeeld:
1. de beeldvorming van de technische mogelijkheden;
2. de meningsvorming over de benodigde maatregelen om die technische
mogelijkheden economisch haalbaar te maken;
3. de maatschappelijke besluitvorming over welke maatregelen uit
fase 2 genomen worden.
De dynamiek ontstaat doordat op basis van de ervaringen
in de Haagse praktijk de theorie, in samenwerking met de TU Delft,
steeds verder ontwikkeld wordt.
Het blijft natuurlijk moeilijk om economische haalbaarheid
los te zien van maatschappelijke en politieke haalbaarheid. Die
zijn sterk met elkaar verweven. Wat hebben bouwers, vanuit hun maatschappelijke
verantwoordelijkheid en de politiek vanuit het dienen van het algemeen
belang, over voor de duurzaamheid in het bouwen? Die maatschappelijke
verantwoordelijkheid van bouwers kan je natuurlijk ook vastleggen
en opleggen, zoals met belastingheffing. Dat geldt ook voor de politiek
en de gemeente zelf. Daar zijn we blijkbaar nog niet aan toe. Dat
wordt dus elkaar steeds opnieuw overtuigen in de fase van de uiteindelijke
besluitvorming.
De beeldvorming van fase 1 vindt plaats in een workshop.
In die workshop worden eerst de drie schaalniveaus afgebakend van
waaruit op het gebied van energie, materiaal en gezondheid met elkaar
mogelijke maatregelen besproken worden. In de praktijk blijkt dat
de wijk het grootste schaalniveau is en een woning of bouwdeel het
kleinste. Milieueffecten en milieumaatregelen zullen namelijk verschillen
afhankelijk van de schaal van waaruit je het bouwproces benadert.
Bij de meningsvorming van fase 2 gaat het erom, met
de resultaten van fase 1, met de verschillende partijen tot bespreekbare
voorstellen te komen. Daar komt heel wat bij kijken: nader onderzoek
naar randvoorwaarden bij de inzet van technieken en de opbrengst
daarvan, organisatievragen en de mogelijke financiering, waaronder
subsidies. Hier worden onvermijdelijk al besluiten genomen, maar
altijd op basis van argumenten en goed gedocumenteerd. Uiteindelijk
moeten de voorstellen zo gedetailleerd uitgewerkt zijn voor wat
betreft investeringen en opbrengsten, dat opdrachtgevers, gemeente,
investeerders en overige partijen, zoals bewoners, afgewogen en
eenstemmig een besluit kunnen nemen dat wordt aangeboden aan de
besluitvormende instanties.
Tenslotte de besluitvorming in fase 3. Hier vindt
de keuze plaats wat de duurzaamheid van het betreffende bouwplan
concreet in gaat houden en wat dit mag kosten. Dit is een zaak van
het gemeentebestuur en de directie(s) van private onderneming(en).
Ook zouden voor bepaalde onderdelen bewonersorganisaties in deze
fase een stem kunnen hebben.
Juist nu voor een groot aantal wijken stedelijke vernieuwingsplannen
ontwikkeld (gaan) worden, komt de ROMBO-strategie als geroepen.
ROMBO-workshops zijn al gehouden bij de wijkplannen voor Duindorp,
Spoorwijk en Rustenburg-Oostbroek. Op komst zijn nog workshops in
Morgenstond, Transvaal en bij de herbestemming van het Johan de
Witt-college. De gehouden workshops leverden een breed pakket op
van DUBO-maatregelen. Dan gaat het bijvoorbeeld om het uitvoeringsproject
duurzame warmtelevering 'Vlamloze energie in Spoorwijk'. Maar ook
om hergebruikmaterialen bij wegfundering en asfaltverharding, gebruik
van regen- en oppervlaktewater bij bouwwerkzaamheden, lage temperatuur
verwarmingssystemen en toepassing van zonneboilers. Dat gaat de
goede kant op!
Tot slot een algemene, maar belangrijke opmerking
over dit prachtige instrument en dat geldt bijvoorbeeld ook voor
de Checklist Duurzaam Bouwen. Breed wordt in de politiek het belang
van duurzaamheid erkend en de belangrijke bijdrage die duurzaam
bouwen daar aan kan leveren. Vandaar dat een aantal mensen zich
met hart en ziel inzet om daar goede instrumenten voor te ontwikkelen.
Helaas is er echter geen enkele verplichting om van deze instrumenten
gebruik te maken. Het blijft allemaal vrijblijvend en dus afhankelijk
van de bereidheid van opdrachtgevers, ontwerpers, bouwers en financiers.
De resultaten zijn bemoedigend, maar beperkt. Met de inzet en goede
bedoelingen van degenen die bereid zijn hun verantwoordelijkheid
te nemen, komen we niet ver genoeg met duurzaamheid. Het kan niet
vaak genoeg gezegd worden; duurzaamheid is niet iets wat je kan
doen of kan laten. Het gaat hier om niets minder dan onze bestaansgrond.
Daarom zou duurzaamheid een voorwaarde of een uitgangspunt moeten
zijn bij al ons handelen en dus ook bij duurzaam bouwen. Wie wil
mag meer doen, maar voor iedereen ligt er een behoorlijk hoge ondergrens.
ROMBO zou onderdeel van zo'n ondergrens kunnen zijn.
Frans van der Steen
DEN HAAG
EN HET DUURZAME BOUWEN
Als een gemeente duurzaamheid serieus neemt,
en daar is alle reden toe, bieden nieuwbouwprojecten een uitgelezen
mogelijkheid om echt wat te doen. Dit natuurlijk naast het voor
de hand liggende beleid de levensduur van bestaande gebouwen te
verlengen. Vanaf het begin van het planproces kan bij nieuwbouw
dan rekening worden gehouden met maatregelen die van belang zijn
voor het in stand houden van de bestaansgrond van onze mensensoort,
zoals schoon water, schone lucht, een voor de mens geschikt klimaat
en voldoende ruimte voor een vitale biodiverse natuur. Duurzaam
Bouwen betekent dan niet alleen het nemen van allerlei technische,
fysieke maatregelen en aandacht voor bouwmaterialen. Het gaat ook
om de aantrekkelijkheid van de woningen, de leefomgeving en om flexibiliteit
als aanpassing nodig is doordat oorspronkelijke functies veranderen.
Bovendien hebben de slaapsteden uit de zestiger en zeventiger jaren
ons geleerd dat voorzieningen op loopafstand en het minimaliseren
van verkeersstromen tussen wonen-werken-recreeëren leveren
op termijn een belangrijke bijdrage aan de levensduur van een wijk.
Juist deze laatste zaken bepalen of de duurzaam gebouwde woningen
ook voor lange tijd gebruikt zullen worden. Dan hebben we het over
een pakket van maatregelen dat de volgende zaken bevordert:
compact bouwen en (mede daardoor) een behoorlijk
voorzieningenniveau in de buurt
een lange levensduur
CO2-reductie met name door energiebesparing en duurzame energie
een goede waterhuishouding en zuinig watergebruik
het gebruik van duurzame bouwmaterialen
het terugdringen van de automobiliteit
een aaneengesloten, niet al te smal groengebied
toezicht tijdens het bouwen en beheer na het bouwen
het betrekken van de bewoners bij de visie achter hun wijk/buurt
de kwaliteit van vormgeving van de woningen en de openbare ruimte
een aantrekkelijke sociale omgeving opnieuw kunnen gebruiken van
de infrastructuur als de bebouwing zijn functie verliest.
Uit deze opsomming wordt
direct duidelijk dat het bij duurzaam bouwen om een complex en integraal
proces gaat, waarbij zeer veel aspecten aan bod komen. Ook mag duidelijk
zijn dat een aantal maatregelen aanzienlijke kosten met zich mee
zal brengen. Dat behoeft, zoals we willen laten zien, geen onoverkomelijk
probleem te zijn. Tenminste als we bereid zijn over woningontwerpen,
bouwprocessen en afschrijvingstermijnen anders te gaan denken. En
de bouwwereld is bijna in zijn aard een conservatief wereldje. Wenkbrauwen
worden al snel opgetrokken als men wat anders wil. Wat de boer niet
kent, dat lust hij niet. En dat niet alleen. De bouwwereld hangt
aan elkaar van contracten en contacten met vertrouwde leveranciers
en bedongen kortingen. Planning is al moeilijk ondermeer door levertijden
en de inzet van schaarse vakmensen, maar als je dan met onbekenden
in zee moet... Laten we ons bovendien in de architecten niet vergissen.
Veel ontwerpen zien er modern en innovatief uit, maar dat is vaak
niet meer dan "gevelbekleding". Architectuur, maar ook
de vorm van de woonomgeving in het geheel, is een trendgevoelige
business en ook in deze wereld is te weinig bereidheid om een aantal
axioma´s rond ondermeer woningindeling en de 'architectonische
expressie' ter discussie te stellen. Als een huis langer meegaat,
dan moet het er ook langer fraai uit blijven zien. Ook is men om
den brode gevoelig voor de geringe veranderingsgezindheid en verlangens
van de bouwers. Opdrachtgevers die best gevoelig zijn voor duurzaamheidseisen,
laten zich door de dwingend gebrachte praktische bezwaren met bijkomend
kostenplaatje, vaak van hun eerdere mooie voornemens afbrengen.
Maar de opdrachtgever is uiteindelijk degene die bepaalt en als
de bereidheid bij opdrachtgevers er is om ernst te maken met duurzaam
bouwen dan zal dit, zoals eerder gezegd, zeer veel opleveren. Het
is namelijk vele malen goedkoper om veel van bovengenoemde zaken
te realiseren door ze direct in het ontwerp mee te nemen. Als dat
niet gebeurt, zijn vaak voor tientallen jaren de mogelijkheden om
duurzaamheid te realiseren om zeep geholpen. Bovendien dragen maatregelen
die de duurzaamheid bevorderen vaak bij aan de leefbaarheid. Elk
nieuwbouwproject zou dan ook standaard moeten voldoen aan een aantal
duurzaamheidseisen. Den Haag heeft mede door de inzet van voormalig
wethouder Noordanus een Checklist Ruimtelijke Ordening en Milieu
opgesteld die iedere beleidsambtenaar die te maken heeft met de
realisatie van nieuwbouwprojecten in zijn of haar bezit heeft. Maar
ligt die checklist in een la of staat deze voor het grijpen? Wat
wordt er gedaan als de gemeente geen opdrachtgever is? En met goede
controlelijsten alleen bouw je natuurlijk nog geen ecologisch verantwoorde
woningen. Dat is pas een eerste begin van een lang proces van vallen
en opstaan. Maar het is wel een spannend en uitdagend proces dat
resultaten kan opleveren waar iedereen trots op kan zijn.
Branding gaat in een
artikelenserie van drie afleveringen dieper in op duurzaam bouwen
in Den Haag. In de laatste aflevering zullen we het hebben over
de vraag waarom de voorbeelden van duurzaam bouwen in Den Haag bepaald
niet voor het oprapen liggen, ondanks de checklist en tal van nieuwbouwprojecten.
Daarover wordt een verantwoordelijke beleidsambtenaar aan de tand
gevoeld. Ook zullen we een of twee nieuwbouwprojecten onder de loep
nemen die nog op de tekentafel liggen. In de hierna volgende bijdrage
wordt aandacht besteed aan het voorbeeld van duurzaam bouwen dat
direct genoemd wordt: Wateringse Veld. Dit nieuwbouwproject plaatsen
binnen het bredere kader van duurzaam bouwen, dat vergt wat meer
woorden dan naar journalistieke maatstaven verantwoord wordt geacht.
U kunt zelf beoordelen of het, ondanks de lengte, boeiend genoeg
is.
Duurzaam Bouwen op Wateringse
Veld
Wateringse Veld is een van de Vinexlocaties waar van het Rijk
in het open gebied gebouwd mocht worden om tegemoet te komen aan
de groeiende vraag naar woonruimte. Doordat Den Haag geen ruimte
had om grootschalige nieuwbouw te realiseren is er een strijd met
de buurgemeenten losgebrand om uitbreiding van het Haagse grondgebied.
In 1994 kwam er een zogeheten 'grenscorrectie' waardoor Wateringse
Veld (328 hectare waarvan 260 wordt bebouwd) binnen Haagse grenzen
werd getrokken. Vervolgens zijn door de ontwikkelingscombinatie
van de Gemeente met het Bouwfonds de tuinders uitgekocht. De eerste
paal werd in september 1996 geslagen en in 2006 wordt volgens schema
de laatste woning opgeleverd. Er worden in totaal 7500 huizen gebouwd
in 8 buurten met ieder een eigen karakter waar in totaal zo'n 20.000
Hagenaars zullen worden gehuisvest. De wijk moet door herkenbare
architectuur, lommerrijke lanen, waterpartijen en plantsoenen een
echte Haagse uitstraling krijgen. Van de woningen bestaat 80% uit
eengezinswoningen. Er komen twee winkelcentra, vier scholen, 10
hectare sportvelden, 12.000 parkeerplaatsen en een aaneengesloten
recreatief groengebied.
Wat bij een eerste verkenning, naar wat het duurzame bouwen op
Wateringse Veld inhoudt, direct opviel is het schitterende, goed
geschreven boek voor de bewoners over hun wijk en de ruime aandacht
daarin voor duurzaamheid en leefbaarheid. De productie van dat boek
heeft samen met het bewonersfeestje een slordige miljoen gulden
gekost. Dat is veel geld. De vraag echter is of een dergelijk boek
het beoogde effect van betrokkenheid van de nieuwe bewoners bij
de wijk en het duurzame idee daarachter werkelijk bevordert. Een
nadeel van een boekwerk lijkt de veelheid aan informatie. Nemen
mensen het dan wel echt ter hand, doen ze er wat mee? Zijn er geen
betere en minder kostbare manieren om bewoners te betrekken? Wat
betreft het persoonlijk betrekken van de bewoners bij de duurzaamheidaspecten
van hun wijk zijn geen andere acties ondernomen. Uit een kleine
steekproef van ons onder 20 bewoners bleek in het algemeen een behoorlijke
tevredenheid over het wonen, 4 mensen hadden stukken van het boek
goed gelezen, 6 wel ingekeken en stukjes gelezen, 4 niet gelezen
en 6 niet opgehaald. Ook was een aantal mensen van de ondervraagden
echt geïnteresseerd in het duurzame concept achter de wijk. Een
aantal bevindingen komt verderop nog aan de orde.
Wat ook opvalt, is het enthousiasme van het projectteam voor hun
eigen project. Men is er trots op dat vrijwel alles rond duurzaamheid,
dat in het begin van het planproces is opgenomen, uiteindelijk ook
gerealiseerd is. Dit is bijzonder omdat de weerbarstige praktijk
leert dat heel wat zaken als puntje bij paaltje komt onderweg onder
andere door de meerkosten sneuvelen. Bij alles wat we hier verder
over het project schrijven, willen we benadrukken dat wat betreft
duurzaam bouwen Wateringse veld aanmerkelijk beter scoort dan veel
andere nieuwbouwprojecten, ook in de buurgemeenten. Er is flink
wat meer bereikt dan de landelijke standaard van 1996, zoals vastgelegd
in het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen. Een pakket overigens met
een niet al te hoog ambitieniveau. De vraag is echter of beter wel
goed genoeg is, vergeleken bij wat kan en wat nodig is. En er kan
veel als de wil bij de opdrachtgever er is en men een andere financiële
bril durft op te zetten. En uiteraard moet met rechte rug onderhandeld
worden met bouwers en de aannemers altijd op de vingers gekeken
worden.
WOONDICHTHEID
Laten we daarom een aantal van de eerder genoemde criteria voor
Duurzaam Bouwen eens op dit woningbouwproject loslaten. Allereerst
de woondichtheid en de voorzieningen binnen loop en fietsafstand.
Deze twee zaken hangen direct met elkaar samen want hoe meer mensen
in een buurt wonen hoe minder grond er aan de open groene ruimte
hoeft te worden onttrokken en het behoud van de open groene ruimte
is van groot belang voor natuur en milieu. Bovendien betekent veel
mensen ook een hoger niveau van voorzieningen als winkels, scholen,
recreatie en medische zorg. En dat is goed voor zowel de leefbaarheid
als voor het terugdringen van met name de automobiliteit. En al
dat blik van de straat is op zich weer goed voor de leefbaarheid.
Er is wel een probleem bij het beoordelen van de woondichtheid.
Het is de gangbare opvatting onder beleidsambtenaren dat, om te
voorkomen dat de koopkrachtige Hagenaar zijn heil buiten Den Haag
zoekt (met alle gevolgen voor de inkomsten en dus voorzieningen
van de stad), het nodig is om een ruim aanbod te hebben van liefst
vrijstaande eengezinswoningen met tuin en twee auto's voor de deur.
De markt zou dit eenvoudigweg voorschrijven. Daarom zijn er nogal
wat ruime kavels in het Wateringse Veld. Wij hebben zo onze twijfels
over deze aannames. Prettig wonen betekent voor heel veel mensen
bijvoorbeeld voorzieningen in de buurt bij voorkeur op loopafstand
en het gebrek daaraan is dan ook precies waar de bewoners in Wateringse
Veld voortdurend over klagen. Die hebben, lijkt het, weinig prioriteit
want hoe kan het anders dat de financiering van een aantal medische
posten bijvoorbeeld nog steeds niet rond is, wat tot grote problemen
leidt.
Het autobezit is er dan ook onevenredig hoog en je moet concluderen
dat, net als in Ypenburg, het dagelijkse leven zonder auto een stuk
minder comfortabel is: dat geldt voor de reis naar je werk, een
station maar ook langs de dokter, de basisschool of de winkel. Er
komen weliswaar nog twee supermarkten, maar een hoog voorzieningenniveau
is niet mogelijk bij de huidige woondichtheid. Ook worden voorzieningen
onvoldoende ingepland en daarin geïnvesteerd. Men heeft nadat alles
al ontworpen en ingetekend was nog wel een poging gedaan om het
aantal woningen te verhogen van 7000 naar 8000. Uiteindelijk zijn
het er 500 meer geworden. Een gemiste kans dus, want als vanaf het
begin op een vernuftige manier compacter was ontworpen dan zou het
dubbele aantal woningen gerealiseerd kunnen worden.
Slim en creatief ontwerpen is buiten de geijkte kaders en plattegronden
durven te denken en de nieuwe eisen wat betreft duurzaamheid zien
als een uitdaging voor vernieuwing. Dat alles zonder uit het oog
te verliezen wat mensen als prettig wonen ervaren. Dat betekent
voor architecten de verleiding weerstaan mee te doen aan trends
die zo tijdsgebonden zijn dat deze over 10 jaar alweer uit zijn.
Dat betekent kort gezegd een voor de beleving ruime woning realiseren,
met veel licht, goede inrichtingsmogelijkheden, een aardig uitzicht,
met de auto onder de grond en voor de liefhebbers een groot balkon
om buiten tussen de planten te kunnen vertoeven. Deze woningen vervolgens
zo ontwerpen en stapelen dat architectonische kwaliteit gecombineerd
wordt met een hoge woondichtheid. Dat betekent tevens dat de prijs
per woning aanmerkelijk kan dalen. Dat is goed voor iedereen en
daar kunnen dan bijvoorbeeld weer de parkeergarages uit bekostigd
worden. Vanuit duurzaamheid gezien had die grotere dichtheid ons
landschap en de natuur een hele Vinexlocatie gescheeld en een dubbel
zo hoog voorzieningenniveau voor de bewoners opgeleverd.
LEVENSDUUR
Het volgende punt is de levensduur van de woning. Er staan in de
oude binnensteden tal van huizen van honderden jaren oud. Een dergelijke
levensduur scheelt onnoemelijk veel energie en bouwmaterialen. Het
gebruik van duurzame materialen en een stevige constructie levert
bij goed onderhoud een veel langere levensduur op. Vreemd genoeg
worden alleen populistische en aan de buitenkant zichtbare maatregelen
(gebrekkig) doorgevoerd: zo moet je de buitengevel rondom een raam
slopen wanneer je een kozijn wilt vervangen dat rot is; 'montagekozijnen'
waarin je dat eenvoudig kunt verwisselen worden niet toegepast.
Een hardboard binnendeur wordt duurzaam genoemd, maar veel 19e en
20e eeuwse woningen laten zien dat de sterkere paneeldeuren na 100
jaar er nog geweldig uit kunnen zien. Een eikenhouten of teakhouten
voordeur is niet alleen mooier maar gaat zonder problemen 100 jaar
mee en is maar drie keer zo duur als een deur die nog geen twintig
jaar mee gaat. En daaraan zit wellicht een nog belangrijker voordeel.
Het geeft de mogelijkheid tot een veel langere afschrijftermijn
en dat betekent dat de huizen per levensjaar veel goedkoper worden.
Investeringsplaatjes gaan er vanzelfsprekend heel anders uitzien
als zonder probleem op deze manier het dubbele budget beschikbaar
is. Alle extra kosten kunnen gefinancierd worden door een eenvoudige
paragraaf in het belastingstelsel en hypotheekvoorwaarden. De afschrijftermijn
in Nederland is nu nog 50 jaar. Dat kan zo naar 75 of 100 jaar wanneer
er technisch en esthetisch aan bepaalde eisen wordt voldaan: flexibiliteit,
detaillering en materiaalgebruik, onderhoud en reparatiemogelijkheden.
In het Wateringse Veld is van die 50 jaar evenwel niet afgeweken.
Ook wat dit betreft had men boven de bestaande normen moeten gaan
zitten. Voor een deel van de woningen is het daar overigens nog
niet te laat. Wanneer we daarbij constateren dat een nieuwbouwwoning
voor viereneenhalve ton wordt opgeleverd en binnen een jaar voor
drie ton méér wordt doorverkocht, dan is het wrang te constateren
dat die winst in de zak verdwijnt van de eerste koper en niet is
aangewend om een betere en duurzamere woning te bouwen.
BROEIKASEFFECT
Nu dan de CO2-reductie. Per woning zijn tal van maatregelen genomen
zoals zonneboilers, zonnepanelen, bouwen op de zuidkant voor goede
lichtinval, een warmtenet met een centraal ketelhuis waarop 2000
woningen worden aangesloten en de gebruikelijke maatregelen als
hoog isolerend glas, dakbedekking en spouwmuren. Daardoor is men
ruim onder de nationale Energie Prestatie Norm (EPN) uitgedrukt
in een coëfficiënt (EPC) van 1,1 gaan zitten. Het Wereld Natuurfonds
heeft overigens al huizen gerealiseerd met een norm van 0,6. Dit
betekent een verbruik van 400 m3 aardgas ten opzichte van 1200 m3
bij een norm van 1. Dat scheelt dus nogal wat. Wateringse Veld zit
op een EPC van 0,85 en de bouwwereld is bereid een EPC van 0,8 tot
standaard verheffen, maar die moet dan wel landelijk verplicht gesteld
worden. Staatssecretaris Remkes (VVD) wil dit echter niet "dirigistisch"
opleggen. Komen de bouwers zelf eens met een goed initiatief, wordt
dit zo de grond in geboord. Laten we toch afstappen van dit soort
schemadenken. Soms is het beter een norm vast te stellen of te privatiseren
en soms niet.
Een bewoner vertelde ons dat het een gemiste kans was dat niet
op grote schaal zonnecollectoren zijn aangebracht. Waarom niet hele
daken daarmee bekleed? In een deel van Wateringse Veld, de Bouwlusthof,
wilde men zelfs een energieneutrale buurt doen verrijzen. Dat betekent
net zoveel energie opwekken als verbruiken. Daar zijn voorbeelden
van zoals in Heerhugowaard. Hier wil men drie windmolens plaatsen
en via een allesbrandertje per huis ook nog wat bij kunnen stoken.
Ook leuk voor de mensen. Een EPC van 0 bleek echter moeilijk haalbaar
omdat men bijvoorbeeld grote ramen wilde, niet alles op de zon wilde
bouwen en ruimere woningen wenste met een bredere gevel en een hoger
plafond. Daar zijn goede argumenten voor te geven, want niet alles
wat goed voor het milieu is, is ook goed als het gaat om prettig
en comfortabel wonen. Een EPC van 0,25 bleek dan wel haalbaar. Of
dit project uiteindelijk gerealiseerd wordt, hangt met name ervan
af of men het geld ervoor over heeft en of de geluidhinder van de
windmolens geen roet in het eten gooit. Ons advies zou zijn om een
deel van de extra investeringen te betalen door de afschrijftijd
te verlengen. Bovendien mag voor een aansprekend voorbeeld van een
wooncomplex binnen de Haagse grenzen met een zeer lage EPC wel dieper
in de buidel getast worden.
WATERHUISHOUDING
Nu dan het water. Aan een goede waterhuishouding is met inzet en
inventiviteit gewerkt, waarbij watervoorzieningen herkenbare dragers
zijn van het totale stedenbouwkundige plan. Zo doet het Wateringse
Veld zijn naam ook eer aan. De oude waterlopen, zoals de oude getijdenkreek
de Gantel, zijn zo veel mogelijk in takt gelaten en er is slim gebruik
gemaakt van de natuurlijke scheiding tussen het hoger en lager gelegen
deel. Door het creëren van grote waterpartijen die karakteristiek
zijn binnen het project was het mogelijk om een geheel gesloten
waterhuishoudingssysteem te scheppen. Dit is dus afgesloten van
het boezemwater. Dit betekent dat geen vuil water wordt binnengelaten
maar ook dat de waterbergingscapaciteit voldoende moet zijn. Die
waterbergingscapaciteit werd gewaarborgd doordat 10% van de wijk
uit water bestaat en door het openbaar gebied zo min mogelijk te
verharden zodat het water in de grond kan zakken. Door het gescheiden
riool wordt het hemelwater niet op het riool geloosd, maar blijft
dit binnen de wijk. Dit scheelt kosten aan waterzuivering en energie
en door het veel schonere oppervlaktewater ontstaat als vanzelf
een gevarieerde oevervegetatie. Wel stelt het behoorlijk hoge eisen
aan het voorkomen van vervuiling van het oppervlakte water door
afspoeling van vuil op drukbereden wegen, hondenpoep, het wassen
van de auto of het sleutelen daaraan op straat, zwerfvuil en, om
maar iets te noemen, het gebruik van bouwmaterialen die door uitspoeling
zware metalen in het milieu brengen zoals de huidige trend om gevels
te bekleden met zink. Dit betekent betere technieken als afvoer
van eerste afspoeling van wegen, bakken die voor filtering zorgen
en de helofytenfiltering door riet en biezen. Het betekent ook meer
aandacht voor controle en beheer.
In het ontwerp en in de uitvoering daarvan is deze waterkwaliteit
ook zichtbaar gemaakt om zo een aantrekkelijke woonomgeving en openbare
ruimte te scheppen. Dat is gedaan in samenwerking met de stichting
Stroom voor toegepaste kunst. Dit heeft ondermeer een basalten kademuur
opgeleverd. Samen met de oude Bovendijk als natuurlijke scheiding
tussen het hoger en lager gelegen deel is deze muur een functioneel
en aantrekkelijk landschappelijk element. Het water dat via open
straatgoten in het midden van het wegdek in de zogeheten waterstraten
wordt afgevoerd stroomt, uit de kademuur op een spannende manier
over ontworpen stenen tafels in de Waterlandsingel. Via een circulatiepompsysteem
wordt het water in het hele gebied in beweging gehouden zodat het
leeft en zuurstof opneemt. En natuurlijk werken deze pompen op zonne-
of windenergie. Tenslotte is voor een betere ontwatering van de
klei- en veenbodem gebruik gemaakt van drainagebuizen die zowel
voor de afvoer van grondwater als van regenwater zorgen. Het zit
dus wel goed met deze integrale aanpak van het waterbeheer.
MOBILITEIT EN ONTSLUITING
De ligging van Wateringse Veld en ook van andere Vinexwijken is
gezien vanuit mobiliteit en flexibiliteit niet erg gunstig. Het
is een soort eindhalte/satellietwijk waar je slechts op een manier
in kunt en op dezelfde manier weer uitkomt. Je komt er nooit zomaar
langs als je van het ene deel van de stad naar het andere gaat.
Dat betekent niet alleen meer (auto)kilometers, maar ook dat het
moeilijk zal zijn om, met gebruikmaking van de totale infrastructuur,
een andere functie aan het gebied te geven als de huidige woonfunctie,
met name gericht op gezinnen met opgroeiende kinderen, niet meer
zou voldoen. Dan moet alles gesloopt. Weg investeringen en kapitaal
en jammer voor het milieu.
Maar binnen dit gegeven is door de ontwerpers vanaf het begin van
het planproces uitgegaan van een goede ontsluiting van de wijk en
het scheppen van alternatieven voor de auto. Men stelt onomwonden
dat het autoverkeer dient te worden afgeremd en dat meer asfalt
het probleem niet zal oplossen. Wel spreekt men over de centrale
ligging van Wateringse Veld. Daar snappen wij niets van, al sluit
de wijk zeker beter aan bij Den Haag dan andere Vinexlocaties. Daardoor
was het relatief gemakkelijk om "al" in 1999 te zorgen voor aansluiting
op het openbaar vervoer door tramlijn 17 door te trekken. Dat is
snel vergeleken bij veel andere Vinexwijken. Binnenkort komt lijn
9 daar nog bij. Daarna volgen nog en aantal buslijnen. Dat vanaf
het begin de wijk door openbaar vervoer ontsloten is, is van groot
belang omdat dit van invloed is op de keuze van bewoners en toekomstige
bewoners wat betreft hun vervoerswijze; neem bijvoorbeeld de aanschaf
van een eerste of tweede auto. Wel klaagde iemand over de kosten
omdat vier zones nodig zijn om in de stad te komen.
De inrichting van de wijk is zo dat auto's niet van de ene buurt
naar de andere kunnen, maar altijd via de twee centrale ontsluitingswegen
gedirigeerd worden: het Oosteinde en de Laan van Wateringse Veld.
Deze wegen sluiten goed aan op het rijkswegennet. In de meest compacte
wijk zijn zes autovrije hoven waardoor er meer ruimte is voor groen
en speelplekken. En ook de fiets is niet vergeten: vrijliggende
fietspaden die aansluiten op recreatieve routes en een fijnmazig
netwerk van fietspaden in de buurten. Ook de snelheidsbeperking
van 30 km is goed voor het veilig kunnen fietsen. Voor het direct
kunnen doorsteken voor fietsers van de ene buurt naar de andere
komen er ook speciale fietsbruggen.
Helaas wordt, ondanks deze inzet, toch erg veel ruimte ingenomen
door de 12000 parkeerplaatsen. De twee centrale pleinen die sterk
hadden kunnen bijdragen aan een groene beleving en aan een leefbare
omgeving worden volkomen door het autoblik gedomineerd. De opvatting
is dat er zelfs een tekort aan parkeerruimte is. Maar al dit blik
had gewoon onder de grond gestopt kunnen worden en door de parkeernorm
te verlagen dwing je de bewoners gebruik te maken van de alternatieven.
Als je kiest voor Wateringse Veld, met alle voordelen die beperking
van de automobiliteit voor de leefbaarheid betekent, is het duidelijk
dat meer dan een auto, liefst onder de buurt, er niet in zit. Bovendien
zouden meer voorzieningen in de wijk, zoals reeds besproken, structureel
voor een forse beperking van de mobiliteitsbehoefte zorgen.
Wat ronduit een gemiste kans is, is dat niet direct het autodelen
via bijvoorbeeld GreenWheels sterk gepromoot is. Bij autodelen heeft
men persoonlijk niet de lasten van de auto, maar wel de lusten,
want er staat met de chipkaart vlak bij huis altijd een auto met
boordcomputer klaar. En ook de wijk heeft dan de last niet. Bovendien
is het veel goedkoper. Weliswaar wordt in het bewonersboek hier
een kleine passage aan gewijd, maar dat zorgt natuurlijk niet voor
deelauto's in de wijk.
DE NATUUR ALS NAASTE BUUR
In Wateringse Veld komt naast het water ook veel groen. Al dat groen
zorgt door zijn herkenbare variatie voor rust en beslotenheid en
draagt aldus sterk bij aan de leefbaarheid. Belangrijk is dat men
ervoor gezorgd heeft dat al dat groen op elkaar aansluit. Daardoor
heeft het behalve een belangrijke recreatieve waarde vlak voor de
deur, ook een belangrijke ecologische functie zeker daar waar speciale
ecologische zones zijn aangelegd die niet in de eerste plaats een
recreatieve functie hebben. In de grote brede ecologische zones
zoals langs de Rijner Watering, heeft de natuur vrij spel. De aaneengesloten
ecologische verbindingszone is van groot belang voor het behoud
van de verscheidenheid in de natuur. Deze loopt dwars door de wijk
en legt zo een verbinding tussen het bedreigde natuurgebied de Uithof
en de Voordes in het Noorden en de waterloop de Zweth en het veenweidegebied
Midden-Delfland. Een knelpunt is de flessenhals bij de toekomstige
stadsboerderij.
In de buurten worden maar liefst 300 verschillende boomsoorten
geplant die binnen de condities van Wateringse Veld lijken te kunnen
floreren. Hierdoor wordt het bomenspectrum veel gevarieerder dan
gebruikelijk in stadswijken. Aardig is dat de "boomkunstenaar" die
de selectie heeft gemaakt ook een bomengids heeft samengesteld en
granieten tegels heeft gemaakt die aan het begin van de straat in
de trottoirs geplaatst zijn. Op deze stenen staan de naam en bladvorm
van de bomen.
MATERIAALGEBRUIK
In Wateringse Veld zijn behoorlijk hoge eisen gesteld aan het gebruik
van duurzame materialen. Dan gaat het om lange lijsten met beschrijvingen
en eisen waar bouwers en aannemers zich aan dienen te houden. Of
dat ook gebeurd is, valt alleen met een technisch onderzoek te achterhalen.
Daar zijn wij niet aan begonnen en daar hebben we ook het geld en
dus de deskundigheid niet voor. Er mocht in ieder geval geen tropisch
hardhout gebruikt worden of het moest het FSC-keur hebben. Materialen
als lood en zink zijn zo min mogelijk verwerkt doordat de winning
vaak desastreus is voor het milieu en deze door uitspoeling en verwering
zware, giftige metalen in het milieu brengen. Opvallend is dat beton
als duurzaam wordt gekenmerkt, terwijl de productie van beton zeer
hoog energetisch is en de delving van de benodigde grondstoffen
vaak met forse milieuschade gepaard gaat. Natuurlijk zijn er wel
verbeteringen zoals het verwerken van puingranulaat in plaats van
grind en eisen aan de winning van zand en mergel in Nederland. Maar
het blijft een niet erg duurzaam bouwmateriaal. Ook hergebruik is
beperkt mogelijk.
SCHOONHEID IS DUURZAAM
Bij de opzet van de wijk zou een poging worden gedaan aan te sluiten
bij het 'Haags repertoire' aan wijken: de groene lanen van Zuid-west,
huizen met kappen als in Benoordenhout en Marlot, de moderne witte
architectuur in het Bos van Zanen. De wijk moest daarmee niet alleen
'Haags' worden, maar ook op lange termijn ontsnappen aan de waan
van de dag waar veel nieuwbouw onder lijdt. Wanneer je sommige stukken
in het Lage Veld bekijkt, lijkt dat daar maar matig gelukt. Onder
de stedenbouwers en architecten wordt nauwelijks in deze zin gedebatteerd
over duurzaam bouwen. Terwijl de kwaliteit van de vormgeving van
woningen en de openbare ruimte van groot belang is, als het er om
gaat voor tientallen jaren een aantrekkelijke woonomgeving te hebben
en te houden.
Er zou nog veel meer te vertellen zijn over Wateringse Veld zoals
de problemen die het gevolg zijn van het overplanten van hele straten
uit Zuid-West naar de buurt Lage Veld waarmee de sociale problematiek
ook overgeplant wordt. Over het belang van het intensief betrekken
van bewoners bij hun buurt door een combinatie van aansprekende
informatie, positieve waardering, goed beheer en controle met sancties
om de hondenpoep en het zwerfvuil zoveel mogelijk te voorkomen.
Uit onze gesprekken met bewoners bleek veel mis te zijn met het
beheer: veel mensen die hun auto toch op straat wassen, hondenpoep,
verkeerd aangeboden huisvuil, vernielingen, illegale puinstort,
veel zwerfvuil etc. Ook werd gewag gemaakt van schadelijk bouwafval
met piepschuim, lege kithulzen en blikken, het gebruik van purschuim
en vragen over het onderhoud van de zonnepanelen.
In het bestek van dit artikel is het niet mogelijk daar verder
op in te gaan. De beoordeling van Wateringse Veld voor wat betreft
duurzaam bouwen is niet makkelijk. Je zou kunnen zeggen dat in het
land der blinden eenoog koning is. Dat zou het projectteam geen
recht doen. Als je ook beoordeelt vanuit inzet en wat binnen de
vastgelegde kaders mogelijk was scoort dit project binnen de Haagse
context gewoon erg goed. Indien we uitgaan van wat vanuit een brede
en integrale benadering kan en mogelijk en nodig is, scoort het
project zeker voldoende. En de beoordeling van Den Haag als geheel
houdt u nog van ons tegoed.
Frans van der Steen
WIE HET EERST ONDERHANDELT, ONDERHANDELT
HET BEST?
De Zwarte Madonna is een woongebouw op
een steenworp afstand van het Centraal Station in Den Haag. De gemeente
wil de Zwarte Madonna en twee aangrenzende ministeriegebouwen slopen
om zo ruimte te maken voor het "Wijnhavenplan", een plan
met kolossale nieuwbouw voor de Ministeries van Justitie en Binnenlandse
Zaken. Hoewel het plan van de gemeente ook een bescheiden aantal
woningen, diverse voorzieningen en talrijke winkelruimtes bevat,
is het overduidelijk dat het Rijk de drijfveer is achter het plan.
September jl. schreef Frans van der Steen een aansprekend artikel
over de Zwarte Madonna ("De kwestie Zwarte Madonna: een zwarte
bladzijde?", Branding nr.2). Dat de sloop van drie technisch
zeer goede gebouwen, die nog lang niet zijn afgeschreven, vanuit
milieuoogpunt een slechte zaak is, behoeft geen discussie. Daarover
was Van der Steen dan ook kort. In het artikel lag de nadruk veel
meer op het besluitvormingsproces dat tot het Wijnhavenplan heeft
geleid. De kritiek van Van der Steen was dat hierin o.a. milieubezwaren
geen rol hebben gespeeld. Hij stelde dat kwaliteit van het besluitvormingsproces
cruciaal is als het om duurzaamheid gaat.
In Branding nr.3 reageerde wethouder Hilhorst op de kritiek. Met
een verhaal over hergebruik probeerde hij de milieubezwaren te bagatelliseren
om vervolgens in het geheel voorbij te gaan aan de kritiek op het
besluitvormingsproces. Namens de bewoners zet ik mij nu alweer 1.5
jaar in voor behoud van de Zwarte Madonna. De kritiek van de bewoners
is net als die van Van der Steen voor een groot deel gericht op
het besluitvormingsproces. Wij vinden de besluitvorming onzorgvuldig,
o.a. omdat er onvoldoende aandacht is geweest voor de vele alternatieve
plannen.
Uit ervaring weet ik dat bezwaren van bewoners (en andere Hagenaars)
hetzelfde lot is beschoren als milieubezwaren. Zij worden weggepoetst
met mooie, maar inhoudsloze woorden. Op die manier wordt voorbijgegaan
aan de kern van de bezwaren. Hoe komt het toch dat dergelijke maatschappelijke
belangen zomaar worden weggehoond? De oorzaak ligt in het besluitvormingsproces.
Een besluitvormingsproces over zo'n groot project begint meestal
met geheime onderhandelingen tussen de driehoek, gemeente, projectontwikkelaars
en afnemer (in dit geval het Rijk). De belangen zijn vooral van
financiële en economische aard. De gemeente wil werkgelegenheid
en economische groei. De projectontwikkelaars willen investeringen
met weinig risico en een hoog rendement. De afnemer wil voor weinig
mooie nieuwe gebouwen. De belangen lopen dus ver uiteen en de onderhandelingen
verlopen moeizaam. Geen van de partijen heeft er belang bij om andere
dan technische of financiële bezwaren bij de besluitvorming
te betrekken. Zeker als het Rijk zelf de afnemer is, zullen milieubezwaren
het moeten afleggen tegen een zeer sterke drang om tot besluitvorming
te komen.
Pas als genoemde driehoek het eens is, komen de plannen in de openbaarheid
en krijgen bewoners en ander belanghebbenden (bijvoorbeeld milieuorganisaties)
de kans hun zienswijze naar voren te brengen. De driehoek heeft
er dan echter geen enkel belang meer bij om af te wijken van de
in de achterkamertjes moeizaam overeengekomen afspraken. Zij stellen
dus alles in het werk om bezwaren en alternatieven van welke aard
dan ook te bagatelliseren of zelfs helemaal terzijde te schuiven.
In de gemeenteraad worden zij daarin ondersteund door de collegepartijen
die niet het risico willen lopen op electorale schade en dus hun
eigen wethouder niet zullen afvallen.
Zolang de besluitvorming bij dit soort processen niet wordt omgedraaid
(eerst inspraak en pas daarna onderhandelen) zullen milieuoverwegingen
en bewonersbelangen, tenzij wettelijk vastgelegd, geen rol spelen.
Het is de arrogantie van de macht dat zij, zonder naar haar burgers
te luisteren, denkt te weten hoe de stad bestuurd moet worden en
welke waarden voor haar burgers belangrijk zijn. Het milieu en de
huurder delven in dit machtsspelletje vooralsnog vaak het onderspit.
Toch heb ik goede hoop dat Fort Madonna onneembaar zal blijken,
en wie het laatst lacht...
Oscar Dijkhoff,
voorzitter van de Stichting Vrienden van de Zwarte Madonna
REGIONAAL STRUCTUURPLAN
HAAGLANDEN
GROENE KOOL EN RODE GEIT SPAREN
Het plan dat het meest de toekomstige ruimtelijke
ontwikkeling - en dus ruimte voor groen, landschap, water, wonen
en bedrijvigheid - in de wijde omgeving van Den Haag bepaalt, is
het Regionaal Structuurplan Haaglanden. En wat wil het geval: Stadsgewest
Haaglanden heeft in mei van dit jaar een ontwerp Regionaal Structuurplan
het licht doen zien. In de nieuwste voorstellen van het ministerie
van VROM voor wijzigingen van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
(WRO) wordt het Regionaal Structuurplan (RSP) een toetsingskader
voor het gemeentelijke bestemmingsplan. Nog meer reden dus om hier
aan het Haaglandse plan de nodige aandacht te besteden.
Bemoedigend is op het eerste gezicht de teneur van het Structuurplan.
Het is 'groen' wat de klok slaat, inclusief uitspraken over een
'groen netwerk' dat voorrang krijgt boven verdere verstedelijking.
Bij nader onderzoek, en dan met name van de 'doorkijk 2010-2020',
komt echter een minder rooskleurig beeld naar voren, met name op
het gebied van woningbouw, glastuinbouw, water en vervoer. Ons grote
bezwaar tegen het Structuurplan is dat noodzakelijke keuzes op al
deze terreinen uitblijven: én meer woningbouw én
bedrijventerreinen, én vasthouden aan het glastuinbouwcomplex
in het Westland én meer waterberging én
het intact laten van de groene ruimte; dat is echt teveel voor een
regio waar de ruimtelijke claims nu al over elkaar tuimelen. Tenzij.
Tenzij er gezocht wordt naar interessante functiecombinaties. Maar
in dat opzicht, waar de opstellers toch het nodige van af weten
met de huidige hype aan peperdure en druk bezochte congressen, stelt
dit plan hevig teleur. Alleen in de combinatie wonen en groen ziet
men miraculeuze mogelijkheden, maar hoe, dat blijft vooralsnog duister.
Maar eerst willen we nu het structuurplan op de bovengenoemde terreinen
apart langs onze groene meetlat leggen.
Woningbouw en glastuinbouw
In de periode vóór 2010 bedelt de regio als het ware
om extra woningen als extra opvang van de woningbehoefte uit de
Leidse regio en het Groene Hart; alsof we ruimte over hebben in
Haaglanden. Na 2010 wil men koste wat het kost de bevolkingsgroei
in Haaglanden vasthouden, mét de bijbehorende 24.000 tot
40.000 woningen (conform het ontwerp Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening)
en 250 hectare bedrijventerreinen. Daarvoor wordt allereerst een
oplossing gezocht in het intensiever gebruik van de ruimte in de
stedelijke centra en in de herstructurering van de vroegnaoorlogse
wijken. Maar als dat onvoldoende soelaas biedt, komt een derde optie
in beeld: nieuwe uitleg rond de kernen, dus boven op het forse ruimtebeslag
van de huidige Vinex-uitbreidingen.
De glastuinbouw wordt nog immer met omzichtigheid aangepakt. De
reductie van glas blijft beperkt en de uitplaatsingen moeten zo
dicht mogelijk bij Haaglanden plaatsvinden. Zuid-Holland wil in
ieder geval het zelfde areaal glastuinbouw binnen zijn grenzen houden.
Water en vervoer
Water moet eerder sturend dan volgend zijn, zo luidt een belangrijk
uitgangspunt van de hedendaagse ruimtelijke ordening. In dit opzicht
schiet het Structuurplan tekort, en dat voor een gebied waar het
probleem van de wateroverlast door het extreem hoge percentage verhard
oppervlak zo groot is. De waterkansenkaarten van de hoogheemraadschappen
Delfland, Schieland en Rijnland zijn in dit verband onmisbare achtergronddocumenten.
Welke gebieden moeten voor waterberging worden gereserveerd, waar
kan nog conventioneel worden gebouwd, ook als het om kassen gaat
en waar verdient het de voorkeur dat amfibische vormen van woningbouw
en glastuinbouw ontwikkeld worden? Een centrale stedenbouwkundige
ontwerpopgave voor deze regio wordt veel te summier, ja zelfs enigszins
verholen geformuleerd in het Regionaal Structuurplan, laat staan
naar behoren uitgewerkt.
Wat het vervoer betreft stellen de railplannen teleur. In het kader
van de Randstadrail wordt per saldo weinig nieuwe rails aangelegd,
zeker niet op korte termijn. Den Haag Zuid en West blijven in hun
relatieve openbaarvervoerisolement steken. De Zuidtangent (lijn
37: Kijkduin-Delft-Pijnacker-Zoetermeer) krijgt slechts een plaatsje
in het zogeheten Agglonet, een aanvullend net van tram- en buslijnen.
Als we niet uitkijken wordt die lijn 37 een uit zijn krachten gegroeide
HTM-buslijn 23. En hoe lang is het nog wachten op de ZoRolijn (Zoetermeer-Rotterdam).
Verbindingen vanuit Kijkduin en Den Haag Zuidwest naar Hoek van
Holland en de noordoever van de Nieuwe Waterweg ontbreken geheel.
Voor een ecologisch verantwoorde ontwikkeling van landschap, toerisme
en recreatie in de kustzone tussen Kijkduin en Hoek van Holland
vormt een kusttramlijn een onontbeerlijk onderdeel. En wat betreft
het wegvervoer: een mogelijk onafwendbare aanleg van de A4 moet
gepaard gaan met een uitdunning en statusvermindering van parallelle
wegen (in dit geval van de A13), twee parallelle snelwegen zo vlak
bij elkaar is een nodeloze versnippering van het landschap.
Offensief en creatief
Haaglanden - groene schakel in de Randstad - dat is de centrale
leus van het Structuurplan. De kwaliteit van de regio is volgens
het plan gelegen in zijn groene karakter en zijn ligging aan zee.
Die kwaliteit is echter al danig aangetast. Wie zich de kaart van
Haaglanden voor de geest haalt, ziet enorme stukken die absoluut
geen 'groene' kwaliteit hebben, overigens vaak ook weinig stedelijke
of andere ruimtelijke kwaliteit. Het geschetste beeld van de huidige
situatie in het RSP is te positief, te zelfgenoegzaam. Een hoger
ambitieniveau is nodig, niet alleen in de 'groene' sector; aan de
orde is kwaliteitsimpuls over de hele bandbreedte. In dit verband
verdienen de volgende projecten een offensieve en creatieve strategie.
Midden-Delfland
De identiteit en ruimtelijke kwaliteit van deze 'groene buffer'
tussen de Haagse en Rotterdamse agglomeratie is na het binnen afzienbare
tijd aflopen van de speciale status die dit gebied had in het geding.
Weliswaar is Midden-Delfland inmiddels een zogeheten Belvedèregebied
(dat om cultuurhistorische redenen volgens de zogeheten Belvedèrenota
van staatssecretaris Rick van der Ploeg aandacht en bescherming
geniet), maar met het louter in stand houden van een landschap komt
men er niet. Wie dit gebied niet wil degraderen tot de kinderboerderij
van de zuidvleugel van de Randstad, moet een innovatief agrarisch
programma ontwikkelen voor dit bij uitstek agrarische cultuurlandschap,
bijvoorbeeld als proeftuin op het gebied van de biologische veehouderij
en agrarisch natuurbeheer.
Westlandse zoom
Deze kustuitbreiding biedt ongekende kansen op ecologisch, landschappelijk,
recreatief en toeristisch terrein: haffen, lagunes, eilanden, baaien,
verschillende milieus van zoet naar zout, en wat dies meer zij.
Als men daarbij maar niet in de oude fout vervalt om 'het nieuwe
land' puur als dumpplaats te zien van functies waarvoor op het oude
land geen plaats meer is. De in het Structuurplan geplande landschappelijke
ontwikkeling van de Westlandse kustzone (d.m.v. van uitplaatsing
van oude glastuinbedrijven vlak achter de zeereep) blijft een doodgeboren
kindje als een kustuitbreidingsplan niet van de grond komt. Het
blijft dan een geïsoleerde, tamelijk smalle strook, ingeklemd
tussen een kaarsrechte dunne duinenrij aan de ene kant en een zee
van kassen aan de andere kant. De bestuurders die van de zogeheten
Westlandse Zoom een hoogwaardige woonlocatie willen maken, zullen
hier ook iets moeten doen aan de belevingswaarde van de kust en
daar hoort ook een fikse ecologische investering bij.
De Groenblauwe Slinger
Deze slinger is een (met name door de provincie genitieerde)
beoogde groene en blauwe verbinding tussen Groene hart en Oude Rijn
enerzijds en Midden-Delfland en Nieuwe Waterweg anderzijds. Deze
is in zijn huidige omvang en opzet niet levensvatbaar. Een probleem
van de slinger is de smalle corridor tussen Pijnacker en Berkel-Rodenrijs.
Deze flessenhals biedt in de nu voorgestelde opzet te weinig ecologische
mogelijkheden om als verbinding voor plant en dier dienst te kunnen
doen. Natuurmonumenten heeft om die redenen er al voor bedankt dit
gebied te beheren. Of er voor de recreant genoeg te beleven valt,
is twijfelachtig. Met al die geplande Vinex-nieuwbouw eromheen gaat
zoiets toch al snel op de zoveelste suburbane groenzone lijken.
Wie de Groenblauwe Slinger wil redden moet inzetten op verbreding
op het kritieke punt, dus niet alleen ten oosten, maar ook ten westen
van Pijnacker (daar zouden wel flink wat hectaren glastuinbouw voor
moeten verdwijnen), zodat ook Delfste Hout/ Bieslandse Bos uit hun
relatieve isolement gehaald kunnen worden en er vanuit de Vinexwoningbouwlocatie
Ypenburg directe en aantrekkelijke verbindingen met Midden-Delfland
ontstaan. Kijk, dan krijg je iets waar de mensen zich wat bij kunnen
voorstellen. Nu is de Groenblauwe Slinger een begrip waar de gemiddelde
Haaglander zich weinig bij voor kan stellen. Blijft dit in aanzet
belangrijke project in het stadium van 'too late too little' steken,
dan kan het beter maar helemaal opgegeven worden, dan is het zonde
van alle geld en energie. Niemand zit te wachten op de groene kleren
van de gedeputeerde.
Steven van Schuppen en Dick Ooms, AVN
MADESTEIN
Geachte redactie,
In tegenstelling tot wat u suggereert in het artikel over Madestein
in het september/oktober nummer van Branding, wordt de planontwikkeling
rond het gebied Madestein wel degelijk bekeken in een groter geheel.
Ik wil dit graag in deze reactie toelichten.
Westlandse Zoom
Midden oktober is een concept-structuurvisie gereed voor de Westlandse
Zoom.
De structuurvisie dient vorm te geven aan een integrale kwaliteitsverbetering
van de Westlandse Zoom, waarbij de te ontwikkelen dan wel te verbeteren
groenblauwe inrichting en het infrastructurele netwerk het kader
bieden voor in het gebied te realiseren (luxe) woningbouw. Onder
andere worden in de concept structuurvisie ecologische verbindingszones
aangegeven. De structuurvisie bestrijkt een periode tot 2020, daarom
is gekozen voor een kader waarbinnen nog verschillende ontwikkelingen
mogelijk zijn. Uitgangspunt is echter wel dat de woonzones zodanig
worden ontwikkeld dat zij voldoen aan een algemene verbetering van
de ruimtelijke kwaliteit en het recreatieve netwerk in de Zoom.
De ontwikkelingen in het gebied Madestein passen binnen deze concept
structuurvisie.
Financiën
In de intentieovereenkomst met de betrokken partijen is bepaald
dat zo nodig uit de groenfondsen van de deelnemende partijen zal
worden bijgedragen aan financieel zwakke functies. Voor zover water-
en groenvoorzieningen in het plangebied Madestein worden gerealiseerd,
zijn de hiermee gemoeide kosten opgenomen in de grondexploitatie
en is dus geen bijdrage nodig uit de groenfondsen van de deelnemende
partijen.
In de structuurvisie Westlandse Zoom zal een overzicht worden opgenomen
van geraamde kosten voor water- en groenvoorzieningen in het totale
gebied van de Westlandse Zoom. Duidelijk is dat hiervoor een collectieve
financiering zal komen. Deze ramingen zijn mede kostendrager van
de ontwikkelingen en daarmee essentieel voor het behalen van het
beoogde kwaliteitsniveau. Op welke wijze deze pot gevuld gaat worden
(opbrengsten van de woningbouwontwikkeling, vaste bijdragen of specifieke
fondsen) is nu nog niet duidelijk, maar de collectiviteit bij de
overeengekomen intenties vergt een financiële inspanning van
alle daarbij betrokken partijen.
Het plan Madestein heeft in een voorcalculatie een positief saldo
dat circa 10% bedraagt van de geraamde investeringskosten. Vooralsnog
is dat een bescheiden marge ter dekking van de mogelijke risico's,
welke zich bij de planontwikkeling kunnen voordoen. Onvoorziene
procedurele vertraging is trouwens één van die moeilijk
beheersbare risico's.
Waterplan
De locaties aan de Monsterseweg en de Nieuwe Weg liggen buiten het
plangebied van villawijk Madestein.
De locaties zijn opgenomen in het Waterplan Den Haag 1998, dat bestaat
uit een beleidsdeel en een operationeel deel. In het Waterplan is
aangegeven, dat uitvoering is gepland na 2002.
Vijfde Nota, groter verband
Van de 5e nota is alleen deel I verschenen waarin voornemens van
het Rijk zijn vastgelegd, maar nog geen beleid. Momenteel loopt
de inspraakronde. De partijen die betrokken zijn bij de opstelling
van de structuurvisie zijn van mening dat de Nota onvoldoende ruimte
biedt voor de beoogde ontwikkelingen in de Zoom, waarbij de structuurvisie
Westlandse Zoom een poging is om ingang te krijgen op rijksniveau.
Het uiteindelijke ruimtelijke beleid vindt zijn neerslag in deel
III - de planologische kernbeslissingen.
Overigens heeft de gemeente haar bezwaren tegen dit onderdeel van
de 5e nota meteen kenbaar gemaakt en ook gewezen op discrepanties
met andere doelstellingen van rijksbeleid, met name vervat in het
Grote Steden Beleid.
De herziening van Streekplan ZHW uit 1995 is in gang gezet. De
Structuurvisie Westlandse Zoom is hiervoor een opmaat. De structuurvisie
Westlandse Zoom wordt in samenwerking met de provincie opgesteld.
De provincie is tevens deelnemer in de intentieovereenkomst en ondertekenaar
van het convenant, met een inspanningsverplichting ten aanzien van
een voortvarende procedurele behandeling van o.a. het plan Madestein.
Midden oktober is de concept structuurvisie Westlandse Zoom gereed.
Op basis hiervan zal het voorontwerp bestemmingsplan Madestein door
de Provinciaal Planologische Commissie worden beoordeeld. Aldus
wordt de planontwikkeling Madestein ingepast in een groter, regionaal
kader.
Beeldkwaliteitplan
Ter bewaking van o.a. de ecologische kwaliteiten zullen bij de uitgifte
van de grond voorwaarden worden gesteld inzake de inrichting van
het gebied en de kavels, het realiseren van erfafscheidingen, de
gewenste bebouwingsvorm etc.
Hoogbouw
Naar aanleiding van de inspraakreacties op het voorontwerpbestemmingsplan
is aan de ontwerpers van het stedenbouwkundig plan (Karelse van
der Meer/Bosch en Slabbers) aanvullend opdracht gegeven om nader
onderzoek te doen naar de bebouwingsvorm en de situering van de
geprojecteerde hoogbouw, dan wel naar consequenties voor ruimtebeslag
en stedenbouwkundige kwaliteit bij een vergelijkbaar woningaantal
in een lagere bebouwingsvorm.
Uitgifte van openbaar gebied aan eigenaren
Uitgangspunten voor het beheer en onderhoud van het openbaar groen
zijn vastgelegd in het Groenbeleidsplan en opgenomen in het Programma
van eisen voor de inrichting openbare ruimte en in het gemeentelijk
Groenbeheersysteem. Met de particuliere eigenaren zal te zijner
tijd een beheerconvenant worden gesloten, waarin zal worden vastgelegd
welke partij verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud en
aan welke eisen moet worden voldaan. Gezien het ambitieniveau van
het plan is te verwachten dat deze eisen het standaardprogramma
voor de inrichting van openbare ruimte eerder zullen overschrijden.
Functie Recreatiegebied / Buurtpark
Voor de toekomstige bewoners zal het recreatiegebied plaatselijk
functioneren als 'buurtpark'. Recreatiegebied Madestein blijft verder
uiteraard behouden als publieke voorziening op stedelijk en regionaal
niveau. Voor het recreatiegebied wordt een ontwikkelingsvisie opgesteld
in een open planproces met belanghebbenden. Eén van de uitgangspunten
daarvoor is de ecologische functie van het recreatiegebied.
In de nieuwe planopzet ontstaan door concentratie van openbare ruimte
(o.a. de Brink in het deelplan Bomen) juist nieuwe interessante
en toegankelijke verblijfsgebieden. Verder krijgt Madestein straks
door een beter netwerk van doorgaande langzaam verkeersroutes betere
aansluiting met de omgeving.
Ten aanzien van de conclusie
Een in volgorde geschakelde en zonder anticipaties volledig te doorlopen
procedure lijkt wel heel correct en zorgvuldig, maar zal de facto
juist tot een niet te beheersen, voor alle betrokkenen slechtere
uitkomst leiden.
Het momentum van de ontwikkelingen in de glastuinbouw enerzijds
en in de woningmarkt anderzijds gebiedt nú principieel te
kiezen voor ofwel handhaving met reconstructie van het tuinbouwareaal
ofwel herbestemming tot een hoogwaardig woon- en recreatiemilieu
waar per saldo de functies rood én groen versterkt worden.
De Haagse gemeenteraad heeft voor de laatste optie gekozen, overigens
na goed overleg met de belanghebbenden in de lokale tuinbouw. Ook
uit de intentieovereenkomst Westlandse Zoom blijkt de voorkeur voor
deze optie bij de andere partijen.
Teveel tijdverlies en onzekerheid met betrekking tot de uitkomst
van te doorlopen procedures zal in de praktijk leiden tot het onduidelijk
continueren van een verpauperend tuinbouwareaal, verlies van gemeentelijke
regie op grond- en ontwikkelingsposities, sterk afnemende mogelijkheden
tot het nemen van risico's nodig voor herbestemming tot hoogwaardige
woon- en recreatiefuncties en uiteindelijk ook tot het wegvallen
van de basis voor financiering van bijvoorbeeld ecologisch gewenste
maatregelen elders.
A.J Hilhorst, wethouder ROSV Den Haag
In Branding nr. 2 september/oktober wordt
onder de kop: 'De kwestie Zwarte Madonna: een zwarte bladzijde?',
de plannen van de gemeente Den Haag in het Wijnhavenkwartier besproken.
Bij deze wil ik enkele kanttekeningen plaatsen bij de inhoud van
dit artikel.
Vernieuwing van het centrum
Vijftien tot twintig jaar geleden had het centrum van Den Haag
een ander gezicht en een andere uitstraling. De vernieuwing die
de afgelopen jaren heeft plaats gevonden, de ontwikkeling van het
nieuwe stadhuis en de Resident geven Den Haag als stad een meerwaarde.
Het Wijnhavenkwartier ligt naast het Centraal station en is de verbinding
tussen station en centrum. Verbetering van dit gebied past in de
integrale aanpak van de binnenstad. Het gebied heeft een belangrijke
functie als toegangspoort en centraal gebied in het centrum van
de stad Den Haag. Voor de invulling daarvan is de studie van Richard
Meier het uitgangspunt, maar de definitieve architectonische uitwerking
is nog niet gekozen en vastgesteld en daarbinnen bestaat ruimte
voor overleg en betrokkenheid.
Om meer achtergrondinformatie te krijgen over de ideeën die
leven rondom de studie van het Wijnhavenkwartier werden in de maand
oktober van dit jaar consultatierondes georganiseerd waarbij opinieleiders,
bewonersorganisaties, ondernemers, architecten en historici gevraagd
werdt hun ideeën, wensen en opmerkingen te formuleren met betrekking
tot de invulling en vormgeving van het gebied.
Hergebruik
Bij een eerdere studie naar renovatie van de ministeries bleek
dat indien men gebruik maakt van het bestaande skelet, er meer vierkante
meters per werkplek ontstaan dan strikt noodzakelijk. Een totaal
nieuw stedenbouwkundig concept maakt meer kwaliteit en een hogere
dichtheid mogelijk.
Bij sloop van de Zwarte Madonna en de twee ministeries wordt materiaal
hergebruikt, zij het op een andere manier. In overeenstemming met
de eisen voor een sloopvergunning, moet namelijk circa 95 procent
van de afvalstoffen geschikt zijn om afgevoerd te worden naar verwerkingsinrichtingen.
Daar wordt bijvoorbeeld beton verwerkt tot secundaire grondstof
voor de fundering van rijkswegen.
Daarnaast vindt er momenteel onderzoek plaats naar gebruik van betongranulaat
als vervanging van grind. Dat heeft als milieueffect dat er minder
grind afgegraven hoeft te worden langs rivieren als de Maas.
Verscheidenheid in woningbouw
Ook mensen met een kleinere beurs moeten in het centrum kunnen
blijven wonen. Er is geen sprake van dat woningen worden opgeofferd
aan kantoren. Er komen 500 woningen waar nu 336 staan. De sociale
huurwoningen die in het nieuwe plan komen (tenminste 100) zijn net
zo betaalbaar als andere nieuwe sociale huurwoningen. Daarnaast
worden in de binnenstad rond de 200 woningen extra gebouwd in de
prijsklasse van de Zwarte Madonna, waarbij rekening wordt gehouden
met de marktontwikkelingen.
Met de woningbouwcorporatie Haag Wonen wordt zorgvuldig overleg
gepleegd over de herhuisvesting van de bewoners van de Zwarte Madonna
en momenteel worden de woonwensen van de bewoners geïnventariseerd.
Het is zeker niet zo dat alle bewoners tegen sloop van het gebouw
zijn of niet bereid zijn te verhuizen. Dat neemt niet weg dat een
verhuizing een ingrijpende verandering is in iemands leven, maar
dit kan ook een verbetering van de woonsituatie betekenen.
Daarnaast heeft onderzoek uitgewezen dat de binnenstad in hoofdzaak
over goedkope woningen beschikt en we willen de binnenstad nu juist
ook voor andere (doel)groepen toegankelijk te maken. Er zullen koopwoningen
worden gebouwd met een grote differentiatie in prijsklassen. Een
gedifferentieerd woonmilieu heeft in het algemeen een gunstig effect
op het woon-, leef- en vestigingsklimaat.
Verder wordt ruimte gecreëerd voor diverse én stedelijke
én dienstverlenende functies - zoals kinderdagopvang, sportvoorzieningen,
winkels, restaurants en een hotel - die het werken en wonen in het
Wijnhavenkwartier meerwaarde geven.
Kansen en mogelijkheden
Ik wil de ontwikkelingen in het Wijnhavenkwartier graag benoemen
in termen van kansen en mogelijkheden. Het is voor de stad Den Haag
niet moeilijk gebleken om investeerders te vinden.
Van de ruim vijf miljard die in Den Haag Nieuw Centrum is geïnvesteerd
is vier miljard afkomstig van marktpartijen. De Resident is - afgezien
van de openbare ruimte - door private financiers betaald. Dit soort
ontwikkelingen kunnen op gang worden gebracht door de overheid.
Dat is in het verleden effectief en succesvol gebleken (stadhuis
- centrum, Hogeschool - Laakhaven). Het CS-kwadrant is absoluut
kansrijk. De markt staat daar klaar om te investeren.
Daarnaast is de overheid in Den Haag de grootste en één
van de meest waardevolle werkgevers. We kunnen niet zomaar voorbijgaan
aan de wensen die deze werkgever heeft ten aanzien van de huisvesting
en de urgentie van de vernieuwing.
De ontwikkeling van het Wijnhavenkwartier biedt kansen en mogelijkheden.
In sociaal-cultureel, (sociaal) economisch en stedenbouwkundig opzicht.
Het moet en kan er op die plek leefbaarder en aantrekkelijk uit
gaan zien. Over de uiteindelijke invulling kun je van opvatting
verschillen, maar de intentie is het gebied te verbeteren. Dat lijkt
me een positieve inzet.
A.J. Hilhorst, wethouder ROSV Den Haag
|