Branding - Archief  

 

RUIMTELIJKE ORDENING, DUURZAAM BOUWEN EN WONEN

 

Met duurzaam scoort Den Haag zeker
Much ado about soccer (Branding nr.10 juni/juli 2003) ...meer

Ypenburgse cultuurhistorie in de verdrukking (Branding nr.10 juni/juli 2003) ...meer

Denk mee over de Vlietzone (Branding nr.10 juni/juli 2003) ...meer

Op weg naar een duurzaam stadsdeelkantoor (Branding nr.10 juni/juli 2003) ...meer

Over het Prins Clausplein en het voetbalstadion (Branding nr. 9 april/mei 2003) ...meer

Rood voor Groen als successtrategie (Branding nr. 8 februari/maart 2003) ...meer

Glastuinbouw is keihard economisch gegeven (Branding nr. 6 september/oktober 2002) ...meer

DE WESTLANDWISSELTRUC VAN DEETMAN (Branding nr. 5 mei/juni/juli 2002) ...meer

ROMBO, een naam om te onthouden (Branding nr. 5 mei/juni/juli 2002) ...meer

DEN HAAG EN HET DUURZAME BOUWEN (Branding nr. 4 februari/maart 2002) ...meer

Duurzaam Bouwen op Wateringse Veld (Branding nr. 4 februari/maart 2002) ...meer

WIE HET EERST ONDERHANDELT, ONDERHANDELT HET BEST? (Branding nr. 4 februari/maart 2002) ...meer

REGIONAAL STRUCTUURPLAN HAAGLANDEN (Branding nr 3 november/december2001) ...meer

MADESTEIN (Branding nr 3 november/december2001) ...meer

Vernieuwing van het centrum (Branding nr 3 november/december2001) ...meer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met duurzaam scoort Den Haag zeker
Much ado about soccer

Profvoetballers bij ADO verdienen niet onaardig. Toch moet hun salaris misschien worden aangevuld met een post gevarengeld. Want als ze in het nieuwe stadion nabij het Prins Clausplein gaan spelen lopen ze aanzienlijke gezondheidsrisico's. De goede bereikbaarheid per auto zou het stadion wel eens fataal kunnen worden. En er kleven méér bezwaren aan.

De gemeenteraad heeft gesproken: er zal 33,5 miljoen euro van de Haagse begroting worden gespendeerd aan een nieuw stadion voor de lokale trots ADO. Het zal worden gebouwd in de oksel van het Prins Claus-plein, waar het verkeer op de snelwegen A4 en A12 zijn pirouettes draait.
Als de meerderheid van de raad ervoor kiest om zoveel geld in deze jongensdroom te steken, zorg er dan wel voor dat je op duurzaamheid scoort! Niet voor niets stelt het Haagse Milieubeleidsplan een CO2-neutrale stad in het vooruitzicht. En dat er tal van mogelijkheden zijn, is gebleken in Sydney. Voor de Olympische Spelen aldaar heeft Greenpeace een totaalpakket ontworpen, dat ook grotendeels is gerealiseerd.

Uit de woorden van wethouder Wilbert Stolte in de gecombineerde commissievergadering van eind april klonk niet al teveel ambitie door als het om duurzaamheid gaat. De wethouder sportzaken noemde de mogelijkheid van een EnergiePrestatieNorm en van gerecyclede stoeltjes. Eerder kwam al de mogelijkheid van grijswater ter sprake. Toch blijft het marginaal. Stolte gaf aan dat de gemeente zelf geen opdrachtgever voor de bouw van het stadion is, en dat zijn mogelijkheden dus beperkt zijn. Dat is formeel waar, maar materieel verstrekt de gemeente een hoop geld voor de bouw. En als ze dat wil kan ze daarmee natuurlijk haar duur-zaamheidsambities als randvoorwaarde in de uitwerking van het bouwplan stellen.

Eisenpakket
En die ambities zijn - of althans wáren - er wel degelijk. Vanuit de gemeente was er een heel pakket aan duurzaamheideisen gesteld, waarmee de architecten en bouwers nauwelijks wat gedaan hebben. Iets dat het college heeft geaccepteerd omdat het erg gecharmeerd was van het winnende ontwerp. De bijzaken (zo wordt het milieu kennelijk ervaren nu het puntje bij het paaltje komt) zijn daaraan ondergeschikt gemaakt. Het Haags Milieucentrum (HMC) vindt dat de gemeenteraad dit niet mag accepteren.

We noemden al even de gezondheidsrisi-co's voor de balartiesten die in het nieuwe stadion gaan optreden. Deze worden veroorzaakt door de slechte luchtkwaliteit als gevolg van de ligging vlakbij twee snelwegen. De Europese normen worden overschreden. Amateursporters kunnen vanwege die slechte luchtkwaliteit niet in het stadion terecht. Maar voor profvoetballers gelden andere regels, want zij zijn werknemers…

De bereikbaarheid van het stadion per openbaar vervoer en fiets is voor het HMC een centraal punt. Op zich zou deze locatie in de oksel van verkeersriolen acceptabel zijn als er een enorme sprong voorwaarts geboekt zou kunnen worden in de bereikbaar per openbaar vervoer. Maar de afstanden tot het nieuwe NS-station en de nieuwe tramhalte (als die tram er komt) zijn veel te groot: één kilometer, dat is 10 minuten stevig doorlopen. Los van het veiligheidsaspect - de politie zal dit ook wel als een recept voor ellende beschouwen - zijn deze afstanden onaanvaardbaar.
De openbaarvervoerhaltes en het stadion moeten dus op de een of andere manier dichter bij elkaar worden gesitueerd. Anders moet de conclusie luiden dat op dit centrale punt de locatie niet geschikt is en kan ADO beter blijven spelen waar ze nu doet - in een opgeknapt stadion.

De parkeermogelijkheden voor het privévervoer zijn prima geregeld. Voor auto's is er een ruime parkeerplaats. Maar waarom is deze gelijkvloers, wat een enorme ruimteverspilling met zich meebrengt? Voor de fiets wordt er een forse inpandige fietsenstalling gebouwd.

Fietsende supporters
Maar over hoe fietsers het stadion moeten bereiken, maken we ons zorgen. Zoals bekend heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg bezwaren tegen de fietsroute door de winkelstraat. Het normale fietsverkeer richting Oud-Voorburg op het huidige fietspad zal hinder ondervinden van de supportersbussen die over het verdiepte fietspad moeten. Zowel het gemeentelijke Meerjarenprogramma Fiets als het regionale fietspadenplan van Haaglanden voorziet in een nieuwe route onder het Prins Clausplein door en in een nieuwe fietsbrug over de Vliet bij Hofwijk. Gezien de voorgeschiedenis vrezen we echter dat met name die laatste er nog niet zal zijn tegen de tijd dat het stadion er ligt. Mede gezien de overlast die gemeente Leidschendam-Voorburg vreest zou een bijdrage van deze gemeente redelijk zijn.

Het is te hopen dat de KNVB of het bevoegd gezag nooit zullen besluiten om niet op zaterdag of zondag te spelen. Anders gaat het hele verhaal over de goede bereikbaarheid per auto niet meer op, en zou de bereikbaarheid per openbaar vervoer en fiets wel eens een reddingsplan kunnen zijn voor de verkeersellende die we dan kunnen verwachten.

Tom Pitstra,
Haags Milieucentrum

Het HMC heeft bij de gemeenteraad gelobbyd om het ADO-stadion duurzamer te laten maken. Op 15 mei debatteerde de raad over het nieuwe stadion. Van de tientallen moties over allerlei hoofd- en bijzaken ging er opvallend genoeg geen enkele over de duurzaamheid, terwijl uit het debat bleek dat een meerderheid er waarschijnlijk wel vóór zou stemmen. Wel stelden diverse fracties het thema aan de orde en op het laatste moment had wethouder Stolte in een brief aan de raad geschreven, dat er extra aandacht aan de duurzaamheid van het stadion zou worden besteed. Met deze kleine en wat vage stapjes vooruit nam de raad genoegen.

Merkwaardig was dat enkele partijen die principieel tegen de nieuwe locatie zijn, om die reden geen motie wilden indienen om de duurzaamheid te bevorderen. Alsof ze dan opeens vóór het voorstel moesten stemmen als de motie zou worden aangenomen. Zo zet je jezelf aardig buitenspel. Ook al ben je in hoofdlijnen tegen een voorstel, je kunt altijd proberen zo'n voorstel waar je tegen stemt te verbeteren.

Er is nu afgesproken dat de gemeente serieus bekijkt of gelden die de Haagse bevolking via de energierekening heeft opgebracht en die nog steeds in de portemonnee van ENECO zitten, voor een energiezuiniger stadion kunnen worden aangewend.
Door onze inzet zijn stapjes vooruit gezet en is de discussie over de luchtkwaliteit indringend gevoerd. Wij wachten nu even af wat dit oplevert, want er bestaan nog tal van kansen om duurzame maatregelen te nemen. Niettemin: dat duurzaamheideisen niet vanaf het begin een belangrijke rol hebben gespeeld is op zijn minst een gemiste kans.

 

 

 

 

Ypenburgse cultuurhistorie in de verdrukking

Ypenburg, 10 mei, 13.00 uur. Een menigte van ruim 200 oud-strijders en andere belangstellenden verzamelt zich bij het herdenkingsmonument voor het voormalige stationsgebouw van Vliegveld Ypenburg. Ze herdenken een bijzonder stukje geschiedenis.

Op 10 mei 1940 vochten het Nederlandse en het Duitse leger hier namelijk de slag om Ypenburg uit. Met een snelle inname van Ypenburg wilden de Duitsers voorkomen dat Koningin Wilhelmina met haar familie via deze luchthaven het land zou verlaten. De slag bij Ypenburg is een historisch zeer belangrijke uitzondering op de reeks Nederlandse nederlagen in het eerste oorlogsjaar. Doordat de Duitsers daar verslagen werden en hun opmars werd opgehouden, kregen de Oranjes de gelegenheid om per boot naar Engeland te vluchten. Bij de slag sneuvelden 95 Nederlandse militairen.

Deze plek is ook nog doordrongen van een ander stukje geschiedenis, namelijk die van de Nederlandse luchtvaart. Het stationsgebouw met zijn prachtige verkeerstorentje is een kleinood van architectuur. Het gebouw, in 1936 in gebruik genomen, werd ontworpen door Brinkman en van der Vlugt, de architecten van de beroemde Van Nelle-fabriek en het Feyenoordstadion. Het was bedoeld voor de kleine sportluchtvaart en werd midden jaren vijftig overgenomen door de Koninklijke Luchtmacht. Voor en na de oorlog stroomden duizenden mensen naar het vliegveld om vanaf een tien meter brede dijk eromheen te genieten van vliegfeesten en te zwaaien naar de piloten. Of men toog naar het vliegveld voor een rondvlucht boven Den Haag en Scheveningen.

Tweehonderdduizend bezoekers bezochten in 1957 de Gouden Internationale Luchtvaart-show Ypenburg (ILSY). Dit vliegfeest werd bijgewoond door de voltallige Koninklijke familie en als nationaal gebeuren rechtstreeks op de televisie uitgezonden. Ook stonden er duizenden toeschouwers in de omliggende straten en weilanden en op de Hoornbrug van deze show te genieten.
Maar dit alles kon niet verhinderen dat vliegveld Ypenburg in 1991 gesloten werd.

Eigen karakter
De bijzondere combinatie van een monument met een historisch gebouw biedt natuurlijk een uitgelezen kans om een nieuwbouwwijk als Ypenburg een eigen karakter te geven. Zo'n eigen karakter is van groot belang voor de leefbaarheid van een nieuwe wijk. Dan gaat het om het uitbuiten van alles wat in het gebied al (van nature) aanwezig is. Beeldbepalende gebouwen, maar ook bijzonderheden van het landschap en de natuur, zoals meertjes, dijken, waterlopen enzovoort. Deze elementen geven speelsheid aan een wijk en doorbreken de eenvormigheid en massieve uitstraling van nieuwbouw. Zij bieden ook coördinatiepunten voor de bewoners en geven een wijk en zijn bewoners identiteit.
Deze manier van ontwerpen bevordert de hechting van bewoners aan hun wijk, en daarmee hun betrokkenheid bij hun directe omgeving. Het maakt een wijk leefbaarder en duurzamer en kan ervoor zorgen dat die voor de generaties die nog komen aantrekkelijk blijft.

Het oude stationsgebouw, laag en langgerekt, ligt aan de rand van Ypenburg. In de ontwerpopgave had het prachtige uitzicht op dit gebouw met goede zichtlijnen vanuit de woningen vrijgelaten moeten worden en de woningbouw had er direct op aan moeten sluiten. Dat kon bijvoorbeeld met een ruim grasveld voor het gebouw, waarop de bewoners ook hadden kunnen recreëren. Die kans is echter niet ge-grepen bij het ontwerp van deze Vinexlocatie en dat is een enorme misser.

Marginaal bestaan
Maar het kan nog erger. Sinds vorig jaar wordt het stationsgebouw grotendeels aan het zicht vanuit de wijk onttrokken door een bedrijfsgebouw dat er schuin voor staat. De bewoners werden (en worden) niet op de hoogte gehouden van de plannen op dit bedrijventerrein, en waren dus onaangenaam verrast toen de bouw begon. Nadat dit eerste bedrijfsgebouw oprees, is er contact opgenomen met de gemeente Den Haag over verdere bouwplannen, maar daar is nooit iets op teruggehoord. Een paar maanden geleden werd gestart met de voorbereidingen voor een nieuw bedrijfsgebouw, dat het zicht op historisch Ypenburg vrijwel geheel zal wegnemen. Hierdoor wordt het mooie historische gebouw veroordeeld tot de vergetelheid en een marginaal bestaan in een afgezonderd stukje van een groot bedrijventerrein.

De vraag is dus gerechtvaardigd waarom de gemeente Rijswijk en later Den Haag niet hebben ingegrepen toen het nog kon. We weten bovendien dat de kantorenmarkt al geruime tijd aan het instorten is. Overal in de buurt van Ypenburg staan duizenden vierkante meters bedrijfsgebouw al lange tijd te huur. Men kan ze aan de straatstenen niet kwijt. Ook het kantoor dat nu het zicht belemmert staat al meer dan een jaar grotendeels leeg en dat steekt des te meer.

Dat is niet het enige. Ongeveer het meest schaarse goed dat we in Nederland hebben is ruimte. De open, groene ruimte wordt in snel tempo aangetast. Daarmee verdwijnen het landschappelijke karakter van Nederland, de natuur en de soortenrijkdom, de mogelijkheden voor waterberging, voor recreatie, en voor het genieten van rust en ruimte. We zijn onszelf aan het inrijgen in een korset van asfalt en beton, onder meer door de bouwdwang van grote ondernemingen die alleen eurotekens in de ogen lijken te hebben.

Compacter bouwen
Ook op Ypenburg wordt dit schaarse goed op grove wijze verspild. De kantoren en bedrijfspanden, zoals die van Van Gend en Loos, zijn er bijzonder laag met veel ruimte eromheen. En dat in een tijd waarin tientallen nota's verschijnen en congressen worden gehouden over manieren om ruimte te sparen en open te laten. Van dubbel ruimtegebruik, het verweven van functies, compacter bouwen met verdichting in woongebieden en tegelijkertijd een kwaliteitsimpuls voor de stad lijken de bouwers op Ypenburg nog nooit gehoord te hebben.

Hetzelfde geldt voor de situering van het bedrijventerrein langs de A4. Inmiddels is het gemeengoed om direct langs een snelweg juist hoge bedrijfspanden op te trekken die tevens dienst doen als geluidsscherm voor de woningen. Zo niet op Ypenburg. Wordt het niet eens tijd voor een goed gesprek tussen de gemeente Den Haag en het industrieschap Plaspoelpolder (waar de gemeente Den Haag overigens zelf in zit), dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein? Dit om te voorkomen dat op de rest van het nu nog open terrein voor de leegstand gebouwd wordt en het zicht en de leefbaarheid van bewoond Ypenburg nog verder worden aangetast.

Wat er, om maar iets te noemen, nog mogelijk is, is een mooie route vanuit het woongedeelte naar het oude stationsgebouw, uitmondend in een parkje met groot grasveld rond het gebouw. Met bijvoorbeeld van die prachtige snelgroeiende Italiaanse populieren langs de weg. Breng er ook wat water in, een plek om te skeeleren en wat speelwerktuigen. Zo kan er recreatief leven vanuit de wijk naar deze plek getrokken worden. Een plek die dit meer dan verdient. Een gemiste kans zal het echter altijd blijven, want terugdraaien en opnieuw beginnen kan niet meer.

Frans van der Steen
Met dank aan de heren Van Mil en Doorduin van de Stichting Historisch Ypenburg en de bewonersorganisatie voor hun informatie.

 

 

 

Denk mee over de Vlietzone

Tussen de Vliet en de snelweg A4 en tussen Rijswijk en Leidschendam ligt een ietwat diffuus gebied. Zoals verreweg de meeste stadsranden combineert het een groot aantal functies. Er liggen volkstuinen, graslanden, sportvelden, golfterreinen, bedrijvencomplexen en zelfs een vogelreservaat. Als we u vertellen dat pretpark Drie-vliet in dit gebied ligt, zult u onmiddellijk weten waar we het over hebben. Gemaks-halve zullen we het gebied aanduiden als de Vlietzone.

De overwegende indruk die het gebied maakt is een groene, maar de vraag is of dat zo blijft. Het Haagse gemeentebestuur ontwikkelt plannen om er een soort nieuwe, grootschalige stadspoort van te maken, in een brede kring rond het Prins Clausplein.

Daar is niet iedereen het mee eens. Zoals het Stadsgewest Haaglanden, dat van mening is dat het gebied zich zou moeten ontwikkelen tot een groene stepping stone halverwege Vlietlanden en de Zwethzone. Ook kritische omwonenden roeren zich inmiddels. De gemeente Den Haag heeft het Haags Milieucentrum subsidie verstrekt om voor dit gebied een alternatieve, groene visie te ontwikkelen.

Uiteraard vinden wij het van groot belang dat de organisaties die bij ons aangesloten zijn, daarover meepraten. En dat geldt niet alleen voor hen: wij roepen iedereen die dit gebied een warm en groen hart toedraagt op om contact op te nemen met Bob Molenaar (ma. t/m do.) bob.molenaar@haagsmilieucentrum.nl of projectmedewerker Tom Pitstra tom.pitstra@haagsmilieucentrum.nl, zodat we samen kunnen werken aan deze groene visie. Tom Pitstra is maandag de hele dag en donderdag 's middags bereikbaar.

 

 

 

 

Op weg naar een duurzaam stadsdeelkantoor

Den Haag wil in 2006 CO2-neutraal zijn. Het op duurzame wijze bouwen van gemeentelijke kantoren is een belangrijke stap bij het realiseren van deze ambitie. Maar ligt de FSC-gekeurde lat voor het nieuwe stadsdeelkantoor-annex-hulpdienstenpost in Leidschenveen/Ypenburg wel hoog genoeg?

Het combigebouw voor Den Haags nieuwe woonwijk moet verrijzen ter hoogte van het Forepark, aan de andere (de westelijke) kant van de A12 en de spoorlijn naar Utrecht. Het komt als 'kop' van een heel nieuw gebouwencomplex in de bocht van de noordelijke kruising. In ieder geval worden het stadsdeelkantoor en een politiepost voor de nieuwe wijk erin gevestigd, evenals de jeugdhulpverlening.

Deze prominente locatie vraagt om een opvallend gebouw. De gemeente Den Haag kan scoren als hier het duurzaamste gemeentelijke kantoor van Nederland wordt gerealiseerd dat ook uiterlijk tot de verbeelding spreekt. Een gebouw dat visueel de aandacht trekt, waarvan de voorbijganger verbaasd zal denken: hé, dat is leuk, dat is andere koek dan die dertien-in-een-dozijn kantoorgebouwen langs de snelweg. Een gebouw dat zich kan meten met dat van de Gasunie in Groningen en van ING in Amsterdam - beide voorbeelden van organische architectuur.

Maar uit de stukken tot nu toe komt een 'normaal' gebouw naar voren, dat zich alleen onderscheidt door een keuze voor duurzaam gekweekt hardhout en 20% lagere energiedoelstellingen. De relatie tot de macro-doelstelling van de gemeente om op de langere termijn een CO2-neutrale stad na te streven zal dan zwak zijn. Vandaar dat wij ons afvragen: vinden alle betrokkenen het leuk om een zoektocht naar optimale duurzaamheid te beginnen of wordt duurzaamheid als een last of als een routinehandeling ervaren? Het Haags Milieucentrum vindt dit zo belangrijk dat het er een project van heeft gemaakt. Onze ideeën mochten wij tijdens een ROMBO-sessie (wat is ROMBO?) presenteren. Ook gaan we een excursie naar CO2- neutrale kantorengebouwen organiseren.

Openbaar vervoer
Op zich lijkt de locatie vanuit openbaar vervoer (OV) en fiets prima ontsloten. Ze ligt vlakbij het nieuwe NS-station, er zijn goede fietspaden en er komt een tramhalte in de buurt. Voor het Haags Milieucentrum is het van groot belang dat de loopafstanden van en naar de tramhaltes, bussen en NS-station nauwkeurig bepaald worden en zo kort mogelijk zijn.
De plannenmakers gaan ervan uit dat veel gebruikers van het gebouw niet met het openbaar vervoer zullen reizen omdat de kantoren 24-uursdiensten draaien. Maar dit uitgangspunt draagt het gevaar in zich dat het een alibi gaat worden om bij gewone diensten ook met het particuliere gaspedaal te komen.
Dankzij die goede ontsluiting voor het OV zou de parkeernorm juist verlaagd kunnen worden, zeker als er gekozen wordt voor het stimuleren van autodelen en voor dienstauto's - en niet te vergeten dienstfietsen, bijvoorbeeld voor de politie. Het stellen van kwantitatieve doelstellingen beschouwen wij hierbij als cruciaal. De doelstelling van de gemeente Den Haag om het fietsverkeer de komende jaren met 10% te laten toenemen kan prima op dit gebouw worden toegepast.

Wij vinden voor zo'n verzamelgebouw een vervoersmanager noodzakelijk. Hierdoor kan een synergie-effect optreden. Die manager zou met meetbare doelstellingen moeten gaan werken en kan een voorbeeldfunctie vervullen voor de hele stad. Natuurlijk kan niet elke jeugdhulpverlener met een politieauto door de stad rijden, maar enig gezamenlijk gebruik van een wagenpark moet toch mogelijk zijn.

De Plas van Reef
Het meest opvallende aspect van de locatie is de ligging nabij de Plas van Reef, ontstaan door afgraving van zand voor de bouw van het Prins Clausplein. Duurzame (steden)bouw is gebaseerd op locatiespecifieke eigenschappen. De Plas van Reef en de watergang langs de autoweg zouden dan ook een rol kunnen spelen in de waterhuishouding van het nieuwe gebouw en andere, toekomstige gebouwen. Er zou een gesloten watersysteem kunnen worden geïnstalleerd, zonodig met een helofytenfilter. Ook kan er een leuke wandelroute naar de plas ontwikkeld worden, zodat de boterham niet alleen in de kantine maar bij de waterkant genuttigd kan worden.

Het energieconcept
De ambitie om het combigebouw 20% energiezuiniger te bouwen dan wat gangbaar is, vinden wij een vrij pover energieconcept in het licht van de CO2-neutrale stad. We hebben daarom voorgesteld om een CO2-neutraal gebouw te realiseren en dat uitgangspunt heeft de gemeente nu in de eerste fase overgenomen. Hopelijk blijft het overeind als puntje bij paaltje komt.

Willen we van het nieuwe stadsdeelkantoor annex hulpdienstenpost een hoogtepunt van duurzaam bouwen maken, dan zijn grasdaken en een groene inrichting rondom het gebouw een aardige eye-opener. Maar nogmaals: de vraag is of de gemeente dit echt wil.

Ries Smits, wethouder van zowel nieuwe wijken als van duurzaamheid, is met beide petten op bij het nieuwe stadsdeelkantoor betrokken. Toch is het zelfs dan niet vanzelfsprekend dat een wethouder zich op een ROMBO-bijeenkomst vertoont. Dat Smits hier wel aanwezig was, en deze naderhand als inspirerend betitelde, geeft ons goede hoop dat het college van B&W zich er hard voor maakt dat dit idee in de vervolgfases van ROMBO overeind blijft.

Tom Pitstra,
Haags Milieucentrum

ROMBO
ROMBO betekent Ruimtelijke Ordening en Milieu Beleids Ontwerpstrategie. Dit is het hulpmiddel dat de gemeente Den Haag gebruikt om duurzaam te ontwerpen. Het proces bestaat uit drie verschillende fasen: een onderzoek naar de technische haalbaarheid, naar de economische haalbaarheid en naar de maatschappelijke haalbaarheid.

 

 

 

 

 

Over het Prins Clausplein en het voetbalstadion

Wat een ervaring als je voor de eerste keer over het Prins Clausplein rijdt! Het lijkt wel Los Angeles; een stukje Amerika in Nederland. Het is mooi en lelijk tegelijk. Amerika is echter wel een land waar de steden zijn verwoest door uitdijende verkeersriolen. Op het Prins Clausplein - eigenlijk geen eer voor onze progressieve en non-conformistische prins, dat dit verkeersknooppunt waar de auto heer en meester naar hem is vernoemd - komt het verkeer uit Amsterdam via de A4 en uit Utrecht via de A12 samen en stormt het op de Residentie af. Wat is de visie van het Haags Milieu Centrum HMC op dit knooppunt? Moet hier een voetbalstadion komen?

Het regionale Structuurplan
In het regionale structuurplan (RSP) van het stadsgewest Haaglanden wordt het Prins Clausplein (PCP) aangemerkt als een plek met grote ontwikkelingsmogelijkheden die ook benut zouden moeten worden. Het wordt gezien als een randstedelijk knooppunt, dat zelfs internationale betekenis kan krijgen als de verbindingen beter worden. In de oksels van de snelwegen is plaats voor internationaal georiënteerde instituten. Zou burgemeester Deetman het al aan de Amerikanen hebben aangeboden voor de te verplaatsen ambassade?

Het idee is, om dit viaduct te transformeren tot een nieuwe stadspoort voor de regio Den Haag. Omdat het Clausplein ook een onderdeel is van de zgn. Trekvlietzone, dat in hetzelfde RSP als een groene schakel wordt gezien, zit in dit gebied een behoorlijke spanning ingebakken. Het is dan ook geen toeval, dat het Haags Milieu Centrum deze Vlietzone als project heeft gekozen. Het is goed dat deze nu onherbergzame plek in de oksels van de snelwegen nuttig wordt gebruikt. Zo is deze locatie in het RSP ook een mogelijke plek voor windmolens en dat kan het HMC natuurlijk slechts toejuichen. En ook zijn er tegen een nieuw ADO-stadion op deze plek - waarover zo meteen meer - niet bij voorbaat bezwaren. Maar de vraag is of de vlucht naar voren van de stad Den Haag, buiten de huidige begrenzing, planologisch wel zo'n winst oplevert.

Het Haags Milieucentrum zet in op de compacte stad en het trekken van grenzen. Steden moeten niet te gemakkelijk uitdijen. Als er meer gebouwd moet worden, moet in de eerste plaats binnenstedelijk worden gezocht. Iets dat Den Haag ook doet met de keuze voor het CS-kwadrant en Hoog Hage. Met de keuze om de Binckhorst te herstructureren, en naar we hopen te intensiveren. Ook de plannen voor Laakhaven en De Resident passen in de compacte-stad-gedachte. Spectaculairder nog is het dubbele ruimtegebruik waar kantoren boven de Utrechtse baan zijn gebouwd. En de vakpers is lyrisch over de plannen in Voorburg voor Sijtwende, waar woningen en kantoren worden gerealiseerd boven op de Noordelijke Randweg. Ruimte die anders maar verspild wordt, kan zo efficiënt worden gebruikt.

Er is veel geschreven over Den Haag als meest beknelde stad. De verkeersafwikkeling is inderdaad een probleem, omdat een rondweg door de zee niet tot de mogelijkheden behoort. Maar voor het compacter bouwen in Den Haag was deze beknelling eigenlijk een zegen. Het leverde de prikkel op om niet te gemakkelijk uit de stad te vluchten, maar de bouw van kantoren binnenstedelijk te realiseren. Wij zijn er voorstander van deze prikkel tot creativiteit te behouden en niet te gemakkelijk de grenzen van de stad te verruimen? Voor het draagvlak van allerlei voorzieningen in de stad, van tram tot winkels, is het beter om functies zoveel mogelijk in de stad te houden. Dat vraagt natuurlijk wel om soms ingewikkelde inpassingen en om creativiteit. Bij De Resident heeft Den Haag laten zien over deze capaciteit te beschikken! En hoe staat het eigenlijk met de kantorenmarkt in Den Haag? Zou het niet beter zijn om - zeker gezien de economische neergang - eerst alle bestaande kantorenlocaties te herverkavelen, te intensiveren en zo leegstand te voorkomen?

Het voetbalstadion
Het is natuurlijk een politieke keuze van de gemeenteraad of je zoveel miljoenen gemeentelijk geld moet investeren in een voetbalstadion. 80% van de exploitatiegelden van voetbalclubs gaat naar de (hoge) salarissen van de voetballers gaat. Tevens is het vraag of een meer regionale oriëntatie van ADO Den Haag tot stand komt door een andere locatie te kiezen. Zouden er echt veel meer supporters komen op de nieuwe plek dan de huidige vier- à vijfduizend? Maar goed, die keuze lijkt een gepaseerd station, dat nieuwe ADO-stadion komt er wel ondanks de bezwaren van de ondernemers uit het Forepark.

Voor het Haags Milieucentrum is een belangrijke voorwaarde natuurlijk de ontsluiting via het openbaar vervoer en de fiets. Wij zijn hier niet gerust op. Weliswaar komt er een nieuw NS-station (is dat een waterdichte garantie?) en zal er een tramhalte in de buurt komen. Maar de afstanden tot de NS-halte en de tramhalte van maar liefst 800 meter zijn veel te groot. Veel mensen zullen daardoor kiezen om met de auto te komen want de parkeerterreinen liggen aanmerkelijk dichter bij de ingang van het stadion. Eigenlijk zou er, zoals bij het Feijenoordstadion een directe verbinding moeten komen tussen het NS-station en de ingang van het stadion. Op dit punt zouden de plannen nog eens serieus tegen het licht gehouden moeten worden. Een goede aansluiting op het openbaar vervoer mag geen restvraag zijn, maar moet een keiharde randvoorwaarde zijn voor de plannen. Natuurlijk kan er nog wat gedaan om een aantrekkelijke looproute naar de ingang van het stadion te maken, maar dit is in wezen nog het beste maken van een principieel verkeerde oplossing.

Ook de fietsverbinding moet picobello worden. Op de fiets naar het stadion kan zo ook nog wat actieve recreatie worden! Het ADO-stadion kan een breekijzer wordenom eindelijkde plannen die er op fietsgebied al zijn snal te realiseren De huidige route dwars door het centrum van Voorburg lijkt geen goed alternatief. Er kan worden gekozen voor een niet te ruime parkeernorm als de alternatieven optimaal zijn. In de plaatjes van de presentatie wordt er kwistig met parkeerplaatsen gestrooid, die niet gestapeld uitgestrooid worden. Dat kan toch echt anders!

En natuurlijk: als er toch een stadion komt met allerlei voorzieningen erbij, dan kan ervoor gekozen worden om dit optimaal duurzaam te realiseren! Greenpeace heeft voor de Olympische Spelen in Australië een volledig eisenpakket ontwikkeld voor deze accommodaties. Dat is in hoge mate ook uitgevoerd. Dit eisenpakket zou opgevraagd en in het bestek opgenomen kunnen worden, zodat de stad Den Haag en ADO Den Haag zich als groene investeerders kunnen profileren!

We kunnen het niet vaak genoeg herhalen: als Den Haag haar ambitieuze doelstelling in het Milieubeleidsplan om op termijn een CO2-vrije stad te worden echt wil realiseren, dan zal ze op elke concrete locatie haar stinkende best moeten doen om hieraan een bijdrage te leveren.

Tom Pitstra,
Projectmedewerker RO HMC

 

Rood voor Groen als successtrategie

In Branding Nr. 5 is een pleidooi gehouden voor een grondige sanering van de glastuinbouw in het Westland en voor een economisch rendabele en groene ontwikkeling van het kassengebied. Hoe kan een dergelijke toekomst eruit zien en hoe moet de sanering van al dat glas betaald worden? Een project in de Duivenvoorde-corridor (de noordrand van de Haagse regio) kan misschien dienen als een goed voorbeeld.

Er kan geen misverstand over bestaan: als het om landschapsontwikkeling gaat, is glastuinbouw zo beetje de minst gewenste bedrijvigheid als het er om gaat een groen en aantrekkelijk landschapsbeeld te krijgen. Door economische en technologische ontwikkelingen zijn tuinbouwbedrijven hoog gespecialiseerde, "stedelijke" bedrijven. Hun product is dan wel groen, maar voor de rest zijn hetzelfde als het gewone stedelijke bedrijven met grote bedrijfsopstallen, computergestuurde teeltprocessen, geautomatiseerde beregeningsinstallaties, al dan niet gesloten waterkringlopen en bedrijfsgebouwen gericht op de massaproductie van een product of gewas.

Dergelijke bedrijven zijn landschappelijk niet of slecht in te passen, zeker als het om zulke hoeveelheden gaat als in het Westland. Maar de tuinbouw in de Zuidvleugel van de Randstad is economisch op dit moment wel van belang. Al is dit voor natuur- of landschapsliefhebbers moeilijk verteerbaar, kassen zullen in de toekomst net zo tot ons landschapsbeeld behoren als de kantoren in het Nieuwe Centrum van Den Haag of de bedrijventerreinen langs snelwegen. Zijn er binnen de bestaande plannen voor de regio Haaglanden geen mogelijkheden voor een landschapsontwikkeling waarmee de ecologische infrastructuur en de mogelijkheden voor landschapsbeleving kunnen worden verbeterd en problemen als de regelmatige wateroverlast in de regio kunnen worden aangepakt?

Sanering verouderd glas
Een eerste stap in de richting van een groene ontwikkeling is de sanering van verouderde bedrijfsopstallen of van bedrijven die geen bedrijfsopvolger kennen. Dit geldt zowel voor verspreid liggende kassencomplexen als voor niet duurzaam glas in de concentratiegebieden van de tuinbouw in het Westland of de omgeving van Pijnacker. Juist in de concentratiegebieden is de behoefte aan sanering van kassen bijzonder groot, omdat ecologisch waardevolle verbindingen hier vaak letterlijk tussen de bedrijven klem (komen te) zitten.

De sanering van een verouderd bedrijf gecombineerd met de herstructurering van voort te zetten bedrijven biedt in het Westland goede mogelijkheden voor natuur- en landschapsontwikkeling. De oude historische linten en weteringen (met name de voormalige veenkreken) lijken hiervoor de meest aangewezen gebieden. Als een flink deel van de bedrijven gesaneerd worden, is het mogelijk in het Westland groengebieden en watergebieden te scheppen die van net zo goor belang zijn en die net zo aantrekkelijk kunnen worden als de landgoederenzone van Rijswijk of Leidschendam-Voorburg. De oude kreken bieden daarbij tevens goede kansen voor een betere en veilige waterhuishouding.

Voorbeeld Duivenvoorde
Een goed voorbeeld voor een vernieuwend beleid op het gebied van de landschapsontwikkeling geven thans de gemeenten Leidschendam-Voorburg en de gemeente Voorschoten. Al twee jaar geleden hebben zij samen met de provincie het initiatief genomen voor een herstructurering van de Duivenvoorde-corridor. Deze is gelegen tussen Leidschendam en Voorschoten en heeft een oppervlak van circa 400 ha. Daarmee is dit gebied ongeveer net zo groot als een VINEX-nieuwbouwwijk.

De corridor kent zeer aantrekkelijke plekken als het landgoed Duivenvoorde of de oude buitens Haagwijk en Rozenburgh maar bevat ook circa 80 ha aan tuinbouw- en detailhandelsbedrijven. Met name de kassen zijn in de afgelopen jaren langzaam maar gestaag uitgebreid. Het schrikbeeld van het Westland doemt op sommige plekken dus reeds op. Al met al genoeg redenen voor de betrokken overheden om de handen in een te slaan en samen aan een nieuw toekomstperspectief te werken.

Afgelopen zomer verscheen een ontwerp-structuurvisie met als hoofddoelen:

behoud en versterking van het karakteristieke landschapsbeeld met forse bosschages, houtwallen, landgoederen, oprijlanen etc.

bevordering van extensieve recreatiemogelijkheden en natuurontwikkeling langs waterlopen

verbreding van open landschap in combinatie met een goed zicht op landgoed Duivenvoorde

herstel van cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen in oud Haagwijk en het oude buiten Noordhey

Om dit te bereiken, voorziet de structuurvisie in een stapsgewijze vermindering van niet-agrarische bedrijven (bijvoorbeeld bouwmarkten of caravanstallingen) cq. tuinbouwbedrijven. Met de sanering van de bedrijven (ca. 80 ha) is naar verwachting zeker 65 miljoen euro gemoeid. Hiervoor zijn op dit moment onvoldoende middelen beschikbaar en de slechtere conjunctuur en bezuinigingen bij de Rijksoverheid stemmen ook niet hoopvol. Kan een andere manier om geld te genereren bij de herstructurering van de corridor hier uitkomst bieden?

Een nieuwe buitenplaats
Het antwoord hierop is ja. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om op geschikte locaties nieuwe buitenplaatsen te ontwikkelen, waarvan de opbrengsten in groen- en landschapsontwikkeling worden gestoken. Een ander blijkt uit verkenningen voor een proeflocatie in de Duivenvoorde-corridor. Hier hebben verschillende studies uitgewezen dat op de plek van een oude buiten een meer eigentijdse versie van een nieuwe buitenplaats zou kunnen worden ontwikkeld. Gelijktijdig zouden circa 8 hectare aan glas en een grootschalig detailhandelsbedrijf gesaneerd kunnen worden. Het bebouwde oppervlak zou met meer dan 80% afnemen, de buitenplaats voor 80-90% openbaar toegankelijk zijn en er zouden mogelijkheden ontstaan voor nieuwe fiets- en wandelroutes op loopafstand van de bebouwde kom. En, last but not least, kunnen met een dergelijke buitenplaats ook cultuurhistorische waarden als een oud barok park met bosschages en waterpartijen een nieuw leven worden ingeblazen.

Keerzijde van het verhaal is, dat in de nieuwe buitenplaats misschien 80 woningen gebouwd zullen worden. Deze zouden over een hoofdgebouw en Oranjerie-achtige bijgebouwen gespreid kunnen worden, zodat het landschapsbeeld als geheel niet verstoord hoeft te worden. Aansluitend op reeds bestaande lintbebouwing is dan echter nog de bouw van circa 70 woningen noodzakelijk om de exploitatie van de sanering sluitend te maken.

Middel niet erger dan de kwaal
Gezien dit bouwvolume is de vraag natuurlijk of het middel hier niet erger is dan de kwaal. Ofwel: wordt de ene "rode" functie, te weten glastuinbouw, hier niet gewoon vervangen door een andere "rode" functie, de woonfunctie. Het antwoord is hierop, naar verwachting, nee. De hele operatie is namelijk zo omvangrijk, dat hier duidelijk sprake is van een landschappelijke winst. Deze wordt nog versterkt door een eigentijdse groenfunctie (een nieuwe buitenplaats) met een bebouwing passend bij het toekomstige karakter van het omringende landschap.

De gemeentelijke verkenning heeft door haar landschappelijke winst in ambtelijke kringen en bij bestuurders veel waardering gekregen. Spelbreker is tot nut toe echter nog de Rijksregeling voor Rijksbufferzones, die in de corridor in principe geen nieuwe bebouwing toelaat. Hierdoor worden bij voorbaat vormen van landschapsvernieuwing gefrustreerd, die aantoonbaar tot landschappelijke winst zouden leiden. De gemeenten kijken met verlangen uit naar de vorming van een nieuw kabinet en het uitbrengen van een nieuwe Rijksnota over de ruimtelijke ordening in ons land. Willen zij verdere verstedelijking van de corridor een halt toe kunnen roepen, dan moet redelijk snel duidelijkheid worden of aan een deze vorm van landschapsontwikkeling wordt toegestaan.

Conclusie
Ook voor het Westland moet het mogelijk zijn om - binnen de bestaande beleidskaders - op noemenswaardige schaal groen- en landschapsontwikkeling te realiseren. Een globale verkettering van de glastuinbouw als onrendabele industrietak en "verpester" van het landschap biedt hiervoor geen goed uitgangspunt. Meer resultaat valt te verwachten van:

aanwijzing van gebieden in het Westland, waarin natuur- en landschapsontwikkeling prioriteit moet krijgen (e.e.a. bijvoorbeeld in een nieuw groen-casco voor het Westland)

waterhuishoudkundig onderzoek, waarmee de aanvullende behoefte aan buffercapaciteiten wordt verkend, die nodig is om de waterproblemen van de afgelopen jaren op te lossen

voor zo ver deze behoefte bekend is, ruimtelijke verkenningen waarmee bepaald wordt hoe en waar deze buffers het beste in het Westland geïntegreerd kunnen worden

een verkenning van cultuurhistorisch waardevolle plekken, die als aanknopingspunten voor verdere landschapsontwikkeling kunnen worden gebruikt.

De ervaringen met Duivenvoorde maken duidelijk dat het succes van de landschapsontwikkeling met name afhangt van het gemeentelijke ambitieniveau. Het streven naar een maximale sanering van verspreid liggende bedrijven en de terughoudendheid waarmee de gemeenten kostendragers hebben bepleit, heeft veel aan hun geloofwaardigheid bijgedragen. Verder hebben zij door een pro-actieve houding tijdens de planvorming voorkomen tot speelbal van marktpartijen te worden. Eigen concepten zijn planeconomisch doorgerekend en hebben ertoe bijgedragen dat het kind (de landschappelijke en groene winst) niet met het badwater (lees nieuwbouw) werd weggegooid.

De ervaringen met Duivenvoorde hebben tot slot ook de vraag opgeroepen of natuur- en milieuorganisaties niet ook zelf een (mede-) ontwikkelende rol op het gebied van de landschapsontwikkeling zouden kunnen vervullen. Kennis van zaken lijkt in de milieubeweging in ieder geval in voldoende mate aanwezig.

Freerk Kiesow-Botyanovska

 

 

 

 

Glastuinbouw is keihard economisch gegeven

In de vorige editie van Branding toont Frans van der Steen zich, gezien zijn stevige uithaal naar de glastuinbouw, bepaald geen supporter van de sector. Zijn goed recht uiteraard
Maar het gaat mij te ver dat Van der Steen in het artikel dat gaat over het Convenant Westlandse Zoom onomwonden vaststelt dat de Provincie Zuid-Holland zich heeft "vastgeklonken aan de glasbelangen". Dat "de Provincie een uitgesproken tegenstander (is) van een echte sanering van de sector en zich heeft ingegraven op het standpunt dat de glastuinbouw alleen toekomst heeft als er niet op het bestaande areaal binnen de provinciegrenzen beknibbeld wordt". Hoezo?

Het convenant over de Westlandse Zoom is wat mij betreft een succes ondanks de bezwaren en bedenkingen van Van der Steen tegen de glastuinbouw. Niet alleen als resultaat van ingewikkelde bestuurlijke onderhandelingen, maar ook omdat alle betrokken partijen profiteren. Er is een balans is gevonden tussen groen, recreatie en woningen, en ook met de belangen van de glastuinbouw rekening is gehouden. Dat is iets anders dan dat de glastuinbouwbelangen doorslaggevend zijn geweest, zoals Van der Steen op veel plaatsen in zijn artikel suggereert. Een convenant met meerdere partijen sluiten kan alleen in een onderhandelingsproces waarin ieders belang zo goed mogelijk wordt geoptimaliseerd. Doe je dat niet dan krijg je niks voor elkaar.

Er komen in de Westlandse Zoom groene recreatiemogelijkheden en 4000 luxe woningen, waar nu nog glas staat. Dat glas is een keihard economisch gegeven, of Van der Steen dat nou leuk vindt of niet. De zogeheten glas-as van Zuid-Holland heeft met de kassen én de bedrijvigheid in de keten een omvang die de naam Greenport rechtvaardigt. Waar meer dan 11.000 mensen hun brood verdienen waar iedere arbeidsplaats goed is voor ongeveer twee arbeidsplaatsen in de aan de glastuinbouw gebonden bedrijven.
Ik vind het aspect van werkgelegenheid dan ook te belangrijk om al te gemakkelijk over heen te stappen. Het is voor Gedeputeerde Staten de reden om behoedzaam met het glas over de kaart te schuiven in plaats van een cold turkey sanering waar Van der Steen kennelijk voorstander van is.

Ik ben blij met de steun van de regionale natuur- en milieuorganisaties aan de beoogde economische ontwikkeling van Den Haag en daarmee van de hele regio.
Den Haag is de juridische hoofdstad van de wereld en is terecht trots op dat imago. De druk op de Haagse woningmarkt in de dure sector is enorm, dat is precies het soort woningen waar bij de internationale instellingen grote behoefte aan is. In die behoefte wordt met het convenant Westlandse Zoom voorzien. Dat is winst voor Den Haag.
De winst voor het algemeen belang is echter nog groter. De woningen dragen ook de kosten van de landschappelijke transformatie in de Westlandse Zoom. Sloop van de kassen, eventuele sanering van grond, herinrichting van het gebied, het vergraven van water, aanleg van recreatieve paden en de aanplant van bomen worden bekostigd uit de opbrengst van de woningen. In de onderhandelingen zijn we bij het convenant tot het uiterste gegaan.

De redenering dat er veel meer glastuinbouw had moeten verdwijnen is een andere discussie. Een discussie die ik overigens best wil voeren.
Binnen het kader van het convenant Westlandse Zoom was nog meer sanering van glas volstrekt uitgesloten. Dan zou er geen convenant zijn gekomen. Ik verzet mij dan ook tegen de suggestie dat iedereen, de provincie Zuid-Holland voorop, aan de leiband van de glastuinbouw loopt.

Terecht schrijft Van der Steen dat de waterberging in het convenant ontbreekt. Dit klopt, omdat voor het gebied zelf voldoende waterberging aanwezig is. De waterberging voor het hele Westland is een investering die verder reikt dan de Zoom zelf. Deze berging wordt daarom in het Regionaal Structuurplan van het stadsgewest Haaglanden en in het nieuwe streekplan Zuid-Holland-West gerealiseerd. En last but not least: het Hoogheemraadschap Delfland heeft alle middelen in handen om het initiatief te nemen dat leidt tot een oplossing voor specifiek deze waterberging. Dat is tenslotte de verantwoordelijkheid van de functionele (water-) overheid.

Inderdaad kun je je afvragen of het groen niet een onsje meer kan. Redenerend vanuit de gewenste ruimtelijke kwaliteit en vanuit de recreatiebehoefte van de omringende woongebieden is daar best iets voor te zeggen. Maar wat voor het glas geldt gaat ook op voor het groen. In het convenant zijn alleen zaken opgenomen die ook realiseerbaar zijn binnen de huidige bouwplannen. Als we het aantal woningen nog meer afgeroomd hadden voor meer groen, dan was het plan gesneuveld en dan hadden we in het geheel geen groene verbinding tussen de kust en Midden Delfland gehad.
Als we nu toch meer groen willen, dan hoort daar ook een idee bij over de manier waarop je dat wilt betalen. Goede ideeën en suggesties zijn altijd welkom.


Marnix Norder
Lid van Gedeputeerde Staten (PvdA)


Naschrift Frans van der Steen

Natuurlijk heeft gedeputeerde Norder gelijk als hij stelt dat het eens worden over een convenant met verschillende gemeenten waarvan de belangen lang niet altijd sporen geen gemakkelijk proces is. Daar dient met alle belangen rekening moet worden gehouden, dus ook met dat van de glastuinbouw. Waar het echter om gaat is dat in dat onderhandelingsproces het economisch belang van deze sector zwaar overtrokken wordt en dat van natuur en milieu te weinig aan bod komt. Bovendien maakt het verdwijnen van glas niet alleen ruimte voor natuur en recreatie, maar ook voor andere minder kwetsbare vormen van bedrijvigheid die de belastingbetaler geld zouden kunnen opleveren in plaats van kosten. Wij zijn voor een gezond milieu en een gezonde economie en die kunnen heel goed samengaan.

En wat betreft het geld. Als de veiligheid rond en in huis en het aantal handen aan het bed in gevaar komen, wordt daar simpelweg meer geld voor "vrijgemaakt". Waarom zou dat voor natuur en milieu anders zijn. Het gaat, met name in de politiek, om keuzes maken. Gedeputeerde Norder heeft een andere gemaakt. Dat is zijn goed recht, maar wij vinden het meer dan jammer dat de belangen van natuur en milieu niet zwaarder hebben gewogen. Waarom? Laten wij ons eens aan een voorspelling wagen. In de geschiedenisboeken van 2052 zal over de glastuinbouw geschreven worden zoals nu over de textielindustrie en de scheepsbouw vijftig jaar geleden. Wel zal in die boekjes een zwaar oordeel geveld worden over hoe onze generatie met haar eigen bestaansgrond is omgesprongen. Dat vraagstuk zal dan nog urgenter zijn dan het nu al is.


 

DE WESTLANDWISSELTRUC VAN DEETMAN

Je ziet het helemaal voor je: een glunderende burgemeester Deetman die begin 2001 in het college en van enkele topambtenaren de felicitaties incasseert voor zijn succesvolle lobby bij de Provincie. Den Haag kreeg van de Provincie toch het groene licht voor de bouw van in het groen gelegen villa's aan de rand van de stad. Dit in ruil voor het loslaten van de eis tot verdergaande sanering van het glas in het Westland en de uitplaatsing van de 200 hectare glastuinbouw in de Westlandse Zoom naar 400 hectare omringend groen in de Zuidplaspolder. Nu Pronk nog om en de vurig gewenste bouwlocatie Nieuw Madestein is binnen. Bij Pronk lag op dat moment nog een niet onaanzienlijk probleem. In het concept van zijn Vijfde Nota stond namelijk dat de Westlandse Zoom geen bouwbestemming zou krijgen. Bovendien moest volgens de nota de glastuinbouw in het Westland geconcentreerd blijven.

Deetman maakte zich echter geen al te grote zorgen over een verkeerde afloop. Hij had zo zijn eigen uitgebreide netwerk in de landelijke politiek. Tel daarbij nog de druk op vanuit de Provincie richting Pronk. En niet het minst belangrijk: hij kon ook nog steunen op de lobby van de eigen PvdA-wethouder ROSV richting de minister-partijgenoot. Pronk ging dan ook om en toen kon het feestje echt gevierd worden. Weer uitbreiding van het Haagse grondgebied en een belangrijke stap in de verdere vormgeving van het met zorg opgebouwde imago van Stad van Recht en Vrede.

Met dat imago is niets mis en met de bijdrage die dat levert aan de stadseconomie nog minder. Maar Deetmans wisseltruc staat wel haaks op andere belangen die minstens zo groot zijn. Dan hebben we het natuurlijk over de natuur in de omgeving van Den Haag en de open groene ruimte die een stad van internationale allure ook nodig heeft om aantrekkelijk te blijven. Den Haag moet het economisch gezien hebben van chique kantoren en andere met name hoogwaardige dienstverlening. Dat soort bedrijven en hun personeel hechten grote waarde aan de aantrekkelijkheid van de omgeving.

Maar die directe omgeving van de stad wordt toch alleen maar aantrekkelijker? Zeker, Den Haag krijgt in Madestein, door de transformatie van een kassengebied in een groene woonomgeving, meer woningen en meer groen. Die wisseltruc van Deetman staat echter, door het niet vasthouden aan een grondige glassanering, een duurzame, economisch gezonde en groene ontwikkeling van het Westland als geheel in de weg. Met meer durf en visie had Den Haag alles kunnen hebben: en dure woningen met het nodige privégroen en een hoge groene omgevingskwaliteit met bijvoorbeeld de waterberging om de voortdurende wateroverlast ook in de stad te voorkomen. Wat daarvoor nodig is, is het ontwikkelen van een integrale visie op de totale glastuinbouw, voordat je weer een stukje open groene ruimte in de het Groene Hart opoffert voor een, alle kosten opgeteld, onrendabele bedrijfstak die met zijn forse beslag op de schaarse ruimte eigenlijk niet thuishoort in de Deltametropool.

Als het om glasbelangen gaat, lijkt het er namelijk op dat niemand durft te zeggen waar het op staat. Wij wel. De glastuinbouw is een industrietak die het landschap verpest, die door bebouwing van de kwelpolders in het Westland, elders voor grote wateroverlast en waterschade zorgt en de gemeenschap met de kosten daarvoor opzadelt, die ons water ernstig vervuilt en de hoge waterzuiveringskosten afwentelt op de belastingbetaler. Een industrietak die verboden op pesticiden vaak aan de laars lapt, die voor elke milieumaatregel en modernisering via subsidies dubbel en dwars gecompenseerd wordt, die gesubsidieerd via een veel te lage gasprijs een grote bijdrage levert aan het broeikaseffect. Die met zijn bulkproductie op dure grond geen economische toekomst heeft, die andere ruimtelijke ontwikkelingen frustreert, die illegalen die overgeleverd zijn aan de willekeur van koppelbazen uitbuit. Een industrie die bij grote schades, waar de sector door hun kwetsbaarheid zelf verantwoordelijk voor is, telkens weer de hand bij de belastingbetaler ophoudt en dan honderden miljoenen incasseert ter compensatie van risico dat behoort tot het vrije ondernemerschap en bovendien een sector waarvan de kosten van uitplaatsing gigantisch zijn. De glastuinbouw levert naast dit alles een negatieve bijdrage aan het vestigingsklimaat in Den Haag van internationale instellingen en andere hoogwaardige werkgelegenheid. We weten dus wiens gesubsidieerde belang het is: enkel en alleen het belang van de sector zelf en van de politici die door hen gekozen worden. De sector verdient goed geld, niet aan hun producten, maar aan de belastingbetaler. Ja, de tomaat, de paprika en de bloemen worden duur betaald! Het is ongelofelijk dat deze onrendabele, ruimteverslindende en milieuverpestende bedrijfstak niet veel eerder en grondig is gesaneerd. Waarom is er nog geen goede studie gedaan naar de totale kosten en baten van de glastuinbouw?

Den Haag had dus moeten vasthouden aan die noodzakelijke sanering van de glastuinbouw. Toch valt de gemeente die uitruil van belangen niet al te hard aan te rekenen. Dat komt door de status van het overlegplatform waarin dat had moeten gebeuren. Dat is het overleg in het kader van het IOPW: het Integraal OntwikkelingsPlan Westland; een overleg tussen alle Westlandse gemeenten, Den Haag en de Provincie. Dit is namelijk te zeer een overleg van belangenpartijen en dus ook van die sterke glasbelangen. Daarvan valt dus weinig te verwachten. Nu komen we bij de belangrijke rol van de Provincie. Deze draagt namelijk, meer dan de verschillende gemeenten, de verantwoordelijkheid om een duurzame en een gezonde economische ontwikkeling in gang te zetten door de glastuinbouw aan te pakken en om de verrommeling van het landschap te voorkomen. De Provincie heeft daartoe ook de bevoegdheden. Dan ligt het voor de hand om als Provincie erop in te zetten verouderd glas geheel te saneren en glas te hergroeperen. Dit schept ruimte voor de ontwikkeling van woningbouwlocaties, bedrijventerreinen, water en waterberging, voor recreatie en voor het realiseren van ecologische verbindingszones en het verbeteren van de natuurwaarde van de duinrand en de kwaliteit van de groene ruimte.

Van de Provincie mag je bovendien verwachten dat deze boven de al jaren strijdende partijen staat. Maar helaas, de Provincie blijkt niet die strenge doch rechtvaardige partij die boven de strijdende partijen uit, weliswaar vanuit goed overleg, de bakens in de goede richting weet te verzetten. Als ergens eens de bakens verzet dienen te worden, dan is dat wel bij de Provincie zelf. Deze belangrijke bestuurslaag heeft zich vastgeklonken aan de glasbelangen. De Provincie is dan ook een uitgesproken tegenstander van een echte sanering van de sector en heeft zich ingegraven op het standpunt dat de glastuinbouw alleen toekomst heeft als er niet op het bestaande areaal binnen de provinciegrenzen beknibbeld wordt. De Provincie gaat in haar glasliefde zelfs zo ver om nota bene op Valentijnsdag de manifestatie 'Hart voor het Glas' te vieren!

Het was dus geen goede zet van Pronk om de Provincie aan te stellen als opdrachtgever van een belangrijke studie, die naar de toekomst van de glastuinbouw in de Randstad. Die studie zag in juni 2001 het licht: de 'Glasverkenning'. Daarin wordt gesteld dat, gezien vanuit de toekomst van de glastuinbouw, de claim van de sector op het bestaande areaal grond juist is. Men kiest voor glas in de Deltametropool, lekker dicht bij de arbeiders. De sector moet wel meer vernieuwen. En natuurlijk worden er mooie woorden gewijd aan een duurzamere ontwikkeling . Het rapport stelt ook dat het noodzakelijk is dat deze een kwaliteitsslag maakt richting specialisatie en veredeling, maar ook dat daar bulkproductie voor nodig is. Zo kan ook de veiling behouden blijven. Geen verrassende conclusies dus gezien de vooringenomenheid van de opdrachtgever.

Als men gegevens over wat glastuinbouw kost bij die toekomst betrekt en deze naast de gewenste duurzame ruimtelijke ontwikkeling zet, dan kom je op heel andere blauwdrukken uit. Voor de hand ligt in dat geval het economisch benutten van de opgebouwde kennis. Dit betekent een koplopersfunctie en de verdere ontwikkeling van moderne vormen van glastuinbouw. Behalve de enorme reductie van het areaal glas, kan een innovatieve vorm van kennisintensieve en niet grondgebonden productie vrijwel geheel op bedrijventerreinen plaatsvinden. Daar kan ook ruimte worden gemaakt voor laboratoria en kantoren. Bestemmingsplannen zitten deze ontwikkeling nu juist in de weg. Bovendien heeft de vrij kunstmatige productie van gewassen zoals in de glastuinbouw een meer steriele omgeving nodig dan zoals nu, midden op het land met alle lastige insecten en schimmels die daar de kasplantjes bedreigen. Vanuit deze optiek zouden vraagtekens gezet moeten worden bij het nieuwe glasbeleid om elke hectare nieuw glas in een hectare groen in te bedden. Door dit inbedden verdwijnt weliswaar het massieve karakter van de aaneengesloten glasbarrières enigszins en is er ook meer ruimte voor doorgangen tussen de kassen, maar het betekent ook dat nieuw glas in feite twee keer zoveel ruimte inneemt.

Een ander probleem als gevolg van de wisseltruc en het saldo-nul-beleid van de Provincie (geen glas erbij, maar ook niet eraf) is dat het glasvirus door de uitplaatsing van glas zich steeds verder over de provincie verspreidt. Niet alleen in de Zuidplaspolder, maar ook naar de zoheten B-driehoek, het gebied tussen Berkel en Rodenrijs, Bleiswijk en Bergschenhoek. Dat weer grenst aan het glastuinbouwgebied het Oostland; het gebied rond Pijnacker dat nu een stevige barriere vormt voor het realiseren van een belangrijke Groenblauwe Slinger. Aldus ontstaat in de omgeving van Den Haag, in de Zuidvleugel van Zuid Holland, een geheel nieuwe glas-as die een prettig verblijfs- en vestigingsklimaat behoorlijk frustreert en belangrijke ecologische verbindingszones afkapt.

De huidige ontwikkeling in de glastuinbouw gericht op bulkproductie op dure grond, waar veel belangrijkere andere claims op liggen, is dus irrationeel. Deze is het gevolg van een sterke lobby en positie van de glasbelangen, die de Provincie aan zich hebben weten te binden en waar Den Haag geen of veel te weinig tegenwicht aan biedt. Aldus zal er weinig terechtkomen van de kwaliteitsslag waar iedereen de mond vol van heeft. Als men die kwaliteitsslag echt wil, zal alles op de onontkoombare sanering van het glas ingezet moeten worden, tenzij we zo gek zijn om deze sector kunstmatig in leven te blijven houden en andere claims op de ruimte die deze sector inneemt te laten varen. Om in de Randstad uit de voortdurende lokale belangenstrijd te geraken zou de landelijke overheid veel meer dan nu de regie gaat voeren en de kaders gaat stellen. Het zijn tenslotte ook de subsidiegelden vanuit de landelijke overheid die het glas overeind houden als het niet hagelt. Dat alles natuurlijk in goed overleg met de lagere overheden en belangenpartijen, zoals dat in ons poldermodel hoort. Het is verleidelijk hier door te filosoferen op hoe bestuurslagen beter en effectiever te organiseren. Dat dit, door de zwakke regie vanuit de Provincie Zuid Holland, binnen de Randstad anders moet is duidelijk. Het valt goed te verdedigen dat een economisch gezonde en tevens duurzame ontwikkeling van de Randstad van nationaal belang is. De bestuurlijke provinciegrenzen houden geen rekening met het geheel dat de Randstad van nature is. Het zou bijvoorbeeld mogelijk zijn meer bevoegdheden en legitimatie toebedelen aan de stadsgewesten. Nu zijn de grote steden en samenwerkingsverbanden van de kleinere blijkbaar machtiger dan de landelijke overheid en spelen, als het zo uitkomt, een-tweetjes met de Provincie om hun eigen belangen veilig te stellen.

Dit is binnen sommige kringen geen populair geluid, maar wie andere mogelijkheden ziet, draag ze aan zouden wij zeggen. Onze opiniepagina staat daarvoor open. In ieder geval zou een grote stad als Den Haag en zijn burgemeester Deetman, in plaats van alle lobbykracht in te zetten voor het wijzigen van een juist te koesteren deel van de Vijfde Nota, zijn kracht moeten aanwenden om het bredere belang te dienen van een leefbare en groene omgeving van de stad. Dus van een omgeving die aantrekkelijk is voor bedrijven en met bijvoorbeeld voldoende waterberging. Nu kijkt men alleen naar stadsuitbreiding vanuit het (woning)bouwbelang. Dit zonder harde inzet om de ruimte die binnen de stadsgrenzen ook nog aanwezig is beter te benutten. Kortom, het zou het Haagse bestuur sieren, en het zou ook in het economisch belang van de stad zijn, op te komen voor een duurzame ontwikkeling van de stad tot in de wijde omtrek.

Nu hebben niet alleen natuur en milieu en alle Hagenaars die willen genieten van de open groene ruimte weer het onderspit gedolven, maar ook het belang van een gezonde economische ontwikkeling van de regio. Een herbezinning is nodig met als één van de belangrijkste uitgangspunten een gedegen visie op de toekomst van de glastuinbouw. Daarbij spelen de centen om die glastuinbouw uit te kunnen kopen vanzelfsprekend een grote rol. Denk dan ondermeer aan een goed gevuld groenfonds met daarin ondermeer een groot deel van de opbrengst van de woningbouw. Zonder helder aan te geven hoe de groene kwaliteitsimpuls in de Westlandse Zoom betaald gaat worden, zullen alle op schrift gestelde goede voornemens daarover dode letters blijken te zijn. En, hoewel wij tegen uitplaatsing van glas zijn, omdat dit niet nodig is en het de belastingbetaler veel geld kost, als dat dan toch gaat gebeuren, plaats het dan uit naar een gebied waar het veel minder schade oplevert, zoals de omgeving van Schiphol. Kasplantjes hebben namelijk geen last van lawaai of zouden die daar ook gestresst van raken?

Frans van der Steen

 

 

ROMBO,
een naam om te onthouden

Steeds breder wordt onderkend dat duurzaam bouwen veel meer is dan het gebruik van duurzaam geproduceerde bouwmaterialen die bij normaal onderhoud lang meegaan. Het proces van duurzaam bouwen strekt zich ook uit tot de compactheid waarmee wordt gebouwd, de ontsluiting van bouwlocaties door goed openbaar vervoer, de bereikbaarheid van scholen, winkels, medische en recreatieve voorzieningen en bijvoorbeeld de kwaliteit van de openbare ruimte. Dit betekent dat tijdens de ontwerpfase van bouwprojecten de inbreng van duurzaamheid een vereiste is. Om te bereiken dat duurzaamheid wat betreft energie, materiaalgebruik, afval- en waterkringlopen en een gezonde, veilige en comfortabele omgeving steeds vaker een vast ijkpunt wordt bij bouwprojecten, heeft de afdeling Bouwfysica en Bouwecologie van de gemeente een belangrijk instrument ontwikkeld: de ROMBO-strategie. Dat staat voor Ruimtelijke Ordening en MilieuBeleidsOntwerp-strategie. Wat houdt dat precies in?

ROMBO is bedoeld als hulpmiddel voor mensen die bij de verschillende fasen van het ontwerpproces betrokken zijn. Het wijst op het belang en de mogelijkheid van duurzame technieken. Het streeft er naar dat duurzaam bouwen zo veel mogelijk wordt geïntegreerd in de ontwikkeling van de stad en is in het bijzonder gericht op de stedelijke vernieuwingsopgave van Den Haag.

Om duurzaam bouwen handen en voeten te geven is het dynamische ROMBO-proces in drie opeenvolgende fasen verdeeld:
1. de beeldvorming van de technische mogelijkheden;
2. de meningsvorming over de benodigde maatregelen om die technische mogelijkheden economisch haalbaar te maken;
3. de maatschappelijke besluitvorming over welke maatregelen uit fase 2 genomen worden.

De dynamiek ontstaat doordat op basis van de ervaringen in de Haagse praktijk de theorie, in samenwerking met de TU Delft, steeds verder ontwikkeld wordt.

Het blijft natuurlijk moeilijk om economische haalbaarheid los te zien van maatschappelijke en politieke haalbaarheid. Die zijn sterk met elkaar verweven. Wat hebben bouwers, vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en de politiek vanuit het dienen van het algemeen belang, over voor de duurzaamheid in het bouwen? Die maatschappelijke verantwoordelijkheid van bouwers kan je natuurlijk ook vastleggen en opleggen, zoals met belastingheffing. Dat geldt ook voor de politiek en de gemeente zelf. Daar zijn we blijkbaar nog niet aan toe. Dat wordt dus elkaar steeds opnieuw overtuigen in de fase van de uiteindelijke besluitvorming.

De beeldvorming van fase 1 vindt plaats in een workshop. In die workshop worden eerst de drie schaalniveaus afgebakend van waaruit op het gebied van energie, materiaal en gezondheid met elkaar mogelijke maatregelen besproken worden. In de praktijk blijkt dat de wijk het grootste schaalniveau is en een woning of bouwdeel het kleinste. Milieueffecten en milieumaatregelen zullen namelijk verschillen afhankelijk van de schaal van waaruit je het bouwproces benadert.

Bij de meningsvorming van fase 2 gaat het erom, met de resultaten van fase 1, met de verschillende partijen tot bespreekbare voorstellen te komen. Daar komt heel wat bij kijken: nader onderzoek naar randvoorwaarden bij de inzet van technieken en de opbrengst daarvan, organisatievragen en de mogelijke financiering, waaronder subsidies. Hier worden onvermijdelijk al besluiten genomen, maar altijd op basis van argumenten en goed gedocumenteerd. Uiteindelijk moeten de voorstellen zo gedetailleerd uitgewerkt zijn voor wat betreft investeringen en opbrengsten, dat opdrachtgevers, gemeente, investeerders en overige partijen, zoals bewoners, afgewogen en eenstemmig een besluit kunnen nemen dat wordt aangeboden aan de besluitvormende instanties.

Tenslotte de besluitvorming in fase 3. Hier vindt de keuze plaats wat de duurzaamheid van het betreffende bouwplan concreet in gaat houden en wat dit mag kosten. Dit is een zaak van het gemeentebestuur en de directie(s) van private onderneming(en). Ook zouden voor bepaalde onderdelen bewonersorganisaties in deze fase een stem kunnen hebben.

Juist nu voor een groot aantal wijken stedelijke vernieuwingsplannen ontwikkeld (gaan) worden, komt de ROMBO-strategie als geroepen. ROMBO-workshops zijn al gehouden bij de wijkplannen voor Duindorp, Spoorwijk en Rustenburg-Oostbroek. Op komst zijn nog workshops in Morgenstond, Transvaal en bij de herbestemming van het Johan de Witt-college. De gehouden workshops leverden een breed pakket op van DUBO-maatregelen. Dan gaat het bijvoorbeeld om het uitvoeringsproject duurzame warmtelevering 'Vlamloze energie in Spoorwijk'. Maar ook om hergebruikmaterialen bij wegfundering en asfaltverharding, gebruik van regen- en oppervlaktewater bij bouwwerkzaamheden, lage temperatuur verwarmingssystemen en toepassing van zonneboilers. Dat gaat de goede kant op!

Tot slot een algemene, maar belangrijke opmerking over dit prachtige instrument en dat geldt bijvoorbeeld ook voor de Checklist Duurzaam Bouwen. Breed wordt in de politiek het belang van duurzaamheid erkend en de belangrijke bijdrage die duurzaam bouwen daar aan kan leveren. Vandaar dat een aantal mensen zich met hart en ziel inzet om daar goede instrumenten voor te ontwikkelen. Helaas is er echter geen enkele verplichting om van deze instrumenten gebruik te maken. Het blijft allemaal vrijblijvend en dus afhankelijk van de bereidheid van opdrachtgevers, ontwerpers, bouwers en financiers. De resultaten zijn bemoedigend, maar beperkt. Met de inzet en goede bedoelingen van degenen die bereid zijn hun verantwoordelijkheid te nemen, komen we niet ver genoeg met duurzaamheid. Het kan niet vaak genoeg gezegd worden; duurzaamheid is niet iets wat je kan doen of kan laten. Het gaat hier om niets minder dan onze bestaansgrond. Daarom zou duurzaamheid een voorwaarde of een uitgangspunt moeten zijn bij al ons handelen en dus ook bij duurzaam bouwen. Wie wil mag meer doen, maar voor iedereen ligt er een behoorlijk hoge ondergrens. ROMBO zou onderdeel van zo'n ondergrens kunnen zijn.

Frans van der Steen

 

 

DEN HAAG EN HET DUURZAME BOUWEN

Als een gemeente duurzaamheid serieus neemt, en daar is alle reden toe, bieden nieuwbouwprojecten een uitgelezen mogelijkheid om echt wat te doen. Dit natuurlijk naast het voor de hand liggende beleid de levensduur van bestaande gebouwen te verlengen. Vanaf het begin van het planproces kan bij nieuwbouw dan rekening worden gehouden met maatregelen die van belang zijn voor het in stand houden van de bestaansgrond van onze mensensoort, zoals schoon water, schone lucht, een voor de mens geschikt klimaat en voldoende ruimte voor een vitale biodiverse natuur. Duurzaam Bouwen betekent dan niet alleen het nemen van allerlei technische, fysieke maatregelen en aandacht voor bouwmaterialen. Het gaat ook om de aantrekkelijkheid van de woningen, de leefomgeving en om flexibiliteit als aanpassing nodig is doordat oorspronkelijke functies veranderen. Bovendien hebben de slaapsteden uit de zestiger en zeventiger jaren ons geleerd dat voorzieningen op loopafstand en het minimaliseren van verkeersstromen tussen wonen-werken-recreeëren leveren op termijn een belangrijke bijdrage aan de levensduur van een wijk. Juist deze laatste zaken bepalen of de duurzaam gebouwde woningen ook voor lange tijd gebruikt zullen worden. Dan hebben we het over een pakket van maatregelen dat de volgende zaken bevordert:

compact bouwen en (mede daardoor) een behoorlijk voorzieningenniveau in de buurt
een lange levensduur
CO2-reductie met name door energiebesparing en duurzame energie
een goede waterhuishouding en zuinig watergebruik
het gebruik van duurzame bouwmaterialen
het terugdringen van de automobiliteit
een aaneengesloten, niet al te smal groengebied
toezicht tijdens het bouwen en beheer na het bouwen
het betrekken van de bewoners bij de visie achter hun wijk/buurt
de kwaliteit van vormgeving van de woningen en de openbare ruimte
een aantrekkelijke sociale omgeving opnieuw kunnen gebruiken van de infrastructuur als de bebouwing zijn functie verliest.

Uit deze opsomming wordt direct duidelijk dat het bij duurzaam bouwen om een complex en integraal proces gaat, waarbij zeer veel aspecten aan bod komen. Ook mag duidelijk zijn dat een aantal maatregelen aanzienlijke kosten met zich mee zal brengen. Dat behoeft, zoals we willen laten zien, geen onoverkomelijk probleem te zijn. Tenminste als we bereid zijn over woningontwerpen, bouwprocessen en afschrijvingstermijnen anders te gaan denken. En de bouwwereld is bijna in zijn aard een conservatief wereldje. Wenkbrauwen worden al snel opgetrokken als men wat anders wil. Wat de boer niet kent, dat lust hij niet. En dat niet alleen. De bouwwereld hangt aan elkaar van contracten en contacten met vertrouwde leveranciers en bedongen kortingen. Planning is al moeilijk ondermeer door levertijden en de inzet van schaarse vakmensen, maar als je dan met onbekenden in zee moet... Laten we ons bovendien in de architecten niet vergissen. Veel ontwerpen zien er modern en innovatief uit, maar dat is vaak niet meer dan "gevelbekleding". Architectuur, maar ook de vorm van de woonomgeving in het geheel, is een trendgevoelige business en ook in deze wereld is te weinig bereidheid om een aantal axioma´s rond ondermeer woningindeling en de 'architectonische expressie' ter discussie te stellen. Als een huis langer meegaat, dan moet het er ook langer fraai uit blijven zien. Ook is men om den brode gevoelig voor de geringe veranderingsgezindheid en verlangens van de bouwers. Opdrachtgevers die best gevoelig zijn voor duurzaamheidseisen, laten zich door de dwingend gebrachte praktische bezwaren met bijkomend kostenplaatje, vaak van hun eerdere mooie voornemens afbrengen.

Maar de opdrachtgever is uiteindelijk degene die bepaalt en als de bereidheid bij opdrachtgevers er is om ernst te maken met duurzaam bouwen dan zal dit, zoals eerder gezegd, zeer veel opleveren. Het is namelijk vele malen goedkoper om veel van bovengenoemde zaken te realiseren door ze direct in het ontwerp mee te nemen. Als dat niet gebeurt, zijn vaak voor tientallen jaren de mogelijkheden om duurzaamheid te realiseren om zeep geholpen. Bovendien dragen maatregelen die de duurzaamheid bevorderen vaak bij aan de leefbaarheid. Elk nieuwbouwproject zou dan ook standaard moeten voldoen aan een aantal duurzaamheidseisen. Den Haag heeft mede door de inzet van voormalig wethouder Noordanus een Checklist Ruimtelijke Ordening en Milieu opgesteld die iedere beleidsambtenaar die te maken heeft met de realisatie van nieuwbouwprojecten in zijn of haar bezit heeft. Maar ligt die checklist in een la of staat deze voor het grijpen? Wat wordt er gedaan als de gemeente geen opdrachtgever is? En met goede controlelijsten alleen bouw je natuurlijk nog geen ecologisch verantwoorde woningen. Dat is pas een eerste begin van een lang proces van vallen en opstaan. Maar het is wel een spannend en uitdagend proces dat resultaten kan opleveren waar iedereen trots op kan zijn.

Branding gaat in een artikelenserie van drie afleveringen dieper in op duurzaam bouwen in Den Haag. In de laatste aflevering zullen we het hebben over de vraag waarom de voorbeelden van duurzaam bouwen in Den Haag bepaald niet voor het oprapen liggen, ondanks de checklist en tal van nieuwbouwprojecten. Daarover wordt een verantwoordelijke beleidsambtenaar aan de tand gevoeld. Ook zullen we een of twee nieuwbouwprojecten onder de loep nemen die nog op de tekentafel liggen. In de hierna volgende bijdrage wordt aandacht besteed aan het voorbeeld van duurzaam bouwen dat direct genoemd wordt: Wateringse Veld. Dit nieuwbouwproject plaatsen binnen het bredere kader van duurzaam bouwen, dat vergt wat meer woorden dan naar journalistieke maatstaven verantwoord wordt geacht. U kunt zelf beoordelen of het, ondanks de lengte, boeiend genoeg is.


 

Duurzaam Bouwen op Wateringse Veld

Wateringse Veld is een van de Vinexlocaties waar van het Rijk in het open gebied gebouwd mocht worden om tegemoet te komen aan de groeiende vraag naar woonruimte. Doordat Den Haag geen ruimte had om grootschalige nieuwbouw te realiseren is er een strijd met de buurgemeenten losgebrand om uitbreiding van het Haagse grondgebied. In 1994 kwam er een zogeheten 'grenscorrectie' waardoor Wateringse Veld (328 hectare waarvan 260 wordt bebouwd) binnen Haagse grenzen werd getrokken. Vervolgens zijn door de ontwikkelingscombinatie van de Gemeente met het Bouwfonds de tuinders uitgekocht. De eerste paal werd in september 1996 geslagen en in 2006 wordt volgens schema de laatste woning opgeleverd. Er worden in totaal 7500 huizen gebouwd in 8 buurten met ieder een eigen karakter waar in totaal zo'n 20.000 Hagenaars zullen worden gehuisvest. De wijk moet door herkenbare architectuur, lommerrijke lanen, waterpartijen en plantsoenen een echte Haagse uitstraling krijgen. Van de woningen bestaat 80% uit eengezinswoningen. Er komen twee winkelcentra, vier scholen, 10 hectare sportvelden, 12.000 parkeerplaatsen en een aaneengesloten recreatief groengebied.

Wat bij een eerste verkenning, naar wat het duurzame bouwen op Wateringse Veld inhoudt, direct opviel is het schitterende, goed geschreven boek voor de bewoners over hun wijk en de ruime aandacht daarin voor duurzaamheid en leefbaarheid. De productie van dat boek heeft samen met het bewonersfeestje een slordige miljoen gulden gekost. Dat is veel geld. De vraag echter is of een dergelijk boek het beoogde effect van betrokkenheid van de nieuwe bewoners bij de wijk en het duurzame idee daarachter werkelijk bevordert. Een nadeel van een boekwerk lijkt de veelheid aan informatie. Nemen mensen het dan wel echt ter hand, doen ze er wat mee? Zijn er geen betere en minder kostbare manieren om bewoners te betrekken? Wat betreft het persoonlijk betrekken van de bewoners bij de duurzaamheidaspecten van hun wijk zijn geen andere acties ondernomen. Uit een kleine steekproef van ons onder 20 bewoners bleek in het algemeen een behoorlijke tevredenheid over het wonen, 4 mensen hadden stukken van het boek goed gelezen, 6 wel ingekeken en stukjes gelezen, 4 niet gelezen en 6 niet opgehaald. Ook was een aantal mensen van de ondervraagden echt geïnteresseerd in het duurzame concept achter de wijk. Een aantal bevindingen komt verderop nog aan de orde.

Wat ook opvalt, is het enthousiasme van het projectteam voor hun eigen project. Men is er trots op dat vrijwel alles rond duurzaamheid, dat in het begin van het planproces is opgenomen, uiteindelijk ook gerealiseerd is. Dit is bijzonder omdat de weerbarstige praktijk leert dat heel wat zaken als puntje bij paaltje komt onderweg onder andere door de meerkosten sneuvelen. Bij alles wat we hier verder over het project schrijven, willen we benadrukken dat wat betreft duurzaam bouwen Wateringse veld aanmerkelijk beter scoort dan veel andere nieuwbouwprojecten, ook in de buurgemeenten. Er is flink wat meer bereikt dan de landelijke standaard van 1996, zoals vastgelegd in het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen. Een pakket overigens met een niet al te hoog ambitieniveau. De vraag is echter of beter wel goed genoeg is, vergeleken bij wat kan en wat nodig is. En er kan veel als de wil bij de opdrachtgever er is en men een andere financiële bril durft op te zetten. En uiteraard moet met rechte rug onderhandeld worden met bouwers en de aannemers altijd op de vingers gekeken worden.

WOONDICHTHEID
Laten we daarom een aantal van de eerder genoemde criteria voor Duurzaam Bouwen eens op dit woningbouwproject loslaten. Allereerst de woondichtheid en de voorzieningen binnen loop en fietsafstand. Deze twee zaken hangen direct met elkaar samen want hoe meer mensen in een buurt wonen hoe minder grond er aan de open groene ruimte hoeft te worden onttrokken en het behoud van de open groene ruimte is van groot belang voor natuur en milieu. Bovendien betekent veel mensen ook een hoger niveau van voorzieningen als winkels, scholen, recreatie en medische zorg. En dat is goed voor zowel de leefbaarheid als voor het terugdringen van met name de automobiliteit. En al dat blik van de straat is op zich weer goed voor de leefbaarheid.

Er is wel een probleem bij het beoordelen van de woondichtheid. Het is de gangbare opvatting onder beleidsambtenaren dat, om te voorkomen dat de koopkrachtige Hagenaar zijn heil buiten Den Haag zoekt (met alle gevolgen voor de inkomsten en dus voorzieningen van de stad), het nodig is om een ruim aanbod te hebben van liefst vrijstaande eengezinswoningen met tuin en twee auto's voor de deur. De markt zou dit eenvoudigweg voorschrijven. Daarom zijn er nogal wat ruime kavels in het Wateringse Veld. Wij hebben zo onze twijfels over deze aannames. Prettig wonen betekent voor heel veel mensen bijvoorbeeld voorzieningen in de buurt bij voorkeur op loopafstand en het gebrek daaraan is dan ook precies waar de bewoners in Wateringse Veld voortdurend over klagen. Die hebben, lijkt het, weinig prioriteit want hoe kan het anders dat de financiering van een aantal medische posten bijvoorbeeld nog steeds niet rond is, wat tot grote problemen leidt.

Het autobezit is er dan ook onevenredig hoog en je moet concluderen dat, net als in Ypenburg, het dagelijkse leven zonder auto een stuk minder comfortabel is: dat geldt voor de reis naar je werk, een station maar ook langs de dokter, de basisschool of de winkel. Er komen weliswaar nog twee supermarkten, maar een hoog voorzieningenniveau is niet mogelijk bij de huidige woondichtheid. Ook worden voorzieningen onvoldoende ingepland en daarin geïnvesteerd. Men heeft nadat alles al ontworpen en ingetekend was nog wel een poging gedaan om het aantal woningen te verhogen van 7000 naar 8000. Uiteindelijk zijn het er 500 meer geworden. Een gemiste kans dus, want als vanaf het begin op een vernuftige manier compacter was ontworpen dan zou het dubbele aantal woningen gerealiseerd kunnen worden.

Slim en creatief ontwerpen is buiten de geijkte kaders en plattegronden durven te denken en de nieuwe eisen wat betreft duurzaamheid zien als een uitdaging voor vernieuwing. Dat alles zonder uit het oog te verliezen wat mensen als prettig wonen ervaren. Dat betekent voor architecten de verleiding weerstaan mee te doen aan trends die zo tijdsgebonden zijn dat deze over 10 jaar alweer uit zijn. Dat betekent kort gezegd een voor de beleving ruime woning realiseren, met veel licht, goede inrichtingsmogelijkheden, een aardig uitzicht, met de auto onder de grond en voor de liefhebbers een groot balkon om buiten tussen de planten te kunnen vertoeven. Deze woningen vervolgens zo ontwerpen en stapelen dat architectonische kwaliteit gecombineerd wordt met een hoge woondichtheid. Dat betekent tevens dat de prijs per woning aanmerkelijk kan dalen. Dat is goed voor iedereen en daar kunnen dan bijvoorbeeld weer de parkeergarages uit bekostigd worden. Vanuit duurzaamheid gezien had die grotere dichtheid ons landschap en de natuur een hele Vinexlocatie gescheeld en een dubbel zo hoog voorzieningenniveau voor de bewoners opgeleverd.

LEVENSDUUR
Het volgende punt is de levensduur van de woning. Er staan in de oude binnensteden tal van huizen van honderden jaren oud. Een dergelijke levensduur scheelt onnoemelijk veel energie en bouwmaterialen. Het gebruik van duurzame materialen en een stevige constructie levert bij goed onderhoud een veel langere levensduur op. Vreemd genoeg worden alleen populistische en aan de buitenkant zichtbare maatregelen (gebrekkig) doorgevoerd: zo moet je de buitengevel rondom een raam slopen wanneer je een kozijn wilt vervangen dat rot is; 'montagekozijnen' waarin je dat eenvoudig kunt verwisselen worden niet toegepast. Een hardboard binnendeur wordt duurzaam genoemd, maar veel 19e en 20e eeuwse woningen laten zien dat de sterkere paneeldeuren na 100 jaar er nog geweldig uit kunnen zien. Een eikenhouten of teakhouten voordeur is niet alleen mooier maar gaat zonder problemen 100 jaar mee en is maar drie keer zo duur als een deur die nog geen twintig jaar mee gaat. En daaraan zit wellicht een nog belangrijker voordeel. Het geeft de mogelijkheid tot een veel langere afschrijftermijn en dat betekent dat de huizen per levensjaar veel goedkoper worden. Investeringsplaatjes gaan er vanzelfsprekend heel anders uitzien als zonder probleem op deze manier het dubbele budget beschikbaar is. Alle extra kosten kunnen gefinancierd worden door een eenvoudige paragraaf in het belastingstelsel en hypotheekvoorwaarden. De afschrijftermijn in Nederland is nu nog 50 jaar. Dat kan zo naar 75 of 100 jaar wanneer er technisch en esthetisch aan bepaalde eisen wordt voldaan: flexibiliteit, detaillering en materiaalgebruik, onderhoud en reparatiemogelijkheden. In het Wateringse Veld is van die 50 jaar evenwel niet afgeweken. Ook wat dit betreft had men boven de bestaande normen moeten gaan zitten. Voor een deel van de woningen is het daar overigens nog niet te laat. Wanneer we daarbij constateren dat een nieuwbouwwoning voor viereneenhalve ton wordt opgeleverd en binnen een jaar voor drie ton méér wordt doorverkocht, dan is het wrang te constateren dat die winst in de zak verdwijnt van de eerste koper en niet is aangewend om een betere en duurzamere woning te bouwen.

BROEIKASEFFECT
Nu dan de CO2-reductie. Per woning zijn tal van maatregelen genomen zoals zonneboilers, zonnepanelen, bouwen op de zuidkant voor goede lichtinval, een warmtenet met een centraal ketelhuis waarop 2000 woningen worden aangesloten en de gebruikelijke maatregelen als hoog isolerend glas, dakbedekking en spouwmuren. Daardoor is men ruim onder de nationale Energie Prestatie Norm (EPN) uitgedrukt in een coëfficiënt (EPC) van 1,1 gaan zitten. Het Wereld Natuurfonds heeft overigens al huizen gerealiseerd met een norm van 0,6. Dit betekent een verbruik van 400 m3 aardgas ten opzichte van 1200 m3 bij een norm van 1. Dat scheelt dus nogal wat. Wateringse Veld zit op een EPC van 0,85 en de bouwwereld is bereid een EPC van 0,8 tot standaard verheffen, maar die moet dan wel landelijk verplicht gesteld worden. Staatssecretaris Remkes (VVD) wil dit echter niet "dirigistisch" opleggen. Komen de bouwers zelf eens met een goed initiatief, wordt dit zo de grond in geboord. Laten we toch afstappen van dit soort schemadenken. Soms is het beter een norm vast te stellen of te privatiseren en soms niet.

Een bewoner vertelde ons dat het een gemiste kans was dat niet op grote schaal zonnecollectoren zijn aangebracht. Waarom niet hele daken daarmee bekleed? In een deel van Wateringse Veld, de Bouwlusthof, wilde men zelfs een energieneutrale buurt doen verrijzen. Dat betekent net zoveel energie opwekken als verbruiken. Daar zijn voorbeelden van zoals in Heerhugowaard. Hier wil men drie windmolens plaatsen en via een allesbrandertje per huis ook nog wat bij kunnen stoken. Ook leuk voor de mensen. Een EPC van 0 bleek echter moeilijk haalbaar omdat men bijvoorbeeld grote ramen wilde, niet alles op de zon wilde bouwen en ruimere woningen wenste met een bredere gevel en een hoger plafond. Daar zijn goede argumenten voor te geven, want niet alles wat goed voor het milieu is, is ook goed als het gaat om prettig en comfortabel wonen. Een EPC van 0,25 bleek dan wel haalbaar. Of dit project uiteindelijk gerealiseerd wordt, hangt met name ervan af of men het geld ervoor over heeft en of de geluidhinder van de windmolens geen roet in het eten gooit. Ons advies zou zijn om een deel van de extra investeringen te betalen door de afschrijftijd te verlengen. Bovendien mag voor een aansprekend voorbeeld van een wooncomplex binnen de Haagse grenzen met een zeer lage EPC wel dieper in de buidel getast worden.

WATERHUISHOUDING
Nu dan het water. Aan een goede waterhuishouding is met inzet en inventiviteit gewerkt, waarbij watervoorzieningen herkenbare dragers zijn van het totale stedenbouwkundige plan. Zo doet het Wateringse Veld zijn naam ook eer aan. De oude waterlopen, zoals de oude getijdenkreek de Gantel, zijn zo veel mogelijk in takt gelaten en er is slim gebruik gemaakt van de natuurlijke scheiding tussen het hoger en lager gelegen deel. Door het creëren van grote waterpartijen die karakteristiek zijn binnen het project was het mogelijk om een geheel gesloten waterhuishoudingssysteem te scheppen. Dit is dus afgesloten van het boezemwater. Dit betekent dat geen vuil water wordt binnengelaten maar ook dat de waterbergingscapaciteit voldoende moet zijn. Die waterbergingscapaciteit werd gewaarborgd doordat 10% van de wijk uit water bestaat en door het openbaar gebied zo min mogelijk te verharden zodat het water in de grond kan zakken. Door het gescheiden riool wordt het hemelwater niet op het riool geloosd, maar blijft dit binnen de wijk. Dit scheelt kosten aan waterzuivering en energie en door het veel schonere oppervlaktewater ontstaat als vanzelf een gevarieerde oevervegetatie. Wel stelt het behoorlijk hoge eisen aan het voorkomen van vervuiling van het oppervlakte water door afspoeling van vuil op drukbereden wegen, hondenpoep, het wassen van de auto of het sleutelen daaraan op straat, zwerfvuil en, om maar iets te noemen, het gebruik van bouwmaterialen die door uitspoeling zware metalen in het milieu brengen zoals de huidige trend om gevels te bekleden met zink. Dit betekent betere technieken als afvoer van eerste afspoeling van wegen, bakken die voor filtering zorgen en de helofytenfiltering door riet en biezen. Het betekent ook meer aandacht voor controle en beheer.

In het ontwerp en in de uitvoering daarvan is deze waterkwaliteit ook zichtbaar gemaakt om zo een aantrekkelijke woonomgeving en openbare ruimte te scheppen. Dat is gedaan in samenwerking met de stichting Stroom voor toegepaste kunst. Dit heeft ondermeer een basalten kademuur opgeleverd. Samen met de oude Bovendijk als natuurlijke scheiding tussen het hoger en lager gelegen deel is deze muur een functioneel en aantrekkelijk landschappelijk element. Het water dat via open straatgoten in het midden van het wegdek in de zogeheten waterstraten wordt afgevoerd stroomt, uit de kademuur op een spannende manier over ontworpen stenen tafels in de Waterlandsingel. Via een circulatiepompsysteem wordt het water in het hele gebied in beweging gehouden zodat het leeft en zuurstof opneemt. En natuurlijk werken deze pompen op zonne- of windenergie. Tenslotte is voor een betere ontwatering van de klei- en veenbodem gebruik gemaakt van drainagebuizen die zowel voor de afvoer van grondwater als van regenwater zorgen. Het zit dus wel goed met deze integrale aanpak van het waterbeheer.

MOBILITEIT EN ONTSLUITING
De ligging van Wateringse Veld en ook van andere Vinexwijken is gezien vanuit mobiliteit en flexibiliteit niet erg gunstig. Het is een soort eindhalte/satellietwijk waar je slechts op een manier in kunt en op dezelfde manier weer uitkomt. Je komt er nooit zomaar langs als je van het ene deel van de stad naar het andere gaat. Dat betekent niet alleen meer (auto)kilometers, maar ook dat het moeilijk zal zijn om, met gebruikmaking van de totale infrastructuur, een andere functie aan het gebied te geven als de huidige woonfunctie, met name gericht op gezinnen met opgroeiende kinderen, niet meer zou voldoen. Dan moet alles gesloopt. Weg investeringen en kapitaal en jammer voor het milieu.

Maar binnen dit gegeven is door de ontwerpers vanaf het begin van het planproces uitgegaan van een goede ontsluiting van de wijk en het scheppen van alternatieven voor de auto. Men stelt onomwonden dat het autoverkeer dient te worden afgeremd en dat meer asfalt het probleem niet zal oplossen. Wel spreekt men over de centrale ligging van Wateringse Veld. Daar snappen wij niets van, al sluit de wijk zeker beter aan bij Den Haag dan andere Vinexlocaties. Daardoor was het relatief gemakkelijk om "al" in 1999 te zorgen voor aansluiting op het openbaar vervoer door tramlijn 17 door te trekken. Dat is snel vergeleken bij veel andere Vinexwijken. Binnenkort komt lijn 9 daar nog bij. Daarna volgen nog en aantal buslijnen. Dat vanaf het begin de wijk door openbaar vervoer ontsloten is, is van groot belang omdat dit van invloed is op de keuze van bewoners en toekomstige bewoners wat betreft hun vervoerswijze; neem bijvoorbeeld de aanschaf van een eerste of tweede auto. Wel klaagde iemand over de kosten omdat vier zones nodig zijn om in de stad te komen.

De inrichting van de wijk is zo dat auto's niet van de ene buurt naar de andere kunnen, maar altijd via de twee centrale ontsluitingswegen gedirigeerd worden: het Oosteinde en de Laan van Wateringse Veld. Deze wegen sluiten goed aan op het rijkswegennet. In de meest compacte wijk zijn zes autovrije hoven waardoor er meer ruimte is voor groen en speelplekken. En ook de fiets is niet vergeten: vrijliggende fietspaden die aansluiten op recreatieve routes en een fijnmazig netwerk van fietspaden in de buurten. Ook de snelheidsbeperking van 30 km is goed voor het veilig kunnen fietsen. Voor het direct kunnen doorsteken voor fietsers van de ene buurt naar de andere komen er ook speciale fietsbruggen.

Helaas wordt, ondanks deze inzet, toch erg veel ruimte ingenomen door de 12000 parkeerplaatsen. De twee centrale pleinen die sterk hadden kunnen bijdragen aan een groene beleving en aan een leefbare omgeving worden volkomen door het autoblik gedomineerd. De opvatting is dat er zelfs een tekort aan parkeerruimte is. Maar al dit blik had gewoon onder de grond gestopt kunnen worden en door de parkeernorm te verlagen dwing je de bewoners gebruik te maken van de alternatieven. Als je kiest voor Wateringse Veld, met alle voordelen die beperking van de automobiliteit voor de leefbaarheid betekent, is het duidelijk dat meer dan een auto, liefst onder de buurt, er niet in zit. Bovendien zouden meer voorzieningen in de wijk, zoals reeds besproken, structureel voor een forse beperking van de mobiliteitsbehoefte zorgen.

Wat ronduit een gemiste kans is, is dat niet direct het autodelen via bijvoorbeeld GreenWheels sterk gepromoot is. Bij autodelen heeft men persoonlijk niet de lasten van de auto, maar wel de lusten, want er staat met de chipkaart vlak bij huis altijd een auto met boordcomputer klaar. En ook de wijk heeft dan de last niet. Bovendien is het veel goedkoper. Weliswaar wordt in het bewonersboek hier een kleine passage aan gewijd, maar dat zorgt natuurlijk niet voor deelauto's in de wijk.

DE NATUUR ALS NAASTE BUUR
In Wateringse Veld komt naast het water ook veel groen. Al dat groen zorgt door zijn herkenbare variatie voor rust en beslotenheid en draagt aldus sterk bij aan de leefbaarheid. Belangrijk is dat men ervoor gezorgd heeft dat al dat groen op elkaar aansluit. Daardoor heeft het behalve een belangrijke recreatieve waarde vlak voor de deur, ook een belangrijke ecologische functie zeker daar waar speciale ecologische zones zijn aangelegd die niet in de eerste plaats een recreatieve functie hebben. In de grote brede ecologische zones zoals langs de Rijner Watering, heeft de natuur vrij spel. De aaneengesloten ecologische verbindingszone is van groot belang voor het behoud van de verscheidenheid in de natuur. Deze loopt dwars door de wijk en legt zo een verbinding tussen het bedreigde natuurgebied de Uithof en de Voordes in het Noorden en de waterloop de Zweth en het veenweidegebied Midden-Delfland. Een knelpunt is de flessenhals bij de toekomstige stadsboerderij.

In de buurten worden maar liefst 300 verschillende boomsoorten geplant die binnen de condities van Wateringse Veld lijken te kunnen floreren. Hierdoor wordt het bomenspectrum veel gevarieerder dan gebruikelijk in stadswijken. Aardig is dat de "boomkunstenaar" die de selectie heeft gemaakt ook een bomengids heeft samengesteld en granieten tegels heeft gemaakt die aan het begin van de straat in de trottoirs geplaatst zijn. Op deze stenen staan de naam en bladvorm van de bomen.

MATERIAALGEBRUIK
In Wateringse Veld zijn behoorlijk hoge eisen gesteld aan het gebruik van duurzame materialen. Dan gaat het om lange lijsten met beschrijvingen en eisen waar bouwers en aannemers zich aan dienen te houden. Of dat ook gebeurd is, valt alleen met een technisch onderzoek te achterhalen. Daar zijn wij niet aan begonnen en daar hebben we ook het geld en dus de deskundigheid niet voor. Er mocht in ieder geval geen tropisch hardhout gebruikt worden of het moest het FSC-keur hebben. Materialen als lood en zink zijn zo min mogelijk verwerkt doordat de winning vaak desastreus is voor het milieu en deze door uitspoeling en verwering zware, giftige metalen in het milieu brengen. Opvallend is dat beton als duurzaam wordt gekenmerkt, terwijl de productie van beton zeer hoog energetisch is en de delving van de benodigde grondstoffen vaak met forse milieuschade gepaard gaat. Natuurlijk zijn er wel verbeteringen zoals het verwerken van puingranulaat in plaats van grind en eisen aan de winning van zand en mergel in Nederland. Maar het blijft een niet erg duurzaam bouwmateriaal. Ook hergebruik is beperkt mogelijk.

SCHOONHEID IS DUURZAAM
Bij de opzet van de wijk zou een poging worden gedaan aan te sluiten bij het 'Haags repertoire' aan wijken: de groene lanen van Zuid-west, huizen met kappen als in Benoordenhout en Marlot, de moderne witte architectuur in het Bos van Zanen. De wijk moest daarmee niet alleen 'Haags' worden, maar ook op lange termijn ontsnappen aan de waan van de dag waar veel nieuwbouw onder lijdt. Wanneer je sommige stukken in het Lage Veld bekijkt, lijkt dat daar maar matig gelukt. Onder de stedenbouwers en architecten wordt nauwelijks in deze zin gedebatteerd over duurzaam bouwen. Terwijl de kwaliteit van de vormgeving van woningen en de openbare ruimte van groot belang is, als het er om gaat voor tientallen jaren een aantrekkelijke woonomgeving te hebben en te houden.

Er zou nog veel meer te vertellen zijn over Wateringse Veld zoals de problemen die het gevolg zijn van het overplanten van hele straten uit Zuid-West naar de buurt Lage Veld waarmee de sociale problematiek ook overgeplant wordt. Over het belang van het intensief betrekken van bewoners bij hun buurt door een combinatie van aansprekende informatie, positieve waardering, goed beheer en controle met sancties om de hondenpoep en het zwerfvuil zoveel mogelijk te voorkomen. Uit onze gesprekken met bewoners bleek veel mis te zijn met het beheer: veel mensen die hun auto toch op straat wassen, hondenpoep, verkeerd aangeboden huisvuil, vernielingen, illegale puinstort, veel zwerfvuil etc. Ook werd gewag gemaakt van schadelijk bouwafval met piepschuim, lege kithulzen en blikken, het gebruik van purschuim en vragen over het onderhoud van de zonnepanelen.

In het bestek van dit artikel is het niet mogelijk daar verder op in te gaan. De beoordeling van Wateringse Veld voor wat betreft duurzaam bouwen is niet makkelijk. Je zou kunnen zeggen dat in het land der blinden eenoog koning is. Dat zou het projectteam geen recht doen. Als je ook beoordeelt vanuit inzet en wat binnen de vastgelegde kaders mogelijk was scoort dit project binnen de Haagse context gewoon erg goed. Indien we uitgaan van wat vanuit een brede en integrale benadering kan en mogelijk en nodig is, scoort het project zeker voldoende. En de beoordeling van Den Haag als geheel houdt u nog van ons tegoed.

Frans van der Steen

 

 

WIE HET EERST ONDERHANDELT, ONDERHANDELT HET BEST?

De Zwarte Madonna is een woongebouw op een steenworp afstand van het Centraal Station in Den Haag. De gemeente wil de Zwarte Madonna en twee aangrenzende ministeriegebouwen slopen om zo ruimte te maken voor het "Wijnhavenplan", een plan met kolossale nieuwbouw voor de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken. Hoewel het plan van de gemeente ook een bescheiden aantal woningen, diverse voorzieningen en talrijke winkelruimtes bevat, is het overduidelijk dat het Rijk de drijfveer is achter het plan.
September jl. schreef Frans van der Steen een aansprekend artikel over de Zwarte Madonna ("De kwestie Zwarte Madonna: een zwarte bladzijde?", Branding nr.2). Dat de sloop van drie technisch zeer goede gebouwen, die nog lang niet zijn afgeschreven, vanuit milieuoogpunt een slechte zaak is, behoeft geen discussie. Daarover was Van der Steen dan ook kort. In het artikel lag de nadruk veel meer op het besluitvormingsproces dat tot het Wijnhavenplan heeft geleid. De kritiek van Van der Steen was dat hierin o.a. milieubezwaren geen rol hebben gespeeld. Hij stelde dat kwaliteit van het besluitvormingsproces cruciaal is als het om duurzaamheid gaat.
In Branding nr.3 reageerde wethouder Hilhorst op de kritiek. Met een verhaal over hergebruik probeerde hij de milieubezwaren te bagatelliseren om vervolgens in het geheel voorbij te gaan aan de kritiek op het besluitvormingsproces. Namens de bewoners zet ik mij nu alweer 1.5 jaar in voor behoud van de Zwarte Madonna. De kritiek van de bewoners is net als die van Van der Steen voor een groot deel gericht op het besluitvormingsproces. Wij vinden de besluitvorming onzorgvuldig, o.a. omdat er onvoldoende aandacht is geweest voor de vele alternatieve plannen.
Uit ervaring weet ik dat bezwaren van bewoners (en andere Hagenaars) hetzelfde lot is beschoren als milieubezwaren. Zij worden weggepoetst met mooie, maar inhoudsloze woorden. Op die manier wordt voorbijgegaan aan de kern van de bezwaren. Hoe komt het toch dat dergelijke maatschappelijke belangen zomaar worden weggehoond? De oorzaak ligt in het besluitvormingsproces.
Een besluitvormingsproces over zo'n groot project begint meestal met geheime onderhandelingen tussen de driehoek, gemeente, projectontwikkelaars en afnemer (in dit geval het Rijk). De belangen zijn vooral van financiële en economische aard. De gemeente wil werkgelegenheid en economische groei. De projectontwikkelaars willen investeringen met weinig risico en een hoog rendement. De afnemer wil voor weinig mooie nieuwe gebouwen. De belangen lopen dus ver uiteen en de onderhandelingen verlopen moeizaam. Geen van de partijen heeft er belang bij om andere dan technische of financiële bezwaren bij de besluitvorming te betrekken. Zeker als het Rijk zelf de afnemer is, zullen milieubezwaren het moeten afleggen tegen een zeer sterke drang om tot besluitvorming te komen.
Pas als genoemde driehoek het eens is, komen de plannen in de openbaarheid en krijgen bewoners en ander belanghebbenden (bijvoorbeeld milieuorganisaties) de kans hun zienswijze naar voren te brengen. De driehoek heeft er dan echter geen enkel belang meer bij om af te wijken van de in de achterkamertjes moeizaam overeengekomen afspraken. Zij stellen dus alles in het werk om bezwaren en alternatieven van welke aard dan ook te bagatelliseren of zelfs helemaal terzijde te schuiven. In de gemeenteraad worden zij daarin ondersteund door de collegepartijen die niet het risico willen lopen op electorale schade en dus hun eigen wethouder niet zullen afvallen.
Zolang de besluitvorming bij dit soort processen niet wordt omgedraaid (eerst inspraak en pas daarna onderhandelen) zullen milieuoverwegingen en bewonersbelangen, tenzij wettelijk vastgelegd, geen rol spelen. Het is de arrogantie van de macht dat zij, zonder naar haar burgers te luisteren, denkt te weten hoe de stad bestuurd moet worden en welke waarden voor haar burgers belangrijk zijn. Het milieu en de huurder delven in dit machtsspelletje vooralsnog vaak het onderspit. Toch heb ik goede hoop dat Fort Madonna onneembaar zal blijken, en wie het laatst lacht...

Oscar Dijkhoff,
voorzitter van de Stichting Vrienden van de Zwarte Madonna

 

 

REGIONAAL STRUCTUURPLAN HAAGLANDEN
GROENE KOOL EN RODE GEIT SPAREN

Het plan dat het meest de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling - en dus ruimte voor groen, landschap, water, wonen en bedrijvigheid - in de wijde omgeving van Den Haag bepaalt, is het Regionaal Structuurplan Haaglanden. En wat wil het geval: Stadsgewest Haaglanden heeft in mei van dit jaar een ontwerp Regionaal Structuurplan het licht doen zien. In de nieuwste voorstellen van het ministerie van VROM voor wijzigingen van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) wordt het Regionaal Structuurplan (RSP) een toetsingskader voor het gemeentelijke bestemmingsplan. Nog meer reden dus om hier aan het Haaglandse plan de nodige aandacht te besteden.
Bemoedigend is op het eerste gezicht de teneur van het Structuurplan. Het is 'groen' wat de klok slaat, inclusief uitspraken over een 'groen netwerk' dat voorrang krijgt boven verdere verstedelijking. Bij nader onderzoek, en dan met name van de 'doorkijk 2010-2020', komt echter een minder rooskleurig beeld naar voren, met name op het gebied van woningbouw, glastuinbouw, water en vervoer. Ons grote bezwaar tegen het Structuurplan is dat noodzakelijke keuzes op al deze terreinen uitblijven: ‚én meer woningbouw ‚én bedrijventerreinen, én vasthouden aan het glastuinbouwcomplex in het Westland ‚én meer waterberging ‚én het intact laten van de groene ruimte; dat is echt teveel voor een regio waar de ruimtelijke claims nu al over elkaar tuimelen. Tenzij. Tenzij er gezocht wordt naar interessante functiecombinaties. Maar in dat opzicht, waar de opstellers toch het nodige van af weten met de huidige hype aan peperdure en druk bezochte congressen, stelt dit plan hevig teleur. Alleen in de combinatie wonen en groen ziet men miraculeuze mogelijkheden, maar hoe, dat blijft vooralsnog duister. Maar eerst willen we nu het structuurplan op de bovengenoemde terreinen apart langs onze groene meetlat leggen.

Woningbouw en glastuinbouw
In de periode vóór 2010 bedelt de regio als het ware om extra woningen als extra opvang van de woningbehoefte uit de Leidse regio en het Groene Hart; alsof we ruimte over hebben in Haaglanden. Na 2010 wil men koste wat het kost de bevolkingsgroei in Haaglanden vasthouden, mét de bijbehorende 24.000 tot 40.000 woningen (conform het ontwerp Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening) en 250 hectare bedrijventerreinen. Daarvoor wordt allereerst een oplossing gezocht in het intensiever gebruik van de ruimte in de stedelijke centra en in de herstructurering van de vroegnaoorlogse wijken. Maar als dat onvoldoende soelaas biedt, komt een derde optie in beeld: nieuwe uitleg rond de kernen, dus boven op het forse ruimtebeslag van de huidige Vinex-uitbreidingen.
De glastuinbouw wordt nog immer met omzichtigheid aangepakt. De reductie van glas blijft beperkt en de uitplaatsingen moeten zo dicht mogelijk bij Haaglanden plaatsvinden. Zuid-Holland wil in ieder geval het zelfde areaal glastuinbouw binnen zijn grenzen houden.

Water en vervoer
Water moet eerder sturend dan volgend zijn, zo luidt een belangrijk uitgangspunt van de hedendaagse ruimtelijke ordening. In dit opzicht schiet het Structuurplan tekort, en dat voor een gebied waar het probleem van de wateroverlast door het extreem hoge percentage verhard oppervlak zo groot is. De waterkansenkaarten van de hoogheemraadschappen Delfland, Schieland en Rijnland zijn in dit verband onmisbare achtergronddocumenten. Welke gebieden moeten voor waterberging worden gereserveerd, waar kan nog conventioneel worden gebouwd, ook als het om kassen gaat en waar verdient het de voorkeur dat amfibische vormen van woningbouw en glastuinbouw ontwikkeld worden? Een centrale stedenbouwkundige ontwerpopgave voor deze regio wordt veel te summier, ja zelfs enigszins verholen geformuleerd in het Regionaal Structuurplan, laat staan naar behoren uitgewerkt.
Wat het vervoer betreft stellen de railplannen teleur. In het kader van de Randstadrail wordt per saldo weinig nieuwe rails aangelegd, zeker niet op korte termijn. Den Haag Zuid en West blijven in hun relatieve openbaarvervoerisolement steken. De Zuidtangent (lijn 37: Kijkduin-Delft-Pijnacker-Zoetermeer) krijgt slechts een plaatsje in het zogeheten Agglonet, een aanvullend net van tram- en buslijnen. Als we niet uitkijken wordt die lijn 37 een uit zijn krachten gegroeide HTM-buslijn 23. En hoe lang is het nog wachten op de ZoRolijn (Zoetermeer-Rotterdam). Verbindingen vanuit Kijkduin en Den Haag Zuidwest naar Hoek van Holland en de noordoever van de Nieuwe Waterweg ontbreken geheel. Voor een ecologisch verantwoorde ontwikkeling van landschap, toerisme en recreatie in de kustzone tussen Kijkduin en Hoek van Holland vormt een kusttramlijn een onontbeerlijk onderdeel. En wat betreft het wegvervoer: een mogelijk onafwendbare aanleg van de A4 moet gepaard gaan met een uitdunning en statusvermindering van parallelle wegen (in dit geval van de A13), twee parallelle snelwegen zo vlak bij elkaar is een nodeloze versnippering van het landschap.

Offensief en creatief
Haaglanden - groene schakel in de Randstad - dat is de centrale leus van het Structuurplan. De kwaliteit van de regio is volgens het plan gelegen in zijn groene karakter en zijn ligging aan zee. Die kwaliteit is echter al danig aangetast. Wie zich de kaart van Haaglanden voor de geest haalt, ziet enorme stukken die absoluut geen 'groene' kwaliteit hebben, overigens vaak ook weinig stedelijke of andere ruimtelijke kwaliteit. Het geschetste beeld van de huidige situatie in het RSP is te positief, te zelfgenoegzaam. Een hoger ambitieniveau is nodig, niet alleen in de 'groene' sector; aan de orde is kwaliteitsimpuls over de hele bandbreedte. In dit verband verdienen de volgende projecten een offensieve en creatieve strategie.

Midden-Delfland
De identiteit en ruimtelijke kwaliteit van deze 'groene buffer' tussen de Haagse en Rotterdamse agglomeratie is na het binnen afzienbare tijd aflopen van de speciale status die dit gebied had in het geding. Weliswaar is Midden-Delfland inmiddels een zogeheten Belvedèregebied (dat om cultuurhistorische redenen volgens de zogeheten Belvedèrenota van staatssecretaris Rick van der Ploeg aandacht en bescherming geniet), maar met het louter in stand houden van een landschap komt men er niet. Wie dit gebied niet wil degraderen tot de kinderboerderij van de zuidvleugel van de Randstad, moet een innovatief agrarisch programma ontwikkelen voor dit bij uitstek agrarische cultuurlandschap, bijvoorbeeld als proeftuin op het gebied van de biologische veehouderij en agrarisch natuurbeheer.

Westlandse zoom
Deze kustuitbreiding biedt ongekende kansen op ecologisch, landschappelijk, recreatief en toeristisch terrein: haffen, lagunes, eilanden, baaien, verschillende milieus van zoet naar zout, en wat dies meer zij. Als men daarbij maar niet in de oude fout vervalt om 'het nieuwe land' puur als dumpplaats te zien van functies waarvoor op het oude land geen plaats meer is. De in het Structuurplan geplande landschappelijke ontwikkeling van de Westlandse kustzone (d.m.v. van uitplaatsing van oude glastuinbedrijven vlak achter de zeereep) blijft een doodgeboren kindje als een kustuitbreidingsplan niet van de grond komt. Het blijft dan een geïsoleerde, tamelijk smalle strook, ingeklemd tussen een kaarsrechte dunne duinenrij aan de ene kant en een zee van kassen aan de andere kant. De bestuurders die van de zogeheten Westlandse Zoom een hoogwaardige woonlocatie willen maken, zullen hier ook iets moeten doen aan de belevingswaarde van de kust en daar hoort ook een fikse ecologische investering bij.

De Groenblauwe Slinger
Deze slinger is een (met name door de provincie ge‹nitieerde) beoogde groene en blauwe verbinding tussen Groene hart en Oude Rijn enerzijds en Midden-Delfland en Nieuwe Waterweg anderzijds. Deze is in zijn huidige omvang en opzet niet levensvatbaar. Een probleem van de slinger is de smalle corridor tussen Pijnacker en Berkel-Rodenrijs. Deze flessenhals biedt in de nu voorgestelde opzet te weinig ecologische mogelijkheden om als verbinding voor plant en dier dienst te kunnen doen. Natuurmonumenten heeft om die redenen er al voor bedankt dit gebied te beheren. Of er voor de recreant genoeg te beleven valt, is twijfelachtig. Met al die geplande Vinex-nieuwbouw eromheen gaat zoiets toch al snel op de zoveelste suburbane groenzone lijken. Wie de Groenblauwe Slinger wil redden moet inzetten op verbreding op het kritieke punt, dus niet alleen ten oosten, maar ook ten westen van Pijnacker (daar zouden wel flink wat hectaren glastuinbouw voor moeten verdwijnen), zodat ook Delfste Hout/ Bieslandse Bos uit hun relatieve isolement gehaald kunnen worden en er vanuit de Vinexwoningbouwlocatie Ypenburg directe en aantrekkelijke verbindingen met Midden-Delfland ontstaan. Kijk, dan krijg je iets waar de mensen zich wat bij kunnen voorstellen. Nu is de Groenblauwe Slinger een begrip waar de gemiddelde Haaglander zich weinig bij voor kan stellen. Blijft dit in aanzet belangrijke project in het stadium van 'too late too little' steken, dan kan het beter maar helemaal opgegeven worden, dan is het zonde van alle geld en energie. Niemand zit te wachten op de groene kleren van de gedeputeerde.

Steven van Schuppen en Dick Ooms, AVN

 

 

MADESTEIN

Geachte redactie,
In tegenstelling tot wat u suggereert in het artikel over Madestein in het september/oktober nummer van Branding, wordt de planontwikkeling rond het gebied Madestein wel degelijk bekeken in een groter geheel. Ik wil dit graag in deze reactie toelichten.

Westlandse Zoom
Midden oktober is een concept-structuurvisie gereed voor de Westlandse Zoom.
De structuurvisie dient vorm te geven aan een integrale kwaliteitsverbetering van de Westlandse Zoom, waarbij de te ontwikkelen dan wel te verbeteren groenblauwe inrichting en het infrastructurele netwerk het kader bieden voor in het gebied te realiseren (luxe) woningbouw. Onder andere worden in de concept structuurvisie ecologische verbindingszones aangegeven. De structuurvisie bestrijkt een periode tot 2020, daarom is gekozen voor een kader waarbinnen nog verschillende ontwikkelingen mogelijk zijn. Uitgangspunt is echter wel dat de woonzones zodanig worden ontwikkeld dat zij voldoen aan een algemene verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en het recreatieve netwerk in de Zoom. De ontwikkelingen in het gebied Madestein passen binnen deze concept structuurvisie.

Financiën
In de intentieovereenkomst met de betrokken partijen is bepaald dat zo nodig uit de groenfondsen van de deelnemende partijen zal worden bijgedragen aan financieel zwakke functies. Voor zover water- en groenvoorzieningen in het plangebied Madestein worden gerealiseerd, zijn de hiermee gemoeide kosten opgenomen in de grondexploitatie en is dus geen bijdrage nodig uit de groenfondsen van de deelnemende partijen.
In de structuurvisie Westlandse Zoom zal een overzicht worden opgenomen van geraamde kosten voor water- en groenvoorzieningen in het totale gebied van de Westlandse Zoom. Duidelijk is dat hiervoor een collectieve financiering zal komen. Deze ramingen zijn mede kostendrager van de ontwikkelingen en daarmee essentieel voor het behalen van het beoogde kwaliteitsniveau. Op welke wijze deze pot gevuld gaat worden (opbrengsten van de woningbouwontwikkeling, vaste bijdragen of specifieke fondsen) is nu nog niet duidelijk, maar de collectiviteit bij de overeengekomen intenties vergt een financiële inspanning van alle daarbij betrokken partijen.
Het plan Madestein heeft in een voorcalculatie een positief saldo dat circa 10% bedraagt van de geraamde investeringskosten. Vooralsnog is dat een bescheiden marge ter dekking van de mogelijke risico's, welke zich bij de planontwikkeling kunnen voordoen. Onvoorziene procedurele vertraging is trouwens één van die moeilijk beheersbare risico's.

Waterplan
De locaties aan de Monsterseweg en de Nieuwe Weg liggen buiten het plangebied van villawijk Madestein.
De locaties zijn opgenomen in het Waterplan Den Haag 1998, dat bestaat uit een beleidsdeel en een operationeel deel. In het Waterplan is aangegeven, dat uitvoering is gepland na 2002.

Vijfde Nota, groter verband
Van de 5e nota is alleen deel I verschenen waarin voornemens van het Rijk zijn vastgelegd, maar nog geen beleid. Momenteel loopt de inspraakronde. De partijen die betrokken zijn bij de opstelling van de structuurvisie zijn van mening dat de Nota onvoldoende ruimte biedt voor de beoogde ontwikkelingen in de Zoom, waarbij de structuurvisie Westlandse Zoom een poging is om ingang te krijgen op rijksniveau. Het uiteindelijke ruimtelijke beleid vindt zijn neerslag in deel III - de planologische kernbeslissingen.
Overigens heeft de gemeente haar bezwaren tegen dit onderdeel van de 5e nota meteen kenbaar gemaakt en ook gewezen op discrepanties met andere doelstellingen van rijksbeleid, met name vervat in het Grote Steden Beleid.

De herziening van Streekplan ZHW uit 1995 is in gang gezet. De Structuurvisie Westlandse Zoom is hiervoor een opmaat. De structuurvisie Westlandse Zoom wordt in samenwerking met de provincie opgesteld. De provincie is tevens deelnemer in de intentieovereenkomst en ondertekenaar van het convenant, met een inspanningsverplichting ten aanzien van een voortvarende procedurele behandeling van o.a. het plan Madestein.

Midden oktober is de concept structuurvisie Westlandse Zoom gereed. Op basis hiervan zal het voorontwerp bestemmingsplan Madestein door de Provinciaal Planologische Commissie worden beoordeeld. Aldus wordt de planontwikkeling Madestein ingepast in een groter, regionaal kader.

Beeldkwaliteitplan
Ter bewaking van o.a. de ecologische kwaliteiten zullen bij de uitgifte van de grond voorwaarden worden gesteld inzake de inrichting van het gebied en de kavels, het realiseren van erfafscheidingen, de gewenste bebouwingsvorm etc.

Hoogbouw
Naar aanleiding van de inspraakreacties op het voorontwerpbestemmingsplan is aan de ontwerpers van het stedenbouwkundig plan (Karelse van der Meer/Bosch en Slabbers) aanvullend opdracht gegeven om nader onderzoek te doen naar de bebouwingsvorm en de situering van de geprojecteerde hoogbouw, dan wel naar consequenties voor ruimtebeslag en stedenbouwkundige kwaliteit bij een vergelijkbaar woningaantal in een lagere bebouwingsvorm.

Uitgifte van openbaar gebied aan eigenaren
Uitgangspunten voor het beheer en onderhoud van het openbaar groen zijn vastgelegd in het Groenbeleidsplan en opgenomen in het Programma van eisen voor de inrichting openbare ruimte en in het gemeentelijk Groenbeheersysteem. Met de particuliere eigenaren zal te zijner tijd een beheerconvenant worden gesloten, waarin zal worden vastgelegd welke partij verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud en aan welke eisen moet worden voldaan. Gezien het ambitieniveau van het plan is te verwachten dat deze eisen het standaardprogramma voor de inrichting van openbare ruimte eerder zullen overschrijden.

Functie Recreatiegebied / Buurtpark
Voor de toekomstige bewoners zal het recreatiegebied plaatselijk functioneren als 'buurtpark'. Recreatiegebied Madestein blijft verder uiteraard behouden als publieke voorziening op stedelijk en regionaal niveau. Voor het recreatiegebied wordt een ontwikkelingsvisie opgesteld in een open planproces met belanghebbenden. Eén van de uitgangspunten daarvoor is de ecologische functie van het recreatiegebied.
In de nieuwe planopzet ontstaan door concentratie van openbare ruimte (o.a. de Brink in het deelplan Bomen) juist nieuwe interessante en toegankelijke verblijfsgebieden. Verder krijgt Madestein straks door een beter netwerk van doorgaande langzaam verkeersroutes betere aansluiting met de omgeving.

Ten aanzien van de conclusie
Een in volgorde geschakelde en zonder anticipaties volledig te doorlopen procedure lijkt wel heel correct en zorgvuldig, maar zal de facto juist tot een niet te beheersen, voor alle betrokkenen slechtere uitkomst leiden.
Het momentum van de ontwikkelingen in de glastuinbouw enerzijds en in de woningmarkt anderzijds gebiedt nú principieel te kiezen voor ofwel handhaving met reconstructie van het tuinbouwareaal ofwel herbestemming tot een hoogwaardig woon- en recreatiemilieu waar per saldo de functies rood én groen versterkt worden. De Haagse gemeenteraad heeft voor de laatste optie gekozen, overigens na goed overleg met de belanghebbenden in de lokale tuinbouw. Ook uit de intentieovereenkomst Westlandse Zoom blijkt de voorkeur voor deze optie bij de andere partijen.
Teveel tijdverlies en onzekerheid met betrekking tot de uitkomst van te doorlopen procedures zal in de praktijk leiden tot het onduidelijk continueren van een verpauperend tuinbouwareaal, verlies van gemeentelijke regie op grond- en ontwikkelingsposities, sterk afnemende mogelijkheden tot het nemen van risico's nodig voor herbestemming tot hoogwaardige woon- en recreatiefuncties en uiteindelijk ook tot het wegvallen van de basis voor financiering van bijvoorbeeld ecologisch gewenste maatregelen elders.

A.J Hilhorst, wethouder ROSV Den Haag

 

 

In Branding nr. 2 september/oktober wordt onder de kop: 'De kwestie Zwarte Madonna: een zwarte bladzijde?', de plannen van de gemeente Den Haag in het Wijnhavenkwartier besproken. Bij deze wil ik enkele kanttekeningen plaatsen bij de inhoud van dit artikel.

Vernieuwing van het centrum

Vijftien tot twintig jaar geleden had het centrum van Den Haag een ander gezicht en een andere uitstraling. De vernieuwing die de afgelopen jaren heeft plaats gevonden, de ontwikkeling van het nieuwe stadhuis en de Resident geven Den Haag als stad een meerwaarde.
Het Wijnhavenkwartier ligt naast het Centraal station en is de verbinding tussen station en centrum. Verbetering van dit gebied past in de integrale aanpak van de binnenstad. Het gebied heeft een belangrijke functie als toegangspoort en centraal gebied in het centrum van de stad Den Haag. Voor de invulling daarvan is de studie van Richard Meier het uitgangspunt, maar de definitieve architectonische uitwerking is nog niet gekozen en vastgesteld en daarbinnen bestaat ruimte voor overleg en betrokkenheid.
Om meer achtergrondinformatie te krijgen over de ideeën die leven rondom de studie van het Wijnhavenkwartier werden in de maand oktober van dit jaar consultatierondes georganiseerd waarbij opinieleiders, bewonersorganisaties, ondernemers, architecten en historici gevraagd werdt hun ideeën, wensen en opmerkingen te formuleren met betrekking tot de invulling en vormgeving van het gebied.


Hergebruik

Bij een eerdere studie naar renovatie van de ministeries bleek dat indien men gebruik maakt van het bestaande skelet, er meer vierkante meters per werkplek ontstaan dan strikt noodzakelijk. Een totaal nieuw stedenbouwkundig concept maakt meer kwaliteit en een hogere dichtheid mogelijk.
Bij sloop van de Zwarte Madonna en de twee ministeries wordt materiaal hergebruikt, zij het op een andere manier. In overeenstemming met de eisen voor een sloopvergunning, moet namelijk circa 95 procent van de afvalstoffen geschikt zijn om afgevoerd te worden naar verwerkingsinrichtingen. Daar wordt bijvoorbeeld beton verwerkt tot secundaire grondstof voor de fundering van rijkswegen.
Daarnaast vindt er momenteel onderzoek plaats naar gebruik van betongranulaat als vervanging van grind. Dat heeft als milieueffect dat er minder grind afgegraven hoeft te worden langs rivieren als de Maas.

Verscheidenheid in woningbouw

Ook mensen met een kleinere beurs moeten in het centrum kunnen blijven wonen. Er is geen sprake van dat woningen worden opgeofferd aan kantoren. Er komen 500 woningen waar nu 336 staan. De sociale huurwoningen die in het nieuwe plan komen (tenminste 100) zijn net zo betaalbaar als andere nieuwe sociale huurwoningen. Daarnaast worden in de binnenstad rond de 200 woningen extra gebouwd in de prijsklasse van de Zwarte Madonna, waarbij rekening wordt gehouden met de marktontwikkelingen.
Met de woningbouwcorporatie Haag Wonen wordt zorgvuldig overleg gepleegd over de herhuisvesting van de bewoners van de Zwarte Madonna en momenteel worden de woonwensen van de bewoners geïnventariseerd. Het is zeker niet zo dat alle bewoners tegen sloop van het gebouw zijn of niet bereid zijn te verhuizen. Dat neemt niet weg dat een verhuizing een ingrijpende verandering is in iemands leven, maar dit kan ook een verbetering van de woonsituatie betekenen.
Daarnaast heeft onderzoek uitgewezen dat de binnenstad in hoofdzaak over goedkope woningen beschikt en we willen de binnenstad nu juist ook voor andere (doel)groepen toegankelijk te maken. Er zullen koopwoningen worden gebouwd met een grote differentiatie in prijsklassen. Een gedifferentieerd woonmilieu heeft in het algemeen een gunstig effect op het woon-, leef- en vestigingsklimaat.
Verder wordt ruimte gecreëerd voor diverse én stedelijke én dienstverlenende functies - zoals kinderdagopvang, sportvoorzieningen, winkels, restaurants en een hotel - die het werken en wonen in het Wijnhavenkwartier meerwaarde geven.

Kansen en mogelijkheden

Ik wil de ontwikkelingen in het Wijnhavenkwartier graag benoemen in termen van kansen en mogelijkheden. Het is voor de stad Den Haag niet moeilijk gebleken om investeerders te vinden.
Van de ruim vijf miljard die in Den Haag Nieuw Centrum is geïnvesteerd is vier miljard afkomstig van marktpartijen. De Resident is - afgezien van de openbare ruimte - door private financiers betaald. Dit soort ontwikkelingen kunnen op gang worden gebracht door de overheid. Dat is in het verleden effectief en succesvol gebleken (stadhuis - centrum, Hogeschool - Laakhaven). Het CS-kwadrant is absoluut kansrijk. De markt staat daar klaar om te investeren.
Daarnaast is de overheid in Den Haag de grootste en één van de meest waardevolle werkgevers. We kunnen niet zomaar voorbijgaan aan de wensen die deze werkgever heeft ten aanzien van de huisvesting en de urgentie van de vernieuwing.
De ontwikkeling van het Wijnhavenkwartier biedt kansen en mogelijkheden. In sociaal-cultureel, (sociaal) economisch en stedenbouwkundig opzicht. Het moet en kan er op die plek leefbaarder en aantrekkelijk uit gaan zien. Over de uiteindelijke invulling kun je van opvatting verschillen, maar de intentie is het gebied te verbeteren. Dat lijkt me een positieve inzet.

A.J. Hilhorst, wethouder ROSV Den Haag

 

Agenda

Zin in een dagje uit?

Hier ziet u wat er de komende weken in Den Haag en omstreken op natuur- en milieugebied te doen is

 
  Branding

 

Neem een gratis abonnement op Branding, hét Haagse tijdschrift voor natuur en milieu, of klik hier voor de elektronische versie.